HANDBOEK VOOR. DE SLAGER. HANDBOEK VOOR DE SLAGER Worldcopyright N.V. UNIVERSUM AMSTERDAM—ANTWERPEN Bandontwerp en Lay-out ROEL KNOBBE Titelplaat: Vierkleurenreproductie naar een schilderij van de bekende dierenschilder T. Engel VOORWOORD DOOR ZIJNE EXCELLENTIE DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ EN VOEDSELVOORZIENING S. L. MANSHOLT Vele boeken zijn er, die men niet achter elkander uitleest, doch die men telkens opnieuw ter hand neemt, teneinde er steeds weer nieuwe kennis en wijsheid uit te putten. Met het werk „Handboek voor de Slager" hebben de samenstellers in de ware zin des woords „de koe bij de horens gevat" om de leden van het slagersambacht te doen delen in de door hen verzamelde kennis omtrent dit nuttige en veelzijdige vak. Zij hebben er blijkbaar naar gestreefd zo uitvoerig en conscientieus mogelijk de materie van het slagersvak ten nutte van alle slagerspatroons en -gezellen uiteen te zetten. Deze zullen daarom ongetwijfeld na het lezen van dit boek aan hun theoretische en practische kennis nog meer wetenswaardigheden kunnen toevoegen, hetgeen zowel de Nederlandse als ook de buitenlandse consument de trompet kan doen steken over de producten van de Nederlandse slagerij. Moge de inhoud van dit Handboek er het zijne toe bijdragen de vakbekwaamheid van de slagers nog te vergroten. Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening INLEIDING DOOR DE VOORZITTER VAN HET BEDRIJFSCHAP VOOR HET SLAGERSBEDRIJF EN VAN DE FEDERATIE VAN SLAGERSPATROONSBONDEN C. BURGER Al geruime tijd was mij bekend, dat voorbereidingen werden getroffen voor de verschijning van een Handboek voor de Slager. Naarmate mij over de opzet, samenstelling en uitvoering meer ter ore kwam, in diezelfde mate werd mijn verwachting omtrent dit boek hoger gespannen. Een lijst van medewerkers, een inhoudsopgave, een prospectus dat een beeld gaf van de inhoud en de werkelijk unieke illustratie, voerden de belangstelling waarmee ik deze uitgave ging tegemoetzien, nog op. En toch — nu het boek dan voor mij ligt — blijken mijn toch reeds zo hoog gestelde verwachtingen nog verre overtroffen te zijn. Want het werk, dat de Uitgeversmaatschappij Universum thans het licht heeft doen zien, stelt alles wat wij op dit terrein tot dusverre zijn tegengekomen, toch wel volkomen in de schaduw. En dat geldt dan niet alleen voor ons land; mij althans is uit de vakliteratuur van welk land ook geen uitgave bekend, die met ons nieuwe Handboek voor de Slager op één lijn te stellen is. Nu dan het werk is voltooid en zo velen hun kennis en arbeid daaraan hebben gegeven, gaan mijn gedachten wel in de eerste plaats uit naar de Uitgeefster die deze — ik mag wel zeggen grootse — onderneming tot een zo goed einde heeft gebracht. Naar mijn mening mag „Universum" door de ondernemingsgeest waarvan zij heeft blijk gegeven, aanspraak maken op de bijzondere waardering van de Nederlandse slagersstand, welke zij heeft verrijkt met een vakboek dat met recht een standaardwerk mag worden genoemd. De betekenis van dit initiatief en de verwezenlijking ervan op zo schitterende wijze kunnen moeilijk hoog genoeg worden aangeslagen, en wel in de eerste plaats hierom : Het is een eminent bedrijfsbelang dat allen, die in een bedrijfstak werkzaam zijn, de technische, economische en commerciële zijde van het vak zo goed mogelijk beheersen en voor zover daaraan het een en ander ontbreekt, in de gelegenheid worden gesteld, hun kennis op ieder moment dat daaraan behoefte bestaat, aan te vullen of op te frissen. Dat geldt dan niet alleen voor de ondernemer, maar stellig ook voor zijn medewerkers van hoog tot laag. Welnu, in dit Handboek is vrijwel alle theoretische, zowel als practische kennis welke op ons vak betrekking heeft, op bevattelijke en overzichtelijke wijze bijeengebracht. Op geen enkel gebied van ons vak laat dit standaardwerk vragen onbeantwoord; aan alle facetten van het moderne ambacht en het moderne zakendoen is aandacht geschonken en waar de tekst aan beeldend vermogen te kort mocht schieten, daar verduidelijken de talloze foto's, al of niet in kleurendruk, het geschreven woord. Het een met het ander stempelt dit werk tot een leerschool voor allen die hun bestaan in de slagerij vinden, en ook zij, die door hun werk daarmee geregeld in nauw contact komen, zullen hierin zeer veel wetenswaardigs aantreffen, dat hun inzicht in de vak- en andere vraagstukken kan verruimen. Als één ding uit dit, uit de samenwerking van zovele specialisten tot stand gekomen, boekwerk wel duidelijk spreekt, dan is het de gecompliceerdheid van ons beroep en de hoge eisen welke het aan zijn beoefenaren stelt. Zij moeten niet alleen over de kennis en de vaardigheid — soms zelfs kunstzin — van de ambachtsman beschikken, maar door het dualistische karakter van ons bedrijf daarnaast voldoen aan alle — niet geringe — eisen van koop manschap welke de moderne tijd stelt. Het zal van veler persoonlijke instelling en inzichten afhangen waar zij het zwaartepunt menen te moeten leggen, maar welke opvatting men ook is toegedaan, nimmer zal het één het ander kunnen uitsluiten. Zowel de ambachtelijk-technische als de economisch-commerciële kant van het vak moet de slager anno 1955 in voldoende mate beheersen, wil hij als ondernemer kunnen slagen en het vakonderricht gaat de laatste jaren dan ook gelukkig steeds meer van dit principe uit. Dit betekent evenwel, dat men ook in ons vak nooit uitgestudeerd raakt en dat het geleerde voortdurend moet worden onderhouden. Als een dergelijke studiebron nu is dit Handboek van onschatbare waarde, het niet alleen lezen, maar bestuderen ervan zal in hoge mate bijdragen tot de ontwikkeling van de individuele bedrijfsgenoot en het daardoor verhogen van het peil van onze bedrijfstak in het algemeen. Dit Handboek voor de Slager zal onze vakgenoten een gids zijn en alle vragen beantwoorden waarop zij bij de dagelijkse uitoefening van het bedrijf stuiten; het bevordert de zelfwerkzaamheid en het ondernemers-initiatief en bevat een schat van ideeën en leerstof die dagelijks in practijk kan worden gebracht. Ik meen dan ook niet te veel te hebben gezegd, toen ik de verschijning van dit standaardwerk een gebeurtenis van de eerste rang voor onze bedrijfstak noemde en ik moge besluiten met de hartgrondige wens, dat het initiatief van de uitgeefster rijke vruchten mag dragen. Hetgeen dus wil zeggen, dat het mijn wens is dat dit boek in het bezit komt van ieder die het aloude slagersambacht heeft gekozen, niet alleen om daarin een bestaan te vinden, maar als ambacht waarin hij al zijn kunnen en kennen legt ten bate van de voorziening van ons volk met een onmisbaar voedingsmiddel. Voor de juiste uitoefening van deze belangrijke maatschappelijke functie zal naar mijn overtuiging het Handboek voor de Slager een factor van eminente betekenis blijken te zijn. Wij zijn er trots op dat de Nederlandse energie, waarvan de grote tentoonstelling E 55 te Rotterdam in deze dagen zo'n schitterend getuigenis aflegt, ook in de slagerij op zo'n wijze tot ontwikkeling kon komen. Voorzitter van het Bedrijfschap voor het Slagersbedrijf en van de Amsterdam, Juni 1955.Federatie van Slagerspatroonsbonden. RAAD VAN ADVIES VOOR DE VAKTECHNISCHE ONDERWERPEN B. VAN DER EIJK VOORZITTER ALGEMENE NEDERLANDSE SLAGERSBOND J. JONGEJAN VOORZITTER NEDERLANDSE BOND VAN PAARDENSLAGERS H. DE MOOY VOORZITTER BOND VAN CHRISTELIJKE SLAGERSPATROONS G. C. SCHOLTES VOORZITTER NEDERLANDSE KATHOLIEKE SLAGERSBOND C. VERWOERDT VOORZITTER PENSIOENFONDS EN BEDRIJFSVERENIGING MEDEWERKERS (in alphabetische volgorde) L. VAN AMSTEL Directeur Bedrijfsvereniging voor het Slagersbedrijf en Vleeswarenbedrijf „De Samenwerking" Mr. P. S. BAKKER Secretaris van het Bedrijfschap voor Vee en Vlees Y. J. BAKKER Deskundige vacuumverpakking Drs J. W. B A R E T T A Directeur Eerste Nederlandse Slagersvakschool Directeur Stichting Slagersproefstation E. J. BATS Hoofdassistent bij het Rijksveeteeltconsulentschap Z.-H. A. VAN BEEK Paardenslager te Utrecht A. VAN DEN BEUKEL Directeur Vleesverwerkingsbedrijf en Vetsmelterij J. P. BEUN Medewerker van het Bedrijfschap voor het Slagersbedrijf Prof. Dr J. A. B E I J E R S Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht (biergeneeskundige faculteit) F. BIKKER Adj.-Directeur Bedrijfschap voor Vee en Vlees H. P. BLOM IJker bij de Hoofddirectie van het IJkwezen J. BOERWINKEL Adviseur voor Slagerij-reclame en bedrijfsleiding M. A. J. VAN BOMMEL Fotograaf J. W. BOON Verpakkingsdeskundige Mej. Ir A. E. M. BOSCH Directeur Keuringsdienst voor Waren K. W. TEN DAM Voorzitter Nederlandse Bond van Veehandelaren Mr W. H. J. D E RKS Rechtskundig Adviseur van de Bond van Automatenhouders in Nederland P. H. VAN DIESSEN Directeur Openbaar Slachthuis te Breda E. DOUMA Voorzitter van de Centrale Organisatie voor de Vlees-groothandel P. VAN DRECHT Hoofdconsulent Stichting Slagersproefstation B. J. DRIESSEN Specialist specerijen en drogerijen Dr P. J. VAN ENDT Directeur Openbaar Slachthuis Schiedam. Secr. van de Ver. van Directeuren van Gem. Slachthuizen in Nederland L. G. M. ENGLEBERT Slager te 's-Gravenhage B. VAN DER EIJK Voorzitter van de Algemene Nederlandse Slagersbond Ir G. FERGUSON Koeltechnisch adviseur voor slachtbedrijven K. FRIELINK Kzn. Alg. Procuratiehouder Ned. Middenstandsbank N.V. D. FROGER Retoucheur en tekenaar Ir E. F. GEESSINK Ingenieur bij het Rijksconsulentschap voor de Varkenshouderij Dr C. DE GRAAF Lector in de practische Vleeskeuring aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Directeur Gem. Slachtplaats te Utrecht J. P. DE GROOT Haar- en Vezelproductendeskundige A. L. M. DE GRUIJTER Directeur Bureau Nederlandse Katholieke Slagersbond J. G. HABOLD Slager te Amsterdam C. M. HAGE Deskundige voor beenderverwerking TJ. S. HAISMA Specialist in Stremsel- en Kleurselproducten Prof. Dr C. DEN HARTOG Directeur van het Voorlichtingsbureau van de Voedingsraad Buitengewoon Hoogleraar aan de Landbouwhogeschool te Wageningen M. DEN HARTOG Directeur Abattoir en Veemarkt te 's-Hertogenbosch G. H. HAUBER Directeur C.V. Amsterdamse Huidenclub G. A. Ir J. HAVERHALS Directeur van de Coop. Ned. Wolfederatie G. A. J. TH. HIEMSTRA Leraar Eerste Nederlandse Slagersvakschool J. VAN HOOREN Specialist moderne koelinstallaties D. A. VAN DER HOUT Hoofd van de afdeling in- en verkoop levend en geslacht vee van de Haagse Slagers Centrale H. S. HOUTMAN Medewerker van het Bedrijfseconomisch en Boekhoudkundig Bureau van de Ned. Slagerscentrale Dr Mr W. HUGENHOLTZ President van de Wereld-Federatie tot Bescherming v. Dieren J. HUIZENGA Oud-leraar Slagers Vak Onderwijs HAN W. HUND Reclame-adviseur Mr G. L. VAN DER JAGT Secretaris Commissie Prijsvorming Slagersbedrijven B. J. J. JANSSEN Leraar Eerste Nederlandse Slagersvakschool J. A. JOL Chef de Bureau van het Bedrijfseconomisch- en Boekhoudkundig Bureau J. JONGEJAN Voorzitter van de Nederlandse Bond van Paardenslagers A. W. W. KEMPS Slager te Oss Dr B. H. KESSENS Hoofd Keuringsdienst van vee en vlees H. VAN DER KLEI Redactioneel medewerker B. KOSSECKI Fotograaf M. DE KROES Directeur Destructiebedrijf M. VAN DER LEE Secretaris Algemene Nederlandse Slagersbond J. LOK Voorzitter Nederlandse Bond van Varkenshandelaren Dr W. B. LUXWOLDA Veterinair Adviseur van het Centraal Bureau Slachtveeverzekeringen W. P. MACLAINE PONT Voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Borstelfabrikanten J. H. MARTELHOFF Kleurenfotograaf JAC. VAN MEGEN Consulent Stichting Slagersproefstation Prof. Dr J. MERKENS Wetenschappelijk Hoofdambtenaar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht (Diergeneeskundige faculteit) D. M. MEIJDAM Analyst Stichting Slagersproefstation J. MEYER Vice-voorzitter v. d. Examencommissie van het Slagers Vak Onderwijs F. F. M. MITTELMEYER, Ing. Bouwkundig en technisch adviseur vleesverwerkende bedrijven H. DE MOOY Voorzitter Bond van Christelijke Slagerspatroons H. E. MULLER Retoucheur en tekenaar A. C. VAN MUNSTER Werktuigkundige Mr M. H. S. VAN OERS Hoofd van de Hoofdafdeling Middenstandswetten van het Dir.-Gen. voor de Middenstand L. F. OOMS Secretaris van de Nederlandse Katholieke Slagersbond Mr F. E. O S KAM Bondsdirecteur Bond van Christelijke Slagerspatroons Prof. C. F. VAN O IJ E N Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht (Diergeneeskundige faculteit) J. J. PILOT Dierenarts en slachthuisadviseur CH. PINAS Im- en Exporteur van Paarden tProf. Dr G. M. VAN DER PLANK Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht (Diergeneeskundige faculteit) Dr K. REITSMA Voorzitter van de Vereniging tot bevordering van Slagers Vak Onderwijs. Directeur Openbaar Slachthuis te Leiden G. RIETVELD Medewerker van het Bedrijfschap voor het Slagersbedrijf Prof. Dr H. R I E V E L Directeur Staatsinstituut voor Vleeswetenschap te Kulmbach H. DE RONDE Directeur van de Gem. Keuringsdienst van Vee en Vlees te Delft Dr R. VAN SANTEN Directeur van het Gemeente-Slachthuis te Nijmegen Oud-Voorzitter van de Vereniging van Slachthuisdirecteuren K. D. SCHEFFER Kolonel-Intendant Inspecteur der Intendance Koninklijke Landmacht G. S. SCHELTEMA Directeur van het Economisch Instituut voor de Middenstand Ir B. SCHEYGROND Wetenschappelijk medewerker geneesmiddelen-industrie F. C. H. SCHLAHMILCH Kapitein ter Zee Koninklijke Marine J. W. SCHNEIDER Administrateur van het Openbaar Slachthuis te Leiden G. C. SCHOLTES Voorzitter Nederlandse Katholieke Slagersbond P. SCHRAM Specialist Vleesverwerking en Vetsmelterij N. SCHROEDER Secretaris Internationale Confederatie van Slagerspatroonsbonden A. SCHUSTER Opperrabbijn L. C. SLECHTE Bedrijfseconoom van het B.B.B. J. P. SMEETS Directeur Centrale Voorzieningsdienst Dr T. P. A. SPERNA WEILAND Bacterioloog J. J. VAN DER STEEN Adj.-Secr. Algemene Nederlandse Slagersbond G. H. VAN TELLINGEN Retoucheur en tekenaar Mej. E. A. TIMMERMAN Directie-secretaresse S.V.O. Dr E. J. TOBI Secretaris van het Bedrijfschap voor het Slagersbedrijf. Economisch Adviseur van de Federatie van Slagerspatroonsbonden en van de C.V. Nederlandse Slagerscentrale J. VAN VEEN Slager te Amsterdam CHR. VENNIK Secretaris Nederlandse Bond van Paardenslagers C. VERWOERDT Voorzitter Bedrijfsvereniging en Pensioenfonds A. B. VINK Leraar Eerste Nederlandse Slagersvakschool FRANS VINK Slager te Sittard Ir. P. J. VAN VLIMMEREN Hoofd Research-afdeling Lederinstituut T.N.O. Dr J. M. VAN VLOTEN Plaatsvervangend Veterinaire Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid te 's-Gravenhage. Gecommiteerde bij de Slagersvakexamens J. WESSELING Adj.-Secretaris van het Bedrijfschap voor het Slagersbedrijf G. A. VAN WETTEREN Slager te Amsterdam. Leraar S.V.O. Leerlingenstelsel J. J. WIERSMA Lid Hoofdbestuur Nederlandse Bond van Veehandelaren G. DE WIT Slager te Alkmaar Z. VAN DER ZWAAG Directeur vakopleiding voor de veehandel M. W. ZWART Statisticus van het Bedrijfschap voor Vee en Vlees INHOUD VOORWOORD 5 III. NEVENPRODUCTEN EN SLACHT AFVALLEN . . . . . . . . . . . 181-214 INLEIDING 7 RAAD VAN ADVIES . 9 1. BEWERKING VAN HUIDEN EN VELLEN . 181 MEDEWERKERS 10 2. VERWERKING VAN HUIDEN EN VELLEN . 185 INHOUD 12 3. BE- EN VERWERKING EN HET BEWAREN GESCHIEDENIS VAN HET SLAGERSBEDRIJF. 15 VAN VETTEN 189 4. VERWERKING VAN BEENDEREN, HOORNS, I. HET SLACHTVEE 27-98 HOEVEN EN KLAUWEN . . 195 5. VERWERKING VAN BLOED 197 1. DE RUNDERRASSEN 27 voor de mesterij geschikte runderen 27 6. BEWERKING EN VERWERKING VAN DIER- de voeding van runderen voor de slacht bestemd 30 LIJK HAAR 200 2. DE VARKENSRASSEN 35 verwerking van koehaar 201 de betekenis van de varkenshouderij 35 verwerking van varkenshaar 201 de beoordeling van de slachtkwaliteit 40 verwerking van paardenhaar 202 de voeding van de mestvarkens 42 7. BE- EN VERWERKING VAN WOL . . . . 203 3. DE PAARDENRASSEN 45 8. VERWERKING VAN KLIEREN MET INTER voor de mesterij geschikte rassen 46 NE SECRETIE 205 de voeding van de voor de slachtbank bestemde paarden 50 9. WAAROM HEEFT DE LEBMAAG WAARDE? 209 4. DE SCHAPENRASSEN 51 10. MAGEN- EN DARMENBEWERKING . . . . 210 voor de mesterij geschikte schapen 51 de voeding van de voor de mesterij geschikte scha- IV. INKOOP, BE- EN VERWERKING pen 54 VAN GESLACHTE DIEREN . . 215-474 5. DE STATISTIEK VAN DE NEDERLANDSE VEESTAPEL 55 1. INKOOP VAN GESLACHTE DIEREN . . 215 58 inkoop van runderen 215 6. HET KOPEN VAN SLACHTVEE inkoop van kalveren 216 inleiding 58 inkoop van varkens 217 keuring van het levende slachtvee 59 inkoop van paarden 218 ziekteverschijnselen waarop de koper moet letten 62 inkoop van schapen 220 het vaststellen van de leeftijd van het slachtvee 67 inkoop levend vee 72 2. HET IN STUKKEN VERDELEN VAN DE GE- het bepalen van levend gewicht door meting 75 SLACHTE DIEREN, DE VERDELING DER schade door drachtigheid 83 VLEESSTUKKEN NAAR KWALITEIT EN HET de veemarkten 86 NUTTIG GEBRUIK 222 koopvernietigende gebreken 90 verdeling en verwerking van het rund 222 slachtvee-verzekering 93 verdeling en verwerking van het kalf 242 verdeling en verwerking van het varken 252 II. HET SLACHTEN . 99-180 verdeling en verwerking van het paard 261 verdeling en verwerking van het schaap 275 1. DE BEDWELMING VAN HET SLACHTVEE . 99 verdeling en verwerking van een geit 282 2. DE WIJZE VAN SLACHTEN 103 3. SPEK EN DE HANDEL IN SPEK 283 inleiding 103 4. VETTEN EN DE HANDEL IN VETTEN . . 287 slachten van het rund 109 slachten van het kalf 125 5. VLEES VOOR DE VLEESWARENBEREIDING 289 slachten van het varken 132 6. SPECERIJEN EN DROGERIJEN • 293 slachten van het paard 137 slachten van het lam of het schaap 143 7. KLEURVORMING EN KLEURBEHOUD IN de ingewanden en hun behandeling 146 VLEESWAREN 304 3. DE STATISTIEK VAN DE SLACHTINGEN . 154 8. WORSTRECEPTEN 307 4. DE ABATTOIRS 161 rauwe worstsoorten 307 bloedzuig-roer-installatie 166 rauw verduurzaamde worstsoorten 312 gekookte en gerookte worstsoorten 322 5. PARTICULIERE SLACHTPLAATSEN . . . . 167 leverworstsoorten 334 6. HUISSLACHTINGEN 173 bloedworstsoorten 348 paardeworstsoorten 353 7. NOODSLACHTPLAATSEN 177 diverse recepten 355 8. RITUEEL SLACHTEN 179 specialiteiten 364 9. BEREIDING VAN HAMMEN, PEKEL- EN 6. VOEDINGSLEER 657 ROOKVLEESWAREN . . . 378 7. VOEDINGSWAARDE VAN VLEES 659 10. ZOUTEN EN ROKEN VAN PAARDENVLEES 403 VIII. ALGEMENE ONDERWERPEN 661-716 11. VLEESWAREN VOOR ZOUTLOOS DIEET . . 408 12. HET GARNEREN VAN SCHOTELS 409 1. HET ORGANISATIE-WEZEN . .. 661 13. HET CONSERVEREN DOOR KOUDE . 433 Slagersorganisaties in Nederland 661 Federatie van Slagerspatroonsbonden 666 14. HET CONSERVEREN IN BLIK 438 Publiekrechtelijke Bedrijfs Organisatie 667 15. GEBREKEN AAN VLEESWAREN 458 Commerciële samenwerking 671 Nieuwe vormen van credietverlening 673 16. GEBREKEN AAN VLEESCONSERVEN 463 Bedrijfseconomisch en Boekhoud Bureau voor 17. RECEPTEN VOOR DE HUISVROUW . 469 het Slagersbedrijf 673 Amsterdamse Huidenclub 675 V. HET MODERNE SLAGERSBE-Internationale Confederatie van Slagerspatroonsbonden 677 D R IJ F 475-562 2. VAKOPLEIDING EN VAKONDERWIJS . . . 678 VESTIGING VAN EEN BEDRIJF 475 3. STICHTING SLAGERSPROEFSTATION . . . 684 plaats v an vestiging 475 4. ECONOMISCH INSTITUUT VOOR DE MIDbenodigde vergunningen voor vestiging en exploi- DENSTAND 687 tatie 478 5. DE HANDEL IN RUNDVEE 694 middenstands- en vakbekwaamheidsdiploma 479 6. DE HANDEL IN VARKENS 696 financiering 481 wettelijke eisen, waaraan de verschillende bedrijfs-7. DE HANDEL IN PAARDEN . . 699 lokalen moeten voldoen 483 8. DE HANDEL IN SCHAPEN . . 701 2. INRICHTING VAN EEN BEDRIJF 485 DE GROOTHANDEL IN VLEES 704 9. 3. BEDRIJFSVOERING 507 10. IMPORT EN EXPORT . . 708 etaleren 507 11. EISEN BIJ LEVERING AAN OVERHEIDSIN bedienen en verkopen 517 STELLINGEN EN ZIEKENHUIZEN • • 714 verpakking 531 levering aan de Koopvaardij 714 vacuumverpakking 533 levering aan de Koninklijke Marine 715 boekhouding 535 levering aan de Koninklijke Landmacht 716 calculatie 542 levering aan ziekenhuizen 716 propaganda voor vleesverbruik 547 bijzondere slagersreclame 551 IX. DIVERSE WETTEN EN BEPALIN hygiëne en desinfectie 557 GEN 717-778 VI. MACHINEKENNIS . 563-611 1. VLEESKEURINGSWET 717 1. SLAGERIJ-MACHINES 563 2. VEEWET 725 3. DESTRUCTIE 732 2. SLAGERIJ-VERLICHTING 594 4. HET DESTRUCTIEBEDRIJF 734 3. KOELMACHINES. 597 5. WARENWET 740 4. MODERNE WERKWIJZEN • • 606 6. WET OP DE DIERENBESCHERMING • • 743 colloïdmolen 606 7. VESTIGINGSWET 745 luchtwaterdamp-kookmethode 608 beenderen-autoclaaf 610 8. SOCIALE WETGEVING 749 9. SOCIALE VERZEKERINGSWETTEN . 753 5. SLAGERSMESSEN EN AANZETSTALEN • • 611 10. WINKELSLUITINGSWET 762 VII. NATUURWETENSCHAPPELIJKE 11. VEILIGHEIDSWET 763 ASPECTEN VAN VEE EN 12. HINDERWET 766 VLEES 612-660 13. AUTOMATENVERKOOP 767 14. ERKENNINGSREGLEMENTEN 769 1. VLEESKENNIS 612 15. VERORDENING PRIJSVORMING SLAGERS 2. SAMENSTELLING VAN EN LEVENSPROCES-BEDRIJVEN 1951 771 SEN IN VLEES 618 16. PRIJSAANDUIDING IN DE SLAGERIJ . 775 3. BACTERIËN 623 17. IJKWET 776 COLOPHON EN FOTO-VERANTWOORDING 779 4. BOUW EN FUNCTIE VAN HET DIERLIJK LICHAAM 629 X. INDEX 780-800 5. ZIEKTEN VAN SLACHTDIEREN DIE OP DE MENS KUNNEN OVERGAAN . . . . . 641 Met ruim 7000 trefwoorden 13 HOOFDSTUK 2 DE VARKENSRASSEN DE BETEKENIS VAN DE VARKENSHOUDERIJ De varkenshouderij is in Nederland van grote economische betekenis. Volgens de Mei-telling van 1954 waren in ons land op dat moment 1.975.000 varkens aanwezig, waarbij ruim 300.000 fokzeugen. De totale waarde van de productie aan varkensvlees, -spek en -vet bedroeg naar schatting ca. 800 millioen gulden, terwijl de melkproductie bij het rundvee ca. 1200 millioen gulden opleverde. In 1954 werden ruim 3.400.000 varkens geslacht, die bijna 300.000 ton aan vlees en spek produceerden. Hiervan werd ongeveer 3 deel in het eigen land geconsumeerd, voor de rest werd afzet in het buitenland gevonden. Voor de bacon-export naar Engeland werden in 1954 bijna 494.000 varkens geslacht ; deze leverden ruim 26.000 ton bacon op. Verder vond er een zeer belangrijke export plaats in de vorm van vleesconserven (o.a. ham in blik naar de Ver. Staten van Noord-Amerika, luncheon-meat o.a. naar Engeland). Deze export van vleeswaren heeft de bacon-export de laatste jaren belangrijk in betekenis overtroffen. Ten slotte vond nog een vrij belangrijke export plaats in de vorm van vers vlees en spek (Frankrijk, Zwitserland, Duitsland, Italië). Voor 4300 ton vetmet kon geen andere afzetmogelijkheid gevonden worden dan ze in de margarine te verwerken. Naar Italië werden verder nog levende slachtvarkens geëxporteerd. DE BELANGRIJKSTE GEBIEDEN VOOR DE VARKENS HOUDERIJ De varkenshouderij wordt in ons land in hoofdzaak aangetroffen op de gemengde zandbedrijven in de provincies Drente, Overijsel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Verder vinden we ook in de weidestreken van Noord- en Zuid-Holland en in de provincie Utrecht een varkensstapel van aanzienlijke omvang. Dit blijkt o.a. uit het feit, dat volgens gegevens van het Landbouw Economisch Instituut in het zelfkazend gebied van Zuid-Holland op de bedrijven van een grootte van 15-25 ha in het boekjaar 1952-'53 40% van de bruto-inkomsten uit de varkenshouderij verkregen werden. In de Graafschap en in de Zuidelijke zandgebieden bedroeg dit cijfer op de bedrijven van 7-10 ha ongeveer 35%.. In de Oostelijke en Zuidelijke zandgebieden komt hoofdzakelijk het gemengde bedrijf voor, waar eigen verbouwde granen en aardappelen als voedermiddelen beschikbaar zijn. Vóór de laatste oorlog werd hier door de zuivelfabrieken hoofdzakelijk boter gemaakt, zodat de ondermelk aan de boer werd teruggeleverd. Deze ondermelk vormde naast de eiwitarme aardappelen en granen een zeer goed voedermiddel voor de varkens. Na de oorlog is ook in deze gebieden de betekenis van de kaasproductie sterk toegenomen, zodat in de eiwitbehoefte van de varkens voor een groot deel voorzien moet worden door middel van aankoop van eiwitrijke krachtvoedermiddelen. Men mest de varkens in deze gebieden vaak tot een levend gewicht van 80 à 95 kg. Deze „zouters" dienen voor de baconproductie; onder bacon verstaat men de gezouten en eventueel licht gerookte zijden van het varken. Ook worden de varkens hier gemest tot een levend gewicht van 100 à 125 kg, deze zijn dan bestemd voor de vleeswarenindustrie. In het Westen worden de varkens het meest gemest voor binnenlands gebruik (slagersvarkens 120 à 140 kg levend gewicht). Als voedermiddel van het eigen bedrijf is hier in hoofdzaak alleen de kaaswei beschikbaar, de andere voedermiddelen moeten aangekocht worden. Vroeger werden in het Westen de varkens soms tot zeer zwaar gewicht gemest (200 kg levend gewicht en meer). Deze vorm van mesterij is sterk in betekenis afgenomen, doordat de vraag naar spek en vet sterk is verminderd. Tot een levend gewicht van ca. 90 kg wordt namelijk bij een juiste voeding in hoofdzaak vlees gevormd; worden de varkens zwaarder, dan wordt vooral spek en vet aangezet. De vraag naar dik spek is niet alleen in ons land, maar ook in Duitsland, dat vroeger een belangrijke afnemer van dit product was, sterk afgenomen, zodat deze zware varkens over het algemeen moeilijk te plaatsen zijn. DE VARKENSRASSE.N IN ONS LAND Zoals uit het voorgaande blijkt richt de vraag, zowel van de binnenlandse als van de buitenlandse consument, zich vooral op vlees, terwijl spek en vet steeds minder gevraagd worden. De verhouding tussen vlees en spek in een slachtvarken wordt door tweeërlei groepen van factoren bepaald en wel door: a) De erfelijke aanleg. b) De voeding en verpleging. Willen we een vlezig slachtvarken hebben, dan zullen we in de eerste plaats uit moeten gaan van een dier, dat de erfelijke aanleg heeft om vlees te leveren. Het dier zal het zg. vleestype moeten vertonen. Door een verkeerde voeding is het echter nog wel mogelijk, dat een dergelijk type te veel spek en vet gaat vormen, zodat we behalve met de erfelijke aanleg ook rekening moeten houden met de voe ding. De beide Nederlandse varkensrassen zijn onder leiding van de varkensstamboeken en met behulp van de selectie mesterijen steeds meer gefokt in de richting van het vlees type. Dit type wordt gekenmerkt door een vrij langgerekte bouw met een licht en droog voorstel, een lange en goed be spierde middenhand en een breed en gespierd achterstel met een brede, diep doorlopende en goed gevormde ham. Het geheel maakt een droge, gespierde indruk. Zowel het Nederlandse Landvarken als het Nederlandse Groot- Yorkshire varken vertonen dit vleestype. Andere rassen worden in ons land niet aangetroffen. Tegenover het vleestype staat het spektype, dat een korte, gedrongen bouw heeft met een breed en diep voorstel, een kort en breed middenstel en een zwaar en breed achterstel met gevulde hammen. Het geheel maakt een vette indruk (kwabbige kaken, korte, volle hals, geplooide hammen). Voorbeelden van echte spektypes zijn de Klein-Yorkshire en de Berkshire in Engeland. In ons land zijn dergelijke spektypes ongewenst, daar het spek en het vet de minst dure delen van het slachtvarken vormen en bovendien door de geringe vraag, zowel van binnen- als buitenlandse consument, moeilijk verkoopbaar zijn. De vlezige delen van het varken brengen het meeste op en wel speciaal de hammen en de karbonades. Vandaar dat bij het vleestype in sterke mate op deze onderdelen gelet wordt. Mocht er tijdelijk een grote vraag naar spek ontstaan, dan is wel gebleken, dat men door de varkens tot zwaarder gewicht te mesten, ook met het vleestype hieraan wel kan voldoen. HET NEDERLANDSE GROOT -YORKSHIRE VARKEN Dit ras wordt gehouden in het zg. Westelijke consumptiegebied en verder zijn er nog in Gelderland (Borculo e.o.) en in Noord-Brabant (o.a. ten Zuiden van Eindhoven) enkele fokkernen van betekenis. Het fokdoel is in de eerste plaats gericht op het verkrijgen van een goed slagersvarken. Daarnaast is het geschikt voor de vleeswarenindustrie; voor de baconbereiding is dit ras iets minder geschikt, omdat het voorstel wat zwaar is. Het ras is van Engelse oorsprong en draagt in dat land de naam „Large White". Het is ontstaan door kruising van het oorspronkelijk in grote delen van West-Europa voorkomende Grote Grootorige Landvarken met het Oostaziatische varken. Het oude grootorige Westeuropese landvarken was laatrijp en had een hoog voederverbruik per kg gewichtsaanzet nodig. Het had een goede vruchtbaarheid en de dieren leverden hard en vrij veel spek. Het Oostaziatische varken was daarentegen vroegrijp en had een laag voederverbruik. De vruchtbaarheid was matig, terwijl het tamelijk zacht spek leverde. Uit de kruising van de beide rassen ontstond eerst de Klein-Yorkshire, een vroegrijp spekvarken met sterk ingedeukte profiellijn en kleine, staande oren. Dit Klein- Yorkshire is weer teruggekruist met het grootorige landvarken en hieruit ontstond het Groot-Yorkshire, dat ten opzichte van het oude Westeuropese landvarken vroegrijp was en een gunstig voederverbruik had, terwijl het een gunstige verhouding tussen vlees en spek leverde. Het Groot-Yorkshire is over geheel West-Europa en over vele andere gebieden verspreid en wordt behalve in Engeland en in ons land o.a. zuiver gefokt in Duitsland, Tsjecho-Slowakije, Zweden, België en Frankrijk. In ons land zijn vóór de laatste oorlog dieren van dit ras ingevoerd uit Duitsland, na de oorlog is fokmateriaal geïmporteerd uit Tsjecho-Slowakije en Duitsland. Het doel van deze importen was naast de nodige bloedverversing te trachten de Nederlandse Groot-Yorkshires te verbeteren. HET EXTERIEUR VAN HET NEDERLANDSE GROOT YORKSHIRE VARKEN Het gewenste type van het Groot-Yorkshire varken ver een goede geschiktheid voor de vleesproductie.-tc ont De eigenschappen voor de vleesvorming komen tot uiting in een droog voorstel, een goed gespierde rug en een best ontwikkeld, droog achterstel. De romp vertoont een gerekte bouw, de lengte valt echter minder op, doordat de voorhand iets diep is. De kop moet sprekend zijn, breed in het voorhoofd en voldoende lang. De profiellijn is enigszins gebogen. De kaken moeten vooral voldoende droog zijn, een korte kop met kwabbige kaken wijst teveel op neiging tot vetaanzet. De oren zijn staande en voldoende ontwikkeld. De hals moet behoorlijk lang en gespierd zijn. Een korte, vette en zware hals treffen we aan bij de ongewenste spektypes. De hals moet regelmatig overgaan in de schouders, die goed bevleesd moeten zijn en goed moeten aansluiten bij de ribben. De bovenbouw ziet men graag lang en breed met een goede bespiering. Een korte rug is ongewenst (spektype), terwijl ook een armgespierde bovenbouw te veroordelen is. De ribben moeten goed gerond zijn en voldoende lengte hebben. De buik moet een rechte onderlijn hebben en een stevige indruk maken. Een slappe, doorgezakte buikwand is ongewenst, evenals open flanken. Het achterstel zien we gaarne recht, breed en vierkant met een goede bespiering. Het kruis moet verder voldoende lang zijn. De ham moet gevuld en breed zijn en diep doorlopen tot op de hak. De staart mag niet diep ingeplant zijn. Een dunne staart wijst op verfijning. Het beenwerk moet droog en goed geplaatst zijn. Grof beenwerk is ongewenst, maar ook te verfijnde benen zijn foutief. Het beenwerk moet voldoende soliditeit bezitten om het dier het einde van de mestperiode te kunnen doen bereiken, zonder dat kreupelheden e.d. optreden. Voor fokvarkens moeten uiteraard strengere eisen aan het beenwerk gesteld worden dan voor mestvarkens. De huid moet fijn, zacht en zonder pigment zijn. Een grove en sterk geplooide huid is ongewenst te achten. De beharing ziet men liefst regelmatig, dicht, fijn en geheel wit. In de practijk vertonen uiteraard niet alle varkens van het Groot-Yorkshire-ras de hierboven genoemde eigenschappen. De meest voorkomende fouten zijn : te weinig lengte als geheel, een korte kop met zware gedrongen hals, soms een wat weinig gespierde bovenbouw en verder soms wat schrale hammen. De fokkers streven onder leiding van de varkensstamboeken echter steeds naar verbetering en ze hebben al zeer belangrijke resultaten bereikt. Het is te betreuren, dat de gewone varkenshouders tot dusverre nog te weinig gebruik gemaakt hebben van de door de stamboekfokkers verkregen verbeteringen. Een goede uitbetaling naar kwaliteit voor de slagersvarkens zou voor de gewone varkenshouders een belangrijke stimulans zijn om te proberen betere varkens te gaan houden. Gelukkig kunnen we de laatste jaren constateren, dat steeds meer mesters gaan inzien, dat, om goede slachtvarkens te kunnen leveren, het noodzakelijk is uit te gaan van lange, droge biggen met een goed gespierde bovenbouw en zware, goed gevulde achterstellen. De tijd, dat de korte en vette „opgepapte" biggen op de markt de hoogste prijzen opbrachten, begint meer en meer tot het verleden te behoren. HET NEDERLANDSE LANDVARKEN Dit ras wordt gehouden in de provincies Groningen, Fries Over het geheel genomen volgt men in alle gebieden, waar het N.L. gehouden wordt dezelfde fokrichting, vooral nu ook Noord-Brabant, waar men nog lang vastgehouden heeft aan het V.D.L., tot de fokkerij van het N.L. is overgegaan. Er heeft op vrij grote schaal uitwisseling van fokmateriaal tussen de verschillende provincies plaats gehad, hetgeen de uniformiteit ten goede is gekomen. HET EXTERIEUR VAN HET NEDERLANDSE LANDVARKEN Het gewenste type van dit ras vertoont, naast een goede ontwikkeling, een grote lengte en een zeer voldoende sterkte, blijkend uit een goed gesloten bouw en krachtig beenwerk. De verhoudingen tussen voor-, midden- en achterstel moeten wijzen op een uitstekend slachttype, d.w.z. een varken, dat veel vlees levert met een grote hoeveelheid karbonade en goede vlezige hammen. Het voorstel mag niet te zwaar zijn, daar dit tot de minst dure delen van het slachtvarken behoort. De onderdelen kunnen we als volgt beschrijven: De kop is vrij lang met een weinig ingedeukte profiellijn. De kaken moeten droog zijn en voldoende breed. Het geheel moet iets sprekends hebben. Ongewenst zijn: lange, spitse of stugge koppen en te kwabbige kaken. (Dit laatste wijst op een te sterke neiging voor vetaanzet). De oren moeten hangend en goed ontwikkeld zijn zonder grofheid. Kleine, min of meer steil staande oren zijn minder gewenst. De hals moet lang en droog zijn. Een korte, volle hals wijst op het spektype. Een zgn. „speknek" is ook te veroordelen. De schouder moet goed aangesloten zijn. Losse, boegige of zware schouders zijn ongewenst, daar een goed slachttype een tamelijk licht voorstel moet hebben. De borst is matig diep, doch voldoende breed. Een diepe borst, vaak gepaard gaande met een zware schouder en een korte, volle hals wijst weer te veel op het spektype. De rug en lendenen moeten lang, breed en goed gespierd zijn en verder sterk, recht of iets gewelfd. Een korte bovenbouw is ongewenst, deze levert te weinig vlees en vaak worden deze dieren te vet. Een lange, maar smalle (weinig gespierde) bovenbouw is eveneens foutief. Gedrukte, en/of smalle (geknepen) lendenen zijn ongewenst. De geslachte varkens maken dan vaak van terzijde een ingesnoerde indruk. Sterk opgebogen lendenen zijn eveneens verkeerd. Overdreven lange en soms smalle varkens geven soms een te dunne laag rugspek. Dieren met te dun rugspek leveren ook wel eens te zacht spek. Overigens speelt de voeding hierbij ook een rol. De ribben moeten goed gewelfd zijn. Vlakke ribben zijn vaak te lang en leveren een te diepe zijde in de voorhand. De buik moet een stevige wand hebben met minstens 12 regelmatig geplaatste, goed ontwikkelde spenen. Een slappe, uitgezakte buikwand is ongewenst, daar we van het geslachte dier stevig, voldoende dik en doorregen buikspek vragen. Een opgetrokken buik wijst op te weinig buikontwikkeling om voldoende voer te verwerken. Een voldoende aantal tepels is gewenst, omdat gebleken is, dat er verband bestaat tussen het aantal tepels en het aantal grootgebrachte biggen. Ook bij de beren moet op de tepels gelet worden. De flanken moeten gesloten zijn. Dieren met holle flanken zijn vaak minder goede voerverwerkers. Het kruis moet breed zijn, vooral in de draaiers, en verder lang en recht of slechts weinig hellend, met gevulde platen. Op deze wijze krijgen we een zwaar en gespierd achterstel. Dakvormige of spitstoelopende kruisen zijn ongewenst, evenals een sterk hellend, vaak kort kruis. De hammen moeten goed ontwikkeld, breed en gevuld zijn en goed diep doorlopen. Smalle, kale hammen zijn ongewenst. Soms is de bovenham wel voldoende ontwikkeld, maar is de onderham te smal. Vet aandoende hammen met vrij sterke plooien zijn te veroordelen. De staart moet hoog zijn ingeplant en flink ontwikkeld. Laag ingeplante en dunne staarten zijn ongewenst. Het beenwerk moet krachtig zijn, niet grof, maar wel voldoende zwaar en vooral droog. De stand ervan moet goed zijn en de gang vlot. Ongewenst is licht en teer beenwerk, maar ook uitgesproken grof beenwerk. Een kromme stand is foutief, evenals een x-benige of o-benige stand. Een weke kootstand is ongewenst. De huid moet goed aanliggend zijn, niet grof en liefst zonder pigment (zwarte grondvlekken). Een sterk geplooide of rimpelige huid is ongewenst. De beharing moet regelmatig, dicht en wit zijn. Zogenaamde haarwervels worden niet meer als beletsel beschouwd voor inschrijving in het stamboek. Dieren met een dunbehaarde huid zijn wel eens te weinig bestand tegen temperatuursinvloeden. Over het algemeen moet gewaakt worden tegen te vergaande verfijning. Evenals bij het Groot-Yorkshire voldoen in de practijk niet alle landvarkens aan de hierboven gestelde eisen. De meest voorkomende fouten zijn : een te kort en te diep voorstel, een wat armgespierde rug of te schrale hammen. DE VERBETERING VAN DE VARKENSSTAPEL A) HET WERK DER VARKENSSTAMBOEKEN Bij de verbetering van de varkensstapel spelen de varkensstamboeken een belangrijke rol. Ze bepalen de fokrichting en geven leiding aan de fokkerij. In elke provincie bestaat een varkensstamboek. De provinciale stamboeken zijn landelijk georganiseerd in het Centraal Bureau voor de Varkensfokkerij, dat te Utrecht gevestigd is. De stamboeken passen door middel van de exterieurkeuringen een selectie toe. Een varken mag namelijk slechts als stamboekdier worden ingeschreven als het aan zekere minimum-eisen qua exterieur voldoet. Alleen volbloed dieren, dit zijn dieren, waarvan beide ouders op hun beurt reeds in het stamboek waren ingeschreven, komen voor opname in het stamboek in aanmerking. De biggen krijgen ten bewijze dat ze van stamboekouders afkomstig zijn een tatoueernummer in het linkeroor. Worden de dieren later in het stamboek opgenomen, dan krijgen ze het stamboeknummer in het rechteroor getatoueerd. Door de keuringen op exterieur kan men de minder gewenste typen uit het stamboek weren. Een andere belangrijke taak van de stamboeken is de registratie van de gegevens over afstamming e. d. Deze registratie maakt een doelbewuste fokkerij mogelijk, doordat de bloedlijnen, waaruit de dieren afkomstig zijn, bekend zijn. Verder worden door verschillende stamboeken fokdagen centrale beoordeling bereikt men, dat de selectievarkens van alle mesterijen uniform beoordeeld worden. Aan de hand van de op de selectiemesterijen verkregen cijfers kan men de gemiddelde groei per dier per dag berekenen. Deze bedroeg in 1953 voor de N.L.-varkens 0,64 kg. Voor de G.Y.-varkens was dit cijfer 0,63 kg. De variatie in groei tussen de verschillende tomen kan, ondanks het feit dat de dieren alle op gelijke wijze gevoerd worden, zeer groot zijn ; de best groeiende toom bij de G.Y.'s had een gemiddelde groei van 0,81 kg per dier per dag, terwijl de slechtst groeiende toom het niet verder bracht dan een gemiddelde groei van 0,53 kg. Ook kan berekend worden hoeveel voer per kg gewichtsaanzet nodig geweest is. De hoeveelheid voer wordt hiervoor omgerekend in voedereenheden (V.E.). Een voedereenheid is de voederwaarde van 1 kg gerst van gemiddelde samenstelling. Het gemiddelde voederverbruik per kg groei bedroeg bij de landvarkens in 1953 3,36 voedereenheden. Bij de Groot-Yorkshire was dit cijfer 3,66 voedereenheden. Hierbij moet in aanmerking genomen worden dat de Yorkshires tot een zwaarder gewicht gemest worden. Het mesten tot zwaarder gewicht vraagt per kg groei meer voer, omdat boven een gewicht van ca. 90 kg levend in hoofdzaak vet aangezet wordt. Voor de vetvorming is meer voer nodig, omdat de verbrandingswaarde van vet hoger is dan van vlees en omdat het gehalte aan droge stof in vet hoger is dan in vlees. Ook ten opzichte van het voederverbruik komen tussen de diverse tomen grote verschillen tot uiting, Zo had de G.Y.toom met het voordeligste voederverbruik per kg gewichtsaanzet 3,20 V.E. nodig, terwijl dit cijfer voor de onvoordeligste 4,29 V.E. bedroeg, een verschil dus van ruim 1 V.E. per kg groei. Bij een mestperiode van 20-120 kg maakt dit per varken een verschil in benodigde hoeveelheid voer uit van 100 kg gerst. DE BEOORDELING VAN DE SLACHTKWALITEIT Na slachting wordt eerst het primaire slachtverlies bepaald, dit is het verschil tussen het levend gewicht en het koud geslacht gewicht. Bij de landvarkens bedroeg dit in 1953 gemiddeld 24,6%, bij de Groot-Yorkshires was dit percentage in hetzelfde jaar 21,1 % . Het verschil is te verklaren, doordat de Groot-Yorkshires op zwaarder gewicht geslacht worden. Lichtere varkens slachten procentsgewijs meer in dan zwaardere. De beoordeling van de slachtkwaliteit geschiedt bij de slagersvarkens als volgt: Allereerst wordt de lengte gemeten van de voorrand van de eerste rib tot de voorrand van het schaambeen. De meest gewenste lengte bij een slachtgewicht van 100 kg bedraagt 85 cm. Op het oog worden verder beoordeeld: a. De vorm van de ham. Deze moet naar alle zijden goed gevuld zijn en niet te kort. De ham moet verder vlezig zijn. b. De hardheid van spek en reuzel. Vereist is hard spek en reuzel. c. De fijnheid van de huid. De zwoerd moet helder en fijn zijn. Vervolgens wordt het varken geheel uitgesneden en de diverse delen worden gewogen. Uitgesneden worden: a. De hammen. Het afsnijden gebeurt tussen de 5de en 6de lendewervel en bij de hak. De vang wordt er afgesneden. Het gemiddelde gewicht van de hammen bedroeg in 1953 21,3 kg. b. De karbonades. Het gemiddeld gewicht hiervan was in 1953 ' 16,3 kg. c. De schouders. Deze hadden in 1953 een gemiddeld gewicht van 14,7 kg. d. De losse vleessnippers. Het totale gewicht van bovengenoemde 4 delen wordt uitgedrukt in het uitgesneden gewicht van het gehele varken. Dit percentage vlees bedroeg in 1953 gemiddeld 54,9% bij een uitgesneden gewicht van 96,9 kg. Voor het varken met het laagste percentage vlees was dit 50,8%, het hoogste percentage bedroeg 57,8%. e. Het rugspek. Het gemiddeld gewicht hiervan was in genoemd jaar 20,6 kg. I Het buikspek. Dit woog gemiddeld 12,6 kg. g. De reuzels. Hiervan was het gemiddeld gewicht 2,4 kg. Het totale gewicht van deze 3 delen wordt weer uitgedrukt in het uitgesneden gewicht van het gehele varken. Dit percentage vet was in 1953 gemiddeld 36,8%. Tenslotte wordt uit het gewicht van kop, staart en poten het percentage afval berekend ; dit bedroeg gemiddeld 8,3%. Verder wordt op het oog nog beoordeeld na het uitsnijden: a. De vastheid van het vlees. Gewenst is stevig vlees. b. De kleur van het vlees. Deze moet liefst blank zijn, maar niet bleek. Donker gekleurd vlees is minder gewenst. c. De magerheid van het vlees. Het vlees moet zo min mogelijk met vet dooraderd zijn. Deze beoordeling geschiedt op de doorsnede van de karbonade tussen de 5de en 6de lendewervel. Alle gegevens over de betreffende toom worden tenslotte samengevat in de selectierapporten, waarbij het geheel van de slachteigenschappen samengevat wordt in een letter voor slachttype. Is de totaal-indruk van de toom wat betreft slachtkwaliteit, groei en voederverbruik voldoende, dan wordt de toom premiewaardig verklaard. De zeug, die de biggen geleverd heeft en dus bewezen heeft biggen te fokken, die geschikt zijn om tot slagersvarken gemest te worden, krijgt het praedicaat sterzeug. Redenen voor afkeuring van een toom kunnen o.a. zijn: 1) Te trage groei of een ongunstig voederverbruik. 2) Een te laag percentage aan vlees. 3) Onvoldoende lengte, onvoldoende hamvorm. 4) Onvoldoende slachttype als geheel. De selectierapporten bevatten zeer belangrijke gegevens voor` de varkensfokkerij. Ze bevatten de volledige gegevens over de eigenschappen van de nakomelingen van een bepaalde zeug als slagersvarken. Een groot deel van de in de practijk gebruikte beren stamt af van sterzeugen, zodat door middel van de selectiemesterijen ook zeer belangrijk werk verricht wordt ten behoeve van de gewone varkenshouderij . DE BEOORDELING VAN DE LANDVARKENS OP SLACHTKWALITEIT Bij de landvarkens wordt speciaal gelet op de geschiktheid voor de baconbereiding. We zullen hieronder deze beoordeling in het kort bespreken, daar een uitvoerige behandeling hiervan buiten het bestek van dit boek valt. Allereerst worden de volgende maten genomen: a. de lengte van de voorrand van de eerste rib tot de voorrand van het schaambeen. Bij een geslacht gewicht van 65 t/m 71 kg wordt als ideale lengte beschouwd 81-82 cm. een doelbewuste fokkerij veel bereikt kan worden ter verbetering van de varkensstapel. Bij de fokkerij gaat het om de verbetering van de erfelijke aanleg van de dieren. Naast deze erfelijke aanleg hebben echter nog andere, zgn. uitwendige factoren, invloed op de kwaliteit van de uiteindelijk afgeleverde slachtvarkens. We willen echter uitdrukkelijk voorop stellen, dat men absoluut een goed type big nodig heeft om te komen tot goede slachtvarkens. Onder een goed type big moeten we verstaan een gezond droog en hard dier met een lange, brede bovenbouw en goed gevuld achterstel. Korte, vette biggen vallen tegen bij het mesten en leveren een verkeerd slachtproduct. Te lang heeft men op de biggenmarkten de voorkeur aan deze „opgepapte" dieren gegeven. AAN DE BIGGENOPFOK TE STELLEN EISEN Om goede biggen te fokken moet men aan de voor de fokkerij gebruikte zeugen en beren in de eerste plaats de eis stellen, dat ze voldoende typisch zijn. Verder moeten de fokdieren goed ontwikkeld zijn en volkomen gezond. De zeugen moeten minstens 12 tepels hebben en een goede vruchtbaarheid en melkrijkheid bezitten. Er is gebleken, dat er verband bestaat tussen het aantal tepels en het aantal grootgebrachte biggen. Verder moet de fokzeug goede moedereigenschappen vertonen. Een fout, die men in de practijk nogal eens tegenkomt is, dat men de jonge fokzeugen te vroeg laat dekken, waardoor ze te weinig ontwikkeld blijven. Ook bestaat in perioden dat de biggen duur zijn, de neiging om achterblijvers uit mesttomen voor de fokkerij te gebruiken. Deze „fokzeugjes" zijn gemest, wat voor fokdieren verkeerd is, en hebben bovendien bewezen tot de minst groeikrachtige dieren uit de toom te behoren. Van dergelijke moederdieren kan men niet verwachten gezonde sterke biggen te verkrijgen. Een gezonde wijze van houden is voor de fokzeugen van groot belang, ook met het oog op de te fokken biggen. Uitloop op een perceel grasland van redelijke kwaliteit is in dit verband noodzakelijk te achten. De fokzeugen mogen vooral niet vet worden, vette dieren werpen vaak bleke biggen met weinig weerstandsvermogen. De voeding van de drachtige zeugen moet zodanig zijn, dat de dieren voldoende eiwitten, mineralen en vitaminen krijgen. Een onvoldoende of verkeerde voeding tijdens de drachtigheidsperiode wreekt zich later op de biggen. Ook aan de fokberen moeten we de eis stellen, dat ze voldoende typisch, goed ontwikkeld en gezond zijn. De berenverordening, die door het Bedrijfschap voor Vee en Vlees is uitgevaardigd, houdt in, dat voor het houden van een dekbeer een door de Provinciale Voedselcommissaris verstrekte vergunning nodig is. Alleen stamboekberen mogen als dekbeer gebruikt worden, zodat ze aan redelijke minimumeisen moeten voldoen. De opfok van de biggen moet zodanig zijn, dat de dieren zich goed ontwikkelen en daarbij droog en hard blijven. In de winterdag kan men een nuttig gebruik. maken van zgn. droogstraallampen om in de warmtebehoefte van de biggen in de eerste levensdagen te voorzien. Er moet echter voor gezorgd worden, dat de biggen niet te veel verwend worden door te langdurig gebruik van een dergelijke lamp. Verder lette men op het brandgevaar, dat dergelijke lampen bij ondoelmatig gebruik met zich mede kunnen brengen. Om het doodliggen van de biggen door de zeug te voorkomen kan men ook gebruik maken van zgn. zeugenkooien of biggenbeschermers. Men moet tijdig (op een leeftijd van ca. 3 weken) beginnen met het bijvoeren van de biggen. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van geheel verse of aangezuurde ondermelk of karnemelk, aangevuld met havermout. Tegenwoordig wordt nogal eens zgn. babybiggenmeel gevoerd, dat licht verteerbaar is. Men wake echter voor te sterke voedering, daar de dieren anders diarrhee krijgen. De voerbakjes moeten regelmatig gereinigd worden. Het verstrekken van kaaswei aan jonge biggen is verkeerd, daar de dieren dan diarrhee krijgen. Zeer nuttig is het, de biggen met de moeder bij goed weer in de weide te laten. In de winterdag kan aanbevolen worden dagelijks een graszode met flink wat grond eraan in het hok te werpen, hierin zitten mineralen en vitaminen, die de dieren nodig hebben. De biggen worden gespeend op een leeftijd van 6 à 8 weken, de voeding kan daarna bestaan uit eiwitrijk biggenmeel en water. Men denke eraan, dat de overgang geleidelijk moet geschieden. Ook kan men ondermelk met eiwitarm meel verstrekken. Naast ondermelk mag nooit eiwitrijk meel of baby-biggenmeel gegeven worden. De ondermelktonnen moeten regelmatig goed schoongemaakt worden, daar anders rottingsprocessen optreden, die erge diarrhee of zelfs acute sterfte bij de biggen tengevolge kunnen hebben. DE VOEDING VAN DE MESTVARKENS Naast de erfelijke aanleg oefent de voeding een belangrijke invloed uit op de kwaliteit van de slachtvarkens. Door een onjuiste voeding kan men van biggen van goed type een matig slachtproduct verkrijgen. Omgekeerd is het echter niet mogelijk van ontypische biggen door een goede voeding slachtdieren van uitstekend gehalte te maken. Een juiste voeding kan bij dergelijke dieren ten hoogste enigermate corrigerend werken. De invloed van de voeding op de kwaliteit van de mestvarkens kan in meerdere opzichten van betekenis zijn. In de eerste plaats noemen we de invloed op de vlees-vetverhouding. Deze wordt behalve door de aanleg van de biggen voor vleesvorming in vrij belangrijke mate mede bepaald door de samenstelling van de rantsoenen. Van betekenis is vooral de verhouding tussen het gehalte aan verteerbaar zuiver eiwit en de zetmeelwaarde. De droge stof van vlees bestaat voor een groot deel uit eiwitten. Deze kunnen alleen uit voedereiwit gevormd worden. Hieruit volgt, dat in de rantsoenen van mestvarkens een zekere hoeveelheid eiwit noodzakelijk is. Het lichaamsvet kan daarentegen behalve uit het vet in de rantsoenen ook gevormd worden uit zetmeel en andere koolhydraten. Het voedereiwit kan tevens dienen voor de vetvorming, dit is echter een weinig economische wijze van voeromzetting. Uit het bovenstaande volgt, dat we voor een economische voedering enerzijds moeten zorgen voor voldoende eiwitten in de rantsoenen, zodat een goede vleesaanzet mogelijk is, anderzijds moeten de rantsoenen geen overmaat aan eiwit bevatten, daar dit dan op weinig economische wijze wordt gebruikt door het dier. De lichaamsvetten kunnen goedkoper gevormd worden uit zetmeel en andere koolhydraten. Het vetvormende vermogen van het voeder kunnen we uitdrukken in de zgn. zetmeelwaarde. Jonge dieren, die HOOFDSTUK 5 STATISTIEK VAN DE NEDERLANDSE VEESTAPEL INLEIDING gebied, een herstel in te treden, waardoor in 1939 de stapel Een Nederlandse slagersstand is ondenkbaar zonder een op practisch dezelfde hoogte als in 1934 was gekomen. In Nederlandse veestapel. de tweede periode (1940 t/m 1945) geeft het eerste jaar al Het is dus voor de slager van belang, zich op de hoogte te direct een omvangsvermindering van de stapel met 130.000 houden van de samenstelling en grootte van deze veestapel. stuks aan, terwijl het dieptepunt in 1943 werd bereikt met De zomertellingen, meestentijds in de maand Mei gehou-760.000 stuks rundvee minder dan in 1939. In de derde den, zullen, als voor ons, doel meest geschikte, als uit-periode (1946 t/m 1953) zette in 1949 het definitieve herstel gangspunt voor onze beschouwingen worden genomen. in de omvang van de veestapel in. Hoewel Deel I van ons Handboek als opschrift draagt „Het TABEL 1 Slachtvee", zullen wij ons niet kunnen losmaken van een DE RUNDVEESTAPEL beschouwing van het gebruiksvee, waaruit ten slotte voor (zomertellingen) Bron: C.B.S. een groot gedeelte het slachtvee wordt gerecruteerd. Jong-Stie- Jong-Melk- Slechts van de belangrijkste rubrieken in de onderscheiden Tot. ren vee vee en Mest stapels kan melding worden gemaakt. Jaar be-jong-1 jaar Tot. boven kalf-vee In een periode van 20 jaren, waarop wij onze gedachten neden vee en 1 jaar koeien willen richten, zullen 3 hoofdperioden worden onder-1 j aar ouder scheiden nl. de vooroorlogse periode van 1934 t/m 1939, de x 1000 stuks oorlogstijd van 1940 t/m 1945 en de naoorlogse periode van 1934 535 673 1208 1434 49 138 2830 1946 t/m 1953. 1935 464 533 997 1435 38 170 2639 1936 448 482 930 1455 34 151 2570 DE RUNDVEESTAPEL (zie tabel 1) 1937 514 462 977 1475 31 143 2627 Gaan we de rubrieken van tabel 1 na, dan valt in orde van 1938 557 517 1074 1503 38 148 2763 grootte in de eerste plaats op de rubriek „Melk- en kalf-1939 520 550 1070 1566 38 143 2817 koeien". Deze rubriek is de basis van onze zuivelproductie, Gem. '34-'39 506 536 1043 1478 38 149 2708 maar toch ook voor de slager van groot belang. In % Immers, de hier vermelde runderen produceren het nage van tot. 18.7% 19.8% 38.5% 54.6% 1.4% 5.5% 100% slacht, terwijl vele dieren, na een mestperiode van enkele maanden als vlees hun intrede in de slagerswereld doen. De rubriek „Totaal jongvee" is de naastvolgende in grootte. 1940 489 504 994 1520 33 143 2690 Bezien we het eerste onderdeel van deze rubriek : „Jongvee 1941 726 479 1205 1373 31 50 2659 beneden 1 jaar", dan moet direct worden opgemerkt, dat 1942 532 558 1090 1274 34 43 2441 deze rubriek bijna geheel bestaat uit vrouwelijk jongvee. 1943 437 375 812 1201 25 20 2058 1944 512 461 973 1154 26 18 2171 De stierkalveren zijn ten tijde van de zomertellingen reeds 1945 525 520 1044 1188 30 15 2277 een nuttige dood gestorven en hebben samen met een aantal Gem. vrouwelijke kalveren hun economische taak in ons maat '40-'45 537 483 1020 1285 30 48 2382 schappelijk bestel beëindigd in de vorm van nuchter-kalfs- In % vlees, ten dele in diverse vleeswaren, ten dele als seizoen van tot. 22.5% 20.3% 42.8% 53.9% 1 .3% 2.-% 100% artikel via de toonbank van de slager. Toch verdient deze rubriek uit onze tabel de aandacht, omdat daaruit behalve exemplaren voor zuiveldoeleinden en 1946 512 564 1076 1279 29 26 2410 export bestemd, tevens een aantal dieren als graskalf of na 1947 456 507 964 1326 25 52 2367 1 of 2 jaar, via de rubriek „Jongvee boven 1 jaar", als 1948 442 470 912 1324 22 55 2313 pinken en vaarzen voor slagersdoeleinden wordt verkregen. 1949 485 535 1020 1441 25 54 2540 1950 544 572 1117 1518 26 62 2723 De laatste rubriek uit onze tabel is een slagersrubriek bij 1951 566 644 1210 1533 24 96 2863 uitstek en levert ons het uitgesproken „slagersartikel" ni. 1952 573 659 1232 1483 22 121 2858 de dieren, hetzij kalveren, ossen of koeien, die enige tijd 1953 598 685 1284 1504 23 120 2930 speciaal voor de slachtbank worden gemest. Gem. Bezien we nu allereerst de totaalcijfers uit onze tabel, dan '46-'53 522 580 1102 1426 24 73 2625 blijkt in de eerste periode (1934 t/m 1939), na de daling van In % de veestapel in de jaren 1935 en 1936, ontstaan door maat-van tot. 19.9% 22.1% 42.-% 54.3% 0.9% 2.8% 100% regelen getroffen i.v.m. de bestaande crisis op landbouw TABEL 2 DE VARKENSSTAPEL (zomertellingen) Bron: C.B.S. Var- Big- kens Var gen Var van 6 kens Fok-Dek be-kens Jaar we-van zeu-rijpe Tot. neden boven ken 1) 60-95 gen beren 6 we-95 kg tot kg ken 60 kg x 1000 stuks 1934 453 707 366 380 157 6 2070 1935 319 658 199 190 152 5 1524 1936 401 649 240 210 174 6 1679 1937 313 574 190 181 144 5 1406 1938 377 584 203 185 183 5 1538 1939 375 610 207 191 165 5 1553 Gem. '34-'39 373 630 234 223 162 5 1628 In % van tot. 22.9% 38.7% 14.4% 13.7% 10.-% 0.3% 100% 1940 217 478 184 264 140 4 1288 1941 277 427 102 18 120 3 948 1942 130 242 12 2 101 3 491 1943 175 242 14 2 109 3 545 1944 116 251 55 13 116 2 554 1945 158 453 47 8 100 3 769 Gem. '40-'45 179 349 69 51 114 3 766 In % van tot. 23.3% 45.6% 9.-% 6.7% 15.-% 0.4% 100% 1946 372 472 43 6 144 4 1040 1947 261 418 59 11 104 3 857 1948 251 405 84 24 104 3 871 1949 379 572 112 46 185 4 1298 1950 507 717 262 143 228 4 1860 1951 465 789 344 128 242 5 1935 1952 507 702 297 104 228 5 1843 1953 601 760 288 62 248 5 1965 Gem. '46-'53 418 603 186 65 182 4 1459 In % van tot. 28.6% 41.3% ' 12.7% 4.6% 12.5% 0.3% 100% 1) inclusief jonge opfokzeugjes. In 1953 bereikte de rundveestapel een ongekende hoogte. Is in de grootte van de stapel gedurende de 20 jaren van onze tabel het één en ander gewijzigd, de samenstelling ervan geeft interessante dingen te zien. Het aandeel van het jongvee in de stapel is t.o.v. vóór de oorlog vooruitgegaan terwijl het percentage „Melkvee" vrijwel constant bleef. Ging de categorie „Mestvee" in de oorlog met grote sprongen achteruit, in de laatste jaren kan een snelle toeneming van deze rubriek worden opgemerkt. DE VARKENSSTAPEL (zie tabel 2) Is onze rundveestapel in eerste aanleg een object voor de 56 zuivelproductie en daarna het lijdend voorwerp van de vleesverwerkers, bij de varkensstapel ligt de zaak anders. Immers de varkenshouderij is in de eerste plaats er op gericht een zo goed mogelijk slachtdier te verkrijgen tegen de laagst mogelijke productiekosten. Korte drachtigheidsperiode, grote nakomelingschap en spoedige slachtrijpheid zijn factoren, die het mogelijk maken, al naar gelang de afzetmogelijkheden voor bacon-, vleeswaren- of slagersvarkens, de varkensstapel binnen korte tijd in te krimpen of uit te breiden. Fluctuaties in de varkensstapel zijn voor de slager van het hoogste belang, omdat zij betrekkelijk kort er na hun invloed op het aanbod van slachtvarkens uitoefenen. Nadat in 1935 ten gevolge van overheidsmaatregelen een flinke daling was ingetreden, bleef tot en met 1939 de stapel vrijwel op hetzelfde peil. De oorlogsjaren gaven uiteraard een enorme teruggang te zien, welke evenwel in 1942 tot stilstand kwam. In 1946 viel een flinke stijging te registreren, maar in 1947 kwam weer een daling tot stand. Vanaf 1948 kan, nadat het aanhouden van zeugen werd vrijgelaten, van een regelmatige opbouw van de varkensstapel worden gesproken, waardoor in 1953 de stapel belangrijk boven het vooroorlogse gemiddelde uitkwam. De samenstelling van de stapel geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen. Evenals bij de rundveestapel zien we bij de varkensstapel het aandeel van de jonge dieren toenemen. Bedroeg in vooroorlogse jaren het aandeel van de varkens tot 60 kg ruim 61%, in de oorlogsjaren en daarna bestond ongeveer 70% van de stapel uit deze varkentjes. De categorie varkens van 60-95 kg liep in de oorlog sterk terug, maar is na 1946 weer tot vooroorlogs peil gestegen. De rubriek „Varkens boven de 95 kg" geeft een opmerkelijke daling te zien, die zonder twijfel, uiteraard met uitzondering van de oorlogstijd moet worden toegeschreven aan de sterk verminderde vraag naar vet en spek en de steeds toenemende vraag naar een lichter varken in verband met de groeiende export van bacon en vleesconserven, waarvoor deze lichtere varkens bij uitstek geschikt zijn. De vraag naar een lichter varken maakt de aflevering van de varkens op jongere leeftijd noodzakelijk, zodat de voortbrenging in groter aantal moet geschieden. Hieruit valt dan ook de toeneming van het aantal fokzeugen en de hierboven reeds gesignaleerde toeneming van het aantal varkens tot 60 kg te verklaren. DE SCHAPENSTAPEL (zie tabel 3) Andere factoren, dan die bij de rundvee- en varkensstapel een rol hebben gespeeld, doen hun invloed gelden op de schapenstapel. De belangrijkste is wel, dat door de veranderde bedrijfsvoering op vele boerderijen het aantal schapenhouders nogal is verminderd. Als tweede belangrijke factor moet worden genoemd het feit, dat de prijzen, die in het buitenland kunnen worden gemaakt voor lams- en schapevlees zo lonend zijn, dat enkele malen zelfs vele fok-ooien de slachtbank niet konden ontlopen. Door een verbod van het slachten van drachtige ooien moest worden voorkomen, dat de schapenstapel met nog grotere sprongen zou teruglopen. Bezien we nu de cijfers van tabel 3. De gemiddelde bezetting in de vooroorlogse jaren van ruim 650.000 stuks is in de TABEL 3 TABEL 4 DE SCHAPENSTAPEL DE PAARDENSTAPEL (zomertellingen) Bron: C.B.S. (zomertellingen) Bron: C.B.S. Paarden Paarden Lam-Fok-Fok-Andere Jaar Totaal Jaar Veulens van 1 en van 3 jaar Totaal meren ooien rammen schapen 2 jaar en ouder x 1000 stuks x 1000 stuks 1934 330 237 6 69 642 1934 16 33 221 269 1935 363 245 6 67 680 1935 21 36 231 288 1936 358 237 4 55 655 1936 20 41 234 295 1937 327 221 4 57 608 1937 23 45 233 300 1938 332 240 6 76 654 1938 26 49 237 312 1939 351 249 6 84 690 1939 28 53 240 322 Gem. '34-'39 344 238 5 68 655 Gem. '34-'39 22 43 233 298 In % van totaal 52.5% 36.3% 0.8% 10.4% 100% In % van totaal 7.4% 14.4% 78.2% 100% 1940 298 199 6 72 574 1940 28 56 242 326 1941 241 214 8 45 508 1941 27 61 232 319 1) 1942 273 269 10 22 575 1942 35 53 249 337 1943 211 224 8 8 451 1943 36 71 246 352 1944 1) 1944 2) 1945 209 252 9 18 489 1945 35 74 190 299 Gem. '40-'45 246 232 8 33 519 Gem. '40-'45 3) In % van totaal 47.5% 44.7% 1.5% 6.4% 100% In% van totaalS 1946 25 67 211 303 1946 265 268 10 15 558 1947 25 59 229 313 1947 202 227 10 21 460 1948 20 55 226 301 1948 200 198 8 19 425 1949 16 40 220 276 1949 226 208 8 22 464 1950 15 27 210 252 1950 207 168 3 12 390 1951 16 25 209 250 1951 192 156 3 9 360 1952 16 24 200 241 1952 202 165 3 13 383 1953 18 28 199 244 1953 224 178 4 17 424 Gem. '46-'53 19 41 213 273 Gem. '46-'53 215 196 6 16 433 [n % van totaal 7.-% 15.-% 78.-% 100% In % van totaal 49.7% 45.3% 1.4% 3.6% 100% 1) Inclusief paarden buiten de landbouw. 2) Geen gegevens bekend. 1) cijfers zomertellingen ontbreken. 3) Wegens 1) kan geen gemiddelde worden getrokken. oorlogsjaren met + 140.000 stuks teruggelopen, na een zien, die evenwel niet die omvang aannam als bij de andere kleine uitbreiding in 1946 heeft deze daling doorgezet met stapels werd geconstateerd. een volgende 80.000 stuks, zodat t.o.v. de vooroorlogse Na de oorlog kwam door de toenemende mechanisatie in de bezetting de stapel thans ingekrompen is met + 220.000 landbouw een verdere vermindering van de stapel tot stand. stuks schapen. Omdat het paard in het algemeen in de eerste plaats om zijn De grote export en de geringe omvang van de schapen-trekkracht wordt gehouden, werd, althans voor de oorlog, stapel zijn de grote redenen, dat in het tegenwoordige as-uit de rubriek „Paarden van 3 jaar en ouder" het grootste sortiment van de Nederlandse slagerij het schapevlees een gedeelte van de paardenslachtingen betrokken. ondergeschikte rol speelt. Nu deze rubriek door het invoeren van motortractie nogal is teruggelopen, worden ook uit de rubrieken „Veulens" en DE PAARDENSTAPEL (zie tabel 4) „Paarden van 1 en 2 jaar" belangrijke aantallen dieren, voor- Vóór we de cijfers uit onze tabel bezien, moet worden op-al hengsten en ruinen, voor de slacht bestemd. gemerkt, dat in de gegevens van de jaren 1940 t/m 1943, De vermindering van deze rubrieken moet dan ook behalve de paarden buiten de landbouw zijn begrepen. Het ont-aan de mindere belangstelling voor de fokkerij, mede aan breken van voldoende motorbrandstof in deze jaren deed het onttrekken van voor de slacht bestemde dieren worden het aantal van deze niet-landbouwpaarden stijgen tot naar toegeschreven. schatting 30.000 á 50.000 paarden. Mocht de teruggang van de paardenstapel verdere voort- In de jaren 1934-1939 bleef de paardenstapel op een vrij gang vinden, dan zal verder stijgende invoer nodig zijn, om constant peil. De oorlogsjaren gaven, na een aanvankelijke het debiet van de Nederlandse paardenslager op peil te uitbreiding door een fokkerij op ruimere schaal dan voor-houden. dien, door diverse omstandigheden w.o. vordering van paarden voor oorlogsdoeleinden een flinke vermindering te M. W. ZWART 57 KEURING VAN HET LEVENDE SLACHTVEE Deze keuring, ook wel genoemd de levende keuring, is bij de Vleeskeuringswet voorgeschreven voor alle slachtdieren die ook na de slachting worden gekeurd. Indien dus in de zeldzame gevallen (misschien thans in het geheel niet meer), vrijstelling van de keuring van huisslachtingen wordt verleend, vindt ook de levende keuring niet plaats. Voor de voor export te slachten dieren is de levende keuring eveneens voorgeschreven, doch bij de Veewet. Men doet er verkeerd aan om de levende keuring als een afzonderlijke keuring te beschouwen, omdat zij een deel uitmaakt van de gehele keuring van het betrokken dier. De levende keuring is veelmeer te beschouwen als een keuringshandeling en vandaar dat, indien het mogelijk is, de keuring van het geslachte dier dient te worden verricht door dezelfde keuringsambtenaar die ook de levende keuring verrichtte. Op de openbare slachthuizen is de levende keuring door de centralisatie van de slachtingen gemakkelijker uitvoerbaar dan in gedecentraliseerde diensten. In deze laatste moet tweemaal een bezoek aan het betrokken slachtdier worden gebracht, nl. vóór en nà de slachting. Ook bij de gedecentraliseerde huisslachtingen is dit het geval. En het is juist bij de huisslachtingen, dat er soms een neiging bestaat om de levende keuring te beschouwen als een sluitstuk van het tijdschema dat voor de keuring van de huisslachtingen is ontworpen. De grote aantallen huisslachtingen die in de wintermaanden onder hoge druk door de keuringsambtenaren moeten worden gekeurd in een lange dagtaak, maken de verleiding groot om in bepaalde gevallen de levende keuring maar te laten schieten. Hierbij komt dikwijls nog, dat het voor de keuringsambtenaren vaak onmogelijk is om op de in het formulier aangegeven tijd aanwezig te zijn. Als er dan een dringend bericht komt, dat het water heet is en dat de slachter staat te wachten en dat die slachter ook zijn gehele dag heeft ingedeeld en nog vele huisslachtingen moet verrichten, en het verzoek komt of men toch maar mag beginnen met slachten, dan moet men zich als Hoofd van de Vleeskeuringsdienst op de weigering toch wel even bezinnen, maar weigeren moet men. Eenmaal toegeven betekent hetzelfde als misschien het weglaten van de helft van alle keuringshandelingen en het beamen dat die levende keuring er maar losjes bijhangt, met als gevolg, dat de eigenaar de volgende keer het recht in eigen handen neemt. Het is daarom goed, dat in dit Handboek over het belang van de levende keuring iets wordt gezegd. De levende keuring kan heel dikwijls een waarschuwing zijn voor de keuringsambtenaar, dat het slachtdier lijdt aan een bepaalde ziekte die zonder de levende keuring aan de aandacht zou zijn ontsnapt bij de geslachte keuring. Er zijn verder ziekten, waarbij het beeld na de slachting niet in overeenstemming is met de ernstige ziektetoestand waarin het dier bij leven verkeerde. En het is juist deze laatste categorie van ziekten, die de vleesvergiftigingen kunnen veroorzaken. Heeft de keuringsambtenaar zulk een bij leven ernstig ziek dier gezien, dan is hij bij de geslachte keuring gewaarschuwd. Vandaar, dat de continuïteit van de keuring, nl. dat de levende en de geslachte keuring door dezelfde keuringsambtenaar geschiedt, van veel belang is. Er zijn verder afwijkingen, die zonder de levende keuring niet zouden zijn waargenomen bij de geslachte keuring. De levende keuring vergemakkelijkt dus de geslachte keuring. Waaruit bestaat nu die levende keuring? Men zou kunnen zeggen, dat het een oppervlakkig klinisch onderzoek is van het betrokken dier. De Vleeskeuringswet geeft nauwkeurig aan, waarop bij de levende keuring moet worden gelet. De keuringsambtenaar krijgt eerst een algemene indruk van het dier; de voedingstoestand wordt beoordeeld, terwijl wordt gelet op de algemene gezondheidskenmerken. Deze zijn bij het paard en de herkauwers een levendig orenspel, een heldere blik van de ogen, interesse voor de omgeving, een glanzende, t.o.v. het onderliggende weefsel losliggende huid en een normale pols, temperatuur en ademhaling. Bij het rund bovendien een natte neusspiegel (d.i. de vlakte boven en naast de beide neusgaten) en schone neusgaten. Een gezond rund brengt nl. voortdurend zijn tong in de neusgaten om de prikkeling van het uitlopende vocht op te heffen en bevochtigt aldus de neusspiegel. Een rund dat ziek is, reageert niet op die prikkel, de neusspiegel blijft droog en warm, terwijl het uit de neusgaten lopende vocht indroogt en aan de randen korsten vormt. Behalve de pols, temperatuur en ademhaling spreken de zojuist genoemde gezondheidskenmerken direct tot de waarnemer, terwijl de pols, temperatuur en ademhaling slechts worden opgenomen bij een meer uitgebreid onderzoek en wel vooral de pols en de temperatuur. Bij de behandeling van het Hoofdstuk: „Ziekteverschijnselen van het slachtvee waarop de koper moet letten", komen wij hier meer uitvoerig op terug, doch reeds nu kan worden gezegd, dat de ademhaling voor een ieder waarneembaar is en dat een gejaagde snelle ademhaling een symptoom kan zijn van verschillende ziekten. De snelheid van de ademhaling kan worden beoordeeld aan de uitzetting van de borstkas en gedeeltelijk van de buikwand. Is dit wat moeilijk, b.v. bij varkens, dan ziet men in het koude jaargetijde de lucht uit de neusgaten ontsnappen. De temperatuur en de pols worden alleen opgenomen, indien daartoe aanleiding bestaat. Wel zou het om verschillende redenen zijn aan te bevelen, indien bij alle te slachten dieren de temperatuur zou kunnen worden opgenomen, maar dit is niet uitvoerbaar. Het aantal ademhalingen bedraagt bij het rund 15 tot 25, bij het paard 8 tot 12, bij het varken 12 tot 18 en bij het schaap en de geit 12 tot 22, alles per minuut. De ademhaling wordt bij alle dieren versneld door inspanning, vermoeidheid enz., maar ook als gevolg van ziekten van het hart en van de longen. De lichaamstemperatuur is, evenals de ademhaling bij de verschillende diersoorten verschillend. Bij het rund bedraagt zij van 38 tot 392, bij het paard 372 tot 382, bij kalf, schaap en geit van 39 tot 402, bij varkens van 382 tot 40, alles uitgedrukt in graden Celsius, en gemeten met een te voren afgeslagen thermometer, die in de endeldarm wordt gestoken. Bij jonge dieren is de temperatuur hoger dan bij oudere dieren. Een te hoge temperatuur wijst bijna altijd op aanwezigheid van een of andere ziekte. Hand in hand met de lichaamstemperatuur gaat het aantal polsslagen (ofwel het aantal hartslagen), dat of met de hand is te voelen of te beluisteren achter het /inkervoorbeen, d.w.z. als men achter het dier staat. Het aantal polsslagen bedraagt bij het rund 50 tot 60, bij het paard 30 tot 40, bij kalveren, schapen en geiten 70 tot 80 en bij varkens 60 tot 90, alles per minuut. Is de lichaamstemperatuur verhoogd, dan stijgt volgens een bepaalde verhouding eveneens het aantal polsslagen, nl. per graad Celsius koorts, ongeveer 10 polsslagen per minuut. Aangezien het aantal hartslagen echter ten zeerste onder invloed staat van het zenuwstelsel, zal men bij gevoelige dieren soms een abnormaal hoog aantal polsslagen vinden zonder een hogere lichaamstemperatuur. Dit speelt bij de mens uiteraard een veel grotere rol dan bij onze niet erg onder psychische invloed te brengen slachtdieren. Kort voor de dood, in de z.g. „agonie" wordt het verband tussen de lichaamstemperatuur en het aantal polsslagen verbroken. Dan daalt nl. de lichaamstemperatuur sterk, terwijl het aantal polsslagen sterk stijgt. Tot de algemene gezondheidskenmerken behoort verder de normale mest, die als gevolg van verschillende omstandigheden dun kan worden en die ons altijd op onze hoede moet doen zijn, vooral als deze diarrhee gepaard gaat met hoge koorts. Soms is echter bij diarrhee de temperatuur verlaagd, door bepaalde oorzaken, maar wij moeten wel bedenken, dat dit soms maar schijn is, omdat door het persen een goed opnemen van de temperatuur soms niet mogelijk is. Als gezondheidskenmerk mogen we ook noemen de voor de diersoort specifieke gang: Echter wijst kreupelheid altijd op ontsteking van gewrichten, van spieren, op beenbreuken, kneuzingen of verlammingen. Behalve de bovengenoemde algemene gezondheidskenmerken, kennen we bij de verschillende diersoorten ook nog de specifieke gezondheidskenmerken, alsmede kenmerken van ziekten die slechts bij een bepaalde diersoort voorkomen. Deze laatste zullen we meer uitvoerig bespreken in het hoofdstuk : „Ziekteverschijnselen van het slachtvee waarop de koper moet letten". De specifieke gezondheidskenmerken bij het rund zijn verder het aanwezig zijn van de z.g. pensbewegingen die driemaal in de twee minuten optreden en aan de linkerzijde (achter het rund staande) onder de lendenwervels voelbaar zijn. Bij diarrhee zijn zij versneld en bij verstopping vertraagd. De uier moet soepel aanvoelen. Deze mag niet hard aanvoelen en de melk mag niet vlokkig zijn. De uit de mond hangende slijmdraden moeten helder zijn en niet sterk schuimend (mond- en klauwzeer). De schede moet gesloten zijn, zonder uitvloeiing en het slijmvlies rose gekleurd. De urine moet helder zijn en de banden aan weerszijden van de staartbasis mogen niet ingezonken zijn. Een gezond rund herkauwt als het rustig staat of ligt. Bij het paard moet het neustussenschot glad zijn. Er mag geen etterige neusuitvloeiing zijn en de klieren tussen de beide takken van de onderkaak moeten juist voelbaar zijn. We moeten er verder aan denken, dat de normale urine van het paard, in tegenstelling tot die van het rund die helder is, vaak zeer troebel is en slijmig en soms zelfs bijna wit. Bij het varken kennen we als specifiek gezondheidskenmerk de krul in de staart, de beweeglijke natte snuit en het knorren en schreeuwen bij de minste aanraking. Gezonde schapen en geiten zijn zeer levendig. Schapen hebben een vettige wolvacht, waarvan de wolharen niet mogen uitvallen en waarbij geen kale plekken te zien mogen zijn. Is een slachtdier levend gekeurd en zijn geen afwijkingen waargenomen, dan wordt een vergunning tot slachten afgegeven en wordt een bij de Vleeskeuringswet voorgeschreven merk aangebracht. Voor eenhoevige dieren en herkauwers is dit een groot rond merk met de letter G, welk stempel op twee plaatsen wordt aangebracht in een niet voorgeschreven kleur. Voor varkens is het een oormerk of een tatoueermerk eveneens met de letter G. Voor openbare slachthuizen is ontheffing verleend van het aanbrengen van dit merk, terwijl tevens onder bepaalde voorwaarden ook ontheffing is verleend van het afgeven van de vergunning tot slachten. Wordt bij de levende keuring een ernstig of een bijzonder ziekteverschijnsel waargenomen, dan wordt slechts een voorwaarde lijke vergunning tot slachten afgegeven en de eenhoevige dieren en herkauwers gemerkt met twee elkaar kruisende rode strepen op de lendenen, terwijl varkens een oormerk met de letter V krijgen. Zij kunnen dus onder bepaalde voorwaarden worden geslacht, b.v. in een afzonderlijke slachthal. Als voorbeelden van het belang van de levende keuring volgen thans enkele gevallen, die in de practijk zijn geconstateerd. Een kalf werd normaal per auto aangevoerd, waarbij het opviel, dat het de kop steeds naar één kant draaide. Na slachting bleek een abces aanwezig in de grote hersenen. Een paard werd per auto aangevoerd. Bij het lossen viel de krampachtige houding op van het gehele lichaam. Een nader onderzoek bracht aan het licht, dat het lijdende was aan tetanus of klem. De oorzaak was een nageltred. Zonder levende keuring zou dit nooit zijn ontdekt. Enkele jaren geleden werd een paard aangevoerd dat bij de levende keuring een streep etter aan de nek bleek te hebben. Het had een schoftfistel, die zodanig zat verscholen, dat het bij de geslachte keuring vrij zeker niet zou zijn geconstateerd. Enkele malen werden varkens aangevoerd die niet konden staan of die kreupel liepen. Na slachting bleken zij te lijden aan gewrichtsontsteking of beenbreuken, die zich niet door afwijkingen aan de betrokken klieren manifesteerden, zodat het bij de geslachte keuring vrij zeker niet zou zijn waargenomen. Bekend is verder de z.g. „draaiziekte" bij schapen, die zich verraadt door éénzijdige bewegingen. Zonder de levende keuring zouden we de blaasworm in de hersenen die de oorzaak van deze ziekte is, niet hebben ontdekt, met de kans dat de blaasworm in het lichaam van een hond zou zijn terechtgekomen, waardoor deze besmetting zich zou hebben voortgezet. Er werd een paard aangevoerd dat er zeer neerslachtig uitzag, moeilijk in beweging was te krijgen, nergens op reageerde en toch een normale temperatuur had. Door deze verschijnselen opmerkzaam geworden op een afwijking in de grote hersenen, bleek later, dat zich veel vocht had opgehoopt in de hersenkamers en het paard dus leed aan de z.g. „stille kolder". Er werd een rund aangevoerd per auto. Bij het lossen liep het met een slingerende gang de loopplank af. Na slachting bleek tuberculose aanwezig te zijn van de hersenvliezen, hetgeen zonder levende keuring niet zou zijn waargenomen. En zo zijn er nog vele andere voorbeelden te noemen, waaruit blijkt, dat inderdaad de levende keuring een leidraad is bij de geslachte keuring. (Zie in nauwe aansluiting aan dit hoofdstuk dus : „Ziekteverschijnselen van het slachtvee waarop de koper moet letten".) Dr R. van SANTEN ZIEKTEVERSCHIJNSELEN WAAROP DE is vermagerd en of het koorts . heeft en of de algemene KOPER MOET LETTEN Zowel voor slagers, grossiers en veehandelaren is dit een zeer belangrijk hoofdstuk en wel om twee redenen. Ten eerste bestaat, zoals iedere vakman weet, een verplichte verzekering van slachtvee, althans voor de bedrijfsslachtingen. Deze geschiedt bij het Centraal Bureau voor Slachtveeverzekeringen (C.B.S.), waarover elders in dit boek meer is te lezen. Een slachtdier wordt echter alleen dan aangenomen ter verzekering, indien er geen ziekelijke afwijkingen zijn; indien er wel een afwijking is, zonder dat er direct van een ziek dier kan worden gesproken, wordt nog wel verzekerd, doch niet tegen schade die eventueel uit die afwijking voortvloeit. M.a.w., het is voor de eigenaar van een slachtdier van het grootste belang, dat hij kan zien of er aan zijn slachtdier ziekelijke afwijkingen aanwezig zijn en zo ja, welke risico's dit voor hem kan opleveren. Ten tweede is een slager, grossier of veehandelaar vaak in de gelegenheid om een ziek dier te kopen, dat b.v. door een veehandelaar of een veefonds wordt opgeruimd. Zulke dieren kunnen bij het C.B.S. niet worden verzekerd, zodat het voor de koper noodzakelijk is om te weten welke prijs hij i.v.m. het risico mag betalen. In dit hoofdstuk zal dus worden getracht om aan de hand van practische ervaring het risico bij de aankoop van zieke dieren te bespreken. Wij nemen aan, dat de koper een koortsthermometer bij zich draagt en dat hij de gezondheidskenmerken, besproken bij de levende keuring, voldoende kent. RUNDEREN Een koe wordt opgeruimd wanneer zij zogenaamd „scherp in" heeft. Alle ingewijden weten welke ziekte hiermede wordt bedoeld. Het risico bij deze ziekte is tweeërlei. Ten eerste is er kans op natheid van het vlees en ten tweede op abnormale reuk en smaak van het vlees. Om beide redenen kan het dier worden afgekeurd. De natheid ontstaat als gevolg van een slechte hartwerking. Immers, door de door- boring van het hartzakje met een vuil, scherp voorwerp, b.v. een mesje, spijker, haarspeld enz., dat uit de maag afkomstig is, vormt zich rondom het hart een dikke laag stinkende etter. Soms ook is het een dikke, vaste laag en dan noemen we dat een pantserhart. In het eerste geval kunnen we soms, luisterend achter de linkervoorpoot, een klotsend geluid horen en in het tweede geval horen we de hartslag niet. Door deze laag om het hart wordt vooral de zuigende werking belemmerd, zodat veel vocht overal in het lichaam achterblijft. De abnormale reuk en smaak van het vlees wordt veroorzaakt door het opnemen van de stinkende stoffen in het bloed. Bij het levende dier is het moeilijk om te zien of het vlees nat zal zijn en onmogelijk of het vlees zal stinken. Een kleine aanwijzing voor de natheid van het vlees vinden we aan het z.g. kossum (de borst) en aan de onderkaak. Als men ziet dat de borst dik is en de vingerafdrukken er na knijpen in blijven staan en hetzelfde het geval is met het weefsel tussen de kaaktakken, dan is er een goede kans dat het vlees nat zal zijn. Is er op die plaatsen geen afwijking te vinden, dan is het risico veel minder. Met die abnormale reuk valt het nogal mee. Het gebeurt maar zelden dat hiervoor een rund wordt afgekeurd. Vanzelfsprekend is het van veel belang of het dier gezondheidskenmerken aan- of afwezig zijn. Recapitulatie. Vocht aan de borst en tussen de kaaktakken, vermagerd, dorre huid, koorts, zeer veel risico. Bij goede voedingstoestand, geen koorts, geen vocht aan de borst enz., goede huid, weinig risico. Meestal goedkeuren of vrijbank. Bij deze ziekte moet nog worden vermeld, dat het slachten met de grootste nauwgezetheid moet geschieden om te voorkomen, dat de stinkende inhoud van het hartzakje langs de hals en andere delen loopt, waardoor deze moeten worden afgekeurd wegens bezoedeling. Getracht moet worden om de hele massa in gesloten toestand te verwijderen. Tuberculose. Hierover behoeft weinig te worden gezegd, omdat deze ziekte weldra bijna geheel zal verdwijnen en de open lijders slechts via de Gezondheidsdienst worden opgeruimd. Aan het kopen van een gezonde reageerder is geen risico verbonden. Wel kan de tuberculose hierbij ernstig en minder ernstig zijn, doch het aantal afkeuringen en voorwaardelijke goedkeuringen is zeer gering. Ook neemt het C.B.S. de reageerders zonder meer in de verzekering op. Hier moet ook worden vermeld het optreden van trommelzucht, d.w.z. een sterke gasophoping in de pens, zonder dat een aandoening van de magen of van de darmen aanwezig is. Zoals bekend, ontsnapt bij het herkauwen veel gas door de mond naar buiten. Soms kan dit gas uit de pens moeilijk ontsnappen omdat de slokdarm gedeeltelijk wordt dichtgedrukt door een klier, die door tuberculose sterk vergroot is. Meestal heeft zulk een dier ook op andere plaatsen tuberculeuze processen en zijn met name de keelklieren eveneens dik, hetgeen de koper kan voelen achter de kaaktakken. Zulke koeien worden dus op onregelmatige tijden dik wat sterk wijst op tuberculose, met alle risico's van dien als het C.B.S. het dier niet verzekert en welk risico wordt vergroot door hoesten, dorre huid en vermagering en ook bij koorts. Zowel bij deze ziekte als bij de nog te bespreken ziekten, moet worden vermeld, dat het een groot verschil is, of het dier nog levend kan worden gekeurd, of dat het uit nood moet worden geslacht. Ten eerste is dit van groot belang voor de keuringsuitspraak en ten tweede moet men bedenken dat een levend dier wel, doch een uit nood geslacht dier niet ter keuring naar een andere vleeskeuringsdienst mag worden vervoerd. Dit kan van belang zijn, omdat een wegens ziekte uit nood geslacht dier nooit onvoorwaardelijk kan worden goedgekeurd, dus nooit het z.g. „vierkante stempel" kan krijgen. In het gunstigste geval wordt het „op de vrijbank" verkocht, waardoor de opbrengst op het platteland vaak veel minder is dan in een stad. Kan echter een dier nog levend worden gekeurd, dan is de kans op het „vierkante stempel" veel groter geworden. Kopziekte. Niettegenstaande de probate geneesmiddelen tegen deze ziekte, komt het toch zo nu en dan voor, dat een koe met kopziekte moet worden opgeruimd. Aangezien deze ziekte geen abnormale reuk of smaak aan het vlees geeft, is het risico van het kopen gering. Wel moet men er rekening mee houden, dat het vlees bijna altijd donker KALVEREN Ontsteking van de navelader. Zonder koorts en zonder kreupelheid (hetgeen op gewrichtsontsteking wijst) en bij normale gezondheidstoestand weinig risico. Bij koorts en dikke gewrichten zeer veel risico. Diarrhee. Bij goede gezondheidstoestand zonder koorts weinig risico. Bij hoge koorts zeer veel risico. Hoesten. Bij nuchtere kalveren die geen koorts hebben weinig risico. Bij koorts groot risico. Bij hoestende graskalveren zijn longwormen vaak de oorzaak. Zonder nevenverschijnselen is het risico gering. Soms zijn ze nat in het vlees. Dit is bij het levende dier niet te zien. Dan afkeuring. VARKENS Vlekziekte. Onvoorwaardelijke goedkeuring komt weinig voor. Meestal wordt het steriliseren, dus veel risico. Erge gevallen worden afgekeurd. Hetzelfde is het geval met varkenspest. Kreupele varkens. Is het een kwestie van vergroeiing door Engelse ziekte in de jeugd dan weinig risico, als de dieren niet zijn vermagerd. Vaak wijst kreupelheid op een ontsteking van het kniegewricht en daarvan zijn een enkele maal vlekziektebacteriën de oorzaak. In dat geval vinden we nog andere afwijkingen en volgt sterilisatie. Meestal echter kunnen we bij stijve varkens volstaan met het verwijderen van het kniegewricht. Voor beenbreuken geldt hetzelfde als reeds elders in dit hoofdstuk is gezegd. Aandoeningen die kans geven op abnormale reuk van het vlees. Bij varkens is daar meer kans op dan bij andere dieren. Als oorzaak noemen wij verschillende soorten diarrhee, geelzucht, uitstulping van de baarmoeder en van de endeldarm, etterige ontstekingen enz. Aankoop van zulke varkens is altijd riskant met het oog op afkeuring wegens abnormale reuk en smaak van het vlees. Een bijzondere afwijking is de geslachtsreuk van het vlees, die bij binnenberen en bij niet gecastreerde beren voorkomt. Een vrij groot percentage van binnenberen en van ongesneden beren wordt afgekeurd of in sommige gevallen gesteriliseerd. Dus veel risico. Sommige kopers ruiken of er een binnenbeer op stal aanwezig is. Een andere abnormale geur is de reuk en smaak van z.g. „visvarkens", dus varkens, gevoed met visafval. Het risico van afkeuren is zeer groot. Evenals men zegt, dat een ongeveer 2 maanden voor het slachten gecastreerde beer geen geslachtsreuk meer heeft in het vlees, evenzo zegt men dat, indien men 2 tot 3 maanden voor het slachten ophoudt met visvoeren, geen vislucht van het vlees optreedt. De practijk heeft bewezen, dat dit lang niet altijd opgaat. Wij hebben gezien, dat de kans op goedkeuring van een in nood geslacht dier veel geringer is, dan wanneer er nog levende keuring kan worden verricht. Soms wordt wel een gestorven dier ter keuring aangeboden. Is de oorzaak van het sterven een ongeval, waartoe ook kan behoren een verbloeding bij een verlossing en zijn de ingewanden direct verwijderd, en is de toestand van het vlees goed, dan kan zelfs onvoorwaardelijke goedkeuring volgen. Andere plotselinge sterfgevallen, b.v. verdrinking, hartverlamming enz., kunnen, indien alle omstandigheden gunstig zijn, nog aanleiding zijn voor verkoop op de vrijbank. Door andere ziekten gestorven slachtdieren worden afgekeurd. PAARDEN Hoewel de handel in slachtpaarden veel minder intensief is dan van runderen, zijn er toch enkele ziekten waarop de koper moet letten. Klem of tetanus. Hierbij bevat het vlees geen bacteriën en zulke paarden worden practisch altijd goedgekeurd, als de levende keuring is verricht en de toestand niet te erg is, anders gaan ze naar de vrijbank. Maandagziekte. Dit is de bekende ziekte bij goed doorvoede paarden die na een rust van enkele dagen (na Pasen, Pinksteren of Kerstmis) plotseling •neervallen, soms bloedwateren en niet meer opstaan. Ook hier geen bacteriën in het vlees. Deze dieren brengen het nooit verder dan de vrijbank, waarbij de koper erop moet rekenen, dat er soms stukken vlees wegens natheid worden afgekeurd. Hier dus ook weinig risico. Koliek. De oorzaken hiervan zijn velerlei. Het gebeurt zelden dat een paard met koliek levend wordt aangevoerd. Het geneest of wordt uit nood geslacht. Als de oorzaak van de koliek niet bekend is, is het risico niet te voorspellen. Windkoliek door gasophoping in de dikke darmen geeft weinig risico. Verstoppingskoliek meer. Koliek door het barsten van maag of darmen geeft zeer groot risico, evenals door het draaien of omslingeren van darmlissen. Alles hangt ervan af of het vlees bacteriën bevat en een troost is, dat dit zelden voorkomt, terwijl bovendien afkeuring we- gens abnormale reuk en smaak bij paarden minder voorkomt dan bij andere dieren. Echter komt een noodslachting wegens koliek nooit verder dan de vrijbank. Gewrichtsontsteking. Oude gevallen geen risico. Bij koorts wel. Bij veulens zeer veel risico als meerdere gewrichten zijn aangedaan en de koorts hoog is. Goedaardige droes. Indien er slechts een etterige uitvloeiing is uit de neus met dikke keelklieren en geen koorts en niet ziek, is het risico gering. Bij hoge koorts is er kans op z.g. „verslagen droes" met longontsteking en bloedvergiftiging. Groot risico. Kwade droes. Komt in ons land niet voor. Het dier wordt afgemaakt en afgekeurd. Gezwellen bij schimmels. Bij schimmels ziet men soms gezwellen in de holte rondom de anus, aan de staartbasis en soms hier en daar onder de huid. Groot risico op afkeuring wegens verspreiding overal in het lichaam van deze zwarte pigmentgezwellen. SCHAPEN EN GEITEN Bij deze dieren is weinig te vermelden. Een schaap dat maar steeds naar één zijde ronddraait (draaiziekte) kan zonder risico worden gekocht. De oorzaak is een blaasworm in de hersenen. Met afkeuring van de kop wordt volstaan. Aan het kopen van een „ongans" schaap zit wel risico verbonden, omdat door de aantasting van de lever door de leverbotten, soms vocht optreedt in de buikholte en het vlees nat is, waardoor afkeuring volgt. Dr R. VAN SANTEN HET VASTSTELLEN VAN DE LEEFTIJD VAN HET SLACHTVEE Het enigermate nauwkeurig vaststellen van de leeftijd van het te kopen of te verkopen slachtdier is voor de slagers, grossiers en veehandelaren een belangrijke kwestie. Men spreekt altijd van het enigszins nauwkeurig vaststellen van de leeftijd, omdat wij straks zullen zien, dat de leeftijdsbepaling geschiedt op uiterlijk zichtbare kentekenen, waarvan de nauwkeurigheid afhangt van omstandigheden die dikwijls niet gelijk zijn. M.a.w., wij trachten zo goed mogelijk de leeftijd te bepalen en daarom is het noodzakelijk om van de kentekenen goed op de hoogte te zijn. In de practijk speelt de leeftijdsbepaling van varkens, schapen, geiten en kalveren een geringe rol en zien wij dat bij pinken, oudere runderen en slachtpaarden vaak slechts zeer oppervlakkig naar de leeftijdskenmerken wordt gekeken, hetgeen vermoedelijk wordt veroorzaakt door het gebrek aan kennis hieromtrent. Slechts bij handelsvee vindt een meer nauwkeurige inspectie van de leeftijd plaats. De voordelen van een goede kennis van de leeftijdskenmerken springen direct in het oog. Ten eerste heeft men bij de handel al direct een zeker overwicht op zijn „tegenstander", omdat de leeftijd in vele omstandigheden als een handelsargument kan worden gebezigd. Ten tweede wordt in de meeste Heffingsverordeningen van de verschillende gemeenten het slacht-keurloon bepaald naar de leeftijd van het slachtdier en men moet dus hierover kunnen meepraten en daarmede zijn voordeel doen. Bijna iedere grossier of slager is meestal goed op de hoogte van de leeftijdskenmerken van de geslachte dieren en hij kan een aardige vergelijking maken of de kenmerken van de leeftijden van de levende en de geslachte dieren parallel lopen en aldus zijn vakkennis vermeerderen.Verder dient de grossier of slager te weten hoe oud een slachtdier is, zulks i.v.m. de malsheid van het vlees. Rund en paard zijn dus wat betreft de leeftijdsbepaling het meest belangrijk en hiervan heeft het paard wel de meest duidelijke kentekenen. Alvorens deze te bespreken, dienen eerst enkele algemene opmerkingen te worden gemaakt. Het gebit omvat snijtanden, hoektanden en kiezen, die alle zeer stevig zijn bevestigd in de z.g. „tandkassen", en wel door middel van één of meer wortels, waarvan talloze vezelen naar de tandkassen lopen. Dit is echter minder het geval met het z.g. „melkgebit", dat na de geboorte het eerst ontstaat en later wordt vervangen, althans bijna geheel, door het blijvende gebit. De melksnijtanden worden alle vervangen door blijvende snijtanden. Zij staan vóór in de mond, snijden a.h.w. het voedsel af en zijn, behalve bij de herkauwers, in een aantal van 6 in de boven- en onderkaak aanwezig. Bij de herkauwers zijn er 8, die alleen maar in de onderkaak aanwezig zijn en waarmede het gras met behulp van de tong wordt afgerukt en gesneden. Deze 8 snijtanden in de onderkaak staan dan ook iets los, om een meer soepele opname van het gras mogelijk te maken. De z.g. haaktanden zijn bij het varken, de hengst en de ruin aanwezig zowel in de boven- als in de onderkaak aan weerszijde (dus 4), zijn eigenlijk hoektanden en staan tussen de kiezen en de snijtanden in. Voor de leeftijdsbepaling en voor het kauwen hebben zij geen betekenis. De kiezen zijn eigenlijk de maaltanden en dienen dus om het voedsel fijn te malen. Het aantal is meestal 6, zowel in de boven- als in de onderkaak aan weerszijden, waarvan de voorste drie, die wel wisselen, valse kiezen worden genoemd en de achterste drie, die niet wisselen, ware kiezen heten. De kiezen van de plantenetende zoogdieren noemt men geplooide kiezen omdat zij zijn voorzien van harde lijsten van tand-email, welke lijsten onregelmatig over de kauwvlakte van de kiezen lopen en waardoor het grove voedsel gemakkelijk kan worden fijngemalen. Ook de kiezen zijn voor de leeftijdsbepaling van geen practisch belang. LEEFTIJDSBEPALING BIJ HET PAARD Om deze te bepalen, dient men op de hoogte te zijn van de bouw van een paardensnijtand. Stelt u zich voor een grote tand, waarin in de kroonvlakte, d.i. de vlakte waarmee het voedsel wordt gepakt, zich een holte bevindt, de z.g. kroonholte. De tand is geheel bekleed met een harde substantie, nl. het cement, dat dus ook over de zoëven genoemde kroonholte heenloopt. Onder deze cementlaag zit een nog hardere laag, het z.g. email en daaronder zit weer het tandbeen of dentine, waarin de zenuw loopt. In deze dentine is nl. een kleine holte, opgevuld met de tandpulpa, een weke massa waarin de gevoeligheid van de tand zetelt. Die holte nu in de snijtanden is een zeer belangrijk hulpmiddel bij het vaststellen van de leeftijd van een paard, want die holte slijt heel langzaam weg door het eten en kauwen en we weten ongeveer hoe lang dat slijtproces duurt. Ook moeten we weten, dat de holte in de tanden in de bovenkaak tweemaal zo diep is als die in de tanden van de onderkaak, zodat het wegslijten van de holte in de bovenkaakstanden tweemaal zo lang duurt, althans bij de paardensnijtand, d.i. de blijvende tand. Bij de veulensnijtanden, dus bij de melktanden, is de holte in de boven- en de onderkaakstanden even diep, zodat bij het veulen de holten tegelijk zijn verdwenen. De snijtanden van een paard, waarvan er 6 in de bovenen 6 in de onderkaak zitten (de haaktanden bij hengst en ruin niet meegerekend), worden genoemd de voor-, de middel- en de hoektanden. Bij de geboorte heeft een veulen soms wel, soms geen tanden, doch dan komen ze toch binnen 10 dagen, nl. de 2 voortanden. De middeltanden komen na 1 maand en de 2 hoektanden na 3 tot 10 maanden. Deze veulensnijtanden hebben eveneens een holte in de kroon. De vorm van de veulensnijtand is geheel anders dan die van de paardensnijtand, nl. schopvormig met een hals, terwijl de paardensnijtand geen hals heeft. Ook is de veulensnijtand kleiner dan de paardentand, die wel 3 cm en meer boven het tandvlees kan uitsteken. We moeten dus beide tandsoorten goed kunnen onderscheiden, anders maken we een grote fout in de leeftijdsbepaling. De veulensnijtanden gaan nu slijten en dus gaat de kroonholte verdwijnen: na 1 jaar zijn de voortanden z.g. gevuld, na 16 maanden de middeltanden en na 2 jaar de hoektanden. Dit is dus zowel in de boven- als in de onderkaak het geval. Is de holte nog niet helemaal weggesleten, dan moet een tussenleeftijd worden geschat. Daarna begint de wisseling. De veulentanden worden door de naar boven groeiende paardentanden uitgestoten. Op 3i- jaar zijn de veulenvoortanden gewisseld en staan de paardenvoortanden in de rij, op 42 jaar is dit het geval met de middeltanden en op 52 jaar met de hoektanden. Kostprijsberekening inkoop geslachte bouten Inkoop 1 vaars veemarkt f 920,— Vracht van markt naar abattoir „ 7,50 Slachtloon » 6,— Weegloon „ 0,40 Rijloon vleesrijder f 6,— Totaal f 939,90 Afslacht 1 huid 26 kg à fl,3O = f 3 3, 80 Vet 27 kg à f 0,80 = „ 21,60 Afval „ 35,— f 90,40 Totale eindprijs der bouten f 849,50 Bij een koud gewicht van 330 kg is de inkoopprijs op de markt f 920,— : 330 = f 2,79 per kg aan bouten. De kostprijs der bouten na aftrek van de afslacht is f 849,50 : 330 = = f 2,57 per kg. In dit geval is de afslacht dus f 0,22 per kg. Daar het totaal bedrag der afslacht nooit voor ieder dier hetzelfde is, komen er natuurlijk schommelingen voor. Zo kan het ene dier wel een afslacht van f 0,22 per kg geven, terwijl een ander f 0,19 en ook f0,24 per kg afslacht. Dit houdt verband met de hoeveelheid los vet, de waarde der huid enz., terwijl ook de meerdere of mindere onkosten, die boven de inkoopprijs op het beest komen, hierbij een rol spelen. In het slagersbedrijf is calculeren dan ook steeds en in ieder onderdeel van het bedrijf noodzakelijk. De organisaties wijzen hier steeds nadrukkelijk op en staan hun leden met zeer vele gegevens daarover ten dienste. Ook wij kunnen niet nalaten u op deze noodzaak te wijzen : C a 1c uleer ! BEPALEN VAN LEVEND GEWICHT DOOR METING Het bepalen van het levend gewicht van vee door vaststellen van uitwendige afmeting is reeds zeer oud. In de oudheid werd hiervoor gebruik gemaakt van een stuk touw (marlijn) en estriken, d.i. een gebakken rode vloertegel, die men toen in elke boerenbehuizing aantrof. Deze estriken waren alle van precies evengrote afmetingen, n1.30 x 30 cm. Wanneer een boer zijn varkens zo ver had gemest, dat deze voor aflevering geschikt waren, ging hij met het touw de omtrek achter de voorpoten meten, zoals thans de omtrek wordt vastgesteld door te meten met een rekvrije veemeetband. Het touw dat de omtrek van het varken aangaf, werd dan over de vloer uitgelegd en aan de hand van het aantal estriken, die men er mee kon afmeten, werd het gewicht bepaald. Had het touw een lengte van een bepaald aantal estriken, dan woog het varken bijvoorbeeld 100 kg. Was het touw langer, dan werd er naar verhouding van hele of gedeeltelijke estriken een aantal daarvoor vastgestelde kilogrammen bijgeteld. Dat bij toepassing van deze methode dikwijls zeer afwijkende uitkomsten werden verkregen, is te begrijpen. Afgezien van andere verwaarloosde factoren, kon het achterwege laten van de lengte-meting reeds aanmerkelijke verschillen veroorzaken. Bij inkoop van vee is het vooral voor de beginneling van belang zich enigszins op de hoogte te stellen, hoe door me ting vrij nauwkeurig het levend gewicht kan worden bepaald. Reeds eerder hebben wij vermeld, hoe een ervaren inkoper dit doet door meting met armen en kin. Door zijn ervaring kan hij op die manier het aantal centimeters der omtrek en lengte vrij nauwkeurig bepalen en heeft hij daarbij geen maatband meer nodig. Deze methode wordt tegenwoordig bij varkens niet meer toegepast, wel bij runderen en kalveren, waarbij men als volgt te werk gaat. Wanneer men de koe goed vierkant o p haar poten heeft staan en op een vlakke ondergrond, meet men de omtrek van de romp vlak achter de voorpoten en de lengte van de boegknop af tot de scheiding van bovenbil en muis. Deze omtrek en lengte kan men vergelijken met de omtrek en hoogte van een cylinder. Nemen wij als voorbeeld een koe met een omtrek van 204 cm en een lengte van 190 cm. Via een eenvoudige berekening is het nu mogelijk het ge wicht van de koe vast te stellen door middel van een for- mule. Deze formule luidt: halve omtrek x halve omtrek x lengte gewicht koe — 3140 Wanneer wij de gevonden maten hier invullen dan krijgen we dus : 102 x 102 x 190gewicht koe = 3140 — 629 kg. Bij deze uitkomst nooit vergeten om er 10% bij te tellen voor het gewicht van de kop, de poten etc. Het totaal gewicht bedraagt dus 629 plus 63 is 692 kg. We komen aan deze eenvoudige formule met behulp van de inhoudsformule van een cylinder. Wij gaan hierop echter niet verder in. Om nu het gewicht aan bouten vast te stellen komt het op de reeds eerder beschreven kwaliteitsbeoordeling en het daarvan afhankelijke uitslachtpercentage aan. Een en ander is zo berekend, dat de koe één dag gevast heeft. Wanneer men de koe op de markt koopt dient men dus rekening te houden met een tarra van 25 á 35 kg, wanneer het dier direct na aankoop, op de markt gewogen wordt. KALVEREN Kalveren worden onder verschillende benamingen in de handel gebracht. De kwaliteit van de kalveren loopt sterk uiteen. Het pasgeboren of nuchter kalf levert slap en waterrijk vlees. De meest betrouwbare kentekenen van een nuchter kalf zijn de navelstreng en de zoolkussens. Bij de geboorte is de navelstreng zacht en vochtig : na drie of vier dagen is deze opgedroogd en valt van de buik af. Aan de buik is dan nog een wondkorst aanwezig, welke, nadat het kalf drie tot vijf weken oud is, eveneens verdwijnt. De zoolkussens zijn bij de geboorte van een weke, hoornachtige substantie, welke na uitdroging na vier dagen verhardt. Het levendgewicht varieert van 30 tot 50 kg, terwijl het inslachtpercentage ongeveer 40 % bedraagt. Nuchtere kalveren, die het gewicht van ca 25 kg niet overschrijden, noemt men slakjes. De verkoop geschiedt per kilogram levendgewicht alsook zogenaamd in de roes, d.w.z. men taxeert het gewicht en berekent daarnaar de totale prijs. Het uitbeenpercentage van een nuchter kalf varieert van 28 tot 34 %. Dit verschil wordt hoofdzakelijk veroorzaakt SCHADE DOOR DRACHTIGHEID Het is algemeen bekend en wordt ook door alle betrokken groepen erkend, dat runderen die bij slachting drachtig blijken te zijn, een behoorlijke waardevermindering als slachtdier kunnen ondergaan. Het dier voldoet althans niet volledig aan het doel waarvoor het bestemd is ; vooral wanneer de vrucht in een vergevorderd stadium van ontwikkeling verkeert, is een tegenvallen van het geslacht gewicht van het rund vrij normaal, alsmede van het z.g. losvet (krans en zoom), terwijl een kwaliteitsvermindering van belangrijke spiergroepen optreedt. Ofschoon drachtigheid niet als een „verborgen gebrek" beschouwd kan worden, is deze toch in strijd met de eisen die overeenkomstig algemeen handelsgebruik aan een slachtdier gesteld worden. Blijkt bij slachting dat een rund drachtig is, dan heeft de koper (slager) recht op schadevergoeding, tenzij bij de verkoop is vermeld dat bedoeld rund drachtig is of kan zijn, met opgave van het aantal maanden van het drachtig zijn. Zoals ik reeds in mijn aanhef vermeldde, wordt dit recht op schadevergoeding algemeen erkend. Dit feit kwam in de distributietijd wel heel sterk tot uiting, zo sterk zelfs, dat het totale gewicht van baarmoeder plus inhoud van het levend gewicht van het dier werd afgetrokken en dus niet werd uitbetaald, behalve wanneer dit gewicht minder dan 12 kg bedroeg; dit werd verwaarloosd en beschouwd als niet van invloed te zijn geweest op waardevermindering of kwaliteit. Deze methode was niet zo slecht, maar na de distributietijd bleek alles weer op vooroorlogse wijze te worden behandeld. De slager zat met de moeilijkheid : bij de oorspronkelijke eigenaar kreeg men in het algemeen weinig gehoor en nog minder schadeloosstelling. Dit was niet billijk en is aanleiding geweest dat de daarbij betrokken landbouw-, veehandel-, vleeswarenindustrie-, grossiers- en slagersorganisaties getracht hebben een redelijke regeling te treffen. Hieruit zijn enkele voorstellen gekomen, die echter nog niet geheel tot overeenstemming geleid hebben. Aangezien ik als voorzitter van de commissie van advies van de vereniging voor vee-arbitrage te Rotterdam nogal eens met dergelijke zaken te maken heb gehad, acht ik mij gerechtigd hierover wel een oordeel te vellen, hetwelk natuurlijk ook niet in alle gevallen zal voldoen, maar als gemiddelde toch een zeer goede en verantwoorde maatstaf is en als zodanig goed bruikbaar. Ik wil u dit met een voorbeeld duidelijk maken aan de hand van de thans geldende prijzen. Een rund van eerste kwaliteit wordt op de markt gekocht voor f 900,—. Het levend gewicht blijkt te zijn 500 kg. In de tijd van de verplichte veelevering werd als volgt gehandeld: de koe werd geclassificeerd als b.v. A.A. tegen f1,80 per kg levend gewicht, dus bracht op 500 x f 1,80 = f 900,—. Doordat de koe een baarmoeder met vrucht in had van 50 kg, werd van dit bedrag als schadevergoeding afgetrokken 50 x f 1,80 = f 90,—. Ofschoon deze methode erg gemakkelijk was, was dit toch wel erg hoog berekend, omdat voor alle klassen dezelfde norm werd aangehouden. Billijker lijkt mij te rekenen naar de kostprijs per kg geslacht gewicht. De koe weegt geslacht 270 kg, dus kost f 900,— : 270 kg = f 3,33 per kg. (De geslachte weging moet ambtelijk gecontroleerd zijn.) Indien men aanneemt dat het geslacht gewicht van een eerste kwaliteit rund 58 % bedraagt van het levend gewicht (z.g. 58 % houdt), doch niet alle runderen altijd even slecht uitvallen wanneer ze met een vrucht voor de dag komen, is het billijk, dat de schadevergoeding wordt bepaald op 50 % dus in dit geval een schadevergoeding in aanmerking komt van 50 % van 50 kg (baarmoeder plus inhoud) maal de kostprijs per kg geslacht gewicht. De berekening wordt dan: 50 % van 50 kg is 25 kg, dus 25 maal f 3,33 = f83,—. Slachtrunderen in een mindere kwaliteit houden globaal 50 % en is m.i. 40 % vergoeding te verantwoorden. De vergoeding zou dan bij dezelfde kostprijs worden : 40 van 50 kg is 20 kg, dus 20 maal f 3,33 = f 67,—. Eventuele classificatie kan mede bepaald worden uit de kostprijs per kg geslacht gewicht. Men ondervangt hiermede veel moeilijkheden. Mocht de berekening moeilijkheden opleveren, dan staan altijd de adviescommissies van de vereniging voor vee-arbitrage ter beschikking om op dergelijke vragen kosteloos advies te verstrekken, aangezien dit niet als arbitrage kan worden opgevat. Verder kan men aannemen dat in gevallen waarin het gewicht van baarmoeder met inhoud 15 kg of minder bedraagt, dit niet van betekenis is geweest op de kwaliteit van het dier of het gewicht (de vrucht is dan ongeveer half dracht). Wordt het gewicht groter, dan kunnen we spreken van schade voor de slager. Bij gewichten boven 15 kg tot en met 20 kg is de schade nog betrekkelijk gering en als over- gang naar de daarboven liggende gewichten zou het m.i. redelijk zijn, daarvoor de schade te bepalen op de helft van 50 % en 40 %. Een van de eerste eisen die gesteld moeten worden is, dat de feiten goed vaststaan en geen twijfel mogelijk is. De oorspronkelijke eigenaar moet zijnerzijds ook beschermd worden. Dat per abuis een ander voor schadevergoeding wordt aangesproken moet voorkomen worden. De bewijzen moeten onaanvechtbaar zijn en zo mogelijk moet de eigenaar zich kunnen overtuigen. In gevallen waarin de verkoper kennis geeft van het mogelijk voorkomen van een kleine vrucht, maar bij slachting blijkt dat de baarmoeder met inhoud meer dan 20 kg weegt, dient de volledige vergoeding te worden gehandhaafd. Dit moet eveneens het geval zijn wanneer de opgave van de verkoper omtrent de duur der drachtigheid niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Wat de ouderdomsbepaling van de vrucht betreft, daarvoor bestaan vrij nauwkeurige gegevens en zal een beoordeling als aangegeven in bijgaand staatje voldoende zijn, althans zeer bruikbaar en verantwoord. Wanneer echter de schaderegeling aan de orde komt is dit voldoende en is het gewicht van baarmoeder met inhoud van meer belang. Bij deze methode zijn ook moeilijkheden te verwachten maar met volle medewerking van belanghebbenden en keuringsdiensten, zal m.i. een bevredigende oplossing te verkrijgen zijn. Er zal wederom een beroep moeten worden gedaan op de medewerking van de ambtenaren, doch aangezien dit tot nu toe geen aanleiding tot klachten heeft gegeven, heb ik alle hoop dat dit voor de toekomst ook geen bezwaren zal opleveren. Beschrijving van de herkomst (vol DE VEEMARKTEN Veeteelt is een van de oudste bronnen van bestaan voor de mens. Vlees, melk en huiden voorzien zowel in een behoefte van de primitieve volkeren als van de meest beschaafde gemeenschap. Zodra de mens meer produceert dan voor zijn bestaan nodig is, ontstaat de behoefte de overtollige goederen te ruilen of te verkopen. Er worden dan geschikte plaatsen gezocht om gegadigden voor deze producten te vinden. Rondom zulke handelsplaatsen ontstaan nederzettingen en op deze wijze is de oorsprong van vele steden en dorpen terug te voeren tot een zich ontwikkelende marktplaats. In vroeger eeuwen werden bijna alle verbruiksgoederen op de openbare markten verhandeld. De markten vormden een voorname bron van bestaan voor de ingezetenen van de marktgemeente. Het behoeft dan ook geen verwondering te wekken, dat er een grote onderlinge naijver ontstond tussen naburige handelsplaatsen. Het verkrijgen van een privilege voor het houden van markten werd als een van de grootste gunsten beschouwd, welke door de landheer kon worden verleend. Onder de vele privilegiën, decreten, keuren en ordonnantiën uit de gemeentelijke archieven nemen die, welke op de markten betrekking hebben, dan ook een voorname plaats in. Ook heden is het aan de gemeente nog niet toegestaan zonder de goedkeuring van de regering een markt te stichten of in tijd en aantal van de bestaande marktdagen wijzigingen aan te brengen. Het marktwezen moet bij gemeentelijke verordening zijn geregeld en deze verordening behoeft de goedkeuring van de Kroon alvorens zij van kracht wordt. De handel heeft zich in de loop der tijden in velerlei vormen ontwikkeld en van de oorspronkelijke manier van afzet der goederen : de openbare markt, is niet veel overgebleven. In ons land heeft de handel in vee via de openbare markten zich bijna volledig weten te handhaven. Vee leent zich nu eenmaal niet om ongezien ver- of gekocht te worden op monster of door een omschrijving van de dieren. In de kwaliteit en daardoor in de waarde van onze landbouwhuisdieren zijn zulke grote verschillen, dat het uitsluitend aan de kenner, die het dier in levenden lijve beoordelen kan, gegeven is tot een bepaling van de waarde te komen. In mindere mate geldt dit voor het vette varken. Een grote uniformiteit in de fokrichting en de wijze van mesten maken het tegenwoordig mogelijk dit product van onze veeteelt op beurzen te verhandelen. Het voordeel van het verhandelen van vette varkens op beurzen is gelegen in een besparing op de transportkosten en de mogelijkheid van kopen en verkopen op termijn. De aanvoeren van slagersvarkens op verscheidene markten zijn dan ook de laatste jaren vrij sterk teruggelopen. Tot omstreeks 1910 werden de dieren naar de markt gebracht per trein, tram of boot, terwijl een zeer groot deel van het vee geleid werd aangevoerd. Hoewel de dieren vaak over grote afstanden te voet gedreven werden, was men daarbij toch aan bepaalde grenzen gebonden en werd vanzelfsprekend de dichtsbijzijnde markt bezocht. Bijna elke gemeente van enige betekenis had dan ook haar jaar-, maand- of weekmarkt. De namen van straten en pleinen in vele steden wijzen nog op in het verleden bestaan hebben van veemarkten in die gemeenten. Allengs heeft de vrachtauto de taak van de andere vervoermiddelen overgenomen en op heden geschiedt het vervoer der dieren naar de markten vrijwel uitsluitend per veeauto. De mogelijkheden om het vee over grote afstanden over vrij goede wegen op alleszins goedkope en gemakkelijke wijze te vervoeren is vele eertijds bloeiende veemarkten noodlottig geworden. Kopers en verkopers begonnen zich te bepalen tot het bezoeken van enkele goed gelegen marktcentra, waar een groter aantal belanghebbenden elkaar konden ontmoeten en waar een groter assortiment in vee bij elkaar werd gebracht. De gewijzigde vervoersmogelijkheden deden de aanvoeren op enkele markten afnemen of geheel verdwijnen, maar andere markten kwamen erdoor tot grotere bloei en deze laatste moesten zich aan de nieuwe toestand aanpassen. De veemarkten waren eertijds gelegen in het centrum der gemeenten. Met een uitzondering voor wat betreft de caféaccommodatie rondom deze veemarkten, was er van verder gerief voor de marktbezoekers weinig sprake. De gelegenheden tot parkeren van de honderden auto's waren afwezig of zeer beperkt. De besturen van gemeenten met een veemarkt van enige betekenis zijn zich veelal voldoende bewust van de grote belangen, welke er zijn gelegen in het bezit van een bloeiende veemarkt. Zij trachten de markten aan de nieuwe toestand aan te passen en zijn tot stichting overgegaan van veemarktcomplexen met een betere accommodatie of hebben daartoe plannen ontworpen. Bij de uitwerking van een veemarktplan moeten grote moeilijkheden overwonnen worden alvorens de belanghebbenden tot overeenstemming komen. Om over de nodige ruimte te kunnen beschikken zal het meestal nodig zijn de markt te verplaatsen naar een meer aan de buitenkant gelegen terrein. Dit leidt tot verzet bij de omwonende neringdoenden en dikwijls van de gehele middenstand in de gemeente, die vreest, dat de directe voordelen van het marktbezoek : een kopend en verteringen makend publiek op een marktdag in de binnenstad, zal verdwijnen. Ofschoon het onoverkomelijk is, dat enkele zakenlieden door de verplaatsing van een markt worden gedupeerd, is met voorbeelden aan te tonen, dat de voordelen, verbonden aan een goed ingerichte marktgelegenheid, ruimschoots opwegen tegen de nadelen van de verplaatsing. Een veemarkt kan slechts bloeien wanneer aan bepaalde eisen van de handel wordt voldaan en een bloeiende veemarkt is een van de voornaamste middelen tot de uit een sociaal oogpunt gezien zo zeer gewenste binding tussen stad en land. Een stad met een bekende veemarkt, hetzij deze groot is of van bescheiden omvang, zal het middelpunt blijven van een streek, zij zal in talloze plattelandsgezinnen telkens weer het onderwerp van het gesprek zijn en daardoor voor de gezinsleden als de stad beschouwd worden. Het plan van de inrichting van de markt vereist veel studie en overleg ; aan de inrichting zitten weer gekoppeld de financiële mogelijkheden en moeilijkheden. Immers een veemarkt behoeft geen directe financiële voordelen op te leveren en er mag zelfs wel op een nadelig saldo gerekend worden, omdat daar grote indirecte voordelen tegenoverstaan, maar de economische draagkracht van de KOOPVERNIETIGENDE GEBREKEN De handel in vee geeft in ons land vaak aanleiding tot moeilijkheden, tot z.g. koopkwesties, wat niet te verwonderen is als men weet, dat jaarlijks alleen op de markten reeds ongeveer 3 millioen dieren worden verhandeld. Ons Burgerlijk Wetboek bevat in zijn bepalingen omtrent koop en verkoop geen aparte regelingen voor de handel in vee. Levende dieren worden gelijkgesteld met zaken ; de desbetreffende bepalingen zijn dus geheel gelijk aan die voor levenloze goederen. In het buitenland is dit anders geregeld; daar heeft men in vele landen een apart wetboek voor de handel in dieren. Men vindt de bepalingen omtrent koop en verkoop in de art. 1493-1548 van ons Burgerlijk Wetboek. Een zeer voornaam artikel is art. 1540, dat zegt: De verkooper is gehouden tot vrijwaring wegens verborgene gebreken van het verkochte goed, die hetzelve ongeschikt maken tot het gebruik waartoe het bestemd is, of die dat gebruik in dier voege verminderen, dat bijaldien de kooper de gebreken gekend had, hij het goed, of in het geheel niet, of niet dan voor eenen minderen prijs zoude gekocht hebben. Wanneer derhalve een koper van een stuk vee meent, dat dit een of ander gebrek heeft, doet hij verstandig zo spoedig mogelijk een deskundige, dus een dierenarts, te vragen . het dier te onderzoeken, opdat vastgesteld wordt of het bewuste dier een gebrek heeft, of dit verborgen was bij de koop, of dit het gebruik vermindert of geheel ongeschikt daartoe maakt en of dit vóór de koop aanwezig was. Ziekte wordt als gebrek beschouwd; wat onder gebrek wordt verstaan, is op verschillende manieren door de rechterlijke instanties omschreven, eveneens wat men heeft te verstaan onder „verborgen". Ik meen hier te kunnen volstaan met de definitie : een gebrek is een onvolkomenheid die maakt, dat de zaak ongeschikt of minder geschikt is voor het gebruik en verborgen is het gebrek als dit met de gewone opmerkzaamheid van de handel niet is op te mer- ken. Hiermede wordt dus te verstaan gegeven, dat niet een volslagen leek een koe moet gaan kopen ; voor hem zal toch menig gebrek, dat een veehandelaar onmiddellijk opvalt, verborgen . zijn, maar de rechter zal dit niet accepteren doch aanvoeren : als ge zo weinig of helemaal geen verstand hebt van dieren, moet ge u maar laten vergezellen van een deskundige. De verkoper behoeft niet in te staan voor zichtbare gebreken. Het stuit betrekkelijk zelden op moeilijkheden vast te stellen, of een gebrek verborgen is; moeilijker is het voor de dierenarts dikwijls te verklaren, dat het gebrek vóór de koop aanwezig was. Daartoe is het allereerst nodig, dat door een nauwgezet onderzoek een juiste diagnose wordt gesteld; daarna moet de dierenarts overwegen of de gevonden afwijking na de koop kan zijn ontstaan. Zo ja, dan gaat de verkoper vrij uit; zegt de dierenarts, dat het onmogelijk is, dat de ziekte in de tijd, verlopen sinds de koop, is begonnen, dan heeft de koper recht de verkoper aan te spreken. De ziekte of het gebrek moet het dier ongeschikt maken voor het gebruik, waartoe het bestemd is. In den regel zal de verkoper wel weten, voor welk doel de koper een dier koopt; anders doet men verstandig bij de koop dit duidelijk af te spreken. Wordt een koe met een zeer lichte baarmoederontsteking b.v. door een slager of een vetweider gekocht, dan vermindert voor deze beiden de gebruikswaarde van de koe door die ontsteking niet het minst; voor een fokker betekent het daarentegen een ernstig gebrek, daar immers de kans op drachtig worden er door vermindert. Om verschillende redenen is het noodzakelijk voor een goede oplossing, dat de koper zo snel mogelijk een deskundige raadpleegt omtrent een vermeend verborgen gebrek. Hoe meer tijd er verloopt tussen koop en onderzoek, hoe moeilijker het wordt met beslistheid te zeggen, dat een verborgen gebrek vóór de koop aanwezig was. Voor de ene ziekte is dit veel gemakkelijker dan voor de andere; voor vele is het dikwijls nodig, dat de sectie, d.i. het op wetenschappelijke wijze onderzoeken van dode of gedode dieren, wordt afgewacht, opdat na de dood aan de veranderingen in het lichaam die het gevolg of de oorzaak der ziekte zijn, de ouderdom van deze laatste beter kan worden vastgesteld, wat soms nog weer een uitgebreid microscopisch onderzoek b.v. nodig maakt. Het uitstel van een deskundig onderzoek kan voorts leiden tot grote schade: stelt de dierenarts b.v. een ongeneeslijk lijden vast, dat een snelle vermagering en dus achteruitgang in waarde tot gevolg heeft, dan is het uit een economisch oogpunt verstandig, dat koper en verkoper zich verstaan en besluiten tot een spoedige opruiming om grotere schade te voorkomen. En ten slotte kan de koper door te lange aarzeling zijn rechten geheel verliezen. Immers art.1547 van het Burgerlijk Wetboek (B.W.) bepaalt : De rechtsvordering, . voortspruitende uit gebreken die de vernietiging van de koop ten gevolge hebben, moet door de koper aangelegd worden binnen eenen korten tijd, overeenkomstig de aard dier gebreken, en met inachtneming der gebruiken van de plaats alwaar de koop gesloten is. Over de „korte tijd" is men het wel algemeen eens ; deze wordt door alle rechters gesteld op zes weken. Niet duidelijk is in het artikel gezegd, wanneer deze termijn ingaat : dit kan zijn de datum van de koop, van de levering of het ogenblik van de ontdekking van het gebrek. In het merendeel der gevallen zal men de termijn van de zes weken bij de levering doen aanvangen; dan pas immers heeft de koper gelegenheid het gekochte dier te observeren. Voor sommige afwijkingen echter, die zich zeer langzaam ontwikkelen of zich eerst na langere tijd openbaren, is het billijk gevonden door de Hoge Raad, dat de termijn ook kan worden gerekend van het ogenblik af, dat redelijkerwijs het gebrek is kunnen worden ontdekt. Hierdoor is de mogelijkheid geschapen, dat ook later dan zes weken na de koop (levering) nog een proces aanhangig kan worden gemaakt. Neem ik als voorbeeld de paratuberculose van het rund, waaronder wij verstaan een zeer slepend (chronisch) verlopende darmontsteking, die steeds tot vermagering en tot meer of minder opvallende, in den beginne vooral periodiek optredende, diarrhee leidt. De diagnose wordt pas met zekerheid gesteld als wij de paratuberkelbacillen, die de ziekte veroorzaken, in de ontlasting aantonen. Dit laatste nu is vaak niet altijd dadelijk mogelijk; dikwijls moeten we een vele malen herhaald onderzoek, b.v. iedere week instellen. Daardoor kan het lang duren, voor de dierenarts de zekere diagnose stelt en een verklaring van een koopvernietigend gebrek kan afgeven. Het antidateren (de ziekte terugvoeren tot voor de koop) stuit bij deze ziekte niet op bezwaren, wijl zij zo uiterst chronisch verloopt. Vind ik dus b.v. pas na 10 weken de bacillen, dan is dit m.i. het tijdstip van het kunnen ontdekken en beginnen dan pas de bewuste zes weken. Verstandig is het niet altijd zo lang te wachten, daar de sterke vermagering voor een der partijen altijd een grote schade betekent; beter kan men bij sterke verdenking op deze ongeneeslijke ziekte overeenkomen het dier te slachten en de sectie te laten uitmaken of inderdaad paratuberculose aanwezig is. Men noemt dit „slachten op kosten van ongelijk". Beide partijen moeten hiermede accoord gaan ; de verkoper wil niet altijd zijn toestemming geven, zal trachten de zaak op de lange baan te schuiven of trachten een schikking te treffen. Het recht is hiermede niet gediend ; vaak stemt de koper er echter mede in, denkende aan de spreuk : „wie pleit om een koe, geeft er een toe". Constateert de dierenarts, dat het lijden van het dier ongeneeslijk is, dat het voortdurend achteruitgaat in voedingstoestand en dus in waarde, dan zal hij hiervan een verklaring afgeven welke de koper aan verkoper ter hand stelt. Weigert deze ook dan nog in te stemmen met afmaken en sectie te laten verrichten, dan gaat de rechter zo goed als zeker ermede accoord, dat dit geschiedt, zodat ik als dierenarts de koper durf te adviseren zulks te doen, maar de verkoper moet dadelijk verwittigd worden en in de gelegenheid worden gesteld het dier ook door zijn dierenarts te laten onderzoeken en tevens zich ervan te vergewissen, dat het zijn verkochte koe is. Maakt de verkoper geen gebruik van deze gelegenheid, dan dient de huid verzegeld te worden en met de afwijkende organen (geconserveerd) te worden bewaard om eventueel later als bewijsstukken te kunnen dienen. Een en ander kan grote moeilijkheden voorkomen. Een proces over een koopkwestie wordt behandeld 6f door de Kantonrechter 6f door de Arrondissementsrechtbank. Dit hangt af van de waarde van het dier; heeft de koopsom minder dan f 500.— bedragen, dan doet de Kantonrechter uitspraak ; is de koopsom groter, dan moet men zich tot de Arrondissementsrechtbank wenden. Voor de Kantonrechter kunnen de partijen in persoon of bij gemachtigde verschijnen ; het is dus niet nodig zich van de hulp van een advocaat te verzekeren, al zal dit vaak wel aanbeveling verdienen. Voor de. Arrondissementsrechtbank dienen beide partijen zich steeds van een advocaat-procureur te voorzien. Ik acht het niet nodig, in dit korte artikel verder op de gang van een procedure in te gaan ; het zij genoeg op te merken, dat door overbelasting onzer rechterlijke instanties het vaak lang duurt, voor een uitspraak is gedaan. Dikwijls zal de rechter behoefte hebben aan het horen van deskundigen en getuigen, wat ook allemaal kosten meebrengt. De vaak lange en kostbare procedure bij koopkwesties is niet alleen een klacht in ons land ; ook in Denemarken was het al niet anders. Men heeft daar reeds in 1907 andere bepalingen gemaakt, speciaal voor de handel in dieren. Tenzij uitdrukkelijk wordt bedongen bij de koop, dat een eventuele kwestie zal worden beslist volgens de oude wet, worden in Denemarken geschillen over dieren onderworpen aan de uitspraak van scheidsmannen. Men heeft daartoe een groot aantal (+ 150) arbitrage-commissies ingesteld, waarin zitting hebben „gunstig bekende zaakkundige personen". Ook ten onzent heeft men reeds lang geleden getracht door arbitrage een snellere en goedkopere beslechting van koopkwesties te verkrijgen. Tot voor kort echter met weinig succes. De Vereniging tot bevordering van arbitrage in de veehandel, die ruim 25 jaar geleden werd opgericht, kon tot voor enkele jaren niet op een groot succes bogen. Er is echter verandering in gekomen, sinds grote groepen, o. a. de Bond van Veehandelaren zich erbij hebben aangesloten. De leden der Vereniging verplichten zich niet anders dan door arbitrage onderlinge geschillen over koop en verkoop te laten beslechten. Dat grote groepen van belanghebbenden -veehandelaren, varkenshandelaren, verschillende veehoudersverenigingen - zich hebben aangesloten is natuurlijk een flinke stap voorwaarts op de weg naar arbitrage. Maar zolang niet alle veehouders, mensen dus, die bij tijd en wijle verkopen of kopen, lid zijn, is de zaak nog eenzijdig. Een koopkwestie, die twee handelaren met elkaar krijgen, wordt dus door arbitrage opgelost ; met een zodanige tussen boer en handelaar kan, maar hoeft dit niet te gebeuren, als de boer geen lid is der Arbitrage-Vereniging. Momenteel zijn onderhandelingen met de Stichting van de Landbouw gaande teneinde ook de veehouders en bloc te doen toetreden ; de uitslag ervan moet worden afgewacht ; wel weet ik, dat het Bestuur van de Stichting sympathiek er tegenover staat. Opgericht is de Vereniging door de dierenartsen Dr W. S. G. A. van Leeuwen, oud-inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst en Dr C. J. Rab, vroeger praktiserende het laatst in Oosterbeek, beiden momenteel hoog bejaard, maar nog in leven. Dr van Leeuwen heeft zich wegens zijn leeftijd moeten terugtrekken; Dr Rab is nog steeds als secretarispenningmeester in functie en vurig propagandist voor de arbitrage. Arbitrage is wettelijk geregeld in ons Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 620 daarvan luidt : „Ieder kan de geschillen omtrent de rechten, waarover hij de vrije beschikking heeft, aan de uitspraak van scheidsmannen onderwerpen". En dan volgen nog een 36-tal artikelen, regelende de gang van zaken bij een oplossing door scheidsmannen (arbitrage). Hier zij slechts vermeld, dat de partijen eerst een acte de compromis moeten ondertekenen, waarin nauwkeurig het geschil wordt omschreven, de namen en woonplaatsen der scheidsmannen (die steeds in oneven aantal moeten worden benoemd) vermeld staan, de termijn waarbinnen de zaak moet zijn beslist enz. Ook wordt vastgelegd of vonnis zal worden gewezen volgens de regelen van het recht of „als goede mannen naar billijkheid". De arbiters kunnen voor het achterhalen der waarheid alle geoorloofde middelen te baat nemen, zoals verhoor van de partijen, getuigen-verhoor, onderzoek door deskundigen. Is vonnis gewezen, dan moet dit op schrift worden gesteld en dit vonnis moet binnen acht dagen ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de beslissing is gevallen, worden gedeponeerd. Anders heeft het geen executoriale kracht, d.w.z. men kan het vonnis niet ten uitvoer leggen. Men ziet, dat bij een en ander nogal juridische kennis komt kijken ; vandaar, dat het wenselijk, ja nodig is, dat de secretaris der commissie een jurist is. Een voordeel, dat bij de beslissing door arbitrage zeker meetelt, is dat hier geoordeeld wordt door deskundigen, „mensen van het vak". Van de rechters kan niet geëist worden, dat zij een deskundig oordeel kunnen hebben over de talrijke geschillen, die zij ter behandeling krijgen. Zij moeten zich dus toch laten voorlichten door deskundigen en feitelijk wordt dan toch de beslissing in handen der laatsten gelegd. Bovengenoemde Vereniging voor Veearbitrage heeft nu in alle provincies van ons land commissies van deskundigen aangesteld, bestaande uit te goeder naam en faam bekend staande dierenartsen, landbouwers, veehandelaren en bijgestaan door een advocaat. Ook heeft men op vele plaatsen (o.a. Schagen, Hoorn, Alkmaar, Purmerend, Rotterdam) z.g. streek- of adviescommissies ingesteld, die kleinere geschillen in de veehandel (al of niet drachtig zijn, te geringe melkgift, ondeugden e.d.) behandelen. De provinciale commissies worden om de twee jaren benoemd, de plaatselijke commissies in de jaarvergadering der plaatselijke verenigingen. Ten slotte is er een Centrale Commissie te Utrecht, die in hoger beroep uitspraak doet. De kosten van arbitrage zijn zo laag mogelijk gehouden. Naast de kosten voor kamerhuur, porti, zegel enz. komen geringe vergoedingen voor de arbiters. Het z.g. Germaanse recht, volgens hetwelk o.a. in Duitsland, Frankrijk en België koopkwesties voor vee worden beslecht, kent een aantal verborgen gebreken, waarvan, behoudens tegenbewijs, wordt aangenomen, dat zij vóór de levering hebben bestaan, wanneer zij binnen een bepaalde tijd zijn ontdekt. De Vereniging voor Veearbitrage heeft iets dergelijks bepaald : van de hierna te noemen verborgen gebreken wordt, behoudens tegenbewijs, aangenomen, dat zij vóór de levering hebben bestaan als zij worden ontdekt binnen 14 dagen, vanaf de 1 e dag na de dag der levering. a. bij eenhoevige dieren : stille kolder, cornage, dampigheid, chronische neusuitvloeiing, maanblindheid en chronische aandoeningen van het inwendige van het oog, intermitterende kreupelheden, hanetred, verborgen hoefgebreken, ernstige karaktergebreken (steegsheid, boosaardigheid, schrikachtigheid, kribbebijten en luchtzuigen), chronische baarmoederontsteking. b. bij runderen: dampigheid (chronische aandoening van longen en borst), chronische diarrhee, chronische nier- en nierbekkenontsteking, chronische baarmoederontsteking, prolapsus vaginae, habitueel aflopen van de melk wegens onvoldoende afsluiting der tepelopeningen, melkzuigen, brulziekte (stierzucht, nymphomanie), krampigheid. c. bij alle vee: 1. voor klinische t.b.c. bij alle vee geldt een termijn van waarborg van 20 dagen. 2. voor echinococcose, cysticercose en trichinellose bij varkens en distomatose met klinische verschijnselen bij runderen en schapen een waarborgtermijn van 30 dagen. Wanneer partijen zijn afgeweken van de bepalingen dat het risico overgaat op de dag der levering, geldt als datum van aanvang van de waarborgtermijn de dag, waarop volgens overeenkomst tussen partijen het risico dan wel is ingegaan. Schade, die iemand lijdt bij de keuring van een geslacht rund, wordt tegenwoordig gedragen door de slachtveeverzekering. Ieder dier, dat geslacht wordt, moet worden verzekerd bij een slachtveeverzekering; een dergelijke verzekering zal door deze worden geweigerd, wanneer het levende dier verschijnselen van ziekte of gebreken vertoont, die erop wijzen, dat een ongunstige keuringsuitslag te verwachten is. Is eenmaal het dier opgenomen in de verzekering, dan draagt deze de schade. Ik ga daar niet verder op in, omdat in een apart hoofdstuk van dit boek geschreven zal worden over „slachtveeverzekering". Drachtigheid bij een als guist verkocht slachtdier is een verborgen gebrek. De schade, die de slager hierdoor lijdt, kan verhaald worden op de verkoper. Voor de bepaling van de grootte dezer schadevergoeding bestaan bepaalde normen; aanleiding tot procedures geven deze betrekkelijk geringe bedragen in de practijk niet. Ten slotte zij er nog op gewezen, dat iemand een dier „voetstoots" kan verkopen. Daaronder verstaat men het verkopen van een dier, waarbij de verkoper uitdrukkelijk zegt tegen de koper, dat hij niet instaat voor verborgen gebreken. Hij zal dit meestal op andere wijze zeggen, b.v. het dier verkopen, „zoals het er staat" of verklaren, dat „hij er niets verder over horen wil, nergens voor instaat" enz. Hij is niet verplicht het verborgen gebrek, waarvan hij waarschijnlijk kennis draagt, met name te noemen. Natuurlijk zal een dergelijke afspraak de verkoopprijs sterk verlagen ; de koper loopt een groot risico en hij kan nooit enige vergoeding van de verkoper vragen. De handel in „wrak" vee geschiedt als regel onder zodanige bedingingen. Prof. Dr J. A. BEIJERS SLACHTVEEVERZEKERING INLEIDING De verzekering van slachtdieren tegen schade, welke ontstaat tengevolge van gehele of gedeeltelijke afkeuring of voorwaardelijke goedkeuring, is het overnemen van dat risico van de verkoper door een verzekeringsonderneming. De verkoper dekt zich door het betalen van een verzekeringspremie en de verzekering neemt daarmede alle verplichtingen, die krachtens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek op de verkoper rusten, over. Die verplichtingen zijn, dat de verkoper gehouden is tot vrijwaring wegens verborgen gebreken, die het verkochte dier ongeschikt maken tot het gebruik waartoe het bestemd is, of die dat gebruik in dier voege verminderen, dat, bijaldien de koper het gebrek gekend had, hij het 6f in het geheel niet af voor mindere prijs zou hebben gekocht. Het verschil tussen handel in slachtvee en die in gebruiksvee bestaat hierin: 1. Als regel bestaat er geen kwestie over de vraag of een verborgen gebrek op het ogenblik van de koop en verkoop aanwezig was. Tussen het tijdstip van de overgang van het dier uit de handen van de verkoper in die van de koper en het ogenblik van de slachting verloopt slechts een geringe spanne tijds, zodat als regel aangenomen kan worden, dat het gebrek bij de koop aanwezig was. Alleen dan wanneer het slachten niet onmiddellijk aansluit aan de verkoop (b.v. als een koe door de koper nog een tijd in de weide gedaan wordt) komt weer de vraag naar voren of een bij het slachten geconstateerd gebrek reeds op het ogenblik van de koop en verkoop aanwezig was. 2. Een ander verschil met de handel in gebruiksvee bestaat hierin, dat na het slachten onomstotelijk komt vast te staan of er een gebrek aanwezig was, of het gebrek verborgen was en of tengevolge daarvan een waardevermindering is ontstaan. 3. Verder is na de slachting de eventueel aanwezige schade met vrij grote nauwkeurigheid vast te stellen. Om deze redenen is het gemakkelijk door middel van verzekering bij de handel in slachtvee de wettelijke aansprakelijkheid van de verkoper, buiten de omslachtige gerechtelijke procedure te houden, welke voor de handel in andere goederen zo tijdrovend en duur kan zijn. Aan het verzekeren van slachtdieren tegen het slachtrisico zijn grote voordelen verbonden, zowel voor de koper als de verkoper. 1. De verkoper is, behoudens enkele uitzonderingen, van iedere aansprakelijkheid ontslagen zodra hij de verzekeringspremie heeft betaald. Hij kan persoonlijk niet meer aangesproken worden voor een reële of vermeende schade, die de koper eist, hij laat de schade-regeling aan de verzekering over. 2. De koper kan de schade regelen met één lichaam (de verzekering) en behoeft niet na te gaan door hoeveel handen een slachtdier is gegaan, voordat hij eigenaar werd. Het afkeuringsbewijs kan door hem rechtstreeks ingeleverd worden bij de verzekering en hij ontvangt van deze de vergoeding, zonder dat hij moet afwachten of zijn verkoper niet een schakel is in de soms lange rij van tijdelijke bezitters. 3 De geleden schade, als het gaat om afkeuring van enkele onderdelen, is meestal zo gering, dat de koper daarvoor geen civiele actie, langs de weg van een gerechtelijke procedure, kan aangaan en dus ten opzichte van onwillige verkopers een nadelige positie inneemt. Voor een paar afgekeurde varkensnieren kan hij moeilijk een proces beginnen. Daarom hadden zich reeds in het verleden verschillende verzekeringen gevormd om dit zeer bijzondere soort risico, genaamd het slachtrisico, over te nemen. Voor 1940 bestonden er op dit gebied een drietal soorten slachtveeverzekeringen. Dat waren in de eerste plaats de onderlinge boerenfondsen. Deze gingen uit van de juiste gedachte dat de verkoper aansprakelijk is en zij waren verenigd om gezamenlijk het slachtrisico van ieder hunner persoonlijke leden te dragen. Men kan alleen tegen een dergelijke wijze van verzekering door de aansprakelijke belanghebbenden aanvoeren dat deze laatsten een te eenzijdige macht konden uitoefenen ten aanzien van de waardering der geleden schade. In de tweede plaats werkten enige particuliere ondernemingen op dit gebied met de bedoeling winst te maken. Ook aan dit systeem zijn nadelen verbonden. Uit hoofde van hun doelstelling namen zij alleen de dieren, die ogenschijnlijk het minste slachtrisico droegen, in de verzekering op. De twijfelgevallen bleven voor rekening van de verkoper. Daarbij had de scherpe concurrentie tussen deze ondernemingen tengevolge dat het verzekeren soms ontaardde in een soort handel, welke allerminst het vlotte afwerken van schade-regelingen in de hand werkte. En in de derde plaats kende men de onderlinge slagers fondsen. Hier waren het dus de kopers, die zich tegen afkeuring ver zekerden. De figuur is een merkwaardige, maar was ten aanzien van varkens voor de oorlog een vrij gebruikelijke. Als nadeel kan men aanvoeren, dat de verkoper, de feitelijk aansprakelijke, geen enkel inzicht had in de wijze waarop de door de koper ingehouden premie werd besteed. Hij wist niet of de gehele premie nodig was om de geleden schade te dekken dan wel of een deel ervan diende voor andere doeleinden. Hetzelfde bezwaar gold hier als bij een collec tieve verzekering door enkele veehouders : de regeling was eenzijdig en waarborgde niet alle belangen van alle belang hebbenden. ONTWIKKELING De oorlogsomstandigheden in 1939 brachten mee dat de overheid zich ging bemoeien met het overnemen van slachtvee, de z.g. defensie-koeien. Deze belastte een aantal boeren- en particuliere fondsen met de regeling van de verzekering van die dieren, waarbij als merkwaardigheid moet worden gemeld, dat de koper, i.c. de overheid, het slachtrisico droeg. Al zeer spoedig werd deze regeling in dier voege gewijzigd, dat de fondsen zich nauwer aaneensloten en collectief een overeenkomst met de overheid aangingen, waarbij hun een zeer beperkte winstmogelijkheid werd gelaten. En toen in 1940 de „vleesverordening" in werking trad en de overheid als enige leverancier van slachtvee optrad, werd de verzekering verplicht voorgeschreven en was het orgaan aanwezig om alle daarmee verband houdende werkzaamheden te verrichten. De figuur was toen vrij eenvoudig. Er was maar één ver C. voor wat betreft het slachten — door anderen dan de krachtens lid 2 van artikel 45 der Vee- en Vleesverordening 1942 aangewezen overnemer — van slachtdieren, die niet gestorven of in nood gedood zijn en waarvan het vlees bestemd is of gebezigd wordt uitsluitend voor het huiselijk gebruik van de bewoners van het perceel, waar degene, die slacht of doet slachten, woonachtig is, mits deze bewoners niet werkzaam zijn in het slagersbedrijf, in het bedrijf der verduurzaming of bereiding van vlees of vleeswaren, en mits zij niet wonen in een inrichting of gesticht, uitsluitend of onder meer bestemd voor het verstrekken van voedsel of waar zulks geregeld geschiedt; d. indien en voor zover door de Voorzitter ontheffing is verleend en tevens de daaraan eventueel verbonden voorwaarden zijn of worden in acht genomen. Artikel 3. De Voorzitter is bevoegd in de plaats van of nevens oormerk- A of -B andere merken, tekenen of bewijsstukken vast te stellen of te erkennen als uitsluitend bestemd om door of vanwege een slachtrisico-verzekeraar aan slachtdieren te worden gevoegd, dan wel met betrekking tot slachtdieren te worden afgegeven, ten bewijze, dat zij door hem tegen slachtrisico zijn verzekerd, dan wel, dat zij hem ter verzekering tegen slachtrisico zijn aangeboden, doch door hem niet zijn verzekerd. Artikel 4. De Voorzitter is bevoegd regelen vast te stellen betreffende het vervaardigen, voorhanden of in voorraad hebben en afleveren van door hem krachtens deze verordening vastgestelde of erkende merken, tekenen of bewijsstukken en van cliche's, stempels en andere werktuigen tot vervaardiging of aanbrenging van die merken, tekenen of bewijsstukken. Artikel 5. 1. Als slachtrisico-verzekeraar wordt aangewezen de Stichting. 2. De regelen, aan de hand waarvan de Stichting beslist of slachtdieren door haar al dan niet tegen slachtrisico zullen worden verzekerd. alsmede de voorwaarden, waarop slachtdieren door de Stichting tegen slachtrisico zullen worden verzekerd, zijn die, vervat in het ,Verzekeringsreglement voor Slachtvee tier Stichting Centraal Bureau Slachtveeverzekeringen". Artikel 6. Het Bedrijfschap is bevoegd nevens de Stichting een of meer rechtspersonen, die aan nader door het Bedrijfschap, bij Uitvoeringsbesluit te stellen vereisten voldoen, voor het gehele grondgebied des Rijks dan wel voor een of meer bepaalde gedeelten daarvan, al dan niet onder het stellen van voorwaarden en/of tijdsbepalingen, aan te wijzen als slachtrisico-verzekeraar. Artikel 7. 1. De Voorzitter is bevoegd: a. ter uitvoering van deze verordening voorschriften vast te stellen, alsmede richtlijnen en aanwijzingen te geven; b. voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen van het bij of krachtens deze verordening bepaalde geheel of gedeeltelijk ontheffing te verlenen en aan zodanig ontheffing( en) voorwaarden te verbinden, zomede bij niet of niet behoorlijke nakoming van dergelijke voorwaarden de ontheffing, waaraan zij zijn verbonden, in te trekken. 2. a. Voorschriften, richtlijnen en aanwijzingen, als in lid 1, onder a. bedoeld, welke van algemene aard zijn, kunnen door middel van een publicatie in de pers of in een of meer vakbladen dan wel per radiobericht worden afgekondigd. b. Ontheffingen en voorwaarden, als in lid 1, onder b. bedoeld, kunnen ter kennis van betrokkenen worden gebracht, bij schrijven, per circulaire, door middel van een publicatie in de pers of in een of meer vakbladen dan wel per radiobericht, zonder afkondiging in het Voedselvoorzieningsblad. Artikel 8. Artikel 24 der Vee- en Vleesverordening 1942 en het Uitvoeringsbesluit artikel 24 der Vee- en Vleesverordening 1942 (Voedselvoorzieningsblad no. 28 van 6 April 1948) worden ingetrokken. Artikel 9. 1. Deze verordening, welke kan worden aangehaald als ,,Verordening Verzekering Slachtdieren 1949", treedt in werking met ingang van een nader door de Voorzitter te bepalen tij dstip. 2. Het in lid I bedoelde tij dstip kan ter kennis van betrokkenen worden gebracht door middel van een publicatie in de pers of in een of meer vakbladen, dan wel per radiobericht, zonder afkondiging in het Voedselvoorzieningsblad. De slachtveeverzekering in ons land had hiermede, vergeleken bij voor de oorlog, een grote principiele wijziging ondergaan. De verzekering van alle slachtdieren werd verplicht gesteld. Alleen werden hiervan uitgezonderd paarden, en slachtdieren die voor huisslachting waren bestemd. Niet ieder mocht als verzekeraar optreden, maar alleen een combinatie van belanghebbenden. Het maken van winst door de verzekeraar was verboden. De statuten van de Stichting werden zodanig gewijzigd, dat het bestuur zou worden samengesteld uit vertegenwoordigers van alle belanghebbende groepen die rechtstreeks met de slachtveeverzekering te maken hebben. Als zodanig kwamen in aanmerking: de groep der leveranciers, bestaande uit de georganiseerde veehouders en de georganiseerde veehandelaren, en de groep der afnemers, genaamd de be- en verwerkers van vlees, bestaande uit de georganiseerde slagers, de groothandelaren in vlees en de vleeswarenindustrie. Bij deze opzet zijn de belangen van alle belanghebbenden volledig gewaarborgd, welke waarborg nog wordt verstevigd door de bepaling dat wijzigingen in de premies en het schadetarief slechts kunnen worden vastgesteld bij een meerderheid van 3 der stemmen. Andere voordelen van deze regeling zij n : 1. Tengevolge van de centralisatie der administratie en van de grote hoeveelheid verzekerde dieren zijn de kosten van uitvoering per dier aanzienlijk lager dan vroeger. Daardoor is het verklaarbaar dat ondanks de veel hogere slachtveeprijzen en ondanks een veel ruimere schade-uitkering, vooral van onderdelen, de premies niet gestegen doch integendeel verlaagd zijn. Voor de oorlog was het geen uitzondering dat de premie van een varken een gulden was, terwijl de slachtwaarde f 0.60 per kg bedroeg. Thans, bij een slachtwaarde van + f 2.30 per kg bedraagt de premie gemiddeld f 0.85. 2. De premies worden op gezette tijden herzien. Doordat de Stichting geen winst mag maken, moet het overschot dat bij een groep optreedt, ten spoedigste worden weggewerkt door de premie te verlagen, zelfs als dit moet geschieden door een tij dlang beneden de kostprij s to verzekeren. 3. Iedere diersoort en iedere groep van de soort draagt zoveel mogelijk zijn eigen risico. Vooral voor rundvee, waarin talrijke slachtkwaliteiten bestaan, is dit van belang. Op grond van de vroeger opgedane ervaringen bij het overname- vee en aan de hand van de statistische gegevens is men er toe gekomen de koeien in een vijftal klassen in te delen en voor iedere klasse een premie vast te stellen, die ten naastebij met het risico overeenstemt. Die klassen zijn: Rubriek A: Jongvee, met niet meer dan twee brede tanden en nimmer gekalfd hebbend, alsmede pinkstieren en pinkossen. Rubriek B: Prima, uitsluitend eerste klas gemeste slachtrunderen, overeenkomende met de voormalige klassen AA en A. Hieronder moeten worden verstaan uitsluitend de allerbeste kwaliteitsdieren zonder enig gebrek, benevens oudere stieren en ossen. Rubriek C: Slachtrijpe runderen, goed bevleesd, doch van mindere kwaliteit dan B. Rubriek D: Gezonde, magere dieren. Rubriek E: Open lij ders. Niet verzekerd worden wrakke dieren, vermagerde dieren, dieren met uitwendig zichtbare gebreken, gestorven en in nood geslachte dieren. 4. De be- en verwerker ontvangt zonder bijzondere moeite zij nerzij ds de vergoeding voor de tengevolge van de of keuring geleden schade. Hij behoeft slechts het of ciele of keuringsbewijs bij de verzekering of een van de plaatselijke agenten in te leveren en ontvangt dan het bedrag, dat hiervoor is vastgesteld. Het bestuur stelt op gezette tijden de schaderegeling vast. Deze moet immers fluctuerend zijn, omdat zij afhankelijk is van de marktwaarde, zowel van het vlees als van de onderdelen. 5. Het is gemakkelijker, een afzetgebied voor voorwaardelijk goedgekeurd vlees te vinden. Dergelijk vlees gaat in eigendom aan de Stichting over en deze kan tegenover de toezichthoudende keuringsdienst alle nodige waarborgen geven, dat er bij het vervoer naar andere plaatsen geen onregelmatigheden geschieden. Daardoor is het mogelijk dergelijk vlees van b.v. het platteland over te brengen naar plaatsen waar meer vraag ernaar bestaat. 6. De centrale Stichting beschikt door haar administratie over een schat van gegevens, die bij de dierziektebestrijding van belang zijn. Zij heeft zelf een onderzoek ingesteld naar het euvel van het optreden van spierbloedingen bij varkens, een vroeger veel voorkomend verschijnsel dat tot grote schade aanleiding gaf, en heeft door wijzigingen voor te stellen in de manier van mechanische of electrische bedwelming, het optreden ervan tot een minimum teruggebracht. Zij heeft aan studiecommissies inzake de runderhorzelbestrijding en de leverbotziekte veel gegevens verstrekt, die anders niet dan ten koste van zeer veel tij d en inspanning zouden kunnen worden verkregen. Zij bemoeit zich met de bestrijding van de vinnigheid van runderen. Zij neemt deel aan de onderzoekingen betreffende spierdegeneratie (Enterse Ziekte). 7. Zij neemt een werkzaam aandeel in de tuberculose-bestrijding. Zij verzekert tuberculeuze dieren tegen een premie die aanzienlijk lager is dan het risico, maar zij doet dit welbewust om zo spoedig mogelijk onze veestapel tuberculosevrij te maken. Zij speculeert hier dus op de toekomst en mede door haar werken loopt het schadecijfer tengevolge van t.b.c. van jaar tot jaar terug. De enige maatstaf die zij hierbij aanlegt is de vraag of het aangeboden dier wrak is dan wel nog verzekeringswaardig. 8. Zij heeft er toe bijgedragen dat de vleeskeuring in ons land, opgedragen aan de gemeenten of aan groepen van gemeenten op uniforme wijze wordt uitgeoefend en dat de keuringsuitspraken uniform zijn. Natuurlijk bestaat er binnen het raam van de Vleeskeuringswet de mogelijkheid dat verschillende Hoofden van Vleeskeuringsdiensten over eenzelfde geval verschillend oordelen, maar dat zijn de gevallen waarbij de beoordeling niet afhankelijk is van een wetenschappelijk onderzoek, maar van subjectieve gewaarwording. Zo zal er altijd wel verschil van opvatting tussen de deskundigen bestaan of een koe zo ,nat" is, of de kleur van het vlees zo afwijkend, dat geen onvoorwaardelijke goedkeuring kan volgen, maar wanneer de uitspraak of hankelijk is van een wetenschappelijk onderzoek, mag de Stichting verlangen dat een dergelijk onderzoek overal op dezelfde wijze wordt ingesteld. Om als verzekeraar te kunnen optreden, moet men erkend zijn door het Bedrijfschap voor Vee en Vlees. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn bij Verordening van het Bedrijfschap voor Vee en Vlees (Voedselvoorzieningsblad no. 62 van 29 Sept. 1951) geregeld. UITVOERING Het verzekeren der dieren geschiedt als volgt: 1. Met een metalen oormerk als verzekeringsbewijs. Deze oormerken zijn of een A-merk, ten bewijze dat het dier verzekerd is of een B-merk (groen) aangevende, dat het wel ter verzekering is aangeboden, doch geweigerd is. Bij het aanbrengen van het oormerk ontvangt de verzekerde een bewij s van premiebetaling. Deze oormerken zijn door de Voorzitter van het Bedrijfschap voor Vee en Vlees vastgesteld. Het vervaardigen, voorhanden of in voorraad hebben en het afleveren ervan is wettelijk geregeld. Zij mogen alleen gebruikt worden door de Stichting. De merken worden zoveel mogelijk op de veemarkten aangebracht, terwijl aan de abattoirs daartoe ook gelegenheid bestaat. 2. Door middel van verzekeringsbonnen (Z-bonnen). Naast het gebruik van oormerken bestaat de mogelijkheid van verzekeren door middel van een schriftelijk bewijsstuk, de verzekeringsbon. De agent van de Stichting schrijft het te verzekeren dier op de Z-bon in ; deze bon dient tevens als ontvangstbewij s van de premie. In het algemeen worden deze Z-bonnen alleen gebruikt, wanneer het grotere aantallen nuka's (nuchtere kalveren), varkens en schapen betreft, die door een be- en verwerker gelijktijdig worden geslacht. 3. Door middel van blocs verzekeringsbonnen, die door de slagers zelf worden ingevuld. Dit geschiedt b.v. op plaatsen, die moeilijk bereikbaar zijn en waar het wachten op de verzekeringsagent stagnatie in de bedrijfsgang van de slager zou kunnen veroorzaken. De Stichting sluit met de betreffende slagers een overeenkomst, waarbij de slager zich verbindt alle door hem te slachten verzekeringswaardige dieren door middel van inschrijving op de hem ter hand gestelde verzekeringsbonnen, ter verzekering aan te bieden, terwij1 de Stichting de op deze wijze aangeboden dieren als verzekerd accepteert en de schade, voortvloeiende uit afkeuring na slachting, voor haar rekening neemt. De voorwaarden, waaraan de slager zich heeft te onderwerpen zijn de volgende: 1. Onmiddellijk voor de slachting dient ieder verzekerbaar (in de zin van art. 2 van het verzekeringsreglement van de Stichting C.B.S.) slachtdier volledig in duplo op het for- mulier door of namens verzekerde te worden ingeschreven. 2. Wanneer het slachtdier reeds van een C.B.S-oormerk is voorzien, moet dit merknummer in de daartoe bestemde kolom worden ingevuld. De juistheid van dit nummer kan worden gecontroleerd en geparafeerd door de Ambtenaar van de Keuringsdienst. 3. De premie moet op de bon worden ingevuld naar de juiste classificatie van het slachtdier, en het door de Stichting C.B.S. vastgestelde premietarief. Iedere onjuistheid in de classificatie en de opgegeven inkoopprijs van een dier, geeft de Stichting recht elke schade-uitkering te weigeren. 4. Bij eventuele afkeuringen is het noodzakelijk, dat de Keuringsdienst het betrokken bonnummer vermeldt op het afkeuringsbewijs. 5. Periodiek, in ieder geval eenmaal per maand, moet door verzekerde met de rayon-agent of inspecteur van het C.B.S. de premie worden afgerekend. 6. Gelijktijdig met de periodieke verrekening der premies, worden de afkeuringen door de agent of inspecteur van het C.B.S. uitbetaald aan verzekerde. De originele en duplicaatbonnen worden bij de verrekening der premies door de agent of inspecteur getekend. De originele bon wordt door de agent of inspecteur ingenomen. 7. De namens het C.B.S. getekende duplicaat-bonnen blijven in het bloc, teneinde bij eventuele controle aan C.C.Dambtenaren en/of vertegenwoordigers van het C.B.S. te kunnen worden getoond. De duplicaatbonnen blijven onder berusting van verzekerde tot het ti jdstip, dat het C.B.S. ze opvordert. 8. De verzekerde dient er voor zorg te dragen, dat het bloc verzekeringsbonnen zich op dagen, waarop wordt geslacht, in de onmiddellijke nabijheid van de plaats van slachting bevindt. 4. Ten behoeve van de grote slachtbedrijven is de z.g. ,,open polis" ingesteld voor wat betreft nuka's, gras- en vette kalveren, schapen en varkens. Een dergelijke overeenkomst is als verzekeringsovereenkomst erkend en vervangt het oormerk. De afwikkeling van de hieruit voortvloeiende transacties geschiedt rechtstreeks met het kantoor van de Stichting. HS7 VERZEKERINGSREGLEMENT VAN DE STICHTING C.B.S. Het ,verzekeringsreglement" van de Stichting C.B.S. omschrijft de rechten en verplichtingen van de verzekerde en de verzekering en schakelt tevens de koper in. Het is toch immers zo, dat degene die de schade lij dt, de slager is. Deze wordt hier met de naam be- en verwerker aangeduid. Bij het claimen van de schade wordt de verkoper uitgeschakeld, de regeling der schade gaat buiten hem om. De verzekering gaat in op het ogenblik dat het A-oormerk aangebracht of waarop het dier op een Z-bon is ingeschreven. Dit houdt in dat, wanneer runderen, gras- en vette kalveren op de markt zijn verzekerd, ook het transportrisico van de markt naar de slachtplaats gedekt is. Varkens, nuchtere kalveren en schapen zijn echter uitsluitend tegen het slachtrisico verzekerd. De verzekering tegen slachtrisico is geldig gedurende 14 dagen, die tegen transportschade gedurende 3 x 24 uur. Ook tegen schade aan derden is men gedurende die tij d van 3 x 24 uur verzekerd. Er zijn enkele moeilijkheden bij bepaalde afwijkingen. Zo rijst de vraag of een baarmoederontsteking altijd een zichtbaar gebrek is. Het C.B.S. stelt zich op het standpunt, dat de verkoper zeer zeker wel op de hoogte was van dit, voor de koper soms moeilijk zichtbare gebrek en dat hij dus het daaruit voortvloeiende risico van afkeuring zelf moet dragen. Als daarentegen een koe met een uieraandoening in de verzekering wordt opgenomen dan is de daaruit voortvloeiende afkeuring ten laste van het C.B.S., tenzij bij de verzekering deze kwaal uitdrukkelijk van het risico is buitengesloten. Als een varken wegens vislucht afgekeurd wordt, dan draagt het C.B.S. deze schade niet, omdat de eigenaar van de visvoedering op de hoogte was en wist dat het vlees ondeugdelijk zou worden. Toch komt het een enkele maal voor, dat de vis gevoerd is door de fokker van de jonge biggen en dat de mester visvrij voer gegeven heeft. In dat geval verleent het C.B.S. zijn bemiddeling om de schuldige op te sporen teneinde deze te kunnen aanspreken. Bij de binnenberen ligt de zaak weer wat anders. De oorspronkelijke fokker is van de afwijking op de hoogte, maar de mester kan zij volkomen onbekend zijn. Het C.B.S. heeft deze dieren eerst volledig vergoed, doch stelde hierdoor min of meer een premie op het aanhouden van dergelijke onwaardige dieren. Daarom is hier tenslotte een middenweg gekozen en wordt de schade half vergoed. Wat de dubbelgeslachtelijke varkens betreft, die wegens abnormale geur afgekeurd moeten worden, kan misschien een enkele maal wel, maar in de meeste gevallen niet worden aangenomen dat de mester met dit gebrek bekend was. Daarom wordt de schade door het C.B.S. vergoed. Nu echter blijkt, dat dit euvel van jaar tot jaar toeneemt, wil het C.B.S. nagaan of men hier misschien met een erfelijke eigenschap te maken heeft en of er middelen bestaan de hieruit voortvloeiende kapitaalvernietiging in het vervolg te voorkomen. Zo zijn er nog wel meer moeilijkheden te noemen. Maar juist omdat de verzekering in een hand is en alle belanghebbenden een stem in het kapittel hebben, kunnen zij in gemeen overleg steeds op bevredigende wijze worden opgelost. Dr W. B. LUXWOLDA DEEL II HET SLACHTEN HOOFDSTUK 1 DE BEDWELMING VAN HET SLACHTVEE Onder bedwelming van het slachtvee verstaat men het door een of andere ingreep deze dieren in zodanige toestand brengen, dat het bewustzijn is opgeheven, zodat de daarop volgende slachthandelingen kunnen worden verricht, zonder dat de dieren daarvan pijn ondervinden of zich daarvan bewust zijn. Wij kennen het bedwelmen van het vee in ons land nog niet zo lang, noch wordt het overal in de wereld toegepast. Wel werd in de openbare slachthuizen reeds voor het inwerkingtreden van de Vleeskeuringswet (1920-1922) het slachtvee bedwelmd, doch dit was niet of slechts sporadisch het geval met het vee, dat in de particuliere slachtplaatsen werd geslacht. Door de genoemde wet werd echter de verplichting tot bedwelming opgelegd; namelijk in het Koninklijk Besluit van 5 Juni 1920 S. 285 is het volgende voorschrift opgenomen : „De slachtdieren worden, na voora fgaande bedwelming, door verbloeding zo snel mogelijk gedood". En voorts, dat deze bedwelming geschiedt „door middel van toestellen, waardoor de grote hersenen mechanisch worden beledigd". Behalve in de slachthuizen, werd dus voor die tijd het slachtvee gekluisterd, daarna op de grond geworpen, waarna bij het volkomen bij bewustzijn en in angst verkerende dier de halssnede werd verricht. Hierbij werd even onder de kop de hals tot op de wervelkolom doorgesneden, dat wil zeggen de huid, de spieren en zenuwen, de luchtpijp en de grote halsslagaderen en -aderen. Bij het varken gebeurde op dezejfde wijze de borststeek. Onmiddellijk werd door het hart het bloed met grote kracht uit de wond gespoten, totdat het dier tengevolge van het bloedverlies stierf. Ofschoon wel beweerd wordt — maar dat is natuurlijk nooit te bewijzen — dat direct na het aanbrengen van de snede bewusteloosheid optreedt als gevolg van „shock" en gedeeltelijke bloedledigheid der hersenen, moet men, zulks gebaseerd op practische ervaringen (waarbij aldus behandelde dieren opstonden en zich ,bewust" een weg door de hal baanden!), aannemen, dat het onbedwelmde dier door de halssnede min of meer lang pijn moet lijden en doodsangsten uitstaat. Het is duidelijk, dat in de beschaafde wereld spoedig stem- men opgingen tegen dit ruwe bedrijf en dat vooral de verenigingen tot bescherming van dieren zich krachtig roer-den. Ja, reeds voordat de bedwelming verplicht werd, verstrekten zij aan de slagers apparaten om de dieren daarmede het bewustzijn te doen verliezen. Men paste voor de Vleeskeuringswet wel enkele ingrepen toe voordat men tot het eigenlijke slachten overging, maar hiermede werd bedwelming, het zij in het geheel niet of slechts onvoldoende bereikt. Zo werd soms in ons land — en nu nog algemeen in Zuid- Europa en Zuid-Amerika — de neksteek toegepast, waarbij een klein, spits, dolkvormig mes met grote kracht werd gestoken tussen het achterhoofd en de eerste halswervel. Het dier, waarvan dan het ruggemerg is doorgesneden, valt wel is waar totaal verlamd ter aarde, doch gevoelloos is het niet, omdat niet alle gevoelszenuwen geraakt zijn. Het dier lijkt bewusteloos, omdat het niet kan reageren, doch ondergaat alles bij voile bewustzijn. Een betere methode, die nu nog bijvoorbeeld in Frankrijk wordt gebruikt, is de kopslag, ook het „kuisen" genoemd. Bij deze werkwijze, die veelal op oude prenten als zinnebeeld van de slagerij is afgebeeld, wordt met een zwaar stomp voorwerp, bijvoorbeeld een zware hamer of de achterzijde van een bijl, een hevige slag gegeven op de schedel van het dier. Door de hersenschudding, die hiervan het gevolg is, verliest het dier korter of langer of soms (als de hersenen vernield zijn) voorgoed het bewustzijn. Deze methode zou goed zijn, indien men zeker wist, dat iedere slag raak was. Doch de slager kan ongeoefend zijn, of slordig, of het dier kan plotseling de kop afwenden, zodat de slag niet goed terecht komt. Tegen het gebruik van pen- of koehamers, dat zijn hamers voorzien van een puntig uiteinde of een uitgeholde ijzeren pin, zijn dezelfde bezwaren aan te voeren. Hetzelfde geldt ook voor de nekslag, die in de regel bij jonge of kleine dieren (konijnen) vlak achter de kop wordt gegeven. In het zoeven aangehaalde Koninklijk Besluit, waarbij de bedwelming werd voorgeschreven, is dan ook uitdrukkelijk de toepassing van de neksteek, evenals van de kop- of nekslag verboden. In de allereerste tijd, dat bedwelming werd toegepast, gebruikte men daarvoor penapparaten, in hun eenvoudigste vorm bestaande uit een holle buis, waarbinnen zich een pin beyond, die door middel van een houten hamer in de hersenen werd geslagen. Aangezien men wilde voorkomen, dat het dier de voorbereiding van deze slag zou zien, waren aan de buis leren zijstukken bevestigd, die de ogen bedekten. Dit noemde men een slachtmasker. En hoewel men van het eigenlijke masker al jaren is afgestapt, hebben sindsdien de bedwelmingsapparaten de naam van masker gehouden en spreekt men van schietmasker, ofschoon het apparaat een normaal pistool kan zijn. Deze penapparaten voldeden goed, vergden weinig onderhoud, maar moesten door twee man worden bediend. Daarna kwam het schietmasker waarbij gebruik werd gemaakt van kogels. Dit toestel bestond uit een korte, dikwandige; ijzeren buis, waaraan een klokvormig deel was bevestigd, dat later op het voorhoofd van het dier werd geplaatst. Aan de andere zij de van de buis werd het apparaat met een kogelpatroon geladen en door middel van een dop met slagpin gesloten. Nadat het toestel op het voorhoofd van het dier was geplaatst, werd door een lichte slag met een HOOFDSTUK 2 DE WIJZE VAN SLACHTEN INLEIDING Het slachten van vee is zo oud als onze jaartelling. Ja, wellicht was het reeds voor de geboorte van Christus, waarmede onze jaartelling aanvangt, in zwang. Het is bekend dat reeds op school geleerd werd dat in de grijze oudheid beesten werden gedood, afgemaakt, om het vlees te consumeren en de huid te prepareren om als kleding dienst te doen. Waarschijnlijk zullen ook wel de organen bewerkt zijn om als voedsel te dienen. Het komt dus hierop neer dat de dieren werden gedood niet alleen uit wellust en de emotie van de jacht, doch ook en vooral om in het onderhoud te voorzien. Het vlees moge dan niet als handels- of koopwaar in geld omgezet zijn, wellicht is het toch een ruilobject geweest en werd er een bepaalde waarde aan toegekend. Men zou dus kunnen vaststellen dat de bron van het slachten de huisslachting is (Zie Geschiedenis v. h. Slagersbedrijf). Als gevolg hiervan was de slager lid van het slagersgilde, stond hij hoog in aanzien bij de burgerij, zoals ook de andere ambachten in de gildentijd in hoog aanzien stonden. Het slagersambacht, maar vooral het onderdeel slachten, is een handwerk en in alle handwerk komt de persoon, die dit uitoefent, sterk naar voren. Hij kan als het ware zijn geest in dit werk brengen en drukt hierop zijn stempel. Dit is ook bij het slachten het geval; want hierin komt juist sterk naar voren hoe dit wordt uitgeoefend naar de gewoonten van provincie of landstreek. Het spreekt welhaast vanzelf, dat, toen de slachter of slager zich speciaal hierop ging toeleggen, ook in de gildentijd, wettelijke bepalingen werden vastgesteld ter bescherming van de slager zelf, maar ook van de burgerij. En omdat uit dit slachten ook de handel werd geboren, volgt hieruit dat er markten ontstonden voor de aanvoer van levend vee, maar ook dat er verkoopplaatsen werden ingericht voor het afleveren aan het publiek van vers vlees. Dit waren dan de zogenaamde vleeshallen, vleeshuizen, zoals ze genoemd werden, door bouwkundigen op last van de overheid en/of slagers gebouwd en welke vleeshuizen nog in verschillende steden worden aangetroffen. Op de markt te Haarlem getuigt het bouwwerk van Lieven de Key hiervan, in Utrecht het oude huis aan de Voorstraat, waarvan de zijstraten Slachtstraat en Kleine Slachtstraat als naam dragen en er op wijzen dat hier dus een slachtgelegenheid was. • In Amsterdam was de verkoopplaats in de Nes, en ook in Gent getuigt het vleeshuis van de glorie van het slagersambacht en in het bijzonder het slachten. De dieren werden geslacht en uitgepond en dit verkopen geschiedde niet alleen binnen de deur doch ook voor het vleeshuis. In de oude privileges van de stad Leeuwarden (17de eeuw) worden vele bepalingen genoemd wie wel en niet gebruik mochten maken van het vleeshuis en vooral werd er op gewezen dat vrouwen geen toegang hadden ge durende het slachten of bewerken van slachtdieren en afvallen. Er was ook een vleeskeuringswet die door het gemeentebestuur was uitgevaardigd; deze keuringswet regelde de voorschriften voor de keuring bij slachten en verkoop. In het museum aan de Slagersvakschool te Utrecht vinden wij oude publicaties die op het slachten, de handel en verkoop van vlees en vee betrekking hebben. Deze publica- ties dateren reeds uit de jaren 1751-1753 en 1754. In het jaar 1828 heeft het gemeentebestuur van Utrecht de volgende ordonnantie afgekondigd: Art. 1 Niemand zal binnen deze stad of vrijheid van dezelfde, het beroep van vleeshouwer of slagter mogen uitoefenen, noch geslagt vleesch van ossen, koeyen, kweenen, veersen, kalveren, oyen, rammen, lammeren, varkens of diergelijke mogen verkopen (versch of gezouten) dan in vleeschhuizen, of andere gebouwen daartoe aangewezen, of goedgekeurd op verbeurte ener geldboete van f 25.—, zullende de plaatsen alwaar thans vleesch, versch of gezouten, wordt verkocht, worden gehouden voor goedgekeurde doch zullen de eigenaars of bruikers gehouden zijn binnen 14 dagen na publicatie dezer, aangifte te doen bij de directie van politie van de door hen daartoe in gebruik zijnde lokalen, welke kosteloos een bewijs daarvan aan de belanghebbenden zal afgeven enz. Art. 2 Elke vleeschhouwer of slagter is gehouden, om, na afkondiging dezer, het afmaken van vee te doen plaats hebben, met gesloten deuren en vensters, immers het zelfde te doen geschieden, verborgen voor het oog van de voorbijganger; terwijl hij, te rekenen van en met gemeld tijdstip het bloed van het afgemaakte vee behoorlijk zal moeten opzamelen, of wel zorgen dat daarvan, evenmin als van de bloedende huiden als anderzins geen kentekenen in de goten en langs de straten worden aangetroffen, een en ander op verbeurte ener geldboete tot f 6.— bij elke overtreding. Art. 3 Ieder vleeschhouwer en diegene, welke zich met het slagten van hoornbeesten bemoeyen, wordt verboden hoornbeesten te slagten, voor en alleer dezelve aan de vleeschwaag gebragt, behoorlijk gevisiteerd en bekwaam tot menschenvoedsel bevonden zal zijn. Deze bepaling stamt uit de Napoleontische tijd: Napoleon heeft nl. in Frankrijk de abattoirs ingesteld en heeft dus ook in de Nederlanden bevorderd dat er geslacht zou worden in daartoe speciaal ingerichte slachtplaatsen, waarop de gemeente toezicht moest houden. De oudste abattoirs in ons land stammen dan ook uit deze tijd. Waarom werden deze bepalingen nu uitgevaardigd? Van oudsher slachtte de slager thuis en wel in de winkel. Zo kon men vroeger aan de gevel van een slagerij ijzeren hangwerk bevestigd zien, waaraan koppen, harten, lever enz. tij dens het slachten werden opgehangen en de andere dag dikwijls stukken rundvlees, varkensvlees of wat al niet. Het was als het ware de etalage van de zaak, niet achter het raam maar er voor. Dit slachten in de winkel kon gemakkelijk plaatsvinden omdat de winkel zeer primitief was ingericht en omdat met de inrichting van de winkel rekening was gehouden dat deze zowel slacht- als verkoopplaats kon zijn. Dit is wel een aanmerkelijk groot verschil bij de huidige moderne winkelinrichting, waar soms het verse vlees geheel ontbreekt, althans wat betreft dit vlees aan bouten. Het behoeft geen betoog dat dit slachten in de winkel grote bezwaren had, hoewel het toch altijd een prachtig gezicht is geweest, wanneer na afloop van het slachten, het geslachte rund in z'n geheel ten verkoop gereed hing en de kwaliteit kon worden beoordeeld. De bezwaren waren ten eerste : het bloed kon over de drempel stromen en dus over de stoep in de goot (vandaar de bepaling in art. 2 voornoemd). Bovendien verspreidde dit slachten ook een onaangename lucht, vooral bij het verwij deren van de mest uit de organen enz. Doch ook het doden op zichzelf dat nog niet pijnloos geschiedde, was voor het omwonende publiek dikwijls een ergernis en vooral het doden (kelen) van varkens die altijd vreselijk schreeuwen bij deze handelingen, wekte dikwijls ergernis op en maakte dat de minder prettige zijde van het slagersambacht te sterk naar voren kwam. Bovendien moet niet worden vergeten dat juist dit doden van dieren, ook al zijn ze voor de consumptie bestemd, altijd nog voor vele mensen een factor is die een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de persoon van de slager. Het is dus geen wonder dat het stadsbestuur of zoals op het platteland, het gemeentebestuur, ,ordonneerde" dat dit slachten voortaan niet meer in de winkel mocht plaatsvinden, doch achter het pand waarin vlees werd verkocht, met een vrije uitgang en lozing van bloed, water, mest e.d. De z.g. Hinderwet schreef deze bepalingen voor. Daarin werd tevens bepaald dat de afvoer van deze stoffen moest uitmonden in stromend water (beek, rivier of kanaal). Deze maatregel was ook voor de gezondheid van de omwonenden van groot belang. Doch vooral in de grote steden met toen ook al dichtbevolkte wijken was dit slachten aan huis, in winkel of slachtplaats, een niet te verantwoorden handeling ten opzichte van de volksgezondheid. Vliegen en andere insecten brachten gaarne een bezoek aan het opgestelde en geslachte vee en vonden in de organen en beenderen een welkome voedingsbodem. Het is dan ook begrijpelijk dat vooral in de jaren 90 en bij de eeuwwisseling de eerste abattoirs werden gesticht en deze slachtplaatsen zodanig werden gebouwd dat de burgerbevolking weinig last van het slachten kon ondervinden. Daardoor werd ook de minst prettige kant van het slagersambacht, tenminste voor wat het oordeel van het publiek betreft, aan de ogen van de burgerij onttrokken. Maar het gevolg van het stichten van de abattoirs is geweest dat de slager uit zijn bedrijf moest om aan het abattoir te slachten, dat niet centraal was gelegen en dat voor hem veel meer tijd kostte, dan wanneer hij thuis zijn beesten kon slachten. Als gevolg hiervan is het gilde van loonslachters ontstaan. De slager liet (en laat nog wel) zijn beesten door eigen personeel slachten maar al spoedig verscheen de grossier ten tonele, die engros inkocht en liet slachten waardoor de slager dit zelf niet meer behoefde te doen en dus het vlees aan bouten of halve varkens inkocht. Voor zover de slager in kleine gemeenten en op het platteland zelf nog slacht, dient hij bij verordering van de Vleeskeuringswet anno 1922 zijn winkel en slachtplaats zodanig in te richten dat de inrichting voldoet aan dezelfde eisen die aan een abbattoir zijn gesteld. In vele steden ligt het abattoir ingesloten door de grote bevolkingsaanwas en geldt dus niet meer de oorspronkelijke bepaling dat het abattoir buiten de bebouwde kom moet liggen. Op het platteland wordt nog aan huis geslacht of worden de huisslachtingen bij de slagers in de slachtplaats verricht al naar gelang de gemeente dit voorschrijft in verband met de Vleeskeuringswet. Het is hier niet de plaats op dit laatste verder in te gaan. Het slachten is nog altijd een belangrijk onderdeel en vraagt veel handigheid en vaardigheid. Deze factoren bezit de loonslachter in het bijzonder, die per dag een groot aantal stuks vee slacht, terwijl de slager zelf alleen dat vee slacht, dat hij voor zijn bedrijf per week nodig heeft. Maar de slager zelf slacht het gehele dier, terwijl de loonslachter slechts een onderdeel van de slachthandelingen verricht. De slager heeft dus nog altijd een voorsprong op de loonslachter en door dit zelf slachten verhoogt hij z'n kennis van het vee. Hoewel het slagersbedrijf meer en meer gemechaniseerd wordt (voornamelijk de vleeswarenbereiding), is dit niet met het slachten het geval. Het slachten van een slachtdier geschiedt heden ten dage nog op dezelfde wijze als in vroegere tijden. Zeker, inplaats van het doden door nekslag of hoe dan ook, is het electrische bedwelmen gekomen van varkens en het bewegingloos maken van runderen, paarden, kalveren en schapen. Aan het abattoir mag dan het rund electrisch worden omhooggetrokken (o.a. te Rotterdam) en wordt sporadisch een rund electrisch afgehuid, in wezen is er niets veranderd in de z.g. slachthandelingen. Aan het abattoir vindt men ook speciale werktuigen voor het afvoeren van mest en het reinigen van organen, de koeling door middel van koeltunnels en de vrieshuizen. Hierover kan iedere slager thuis niet beschikken en zal hij dus met de inrichting van zijn slachtplaats rekening moeten houden met de natuurlijke afkoeling van het slachtdier. Daarom zal hij ook tijdens het slachten zekere voorschriften in aanmerking nemen en doet hij verstandig, indien hij daartoe de gelegenheid heeft, zijn slachtplaats op het Noorden te bouwen. In Amerika wordt in de grote vleeswarenfabrieken z.g. electrisch geslacht; daar komt het dier de slachthal binnen, de slachter verricht maar enkele handelingen, de rest doen de electrische werktuigen. Maar hier kan dan ook niet worden gesproken van het slagersambacht, laat staan van het slachten. Bij het slachten van varkens wordt momenteel op het abattoir van een krabmachine gebruik gemaakt. Het slachten dient niet op ruwe wijze te geschieden, ook in dit opzicht moet onderscheid gemaakt worden tussen het slachten thuis en op het abattoir. De loonslachter moet aan „de lopende band" slachten, is aan bepaalde tijd gebonden, doch de slager die zelf zijn beest heeft gekocht en slacht, beschouwt dit dier als een waardevol object. Hij moet zijn bestaan er in vinden, kent de risico van de handel en de „romantiek” van deze risico. Vandaar ook de nieuwsgierigheid hoe goed het beest slacht, hangt en wat het weegt. Dit zelfde geldt ook bij de huisslachtingen. Ook daar de romantiek: hoe zwaar zal dit varken zijn, hoeveel vet (reuzel) en hoe dik het spek? Vandaar ook dat tijdens de slachting de buren kwamen kijken, op een briefje het gewicht noteerden en een prijs werd beschikbaar gesteld voor diegene, die het juiste gewicht had geraden of er het dichtst bij was. Dat hierbij ook dikwijls een dronk werd uitgebracht op de winnaar van de prijs en de eigenaar van het varken is vanzelfsprekend. Het slachten van vee als ambacht is een mooi werk. Niet om het doden, in tegendeel, dat speelt geen rol, maar wel om de handelingen die hieruit voortvloeien. Het is een natuurlijk wezen dat bewerkt moet worden en iedere slager, die liefde voor zijn vak heeft, zal trachten dit kostbaar object op de juiste manier van huid en organen te ontdoen daarbij rekening houdend dat niets geweld wordt aangedaan, dus ook de natuurlijke hechtingen en scheidingen worden gevolgd. Hij is als een chirurg, die op vakkundige wijze en met vaardige hand zijn mes hanteert! Hij maakt het vlees ,levend", brengt zo mogelijk glans en kleur aan het vlees door zijn hand en door zijn persoonlijke inslag en vermijdt alle ruwheid. Hoe trots kan de slager na afloop van het slachten zijn als hij het dier in al zijn schoonheid en kwaliteit bewondert! Is het slachten van een rund reeds een meesterwerk op zichzelf, het slachten van een vet kalf is dit wel in het bijzonder! Hier moeten wel door de fijnheid van vlees en de kwaliteit aan de slachter hoge eisen worden gesteld. De wetgever acht het slachten door de slager zelf ook van grote betekenis omdat zeker de vakkennis wordt verhoogd. Daarom is het wettelijk voorgeschreven dat iedereen die zich als slager wil vestigen ook het slachten voldoende on- der de knie moet hebben. Hij moet dus een examen in het slachten afleggen en pas nadien, als hij dit examen met goed gevolg heeft afgelegd, en ook voor een vakexamen is geslaagd, kan hij er aanspraak op maken dat hij een slager is. Doch niet alleen de Vestigingswet heeft deze eis bepaald, ook in de bepalingen voor het toelatingsexamen tot de cursus voor opleiding van hulpkeurmeester, is de voorwaarde gesteld, dat hij die het beroep van hulpkeurmeester hoopt uit te oefenen, in het bezit moet zijn van het getuigschrift in het slachten. Het is dus alleszins van belang dat de leerjongen, die het slagersambacht wil leren, ook zo jong mogelijk het slachten ter hand neemt. Daartoe heeft hij bij de zelfslachtende slager ruimschoots gelegenheid en in de grote steden of in die plaatsen waar abattoirs zijn gevestigd kan hij door middel van het volgen van een slachtcursus zich hierin bekwamen. Het slachten mag hem dan ook niet afschrikken, integendeel, het moet zijn ambitie voor het vak bevorderen, omdat hij daardoor het vak in al zijn geledingen en omvang leert kennen. Het slachten leren verhoogt de belangstelling voor het slagersambacht en als gevolg hiervan wordt de animo hiervoor groter. Hoe het slachten van de dieren, die bestemd zijn voor de consumptie, geschiedt wordt in de volgende hoofdstukken uitvoerig beschreven. BEPALINGEN EN VOORSCHRIFTEN Uit het vorige hoofdstuk is gebleken dat er verordeningen en voorschriften zijn vastgesteld, waaraan moet worden voldaan alvorens de slager het vee kan slachten. Doch niet alleen moeten, voordat de slachthandelingen plaatsvinden, deze voorschriften in acht genomen worden, ook tijdens het slachten en daarna zijn er verschillende bepalingen waarop acht gegeven moet worden. Bij de bespreking hiervan dient onderscheid gemaakt te worden tussen het slachten op een abattoir of centrale slachtplaats en het slachten bij de slagers thuis. Daar is allereerst de vraag, wanneer mag de slager tot slachten overgaan? Dit kan geschieden nadat de levende keuring is verricht. Deze levende keuring houdt nauw verband met de gezondheidstoestand der slachtdieren. Voor de intreding der Vleeskeuringswet in 1922, was het in kleine plaatsen en op het platteland geen voorschrift dat het vee levend gekeurd werd. Wel moest de slager voor zover in de gemeente een keuringsdienst was, bij het hoofd van de keuringsdienst aangifte doen van het aantal stuks vee dat door hem geslacht werd, evenals hij aan het belastingkantoor het te slachten rund en/of kalf moest aangeven voor de accijns. Deze wet is in 1942 afgeschaft en blijft dus verder onbesproken. De levende keuring geschiedt aan het abattoir op een daartoe aangewezen plaats, hetzij in de stal, hetzij aan de balie of op het voorterrein aan het abattoir. Deze levende keuring wordt door een veearts-keurmeester verricht, waarbij vooral wordt gelet op uitwendig waarneembare afwijkingen, doch ook kan deze keuring het vermoeden doen rijzen dat bij de slachting zodanige afwijkingen worden ontdekt, dat het beest derhalve niet in de gewone hal geslacht wordt, doch direct naar de noodslachtplaats wordt verwezen. Wanneer blijkt dat het beest volkomen gezond is, dan wordt het van een goedkeuringsstempel voorzien en kan er geslacht worden. Aan het abattoir wordt door de opzichterkeurmeester een plaats aangewezen. Bij de slager thuis moet eveneens de levende keuring plaatsvinden. Vele gemeentebesturen hebben de bepaling gemaakt dat de aangifte voor de levende keuring moet plaatsvinden 24 uur voor de slachting. Deze bepaling is noodzakelijk omdat vooral op het platteland, de keuringskring niet altijd tot een gemeente beperkt is. Er zijn nl. diverse plattelandsgemeenten die gezamenlijk een keuringsdienst hebben. Zoals in het vorige hoofdstuk reeds is opgemerkt vallen ook de huisslachtingen zowel on- der de levende als onder de geslachte keuring. Heeft de levende keuring plaatsgevonden dan moet aan het abattoir het slachtrecht worden betaald en bovendien moet aan de verzekeringsplicht zijn voldaan. Dit geldt ook voor de slager die thuis slacht. Het is hier niet de plaats op deze verzekeringsplicht in te gaan; alleen zij hier opgemerkt dat practisch al het te slachten vee na aankoop verzekerd wordt bij het Bureau slachtvee-verzekeringen. Vroeger hadden de slagersverenigingen zelf deze verzekeringen in handen en deze verzekering was een bindend element, doch tijdens de vleesdistributie is de verzekering van vee overgegaan aan bovengenoemd bureau. Levende keuring en verzekering houden dus verband met de toestand van het slachtdier, voordat het geslacht wordt. Allereerst is daar de bepaling dat het, voor het slachten zelf, maar ook niet minder voor de houdbaarheid van het vlees, van belang is dat het dier minstens 24 uur gevast heeft na het transport. Vooral vroeger toen nog niet over hulpmiddelen als koeling enz. kon worden beschikt, was deze bepaling van het grootste belang. En nog doet de slachter, die thuis slacht, er goed aan om het dier een dag te laten rusten alvorens het wordt geslacht. In deze jachtige tijd Bunt men zich haast geen tijd om deze bepaling in acht te nemen. Daarom is de hierboven vermelde bepaling in het raam van de keuringswet zo belangrijk. Doordat het dier uitgerust is, zullen de organen weinig mest bevatten en kunnen derhalve beter en vlugger worden afgemaakt, hetgeen vooral in de zomer van groot belang is. Maar bovendien gaat het afhuiden ook veel beter, omdat het dier niet in verhitte toestand wordt geslacht. Het is dus niet gewenst het vee direct nadat het uit de weide is gehaald, of van de stal naar de slachtplaats is getransporteerd, te slachten. Of dit transport nu per as is geschied of met een vrachtauto, dat doet niets ter zake. Ook tijdens het transport (vooral in kleine vrachtauto's) kan het dier in overspannen toestand geraken of kneuzingen oplopen, hetgeen bij kalveren en varkens nog al eens voorvalt. Ook aan de abattoirs werd voor de tweede wereldoorlog geregeld de hand gehouden aan de bepaling dat de dieren goed uitgerust moesten zijn. Tijdens de vleesdistributie is hiervan afgeweken omdat het vlees verdeeld (toegewezen) werd aan de slagers en de P.T.C.'s (Plaatselijketoewijzingscommissie) deze verdeling zo Aug mogelijk moesten doen geschieden. En nu nog schijnt de grossier en de slager niet meer te kunnen wachten, hij moet direct weten of zijn taxatie juist is geweest en daarbij komt dat het vlees aan het abattoir kan ,rusten", besterven, in een voorkoelhuis. Hierover beschikt de slager thuis niet en derhalve dient hij de bepaling wel degelijk in acht te nemen. Dus na het transport eerst het dier laten uitrusten, geen voer meer geven, dat is weggegooid geld; het dier laten drinken is echter wel gewenst doch dit moet ook in beperkte hoeveelheid zijn. Het transport, zoals reeds is aangegeven, moet niet op ruwe wijze geschieden; er wordt weleens beweerd dat een slager geen zachtzinnig mens is. Niets is minder waar dan dat! Het is echter zo dat .een dier zich dikwi jls tegen het transport verzet, het wil vrij zijn in zijn bewegingen, dat is zijn natuurlijke aard en niet gebonden zijn. Vooral varkens, kalveren en schapen geven nogal eens moeilijkheden bij het transport. Een rund en paard, dat regelmatig aan het hoofd geleid wordt, geeft in de regel weinig moeilijkheden, doch wil wel eens weerspannig zijn, voordat het de slachtplaats gaat binnentreden. Een paard is dan nog al eens nerveus, vermoedelijk doordat dit een scherp reukorgaan heeft. Door deze weerspannigheid van het dier en de haast die de slager of slachter heeft, wordt het dier dus wel eens geslagen of ruw behandeld; dit komt nog al eens op het abattoir voor. De slager die thuis slacht weet uit ervaring dat hij met geduld en ,zoete woordjes" verder komt dan met geweld. Varkens zijn echter uiteraard dieren, die meestal in de contramine zijn en dus het geduld des slagers wel op de proef stellen. Vette varkens moeten echter niet met een stok of touw worden geslagen, want de rode striemen, die zich bij het levende dier reeds op de rug aftekenen, zijn ook bij het geslachte dier te constateren en geven een onsmakelijk aanzien aan het spek. Kalveren, vooral vette kalveren, dienen omzichtig behan deld te worden ; ook hier geen touw gebruiken om er mee te slaan of vast te binden, doch door middel van de hand in de bek te steken waarop het kalf gaat zuigen (het heeft slechts melktanden en is het zuigen gewoon), en door achteruit te lopen, gaat het kalf als vanzelf wel mee. Een nuchter kalf kan het beste over de schouder worden gedragen, lammeren eveneens ; terwijl schapen het beste in koppels gedreven kunnen worden. Betreft het slechts een lam of schaap, dan zal het door middel van een touw om de hals (doch niet stiff gebonden) naar de slachtplaats geleid kunnen worden, waarbij de geleider er zorg voor moet dragen naast het dier te gaan en niet voorop te lopen. Om de dieren te kunnen slachten is gereedschap nodig. Ook hier dient weer onderscheid gemaakt te worden tussen het slachten op het abattoir en bij de slager thuis.• Op het abattoir is practisch alles aanwezig wat door de dienst wordt nodig geacht; de slager thuis dient deze gereedschappen zelf aan te schaffen. Voor het bedwelmen is een penapparaat nodig, verder voor het steken of voor het toebrengen van de halssnede een speciaal mes, voor het opsplitten en afhuiden een recht en een krom mes, voor het opvangen van bloed een bloedbak, spanhaken voor het opspannen tijdens het afhuiden; een zaag, hakmes, rug-en borsti jzers, emmers, een schede en staal, het eerste om de messen er in op te bergen en het tweede voor het aanzetten van de messen, een bak voor het opvangen 'van de darmen (deze mogen niet met de vloer in aanraking komen) een wagentje voor de buikorganen, een trapje voor het hangend afhuiden, een stootbeen voor het uitstoten van de huid, een paar schone handdoeken, een spreider voor kalveren, varkens en schapen, krabbers voor het krabben van varkens en een burrie. De slager die thuis slacht, heeft meestal een houten bloedbak, om het bloed op te vangen, tevens een speciale vierkante bak voor het afmaken van de pens, een houten burrie en slachtbank voor kalveren en schapen, benevens een kromhout (voor het ophangen van kalveren, varkens en schapen) en ook een ladder of leer voor het ophangen speciaal van varkens. Het verdient aanbeveling om goede scherpe messen bij het slachten te gebruiken; doch deze messen moeten vakkundig geslepen en afgewet zijn. Daarom moet de slachter niet zijn messen door een ander laten - slijpen, doch hij moet dit zelf doen. Zijn de messen niet goed afgewet, dan zit er nog een braam op het mes en hierdoor ,,haakt" het enigszins. Als gevolg hiervan zullen bij het toebrengen van de halssnede de bloedaderen oplopen en daardoor verstopt raken, waardoor het dier niet goed kan uitbloeden. Voor de bewerking en houdbaarheid van het vlees is. het nl. van groot belang dat het bloed zo snel mogelijk uit de bloedaderen stroomt. Ook bij het afhuiden is een niet goed geslepen en afgewet mes een handicap, daar hierdoor de huid in het vlees kan worden beschadigd. Vervolgens moet er ook touw aanwezig zijn, om bij het verwijderen van de darmen of pens deze of te binden. Dat er ook schoon water aanwezig dient te zijn, spreekt haast wel van zelf. Doch men bedenke wel niet te zuinig met schoon water te zijn tijdens het slachten. Het is gewenst regelmatig een emmer met schoon water te gebruiken, want het water, waarin al meerdere malen een slachtdoek is uitgespoeld en handen gewassen zijn, is geinfecteerd met bacterien, die door de handdoek weer op het vlees kunnen worden gebracht. Doch men zij na de slachting ook weer niet te royaal met water, door de slang op de waterleiding te zetten en het vlees en de beenderen (dit is de vleeskant die na het kloven waarneembaar is) af te spuiten ! Aan het abattoir is men dikwijls te royaal met het water. Alleen met de moderne koeltunnels aan het abattoir kan deze methode toegepast worden. De slager die thuis slacht zal onder het slachten zo weinig mogelijk met water en doeken aan het vlees komen, omdat hij niet over deze koeling de beschikking heeft. Hij zal ook na de slachting, wanneer het dier voor de keuring gereed gemaakt moet worden, zo weinig mogelijk water gebruiken. Nadat de levende keuring, de aangifte voor de verzekering en ook de gereedschappen besproken zijn, komt nu de localiteit aan de beurt. Aan het abattoir is meest een slachthal voor runderen en paarden, kalveren en lammeren en een aparte slachthal voor de varkens, terwijl bovendien voor het afmaken van het darmscheil en de darmen een aparte gelegenheid wordt gebruikt. Het is nl. voorschrift dat de organen, die mest bevatten niet mogen worden afgemaakt in dezelfde ruimte waarin geslacht wordt. Deze zelfde bepaling geldt ook voor de thuisslachtende slager. Hij dient dus naast zijnn slachtplaats een aparte gelegenheid voor bovengenoemd doel beschikbaar te hebben. De Vleeskeuringswet heeft ook aan de inrichting van de slachtplaats eisen gesteld, die in het desbetreffende hoofdstuk worden beschreven. Wel is het van belang dat de tafels, die gebruikt worden voor het afmaken van het darmscheil, van beukenhout zijn en geen naden bevatten. De overgang van vloer naar wand en van wand naar zolder moet rond zijn, de hoeken eveneens, terwijl de muren betegeld of glad geschilderd moeten zijn. Het spreekt eveneens vanzelf dat de zolder geen naden mag hebben, zodat er geen stof van zolder of bovenverdieping tijdens het slachten op het vlees kan vallen. Vooral bij het optrekken van het dier zou dit gemakkelij k kunnen plaatsvinden. Licht en lucht, en goede ventilatie zijn wel eerste vereisten, want vooral in de zomer is het van belang dat het vlees voldoende kan afkoelen. Ook dient aandacht te worden besteed de vliegen zoveel mogelijk buiten het pand te houden : daartoe wordt meestal donker (blauw) glas gebruikt en de ramen en deuren van gaas voorzien. Deze kunnen dan na de slachting open blijven staan. Vooral moet de slachtplaats kunnen doortochten ; aan tocht hebben de vliegen het land. Doch niet alleen de vliegen, ook de mensen hebben een hekel aan tocht. Hangwerk en haken moeten glad geschuurd zijn of van roestvrij staal, terwijl ook een wasgelegenheid (fonteintje) aanwezig moet zijn. Als aan deze voorwaarden is voldaan dan dient nog speciale aandacht besteed te worden aan de zindeli jkheid tijdens het slachten. Ook hier heeft de Vleeskeuringswet wettelijke voorschriften gemaakt, die stipt moeten worden nageleefd. De practijk wijst echter uit dat dit niet altijd mogelijk is, vooral aan een abattoir of in vleeswarenfabrieken, alwaar in groten getale wordt geslacht. Het is nl. niet mogelijk om gedurende het slachten niet bevuild te worden met bloed of mest. Om zoveel mogelijk toch aan de voorschriften te voldoen, moet de loonslachter na de slachting zich in het waslokaal reinigen en zijn kleding in een aparte gelegenheid ophangen. Dit geschiedt meestal door hun kleren aan rekwerk te hangen en aan de zolder te drogen. Uitgegaan wordt van de gedachte dat vlees van een gezond dier steriel is, dus bacterie-vrij. Het is dus zaak dit vlees ook steriel te houden, althans te bevorderen dat het steriel zal blijven. Daarom moet tijdens het slachten alles worden vermeden wat hierop inbreuk maakt. Alle vuil, bloed, mest, wat op het vlees komt, ook het aanraken van vlees met de handen, betekent dat entingen kunnen plaats vinden van bederf veroorzakende bacterien. Met het afwassen van het vlees door middel van een doek, die reeds door vuile handen is bezoedeld, worden deze bacterien niet verwijderd, integendeel de sporen blijven achter, en zullen straks, nadat het vlees gekoeld is geweest en bij de slager thuis komt in de winkel en dus in een ruimte met hogere temperatuur hangt, zich verder kunnen ontwikkelen, waardoor het vlees klef en miezig wordt. Vervolgens dient al het gereedschap als messen, zaag, hakmes, emmers en bakken na het gebruik ontsmet te worden in heet water waarin soda is opgelost. Gebeurt dit niet dan kan het vuil, dat aan dit gereedschap is blijven zitten, bij het volgende gebruik aan de handen en dus weer aan het vlees komen. Ook de schede, waarin de messen worden gestoken tijdens of na het slachten moet niet zonder meer zomaar worden opgeborgen. Over de handdoeken is reeds gesproken het verdient aanbeveling twee doeken te gebruiken, een doek die nat kan worden gemaakt en een doek die droog blijft. In nauw verband moet bier de slachtkleding worden besproken. De thuisslachtende slager zal voor elke slachting een schone overall aantrekken d.w.z. dat hij, na afloop van de slachting direct de slachtkleding in de was gaat doen en deze dus schoon is voordat met de slachting van de volgende week wordt begonnen. Hij zal niet onder het slachten van kleding verwisselen d.w.z. als hij een rund heeft geslacht, zal hij voor het slachten van een ander exemplaar geen schone overall aantrekken. De slachtkleding van de thuisslachtende slager is over het algemeen degelijker en netter dan die van de loonslachter op het abattoir. Naast de overall ziet men bier afgedragen kleren, die blijkbaar voor het slachten nog goed genoeg zijn. Meestal zal een sloof deze kleding camoufleren. Een andere belangrijke factor is het roken. Noch bij de slager thuis, noch op het abattoir mag dit roken worden toegestaan! As op vlees tijdens het slachten kan onmogelijk worden verwijderd. derd. De porien van het vlees staan open, zij nemen de as op en het is onmogelijk om deze er weer af te krijgen. Dat dit een onsmakelijk gezicht geeftbehoeft geen betoog! Op verschillende abattoirs is een rookverbod uitgevaardigd, doch in de practijk wordt hiermede dikwijls de hand gelicht. Het is dus zaak dat de slachter alles vermijdt om het vlees te infecteren en daarbij behoort dus ook dat hij bij het slachten niet met zijn kleren tegen het afgehuide gedeelte komt, en ook niet de huid, die meestal vuil is, met de haarzijde tegen of op het vlees legt. Ook op de huid kunnen bacterien of parasieten zitten, die het bederf van vlees in de hand kunnen werken. Hierbij denken wij aan schurft, teken of huidziekte. Het is verder noodzakelijk de huid zo droog mogelijk te houden tijdens het slachten. Bij het slachten van kalveren, schapen en geiten is dit wel DE INGEWANDEN EN HUN BEHANDELING ALGEMEEN De darmen vormen een zeer waardevol afvalproduct, omdat zij voor de worstfabricage van grote betekenis zijn. Het klaarmaken van darmen voor het gebruik is een vak op zichzelf en moet met zeer grote zorgvuldigheid geschieden. Beschadiging van de darmwand bij het uitsnijden, slijmen etc. moet voor alles vermeden worden. Na het uithalen worden ze uitgestreken, hierbij moet er vooral op gelet worden dat de buitenwand niet bevuild wordt; het verdient aanbeveling ze met schoon water goed na te spoelen, iedere darmsoort wordt na het uitstrijken apart gehouden, alle soorten moeten ontvet worden, d.w.z. dat het aanhangende vet verwijderd moet worden. Het darmvet wordt nl. snel ransig en de lucht van het ransige vet deelt zich spoedig mee aan de darm zelf. In de zomer wordt bij alle handelingen koud water gebruikt. Darmen, die na het schoonmaken niet direct worden gebruikt, worden ingezouten om ze te bewaren. Het verdient de voorkeur ze droog weg te zouten d.w.z. niet in de pekel. Voor het wegzouten eerst de darmen controleren of ze van alle slijm zijn ontdaan. Blijft er slijm op de darm zitten dan belemmert dit bij het zouten het indringen van het zout in de darmwand en daarmee de houdbare toestand; bovendien zal de zuivere lucht van de darm verminderen. Darmen, die na het zouten gebruikt worden, moeten met schoon water ontzout worden. Daar darmen worden gebruikt als omhulsel van menselijk voedsel, kan niet genoeg zorg aan de zindelijkheid besteed worden. Het keren, slijmen en zouten der darmen wordt verder in dit hoofdstuk behandeld. DE INGEWANDEN VAN HET RUND Tijdens het slachten gaan de ingewanden in hun geheel naar het lokaal dat voor het schoonmaken der darmen is bestemd (op het abattoir naar de darmenwasserij). Benamingen der verschillende ingewanden. Men onderscheidt achtereenvolgens: a. de slokdarm (keelpit of keeldarm) ; deze is van verschillende wijdte en heeft een lengte van 40 - 80 cm; b. de maag, verdeeld in een viertal afdelingen : pensmaag, netmaag, boekmaag en lebmaag; C. de kransdarm (dunne darm) ; deze loopt met veel wendingen van de lebmaag naar de blindedarm en heeft een lengte van 35 - 45 meter. Men onderscheidt nauwe, midden- en wijde kransdarmen; d. het zakeind (blindedarm) ; men onderscheidt hier twee gedeelten. Het zakvormige is het gesloten gedeelte van de blindedarm tot waar de dunne darm dit orgaan binnenkomt. Het na-eind is het gedeelte, dat overgaat in de dikke darm; e. de rechte darm (middeldarm) ; deze loopt van het na-eind tot aan de endeldarm en heeft een lengte van 7 - 9 meter; f. de endeldarm (aarsdarm) ; dit is het laatste gedeelte van het darmkanaal en eindigt in de aars, die door de sluitspier wordt afgesloten. De endeldarm heeft een lengte van 40 - 60 cm en heeft een beduidend grotere wij dte dan de rechte darm. HET BEHANDELEN DER RUNDERMAGEN Wit men de pens en lebmaag voor de worstfabricage ge bruiken of de pens voor het maken van zakjes voor rolpens, dan gaat men als volgt te werk. De lebmaag snijdt men juist bij de scheiding van de boekmaag af, duwt de inhoud er uit en keert ze om. Bij het ledigen van de pens overtuigt men zich eerst of de openingen, die gemaakt zijn bij het afsnijden van de slokdarm en bij de boekmaag, goed zijn afgebonden; ook let men er op of daar de pens bevuild is, mocht dit zo zijn dan wordt ze grondig gereinigd. Vervolgens maakt men op de plaats waar de pens een kuil heeft, een snede die groot genoeg is om de mest te kunnen verwijderen, schudt haar leeg en keert haar binnenste buiten; met een schone doek worden de randen van de gemaakte snede afgeveegd en naait men daarna de gemaakte snede dicht, opdat er geen vuil meer in de pens kan komen. Ten slotte moet men de pens en lebmaag broeien. Eerst trekt men de spleten van de pens goed uit elkaar en wordt de pens in water van 80-85 ° C gedompeld waarna men de vuile aanslag er af moet kunnen krabben ; gelukt dit de eerste maal niet, dan herhalen we de onderdompeling weer tot alle vuil verwijderd is. Daarna wordt de pens in koud water gelegd; na 1 of 2 uur wordt ze er uit gehaald en opgehangen. Dit zelfde doet men ook met de lebmaag. Een andere methode om de pens voor de worstfabricage of het maken van rolpens te reinigen, is als volgt : Na het verwijderen van de mest, het keren en het dichtnaaien en het schoonhouden van de buitenzijde zoals hierboven reeds is omschreven, wordt de pens afgespoeld en in een teil of bak gezet, waarin zich een oplossing van water en gebluste kalk bevindt. Deze oplossing mag een brijachtige massa zijn. De pens wordt er goed in geduwd en vooral op de naden goed ingewreven. Heeft men de pens spoedig voor verwerking nodig dan kan men de pens zo warm mogelijk behandelen en voor de oplossing kalk en warm water gebruiken. De pens wordt dan voortdurend in deze warme oplossing heen en weer gedraaid, zodat direct met het afkrabben kan worden begonnen. Indien niet direct nodig, kan men de pens een nacht in de kalkoplossing laten staan. Vervolgens wordt de pens met een varkenskrabber goed schoon geschrapt, in een teil met schoon water gezet en nog nagezien of alle vuil is verwijderd. Indien er nog kleine vlekken vuil aanwezig zijn kunnen deze met een mes verwijderd worden. Het afspoelen wordt met telkens ververst water zolang herhaald tot er geen schuim meer op het water komt. Dan snij dt men de afgebonden en genaaide gedeelten van de pens af, keert ze om zodat de oorspronkelijke buitenwand weer buiten is. Vervolgens wordt de pens opgehangen en alle vellen en aanhangend vet verwijderd, waarna ze een nacht in vers water blijft staan, waardoor ze blank optrekt. Men heeft dan een pens die vooral voor het maken van zakjes voor de rolpens bijzonder zal voldoen. Deze handeling geschiedt ook wel met ongebluste kalk, dan wordt de oplossing kalk en water niet zo dik gemaakt, ze mag er dan niet als brij uitzien. DE SLOKDARM Wanneer het rode vlees, dat zich om de slokdarm bevindt, is verwijderd, wordt het binnenste perkamentachtige gedeelte gekeerd en gereinigd. Dit kan gemakkelijk door enige keren afspoelen in water omdat aan de slokdarm weinig of geen slijm zit. Dan bindt men de darm aan het ene einde af, waarna men deze zo strak mogelijk opblaast en nadat ook het andere einde is afgebonden, te drogen hangt. HOOFDSTUK 3 DE STATISTIEK VAN DE SLACHTINGEN I N L E I D I N G aantallen slachtingen in de, in onze tabel voorkomende, Als wij ons uitsluitend bepalen tot het vermelden en be- vooroorlogse jaren genoteerd. Tijdens de oorlog beschikte schouwen van de aantallen slachtingen, dan heeft onze het Bedrijfschap voor Vee en Vlees, op grond van zijn uiteenzetting voor de lezer niet veel zin. Wat de slager bemoeiingen met de vleesdistributie over de slachtingswil weten is, hoeveel vlees er beschikbaar komt. Nu is de cijfers, terwijl na opheffing van de vleesdistributie op beschikbaar komende hoeveelheid vlees niet alleen afhanke- 5 November 1949, door het B.V.V. in samenwerking met li jk van de aantallen slachtingen, maar bovendien van het C.B.S. een statistiek van de slachtingen werd samendiverse andere factoren, waarvan wij noemen het gemid- gesteld. deld gewicht van het slachtdier, de invoer van vlees, de uitvoer van vlees en eventuele voorraadmutaties of bij- Tabel 1 geeft vanaf 1934 het aantal in Nederland verrichte zondere afleveringen. slachtingen aan, onderverdeeld in slachtingen van dieren Het is daarom, dat hieronder behalve een overzicht van van binnenlandse herkomst en slachtingen van ingevoerde de slachtingen, ook overzichten van de productie van vlees, dieren. van de in- en uitvoer van vlees en van de consumptie zullen Zoals uit de tabel blijkt, bleef in vooroorlogse jaren de worden gegeven. invoer van slachtdieren beperkt tot een Bering aantal in gevoerde slachtpaarden. DE SLACHTINGEN (zie tabel 1) Vanaf 1946 valt een vrij belangrijke invoer van slacht- Uit de beschikbare gegevens van het Staatstoezicht op de runderen waar to nemen, grotendeels afkomstig uit Dene- Volksgezondheid en de Veeartsenijkundige Dienst zijn de marken en Ierland. TABEL 1 OVERZICHT VAN IN NEDERLAND VERRICHTE SLACHTINGEN Gras- en Nucht. underen Varkens R SchapenPaarden vette kalv. kalv. Jaar uit uit uituit uit uit uit uit bin- in- totaal totaal totaal bin-in-totaal bin- in- totaal bin- in- totaal nenl. voer nenl. voer nenl. voer nenl. voer x 10C 10 stuks 1934 478 — 478 241 525 2526 2526 280 — 280 24 — 24 1935 457 — 457 273 581 2011 2011 341 — 341 21 1 22 1936 401 — 401 210 627 2154 2154 324 — 324 20 1 21 1937 344 — 344 199 580 2002 2002 273 — 273 23 3 26 1938 353 — 353 195 555 1971 1971 277 — 277 21 7 28 1939 440 — 440 225 705 2228 2228 378 — 378 23 4 27 1940 493 — 493 155 657 1613 1613 344 — 344 18 5 23 1941 582 — 582 43 397 954 954 75 — 75 7 — 7 1942 682 — 682 165 643 576 576 112 — 112 9 — 9 1943 303 — 303 25 495 606 606 109 — 109 11 — 11 1944 ? ? ? ? ? ? 7 ? ? ? ? ? ? ? 1945 ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? ? 1946 336 29 365 43 646 1003 1003 115 — 115 17 — 17 1947 429 43 472 40 726 1068 1068 97 — 97 25 — 25 1948 207 29 236 10 630 1065 1065 105 — 105 30 — 30 1949 226 25 251 16 640 1577 1577 220 — 220 37 — 37 1950 386 36 422 51 698 2341 3 2344 291 1 292 31 12 43 1951 503 25 528 98 676 2745 13 2758 177 2 179 31 6 37 1952 498 36 534 115 605 2683 7 2690 172 — 172 25 7 32 1953 498 21 519 115 627 3083 5 3088 267 — 267 26 9 35 ? = onbekend. Sinds 1950 werden bovendien kleinere aantallen slacht-TONAL SL1CHTIf1GEfl VA(1 RUfIDFREf1. varkens en slachtschapen ingevoerd, terwijl tevens met de invoer van slachtpaarden, die sedert 1940 had stilgestaan, 900 900 als waardevolle aanvulling van de onvoldoende aanvoer 'A i.000 STUBS aoo aoo van binnenlandse slachtpaarden, opnieuw werd begonnen. 700 700 RUNDERSLACHTINGEN (zie grafiek 1) 600 600 Viel onder invloed van overheidsmaatregelen in de jaren 1934 t/m 1937 een terugval in de slachtingen te constateren, 500 500 in 1938 en 1939 werd een opgaande lijn in de slachtingen merkbaar, doordat, ter ondersteuning van de veeprijzen, 400 400 door de overheid runderen voor ,inblik" uit de markt 300 300 werden genomen. In de jaren 1940 t/m 1942 bereikten de slachtingen een %00 %00 hoogtepunt, door de bepalingen inzake de inkrimping van 100 100 de veestapel. Na een bescheiden aantal slachtingen in 1946, valt in 1947 0- 0 een grote stij Bing waar te nemen, als gevolg van de lang-34 35 35 37 38 39 40 41 41 43 46 47 46 49 50 51 52, 53 durige droogte, waardoor grote aantallen runderen door Grafiek 1 voedergebrek moesten worden geslacht. In 1948 werd uiteraard na deze grote slachting een terugval geregistreerd. In 1949 t/m 1951 beweegt het aantal runderslachtingen r OTAAL SLACHTifGEf An VALVEP 11. zich verder in stijgende lijn tot een aantal van + 500.000 's jaars, op welk niveau de slachtingen zich ook in 1952 900 900 en 1953 bevonden. X 1.000 51UKS Gezien de tellingscijfers van de rundveestapel wordt voor b00 800 de toekomst niet met veel grotere aantallen runderslach 700 700 tingen gerekend. TUCHT. KAIV. 600 boo KALVERSLACHTINGEN (zie grafiek 2) 500 500 1. Gras- en vette kalveren In de jaren 1934 t/m 1939 bestond 60-65 % van deze rubriek 400 400 uit slachtingen van vette kalveren. In de oorlogsjaren en daarna tot en met 1951 werden als gevolg, deels van het 300 300 verbod tot het voederen met melk, deels van de vastge 200 t00 stelde overnameprijzen voor sl.achtvee, die het mesten niet lonend maakten, geen vette kalveren ter slachting aange-G100 boden. De ruimer aanvoer van melk en de stijgende vraag in het 0 34 35 36 37 36 39 40 41 42 4346 47 46 49 50 51 52 53 buitenland naar het luxe vette kalfsvlees hebben nadien de Grafiek 2 mesterij van kalveren nieuw leven ingeblazen, hoewel de vooroorlogse omvang van vette-kalverslachtingen lang niet werd bereikt. De totaalslachtingen van deze rubriek geven voor 1935 TOTHL SLACHTIfGEf1 VAN VARI(Ef15. een top te zien, waarna tot en met 1939 een vrij constante 3.600 3.600 aanvoer valt op te merken. Met ingang van 1940 zakt het x 1.000 STUi(5 aantal slachtingen snel, slechts onderbroken door een aan-3.200 3.700 voer van 165.000 stuks 1942, als gevolg van de opgelegde z.Bo0 t-600 afbraak van onze Veestapel. Het dieptepunt van de slachtingen werd bereikt in 1948. Grote aantallen kalveren wer-%.400 den toen aangehouden voor de heropbouw van de stapel, 1.000 2.000 die door oorlog en droogte danig te lijden had. Sindsdien steeg het aantal slachtingen tot het in 1952 en 1953 gelijke 1.600 1.600 aantal van 115.000 stuks, hetgeen dus toch nog aanmerkelijk lager lag dan voor de oorlog. 1.200 1.'200 2. Nuchtere kalveren boo boo Een vrij constant aantal slachtingen valt in deze rubriek waar te nemen. Dalingen van belang zijn slechts in 1941 400 400 en 1943 voorgekomen. Toch staan ook deze dalingen niet 0in verhouding tot die, welke in de andere rundvee-rubrieken 34 35 36 37 36 39 40 41 42 4346 47 48 49 50 51 55 53 0 te zien zijn. Grafiek 3 155 VARKENSSLACHTINGEN (zie grafiek 3) Van de totale varkensslachtingen worden belangrijke aan450 tallen bestemd voor export en zogenaamde huisslachtingen. Al 400 Van de voor export bestemde varkens dienen allereerst de baconvarkens te worden genoemd, die voor de oorlog in 3! 350 aantallen tussen de 500.000 en 600.000 's jaars werden geslacht. Na de oorlog werd in 1947 weer opnieuw met de PJhihihihh 31 304 export van bacon op bescheiden schaal begonnen. HetihiiUhh hhhPiihi 250 aantal baconslachtingen bedroeg in dat jaar 18.000 stuks. Voor de daarna steeds toenemende export werden de hhhhhhllhh hhhihhh 21 200 volgende aantallen baconvarkens geslacht: hhhhhhllhh hhihhi 1' 150 1948 88.000 stuks 1951 609.000 stuks hhhhhhIi! hhihhhh 11 100 1949 203.000 „ 1952 695.000 1950 389.000 „ 1953 610.000 iihhhhh 50 hhhiiu= p Behalve voor de export van bacon werden voor de uitvoer van varkensvlees en vooral na de oorlog in steeds stijgende (irafiek 4 mate voor de uitvoer van vleeswaren en -conserven belangrijke aantallen varkens geslacht. De huisslachtingen bewogen zich voor de oorlog op een TOTPAL SLACHTInGEf1 On PAARDEfI. niveau rond 300.000 stuks, namen om begrijpelijke redenen 4c. 45 na 1940 belangrijk toe, doch daalden in de naoorlogse x 1.000 STUks jaren tot naar schatting hetzelfde peil als voor de oorlog. 40 40 Het totaal aantal varkensslachtingen ligt de laatste jaren 35 hoger dan voor de oorlog, als gevolg van de vraag naar35 -? een varken van lichter gewicht en dus met minder vet en 7 - - - 30 30 spek dan het vooroorlogse varken. Grotere aantallen zij n , / derhalve nodig om tot eenzelfde vleesproductie te komen. 25 25 Na de grote daling van de varkensslachtingen in de oor c -7 - - 20- - ,^p logsjaren werd na 1946 een sterk stijgende lijn zichtbaar, 4 - zodat in 1953 een in 20 jaar ongekend aantal slachtingen 15 15 van ruim 3.000.000 stuks werd bereikt. - 10 10 SCHAPENSLACHTINGEN (zie grafiek 4) 1W -5 In de jaren 1934 t/m 1940 werden tussen de 250.000 en 0 350.000 stuks schapen geslacht. In de oorlogstijd liepen C - de geregistreerde schapenslachtingen tot minder dan een derde van het vooroorlogse aantal terug. Na de oorlog v raneK ; evenwel steeg het aantal slachtingen door hoge export- Hoewel de grote aantallen van deze rubriek niet nalaten prijzen snel, zodat in 1950 ruim 290.000 stuks schapen indruk te maken is de vleesproductie ervan t.o.v. het totaal werden geslacht, waaronder veel drachtige ooien. van ondergeschikt belang. TABEL 2 GEMIDDELDE KOUDGESLACHT GEWICHTEN '34-18 1946 1947 1948 1949 1950 1951 1952 1953 kg vices met been Runderen. . . . . . . . . . . . 260 212 215 275 287 292 292 289 291 Graskalveren . Vette kalveren . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95 8 5 65 66 68 79 78 81 80 83 Nuchtere kalveren. . . . . . . . 25 22 22 22 23 24 24 24 25 Slagers- en 34/36 11.7 vleeswarenvarkens 37/38 112 50 71 86 100 102 100 97 93 Baconvarkens. . . . . . . . 67 — 69 75 74 72 73 73 67 Huisslachtingsvarkens . . . .... . . 175 102 102 102 128 140 140 140 140 Schapen . . . . . . . . . . . . 30 23 24 28 31 36 26 29 28 Paarden . . . . . . . . . . . . 330 297 312 336 331 327 329 336 300 Het gevolg hiervan liet zich in een terugval in 1951 direct gevoelen. In 1953 ten slotte werd op gezondere basis dan drie jaar daarvoor een slachting van 267.000 dieren waargenomen. PAARDENSLACHTINGEN (zie grafiek 5) Werden in de jaren 1934 t/m 1940 ongeveer 25.000 paarden per jaar geslacht, na de oorlog liep dit aantal door een stijgende vraag naar paardevlees op tot gemiddeld 35.000 per jaar, met inbegrip van de ingevoerde slachtpaarden. In de oorlog werden slechts rond 10.000 paarden per jaar geslacht, die dan ook werkelijk voor niets anders meer konden worden gebruikt. DE V L E E S PROD U C T I E (zie tabel 2 en grafiek 6) De voor de berekening van de vleesproductie benodigde gemiddelde koudgeslacht-gewichten zijn ontleend aan een publicatie in het tijdschrift ,Voeding" van 15 Februari 1951, voor wat betreft de jaren 1934 t/m 1938 en 1946 t/m 1949. In aansluiting aan deze publicatie werden in het ,,Maandschrift" van het C.B.S. over de jaren 1950 t/m 1953 publicaties gedaan, samengesteld door het B.V.V. in samenwerking met het C.B.S. Bovenstaand overzicht (pag 156 onderaan) geeft de gebruikte gemiddelde koudgeslacht-gewichten aan, waarbij onder ,,koudgeslacht-gewicht" wordt verstaan het gewicht van het geslachte dier inclusief been, nieren, niervet (excl. los vet), staart, middenrif, longhaas en zwezerik, waarbij weging plaatsvindt tussen 6 en 24 uur na het verrichten van de slachting. Hebben schommelingen in de aantallen slachtingen hun weerslag in de vleesproductie, schommelingen in het geslacht gewicht kunnen eveneens belangrijke invloed doen Belden. Opmerkelijk is de stijging van ongeveer 30 kg in het gewicht van de slachtrunderen, waardoor bijv. in 1950 bij een mindere slachting van 20.000 runderen ten opzichte van het gemiddelde aantal slachtingen in de jaren 1934 t/m 1938 een hogere vleesproductie van 18.000 ton werd behaald, terwijl de stijging met 12.000 runderen in 1947 bij een gewicht, dat 45 kg beneden het vooroorlogse peil lag, een mindere productie van 3.600 ton opleverde. Het gewicht van de gras- en vette kalveren is in 1953 nog niet op vooroorlogs niveau gekomen, terwijl de nuchtere kalveren practisch gelijk in gewicht zijn gebleven. Terwijl in 1946 het gewicht van de slagers- en vleeswarenvarkens meer dan gehalveerd was en zich daarna in stij gende lijn bewoog, is onder dwang van de vraag naar lichtere varkens het gewicht sinds 1950, na opheffing van de vleesdistributie, gezakt, waardoor t.o.v. de jaren 1934 t/m 1936 in 1953 een daling van ongeveer 25 kg viel waar te nemen. De baconvarkens, aanvankelijk op hoger gewicht dan voor de oorlog, zijn in 1953 op hetzelfde als het vooroorlogse gewicht gekomen. Ook de huisslachtingsvarkens delen in de algemene gewichtsvermindering door afnemende vraag naar spek. De gemiddelde gewichten van de schapen tonen in de jaren 1950 en 1951 betrekkelijk belangrijke verschuivingen, als gevolg van de in 1950 plaatsgevonden slachtingen van grotere aantallen fok-ooien, waardoor in 1951 bij belangrijk minder slachtingen, lichtere dieren voor de slacht beschikbaar kwamen. Het verschil van 10 kg spreekt hier een duidelijke taal. TABEL 2 PRODUCTIE VLEES VAN IN NEDERLAND VERRICHTE SLACHTINGEN Var-Scha-Paar Rund-Kalfs- Jaar kens-pe-de-Tot. vlees vlees vlees vlees vlees x 1.000.000 kg vlees met been 1934 t/m '38 105.6 34.1 237.2 9.2 7.9 394.0 1946 77.7 17.1 79.6 2.9 5.1 182.4 1947 101.9 18.4 92.1 2.5 7.9 222.8 1948 64.7 14.4 99.5 3.-10.-191.6 1949 72.1 15.7 167.2 6.8 12.3 274.1 1950 122.9 21.2 243.1 10.3 14.-411.5 1951 154.-24.4 273.2 4.6 12.1 468.3 1952 154.2 24.-256.8 4.9 10.8 450.7 1953 150.8 25.1 284.5 7.5 10.4 478.3 Het gewicht van de paarden, in 1953 met ongeveer 10% gedaald door grotere slachtingen van veulens en paarden van 1 en 2 jaar, had zich voordien sinds 1948 op practisch vooroorlogs peil kunnen handhaven. Aan de hand van de bovenvermelde gegevens werd tabel 2 samengesteld. Om een en ander zo overzichtelijk mogelijk te maken werd volstaan met voor de vooroorlogse jaren een gemiddelde te berekenen en dit gemiddelde ter vergelijking te plaatsen naast de gegevens van de jaren 1946 t/m 1953. De oorlogsjaren zijn buiten beschouwing gebleven, omdat de gegevens hierover niet volledig zijn. ii ii r ....... ....... ....... ....... ........:::::: HOO , I IIII . . - . Grafiek 6 TABEL 3 INVOER VAN VLEES, VLEESWAREN EN VLEESCONSERVEN Var-Scha-Paar Rund-Kalfs- Jaar kens-pe-de-Tot. vlees vlees vlees vlees vlees x 1.000.000 kg vlees met been 1934 t/m '38 9. - I - 1 0.8 0.9! - 10.7 1946 18.2 3.5 1.1 1.4 39.3 1) 1947 14.6 0.9 2.7 1.-19.2 1948 36.4 0.2 6.-0.9 43.5 1949 33.1 1.-34.1 1950 7.7 4.2 1.3 13.2 1951 9.5 2.5 2.-14. 1952 5.-1.4 3.6 10. 1953 10.-3.7 3.- 17.7 1) Inclusief 15.100.000 kg vlees in blik van gemengde samenstelling. TABEL 4 TOTAAL OVERZICHT UITVOER VAN VLEES, SPEK, BACON EN VLEESWAREN EN -CONSERVEN Vleesw. Jaar Vices Spek Bacon en Totaal vleescons. x 1.000.000 kg vlees met been 1934 t/m '38 6.9 7.5 26.8 10.1 51.3 1946 -.--1.1 1.1 1947 0.4 -1.-2.9 4.3 1948 4.3 -5.-14.2 23.5 1949 5.8 -11.-18.-34.8 1950 12.4 4.6 21.1 33.6 71.7 1951 13.8 8.2 35.1 56.7 113.8 1952 16.2 3.8 37.9 59.6 117.5 1953 18.4 6.1 31.6 53.7 109.8 TABEL 5 TOTAALOVERZICHT UITVOER PER VLEESSOORT Var-Scha-Paar-Tot. Rund-Kalfs- Jaar kens-I pe-de vlees vlees vlees vlees vlees x 1.000.000 kg vlees met been 1934 t/m '38 4.3 -45.2 1.8 -51.3 1946 0.4 -0.7 --1.1 1947 1.2 -2.7 0.4 -4.3 1948 6.6 1.6 14.7 0.6 ---23.5 1949 9.1 2.2 20.9 2.6 -34.8 1950 11.5 3.-53.-4.2 -71.7 1951 20.5 5.9 84.1 3.3 -113.8 1952 21.3 6.1 87.3 2.7 0.1 117.5 1953 16.4 3.6 85.2 4.6 -109.8 158 In de naoorlogse distributiejaren bleef de totale vleesproductie belangrijk beneden het vooroorlogse peil. In 1950 evenwel kwam de totale productie, door een flinke stijging van alle rubrieken, erboven uit. In 1952 liep, bij een t.o.v. 1951 gelijkblijvende rund- en kalfsvleesproductie, door kleinere aanvoer van slachtvarkens de totale productie met ongeveer 20.000 ton terug, welke achteruitgang in 1953 met een grotere productie van varkensvlees van 28.000 ton werd goedgemaakt. In 1953 was de productie van rundvlees in vergelijking met voor de oorlog met ongeveer 40 % toegenomen, de productie van kalfsvlees nam met ruim 25 % af, terwijl de varkensvleesproductie met + 20 % toenam. De productie van schapevlees en paardevlees tezamen gezien heeft geen grote wijziging ondergaan, hoewel in de onderverdeling een verschuiving van schapevlees naar paardevlees blij kt te hebben plaatsgevonden. DE INVOER (zie tabel 3) Omdat elders in ons Handboek de In- en Uitvoer van vlees, vleeswaren enz. uitvoerig van commentaar wordt voorzien, zullen wij ons hier slechts zeer globaal met deze zaken bezighouden. In de, in onze tabel vermelde vooroorlogse jaren, bleef de invoer van vlees practisch beperkt tot een kleinere hoeveelheid rundvlees uit Zuid-Amerika. In 1946 zien we grote invoeren door gebrek aan slachtvee van eigen bodem. Deze invoeren bestonden voornamelijk uit rundvlees en een grote verscheidenheid van blikvleesartikelen. 1947 leverde door de droogte een aanmerkelijk grotere hoeveelheid vlees uit eigen stapel, zodat de invoeren in dit jaar konden worden beperkt. In 1948 werd de naoorlogse top in de invoeren bereikt, waarna een toenemende daling merkbaar werd, die in 1952 de invoer tot het vooroorlogse peil terugbracht. De samenstelling evenwel gaf een verschuiving in de import van rundvlees naar paardevlees te zien. Ten slotte geeft 1953 opnieuw een stijging te zien, grotendeels ontstaan door een belangrijke invoer van vlees en afvallen voor de conservenindustrie. DE UITVOER (zie tabel 4 en 5) In tabel 4 werd een overzicht gegeven van de exporten, gespecificeerd naar artikelgroep. Was voor de oorlog de export van bacon de belangrijkste post, na de oorlog werd deze in toenemende mate overvleugeld door de grote uitvoer van vleeswaren en -conserven. Ook de exporten van vlees ontwikkelden zich in gunstige zin, zodat in 1953 een peil werd bereikt van ± 3 maal het vooroorlogse. De uitvoeren van spek hebben, behalve een incidenteel grotere export in 1948 niet de vooroorlogse hoogte bereikt, hetgeen grotendeels aan de verminderde vraag ook in het buitenland naar vet en spek moet worden geweten. Willen we uiteindelijk aan een consumptieberekening van vlees, gespecificeerd naar vleessoort, toekomen, dan zullen de in tabel 4 vermelde exporten per vleessoort moeten worden gesplitst. Tabel 5 geeft deze splitsing aan. Uit deze splitsing blijkt, dat in het algemeen gesproken het varkensvlees van het totaal met + 75 % het leeuwenaandeel neemt. Van de resterende 25 % wordt het grootste deel aan rundvlees geexporteerd. DE CONSUMPTIE (zie tabel 6 en grafiek 7) Bij de berekening van de consumptie wordt in grote lijnen uitgegaan van de volgende formule: productie + invoer - uitvoer = consumptie. Voor zover gegevens over voorraden bekend zijn, zijn deze in onze berekening betrokken. In de jaren 1946 t/m 1949 beschikte het B.V.V. uiteraard over deze gegevens, maar nadien zijn, behalve van de onder stimulans van het B.V.V., in 1951 aangelegde voorraden bevroren rundvlees, geen gegevens inzake voorraadvorming bekend. Vandaar, dat boven onze tabel niet zonder meer , Consumptie" staat TABEL 6 BESCHIKBAAR VOOR CONSUMPTIE IN NEDERLAND A. IN TOTAAL Rundvlees Kalfs- Var- Scha- Paar- Jaar vlees kens- pe- de- Tot. vlees vlees vlees x 1.000.000 kg vlees met been 1934 t/m '38 1 110.3 34.1 192.8 8.3 7.9 353.4 1946 95.5 17.1 82.4 4.- 6.5 220.61) 1947 109.5 18.4 89.8 4.8 8.9 231.4 1948 98.4 12.8 85.5 8.4 10.9 216.- 1949 93.2 13.5 146.3 4.2 13.3 270.5 1950 123.9 18.2 194.3 6.1 15.3 357.8 1951 138.9 18.5 191.6 1.3 14.1 364.4 1952 142.- 17.9 170.9 2.2 14.3 347.3 1953 144.4 22.5 192.4 2.9 13.4 375.6 1) Inclusief 15.100.000 kg vlees in blik van gemengde samenstelling. B. PER HOOFD VAN DE BEVOLKING x 1 kg vlees met been 1934 t/m '38 13.- 4.- 22.6 1.- 0.9 41.5 1946 10.1 1.8 8.8 0.4 0.7 23.42) 1947 11.4 1.9 9.3 0.5 0.9 24.- 1948 10.- 1.3 8.7 0.9 1.1 22.- 1949 9.3 1.3 14.6 0.4 1.3 26.9 1950 12.3 1.8 19.2 0.6 1.5 35.4 1951 13.5 1.8 18.7 0.1 1.4 35.5 1952 13.7 1.7 16.5 0.2 1.4 33.5 1953 13.8 2.1 18.3 0.3 1.3 35.8 2) Inclusief 1.6 kg vlees in blik van gemengde samenstelling. vermeld, maar ,Beschikbaar voor Consumptie", waarmede wordt aangegeven, dat de werkelijke consumptie van vlees kleine verschillen kan vertonen. Voor het jaar 1953 werd eveneens rekening gehouden met een hoeveelheid van 10.600 ton vetmet, onttrokken aan de vleessector ter verwerking in de margarine. Bezien we nu de cijfers van het eerste gedeelte van onze tabel, dan blijkt de totale consumptie in 1950, na opheffing van de vleesdistributie te zijn gestegen tot boven het vooroorlogse gemiddelde. In 1952 werd tengevolge van grotere export van varkensvlees bij geringere aanvoer van slachtvarkens een inzinking waargenomen, in 1953 evenwel gevolgd door een verhoging met + 30.000 ton, voornamelij k te danken aan het grote varkensaanbod bij teruggelopen export. Geeft dus het eerste gedeelte van onze tabel een alleszins bevredigende ontwikkeling te zien, bij het beschouwen van het tweede gedeelte wordt het gewekte enthousiasme aanmerkelijk getemperd. Dit tweede gedeelte immers geeft ons de consumptie aan per hoofd van de bevolking. Ware de bevolking van Nederland op vooroorlogs peil gebleven, er zou geen reden tot klagen zijn geweest, maar nu sinds de jaren 1934 t/m 1938 de bevolking met bijna 2.000.000 zielen is toegenomen, blijft de consumptie per hoofd in het gunstigste jaar 1953 toch nog altijd ongeveer 6 kg beneden het vooroorlogse peil. Verdiepen we ons thans in de onderverdeling in vleessoort, dan blijken opmerkenswaardige veranderingen in de consumptiegewoonten to hebben plaatsgevonden. De mindere consumptie van 5.7 kg per hoofd in 1953, kan als volgt worden uiteengerafeld : varkensvlees 4.3 kg minder kalfsvlees 1.9 kg minder schapevlees 0.7 kg minder Totaal 6.9 kg minder rundvlees 0.8 kg meer paardevlees 0.4 kg meer Totaal 5.7 kg minder. Er valt derhalve tot nu toe een duidelijke verschuiving van varkensvlees naar rundvlees waar te nemen, terwijl ook het goedkopere paardevlees winst boekt. Een opmerkelijke daling had bovendien het kalfsvlees te boeken. Slechts de helft van de vooroorlogse hoeveelheid wordt thans geconsumeerd. Welk gedeelte van de consumptie wordt nu via de toonbank van de slager verkocht? Deze vraag is moeilijk te beantwoorden, omdat diverse factoren, zoals afzet door groothandel rechtstreeks aan leger en grootverbruikers (ziekenhuizen, inrichtingen e.d.) en de verwerking van vlees door de vleeswarenindustrie niet, of in onvoldoende mate bekend zijn. TABEL 7 In tonnen vlees met been In % van het totaal Productie + Import . . . . . . . 496.000 100 Export . . . . . . . . . . . . . 109.800 22 blijft. . . . . . 386.200 Vetmet voor margarine-industrie . 10.600 2 blijft. . . . . .603750. Huisslachtingen . . . . . . . . . + 42.000 8 blijft. . . . . 333.600 Binn. afzet door vleesw. industrie + 40.000 8 Blijft voor afzet aan consumenten door slager en grossiers . . . . 293.600 60 159 COrISUMPTI^ VPM VL^^S Ifi M^D RLAMD in TOMME-N VLEE5 MR aEEn KG PER HOOFO 400 40 300 30 200 zo goo 10 LLUJ o 0 34/38 46 47 46 49 50 51 52 53 34/3B 454745495051 5Z 53 RUnDVLES KRLFSVLEE5 ^ VaRKE1SvtEE6 • SCHROE-t OARRDEVLEES p BLIKVLEES Grafiek 7 Vaststaat, dat de hoeveelheid vlees, afkomstig van huisslachtingen niet via de slagers wordt verkocht. Geraamd wordt, dat sinds enkele jaren ± 30.000 a 40.000 ton vlees per jaar door de vleeswarenindustrie voor afzet in het binnenland (waarvan gedeeltelijk aan slagers) wordt gebruikt. Van het bovenstaande uitgaande zou dus, bijvoorbeeld voor 1953 in grote lijnen de volgende berekening van de bestemming van vlees kunnen worden gemaakt (zie Label 7 op pag. 159). Een in het voordeel van de slagersstand sprekende factor is ten slotte, dat een ten opzichte van voor de oorlog niet onbelangrijk teruggelopen aantal slagerijen een grotere hoeveelheid vlees verwerkt. 1. Hausmacher of landleverworst. 2. Leverkaas. 3. Berliner lever- De beantwoording van de vraag, of deze grotere omzet in worst. 4. Saksische leverworst. 5. Brunswijker leverworst. 6. Smeer geliike mate grotere winst heeft betekend, valt buiten het leverworst. 7. Getruffeerde leverworst. 8. Leverpate. 9. Haagse leverworst (breed). 10. Haagse leverworst (smal) 11. Kalfsleverworst. kader van deze beschouwing. M. W. Z W A R T 12 . Gewone leverworst . 16o ingesteld, meende de regering, dat op deze weg moest worden voortgegaan, dat dus een Vleeskeuringswet wel tot stand moest komen, doch dat deze wet door de gemeenten moest worden uitgevoerd. Het kon niet zo blijven, dat de gemeenten zich de vrijheid konden veroorloven al of niet een vleeskeuringsdienst te hebben. De taak van de (Rijks)wetgever was dus te zorgen, dat alle gemeenten een keuringsdienst zouden hebben, waarbij ook naar uniformiteit van de keuring werd gestreefd. Maar uit het historisch gegroeide volgde een uitvoering van deze wet door de gemeenten, zoals dit ook met andere wetten het geval is geweest. Het oprichten van gemeentelijke openbare slachthuizen is echter nergens in de Vleeskeuringswet voorgeschreven. Dit houdt in, dat het al of niet oprichten van een abattoir dus aan de gemeenten werd overgelaten. Wel zegt de Memorie van Toelichting bij artikel 24 van de Vleeskeuringswet : ,Voor een goede werking van de Vleeskeuring zijn slachthuizen van onschatbaar nut." Artikel 24 sub a van de Vleeskeuringswet luidt: ,,Onder voorwaarden, bij algemene maatregel van bestuur te stellen, kunnen uit 's Rijks kas aan gemeenten, afzonderlijk of gezamenlijk: a. Rentedragende voorschotten worden verstrekt voor de oprichting van openbare slachthuizen." Dc wetgever heeft dus wel het nut van openbare slacht huizen erkend. Maar, . zal men zich afvragen, wanneer de Vleeskeuringswet openbare slachthuizen niet voorschrijft, hoe kan de gemeente zich dan de waarborg verschaffen, dat de slachtingen voor die gemeente ook inderdaad in het openbaar slachthuis, dat zij heeft gesticht, zullen plaats hebben. Een dergelijke vraag werd ook gedaan in de Eerste Kamer bij de behandeling van de Vleeskeuringswet. „Op de vraag, in het voorlopig verslag van de Eerste Kamer gedaan, of, indien er in een gemeente een openbaar slachthuis is, het houden van andere slachthuizen verboden is, antwoordde de regering: Indien er in een gemeente een openbaar slachthuis is, zal het houden van slachthuizen niet van rechtswege verboden zijn, maar zal de gemeente die andere inrichtingen kunnen weren met behulp van artikel 4, 3e lid, van de Hinderwet. Artikel 26 van het ontwerp (Vleeskeuringswet) opent daartoe de gelegenheid, indien van een slachthuis van een naburige gemeente gebruik kan worden gemaakt. Hierbij is de goedkeuring van Gedeputeerde Staten voorbehouden." Tot zover de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer. Artikel 4, 3e lid, van de Hinderwet (1875) luidde als volgt: Bij plaatselijke verordening kan de gemeenteraad: in het belang der openbare orde, veiligheid of gezondheid, verbieden een slachterij, vilderij, penserij, drogerij, rokerij of zouterij van dierlijke stoffen, of een inrichting, bestemd ter bewaring of verwerking van bloed of dierlijke afvallen op te richten, te hebben of te gebruiken, indien in de gemeente een inrichting aanwezig is, waarin belanghebbenden, onder eveneens by verordening vastgestelde voorwaarden het bedrijf kunnen uitoefenen, waartoe een inrichting wordt vereist als bij de verordening verboden. Plaatselijke verordeningen, in dit artikel bedoeld, gelden voor een bepaalde, daarin genoemde tijd, die 20 jaren niet mag te boven gaan. Zij kunnen, voordat de tijd is afgelopen, telkens worden vernieuwd. De hierboven bedoelde plaatselijke verordening wordt de Hinderverordening genoemd. De verordening, waarbij de voorwaarden, waaronder men het bedrijf kan uitoefenen, worden vastgesteld, is de Verordening op hetgebruik van het Openbaar Slachthuis. In artikel 26 van de Vleeskeuringswet was een vrijwel gelijkluidende bepaling als die in artikel 4, 3e lid, van de Hinderwet opgenomen, waardoor dus een gemeente deze verordeningen kon vaststellen, indien van een slachthuis van een naburige gemeente gebruik kan worden gemaakt. Sindsdien is de Hinderwet van 1875 op vele punten gewijzigd en o.a. is het bovengenoemde artikel 4, 3e lid, bij de Wet van 15 Mei 1952, S. 274 (Hinderwet) komen te vervallen, terwijl daarbij tevens wijziging van artikel 26 van de Vleeskeuringswet heeft plaatsgevonden. Het eerste lid van artikel 26 van de Vleeskeuringswet luidt thans: Een gemeenteraad kan bij verordening het oprichten, hebben of gebruiken van slachterijen, vilderijen, penserijen, drogerijen, rokerijen, zouterijen van dierlijke stoffen, vetsmelterijen en inrichtingen, bestemd tot bewaring of verwerking van bloed of dierlijke afval, verbieden, indien de ingezetenen van die gemeente het bedrijf kunnen uitoefenen in een slachthuis in de genzeente, dan wel krachtens een regeling in een slachthuis in een naburige gemeente. De bevoegdheden van de gemeenten zijn dus dezelfde gebleven. De Hinderverordening, die voorheen steunde op artikel 4, lid 3, van de Hinderwet en die slechts 20 jaren geldig was, zal nu berusten op artikel 26 der Vleeskeuringswet en onbepaald geldig zijn. De gemeente, die een openbaar slachthuis sticht of van een naburig slachthuis gebruik kan maken, kan dus door deze Hinderverordening het oprichten, hebben of gebruiken van slachterijen in die gemeente verbieden. Moeten nu, krachtens deze verordening, ook alle slachtingen in het openbaar slachthuis plaatsvinden? Het antwoord luidt ontkennend. De Hinderverordening spreekt van slachterijen. De bepalingen omtrent de slachtingen worden opgenomen in de Verordening op de Keuringsdienst van Vee en Vlees. De grondslag, waarop het bestaan van een abattoir berust, is dus de Hinderverordening, aangevuld met de Verordening op het gebruik van het Openbaar Slachthuis en eventueel desbetreffende bepalingen inzake de slachtingen in de Verordening op de Keuringsdienst. BOUWWIJZEN VAN OPENBARE SLACHTHUIZEN Wanneer men kennis heeft genomen van de geschiedenis van het tot stand komen van abattoirs, zal men kunnen be - grijpen, dat er parallel met de verschillende opvattingen, daarbij beschreven, in de loop der jaren een zekere ontwikkeling in de bouwwijze is waar te nemen. Bij een der oudste bouwwijzen, de Franse, dacht men alleen aan het bijeenbrengen van de slachterijen op een bepaalde plaats. De hinder, die de slachtplaatsen in de stad veroorzaakten, moest verdwijnen. Vandaar, dat men in deze primitieve vorm ziet aparte slachthallen, onderverdeeld in slachtafdelingen of -kamers, welke door de slagers, ieder voor zich, werden gebruikt. Dit gold vooral voor de slachthallen voor groot vee. Een aantal particuliere slachtplaatsen onder een dak, als het ware. Een voordeel hierbij was de mogelijkheid van uitbreiding. Daartegenover stonden ech ter nadelen, zoals verkeersmoeilijkheden tussen de verschil lende gebouwen, onoverzichtelijkheid en daardoor moeilijk controleerbaar voor de keuringsambtenaren. Bij deze bouwwijze zorgde men er opzettelijk voor, dat zo weinig mogelijk zonlicht kon binnentreden, waardoor de hallen koeler bleven, — er waren nog geen koelhuizen —, waardoor echter de hygiene niet bepaald gediend werd. Daarna heeft men gekregen de Duitse of gesloten bouw, allereerst de z.g. blokvorm. De slachthallen werden daarbij in een gesloten blok onder een dak gebouwd. De aparte slachtafdelingen of -kamers verdwenen. Doordat deze bouwwijze nogal moeilijkheden gaf, vooral wat betreft de lichtvoorziening, de ventilatie en de uitbrei dingsmogelijkheden, kwam daarna het z.g. Hofsysteem, waarbij de gebouwen aaneengesloten om een binnenplaats (Hof) werden gebouwd. Hoewel hierbij verlichting, ventilatie, transport (hangbanen), overzichtelijkheid en controle wel beter tot hun recht kwamen, waren er ook hier nog vaak moeilijkheden bij eventuele uitbreiding, waarbij dan vooral de binnenplaats in het gedrang kwam. . Uit deze eerste vormen kwam ten slotte een bouwwijze naar voren, die jarenlang gebruikelijk zou worden, ook in ons land. Daarbij waren te onderscheiden een z.g. hoofdgebouw en bijgebouwen. Het hoofdgebouw werd op het midden van het terrein geplaatst. Doordat het rondom vrij lag, kon deze gesloten bouw zonodig naar verschillende zij den worden uitgebreid. Het hoofdgebouw bestond uit slachthallen, darmwasserij en verkeersgang. Toen koelhuizen hun intrede deden, werd deze verkeersgang hangruimte, waardoor het gebouw in 2 delen werd gescheiden. Aan de ene zij de van deze hangruimte kwamen de slachthallen en darmwasserij te liggen, aan de andere zij de de koelruimte, machinekamer en ketelhuis. Eventueel werd hieraan nog een verkoopruimte of -hal voor de grossiers toegevoegd. Transport-hangbanen zorgden voor het vervoer van de geslachte dieren van slachthal naar koelhuis. In de bijgebouwen werden noodslachtplaats, stallen, huidenopslag, localiteiten voor de keuringsdienst (kantoor, laboratorium, keurlokaal voor ingevoerd vlees, vrijbank, enz.) ondergebracht, terwijl ook de z.g. nevenbedrijven veelal een plaats op hetzelfde terrein moesten hebben. Deze bouwwijze is dus feitelijk een combinatie van gesloten (hoofdgebouw) en open (nevengebouwen) bouw. Er werd gestreefd naar eenrichtingsverkeer op het terrein, zodat de aanvoer van het levend vee, het slachtbedrijf en de afvoer van het vlees elkaar niet kruisten, doch een richting volgen. In het historisch overzicht van de totstandkoming van abattoirs deden wij al uitkomen, dat openbare slachthuizen geworden zijn van inrichtingen om hinderlijke bedrijven in onder te brengen, tot inrichtingen ten dienste van de volksgezondheid, instrumenten van de keuringsdiensten.Deze gedachtengang vindt men terug in de bouwwijzen, van het Franse slachtkamersysteem tot onze moderne abattoirs. Door de Hinderverordening en de desbetreffende bepalingen in de Verordening op de keuringsdienst is het dus mogelijk, dat men in een gemeente of enige gemeenten verplicht is te slachten in het openbaar slachthuis. Door een Veror dening op de Hefting en Invordering van keurlonen, slachtrechten, enz. zijn zij, die gedwongen zijn van het openbaar slachthuis gebruik te maken, gehouden verschillende rechten voor de door de gemeente verleende diensten te voldoen. Het spreekt dus vanzelf, dat de gemeente heeft zorg te dragen, dat het openbaar slachthuis een inrichting is, waar de gebruikers hun werkzaamheden naar behoren kunnen verrichten en waar de keuringsdienst zijn taak kan vervullen. Een abattoir biedt verschillende voordelen, zowel voor een goede uitvoering van de keuringsdienst, als voor de gebruikers. De voornaamste worden hier genoemd: 1. De centralisatie van de slachtingen en keuringen is van groot hygienisch belang. De keuringsdienst kan zijn taak beter uitvoeren. De keuringsambtenaar heeft direct toezicht bij de slachtingen, hetgeen voor de beoordeling van het slachtdier van betekenis kan zijn. De keuringsdienst beschikt over een goed ingericht laboratorium, waar onderzoekingen direct kunnen worden ingesteld. Al hetgeen wordt afgekeurd, wordt op een plaats verzameld en kan vandaar naar een destructiebedrijf worden vervoerd, om tot nuttige producten te worden verwerkt. 2. De stad ondervindt geen hinder meer van de particuliere slachtplaatsjes. 3. De verzameling van huiden, slachtafvallen, organen voor bereiding van medische orgaanpreparaten, de bewerking van magen en darmen, enz. komen in een openbaar slachthuis beter tot hun recht. Dit geeft economische voordelen. 4. De openbare slachthuizen hebben verschillende beroepen doen ontstaan : grossiers, vleesrij ders, loonslachters, bewerkers van slachtproducten. De slagers zijn ontheven van het slachten aan huffs ; ze hebben hun slachtplaatsen kunnen inrichten tot worstmakerijen; zij kunnen bij de grossiers in- of bijkopen, wat zij speciaal voor hun bedrijf behoeven. De voornaamste reden, waarom vroeger vele slagers bezwaar hadden tegen een openbaar slachthuis, was het prij s moeten geven van een gedeelte van hun vrijheid. Ook andere bezwaren werden wel aangevoerd, zoals bijv. het vervoer van het vlees naar de slagerijen. De slagers zijn in de loop der jaren het openbaar slachthuis gaan waarderen, hebben de verschillende voordelen, die het openbaar slachthuis ook voor hen meebrengt, leren zien. De bezwaren zijn op de achtergrond geraakt; het koelen van het vlees aan het abattoir, het snelle vervoer per auto e.d. hebben hiertoe medegewerkt. AAN WELKE- EISEN HEEFT EEN OPENBAAR SLACHT HUIS NU TE VOLDOEN? In de eerste plaats vraagt bij de beantwoording hiervan de grootte de aandacht. In particuliere slachterijen zijn de dieren van een eigenaar. Deze werkt met eigen slachtpersoneel. Hij kan, door met meer ploegen te werken, de werkzaamheden langer voortzetten. Particuliere slachterijen kunnen daarom anders, kleiner, ingericht zijn dan openbare slachthuizen. In de laatste zijn de dieren eigendom van slagers, grossiers. De dieren worden geslacht door de slager en zijn personeel of door loonslachters. Men heeft hierbij rekening te houden met de uren, waarop het openbaar slachthuis is opengesteld. Men dient dus het bedrijf van het openbaar slachthuis aan te passen aan plaatselUke behoeften, het aantal slachtingen per dag (topdagen), de verdeling van het aantal der slachtingen over slagers en loonslachters, eventueel seizoenslachtingen (badplaatsen), tijden van aanvoer van het vee en daarmede gepaard gaande vol doende gelegenheid tot stallen. genaamde Ontwerp-verordening wordt onder meer gezegd dat, om tot een goede uitvoering van de Wet te komen, er drie wegen zijn, namelijk : de gemeente zorgt voor een openbaar slachthuis, waarbuiten geen gewone slachtingen geoorloofd zijn, danwel het gebruik van centrale slachtplaatsen is niet gebiedend voorgeschreven, met als derde mogelijkheid de gemeente doet niets en ,alle slachtingen geschieden dan in particuliere slachterijen en voor zover het geldt de huisslachtingen op de erven der eigenaren". Terloops wordt er in dit schrijven op gewezen, „dat wanneer de gemeenten niet overgaan tot het oprichten van centrale slachtplaatsen, zij in het belang der hygiene moeilijk zullen ontkomen aan de bouw van een kleine slachtplaats voor gestorven en in nood gedode dieren". Een weinig verder wordt gesproken over de mogelijkheid van een gemeenschappelijk gebruik van een gebouwtje ,,voor gestorven en in nood gedode dieren", doch over het woord noodslachtplaats wordt ook hier niet gerept. De weinig positieve houding ten aanzien van de totstandkoming van bovenbedoelde gebouwtjes — misschien een gevolg van de toentertijd bestaande moeilijkheden de uitvoering van de Vleeskeuringswet op gang te brengen — is oorzaak, dat thans, na meer dan 30 jaar wettelijk geregelde vleeskeuring in ons land, het probleem der noodslachtplaatsen nog niet is opgelost. Laat men de openbare slachthuizen, waar voor het afslachten van gestorven en in nood gedode slachtdieren een afzonderlijke ruimte aanwezig is, buiten bespreking, dan blijkt, dat vele gemeenten de vingerwijzing, gegeven in de brief van de Minister van Arbeid, niet ter harte hebben genomen, want op 1 September 1953 telde men op een totaal van 616 hiervan 169 gemeentelijke noodslachtplaatsen en nog 447, welke het eigendom zijn van particulieren. Worden de gemeentelijke noodslachtplaatsen uitsluitend aangewend voor het verrichten van ,noodslachtingen", hetzelfde kan helaas niet gezegd worden van de als zodanig aangewezen inrichtingen in handen van particulieren. Voornamelijk in Noord-Brabant en Limburg zijn het de slachtplaatsen van slagers, welke tevens als noodslachtplaats worden gebruikt. Deze toestand moet als zeer onbevredigend worden aangemerkt. Immers, gestorven en in nood gedode slachtdieren kunnen op elk tij dstip van de dag ter verdere afslachting worden aangevoerd en in de gewoonlijk betrekkelijk kleine particuliere slachtplaats kan op dat moment een normale slachting worden verricht, danwel kan zich in deze ruimte goedgekeurd vlees bevinden, waarvoor in de winkel nog geen plaats is. Dat besmetting van het aanwezige vlees door het afslachten van gestorven en in nood gedode slachtdieren in deze particuliere slachtplaatsen niet denkbeeldig is, is vooral in de laatste jaren, nu miltvuur enigszins frequenter voorkomt dan voorheen, verschillende malen bewezen. Doch niet alleen bezien uit een oogpunt van infectie is de combinatie van het verrichten van normale en ,noodslachtingen" in een en dezelfde ruimte te veroordelen, ook aesthetisch gedacht is het ontoelaatbaar te achten. Het ware toe te juichen, indien elke slager ten aanzien van het aanwijzen van zijn slachtplaats als inrichting, waar tevens gestorven en in nood gedode slachtdieren kunnen worden afgeslacht, een afwerend gebaar zou maken. Het aantal particuliere noodslachtplaatsen zou alsdan niet onbelangrijk dalen en dat der overheidsinrichtingen op dit gebied zou — zij het in mindere mate — een stijging ondergaan. Want niet alleen dient de noodslachtplaats eigendom van de gemeente te zijn, dus een openbare noodslachtplaats als tegenhanger van het openbare slachthuis in keuringsdiensten, waar laatstbedoelde inrichting ontbreekt, doch daarnaast is het ten zeerste gewenst, dat het totale aantal der noodslachtplaatsen vermindert. Deze geponeerde stelling, welke op het eerste gezicht enigszins eigenaardig klinkt, verdient daarom nadere toelichting. Noodslachtplaatsen, als zijnde inrichtingen waarheen gestorven en wegens ziekte in nood gedode slachtdieren ter verdere afslachting worden gebracht, eisen de speciale aandacht van de keuringsdiensten en vergen derhalve een regelmatig toezicht. Dit laatste kan des te beter worden uitgevoerd naarmate het aantal in een keuringsdienst Beringer is. Er dient naar gestreefd te worden, dat in elke keuringsdienst een — en al naar gelang van de geaardheid van de dienst — zonodig een enkele noodslachtplaats meer ter beschikking staat. De overweging, welke voorheen ongetwijfeld gegolden heeft, om met het oog op te langdurig vervoer een net van noodslachtplaatsen in een keuringsdienst te leggen, kan thans met het algemeen doorgevoerde gemotoriseerde transport geen rol meer spelen. Trouwens het meermalen bewezen feit dat, in strij d met het bepaalde in de Vleeskeuringswet, gestorven en in nood gedode slachtdieren van de ene keuringsdienst naar de andere worden vervoerd, soms zelfs over vrij grote afstanden, om eerst daarna tot afslachten over te gaan, terwijl voorwaardelijke goedkeuring van het vlees ook dan nog in vele gevallen mogelijk is, pleit evenzeer in hoge mate tegen de noodzakelijkheid van een uitgebreid net van noodslachtplaatsen in een keuringsdienst. Helaas zijn nog niet alle gemeentebesturen van het bovenstaande overtuigd, hetgeen tot gevolg heeft, dat voor de bereiking van het beoogde doel niet altijd de nodige medewerking verleend wordt. Ter illustratie moge dienen, dat voor kort in een keuringsdienst, gevormd door zeven gemeenten, met een totale oppervlakte van 8.835 ha, zich niet minder dan 25 particuliere noodslachtplaatsen bevonden en dat het grote moeite heeft gekost dit aantal tot 9 terug te brengen. Verheugend is het echter ook te kunnen vermelden, dat in een keuringsdienst, eveneens bestaande uit zeven gemeenten, doch met een oppervlakte van 27.269 ha, slechts een noodslachtplaats, gevestigd aan het openbaar slachthuis in deze kring, aanwezig is, en dat deze omstandigheid, welke reeds vele jaren bestaat, nog nimmer aanleiding tot klachten heeft gegeven, welke tot het brengen van wijziging in deze toestand noopten. De bewering, dat bij een streven naar minder noodslachtplaatsen de belangen van de veehouders zouden worden geschaad, is door het bovenstaande wel duidelijk weerlegd. Zij is thans door de grote verbetering in het vervoer niet meer steekhoudend. In het belang van devolksgezondheid, zal ook in dezen op de ingeslagen weg moeten worden voortgeschreden. Dr J. M. VAN VLOTEN HOOFDSTUK 8 RITUEEL SLACHTEN INLEIDING Wanneer in dit artikel gesproken wordt van ritueel slachten, dan wordt daaronder verstaan het slachten volgens de Joodse Wet. De wetten omtrent dit slachten behoren tot het grote geheel van de Joodse levensleer, bet stelsel van voorschriften en bepalingen, dat alle verschijningsvormen van het leven van de Jood regelt. Hieronder ressorteert this ook het hoofdstuk der spijswetten. Het Jodendom is een Openbaringsreligie en beschouwt derhalve de plichten, die zijn belijders worden opgelegd, als stammende van een Hogere Bron. Al deze voorschriften, die krachtens hun herkomst bindend voor hen zijn, zijn neergelegd in de Schrift (de Pentateuch of de 5 boeken Mozes) en derzelver uitleg, de Mondelinge Overlevering. Hoewel het de Joden in beginsel toegestaan is vlees en ander dierlijk voedsel te nuttigen (Genesis 9, 3) zijn er een aantal ingrijpende beperkingen. Deze alle dienen er toe het leven naar Goddellijk imperatief te heiligen, dat is op een hoger plan te brengen. ,Heiligt U, want Ik ben heilig; verontreinigt U niet door ... " (Leviticus 11, 44). Deze remmende bepalingen raken in hoofdzaak de volgende gebieden: 1. De keuze der diersoorten : Van de zoogdieren het rund, het schaap, de geit, het hert en de ree; en van de vogels slechts die welke bij traditie zijn toegestaan t.w. kippen, eenden, ganzen, duiven, kalkoenen en fazanten. 2. De wijze van doden (zie verder). 3. Enige delen van het geoorloofde dier, op geoorloofde wijze geslacht (en na keuring goed bevonden) zijn verboden, en wel het bloed, bepaalde vetdelen en de zg. verwrongen spier (de spanader bij het heupgewricht) bij de zoogdieren. Dit laatste verbod vindt zijn grond in Genesis 32, 33. Het verbod van het nuttigen van bloed is uiterst streng. Vele malen wordt dit in de Pentateuch herhaald. Er zijn weinig dingen, die als zo afschuwelijk en zo verruwend worden aangevoeld als het gebruik van het bloed. En het ligt daarom voor de hand, dat er allerlei maatregelen zijn voorgeschreven, die tot doel hebben het nuttigen van bloed uit te sluiten. Daar is in de eerste plaats de handeling van het slachten. Hierdoor stroomt het grootste deel van het bloed uit het dierlijke lichaam weg. Wat nog achterblijft, bevindt zich deels in de aderen, waarin bet nu gestold is, deels verspreid in de spierweefsels. De aderen moeten geheel verwijderd worden. Dat vereist een bijzondere kennis van de anatomische bouw van het dier : men moet immers de aderen weten te vinden. Maar bovenal dient de- gene, aan wie dit opgedragen wordt, een grote routine te hebben om te voorkomen, dat het vlees zo versneden en beschadigd wordt, dat bet niet meer verkoopbaar is. Het is te begrijpen, dat van Rabbinaatszijde het verlof om als ,,poor ser" op te treden (de verwij dering der aderen wordt ,,poorsen" genoemd) slechts verleend wordt indien de candidaat het daartoe vereiste examen met goed gevolg heeft afgelegd. Om ook de weefsels bloedvrij te maken wordt het vlees - wat men noemt - „koscher" gemaakt. Dit gebeurt op de volgende wijze. Eerst wordt het vlees een half uur in koud water gelegd. Daardoor wordt het bloed, dat zich er op mocht bevinden, weggespoeld en het vlees zelf zacht gemaakt, opdat het zouten, hetgeen daarna volgt, beter zijn werking kan uitoefenen. Het vlees wordt dan aan alle zij den met zout bestrooid, zo neergelegd, dat het bloed er vrij uit kan wegvloeien en blijft aldus een uur liggen. Ten slotte wordt bet afgespoeld en is bet voor direct gebruik toegestaan. Dit „koscher" maken geldt voor alle geoorloofde delen van het dier met uitzondering van de lever. Dit orgaan bevat zoveel bloed, dat bet „koscher" maken hierbij geen effect heeft. De lever mag slechts boven een vlam geroosterd worden. De verboden vetdelen en vetvliezen bij runderen, schapen en geiten moeten de vakman bekend zijn. Het ontvetten en ontvliezen geschiedt eveneens door de ,poorser" of onder diens toezicht. T.a.v. de ,verwrongen spier" zij het volgende meegedeeld. Daar deze ader, die door de achterbout der dieren loopt, nogal wijd vertakt en moeilijk in zijn geheel te voorschijn te brengen is, worden in de meeste landen de achtervoeten niet gebruikt. De bouten worden gewoonlijk ,afgestoken" tussen de 12de en l3de rib. 4. Ook nadat bet vlees aldus behandeld is, mag bet onder geen beding met melkspijzen of met van melk afkomstige producten worden gekookt of gegeten. Doch de bespreking hiervan valt buiten bet kader van dit artikel. HET EIGENLIJKE RITUELE SLACHTEN Reeds lang voor de Openbaring op de Sinai werd de mensheid, terzelfder tijd dat haar bet gebruik van vlees werd toegestaan, volgens bet Bijbelwoord ,vlees met levensbloed erin moogt gij niet eten" (Genesis 9, 4) bet vlees van een le- vend dier verboden. Dus eerst bet dier doden en dan pas is het voor voeding geschikt. Blijkbaar was bet nodig dit vast te leggen. Later werden van Hogerhand aan bet yolk Israel nadere aanwijzingen betreffende bet doden van bet dier gegeven. Want nu mocht men bet dier niet op iedere willekeurige wijze bet leven benemen. Israel vindt deze aanwijzing terug in bet Schriftwoord „en gij zult slachten .. zoals Ik U bevolen heb" (Deuteronomium 12, 21) Deze wijze van slachten bestaat sindsdien nog steeds en wordt gewoonlijk ritueel slachten genoemd. Deze slachtwijze komt hierop neer, dat door een daartoe bevoegd bevonden persoon met een mes, dat aan de bijzonder daaraan gestelde eisen voldoet, bet dier wordt gedood door bet toebrengen van de halssnede. De man, die de snede toebrengt („schochet” in bet He DEEL III NEVENPRODUCTEN EN SLACHTAFVALLEN HOOFDSTUK I BEWERKING VAN HUIDEN EN VELLEN INLEIDING Ongetwijfeld behoren huiden en wol - in de ruimste zin van het woord - tot de belangrijkste grondstoffen voor de mensheid. Altijd is het weer de moeite waard om het verkrijgen, het verzamelen en het bewerken van huiden te beschrijven. Uiteraard betreft het hier de productie van Nederlandse runder- en paardenhuiden, kalfs- en schapenvellen. Dit is zo eenvoudig gezegd, echter maar weinigen hebben zich het hoofd gebroken over het werk, dat aan het sorteren, conserveren en verhandelen van deze producten verbonden is en over de wijze waarop dit geschiedt. Toch zijn het grondstoffen, waarvan de meest waardevolle producten gemaakt worden. Zijn deze grondstoffen echter niet van een goede kwaliteit, dan kan evenmin het eindproduct aan huge eisen voldoen. Er moet dan ook een samenbinding zijn van belangen, die er voor ijveren om aan deze grondstoffen de hoogstmogelijke aandacht te besteden. Om tot een redelijke vraag naar Nederlandse runderhuiden te geraken, moest heel wat werk worden verzet. Het grondbeginsel, dat hierbij werd gehuldigd, luidde : „Het is de moeite waard, verbeter de bewerking van het ruwe materiaal waar het te verbeteren is!" Stellig zijn aard en kwaliteit uitstekend, waarmede de geschiktheid bewezen is. Het is echter primair een natuurproduct met de hieruit voortspruitende factoren, die wij nader zullen beschouwen. Wij spreken van ,natuurproduct", het corrigeren van de typische kenmerken van de Nederlandse huid ligt dus niet in 's mensen handen. De bodem van ons landje is laag en over het algemeen komen van de dieren der laaggelegen landen door deze bodemgesteldheid vlakke (dunne) huiden. Hieraan is weinig of niets te veranderen. De kwaliteit heeft toch weer op haar beurt met de aard te maken, want als de vlakke huiden wel gevraagd zijn, moet de natuur in een ander opzicht weer de helpende hand geboden hebben. Inderdaad is dit het geval, omdat de Nederlandse runderhuid een fijne nerf heeft, die zich deels voor overleder, deels voor tuigleder maar ook en vooral voor meubelleer en lederwaren leent. Voor zoolleer is de huid meestal te dun. Het komt er nu op aan, hoe de bewerking van de huiden uitvalt. Onder de bewerking dient men allereerst het afdoen en daarna het zouten (conserveren) te verstaan. Hierin kunnen tal van fouten schuilen, die voor een deel wel, voor een ander deel niet te voorkomen zijn. Laten wij eerst eens nagaan de schaden, die wel te voorkomen zijn. Tot de eerste orde behoort het vakkundig slachten, in de grijze oudheid het villen van de huiden genaamd. Als hoofdzaak gold toen, dat de huid van het rund eraf ging. Het ging uitsluitend om het vlees! De huid was bijzaak, omdat het (in de verkeerde zin van het woord) een ,afval"product heette. Het was moeilijk en het leek aanvankelijk monnikenwerk om deze verkeerde theorie te doorbreken. De grootste bijdrage ter verkrijging van een betere overtuiging leverde echter de practijk, door de hogere waarde. Meer verdienen door beter afdoen, heeft thans algemeen ingang gevonden, hoewel ... het mechanisch afdoen zowel de moderne tijd als de toekomst inluidt. Een ander nadeel voor de Nederlandse huid is de nerfschade, ontstaan door schrammen van prikkeldraad. Een verouderde methode van afrasteren van de weide. Waarom staat de landbouwer vaak nog te conservatief t.o.v. het aanbrengen van het - door de regering gesubsidieerd schrikdraad? Deze laatste methode voorkomt toch allerlei verwondingen en infectie van het vee? Willen wij alien in deze dynamische tijd ,mee"komen, dan zullen wij met de sleur moeten breken. Het derde nadeel ondervindt de kwaliteit van het leer door de runderhorzel. Ook bij de bestrijding van deze veeplaag zal de boer zijn tijd moeten begrijpen. Hogere melkopbrengst, betere groei (meer vlees), minder veeziekten, zijn factoren, die de welvaart bevorderen. Ongetwijfeld zijn de opgesomde factoren belangrijk genoeg om ze tot uitvoering - in ons nationaal voordeel - te brengen, teneinde de vraag naar Nederlandse runderhuiden in het buitenland te bevorderen. Wij zullen hieraan alle aandacht dienen te besteden om de concurrentie van andere landen te kunnen bijhouden. Met de paardenhuiden gaat het crescendo, de nuchtere-kalfsvellen trekken eveneens de belangstelling, maar het afhuiden van de vette- en graskalveren laat nog veel te wensen over. In andere landen, ook bij onze naburen, is dit beslist veel beter. Het verdient dan ook aanbeveling met de hierna volgende wenken en raadgevingen rekening te houden. TOESTAND VAN HET VEE Dat reeds voor het slachten factoren aanwezig zijn, die invloed op de mesbeschadiging van huid of vel uitoefenen zal niet elkeen bekend zijn. Toch is dit wel degelijk het geval. De dieren dienen n1. voor het slachten goed uitgerust te zijn. Ook moet men ze naar genoegen laten drinken. Het afhuiden van vermoeide en dorstige dieren is veel zwaarder, omdat ze door deze oorzaken veel vaster in de huid trekken. De huiden zijn dan moeilijker of te doen en daardoor worden beschadigingen in de hand gewerkt. GEREEDSCHAP Goed gereedschap is het halve werk! Dit geldt ook bij het afhuiden. Het is niet alleen een secuur werk, maar het moet met vaardige en vaste hand geschieden. Men dient zijn materiaal met zorg te kiezen en aan de scherpte van het mes alle aandacht te besteden. Er mag vooral Been braam (bij het slijpen ontstaan) op het mes aanwezig zijn en het vervolgens door een zogenaamde trommel, dat is door ronddraaien en schuren van de deeltjes tegen elkaar, ontdaan van de aanhangende droge vleesdeeltjes en velletjes en stof en vervolgens ontlijmd door behandeling met stoom en heet water, waarbij de lijm oplost. De lijmoplossingen worden gebleekt en ingedampt en vervolgens nog warm vergoten in gekoelde en van glazen bodem voorziene platte bakken, waarin de lijm opstijft, vervolgens in stukken wordt gesneden en op droogrekken met verwarmde lucht gedroogd om daarna in zakken of kisten te worden verpakt. Deze stukken worden ook wet gemalen tot poederlijm. Deze verwerkingswijze is echter wat ouderwets geworden, sinds men er in geslaagd is door een meer gemechaniseerde droogmethode de ,parellijm" te vervaardigen. Dit is een korrelvormig poreus product, dat gemakkelijker oplosbaar en zuiverder is dan platenlijm en daardoor snel populair is geworden. ONTLIJMD BEENDERMEEL. Nadat door het hete water practisch alle lijm uit het beenderschroot is verwijderd, blijft het ontlijmde schroot over, dat wordt gedroogd en in een kogelmolen wordt gemalen tot beendermeel. Dit ontlijmd beendermeel is weer grondstof bij de fabricage van veevoeder en dergelijke. Op deze wijze wordt het oorspronkelijke been geheel verwerkt tot verkoopbare producten. BEENDERLIJM Dit is een onontbeerlijke grondstof voor velerlei bedrijven. Als voornaamste verbruikende industrieen noemen wij: 1. de papierindustrie: a. cartonnagefabrieken — boekbinderijen; b. plakbandfabrieken — een in de laatste jaren zeer naar voren gekomen industrie, die op dit ogenblik aan een sterk toegenomen vraag moet voldoen; C. schuurpapierfabrieken — voor het lijmen van het schuurmiddel op de onderlaag; d. papierfabrieken — voor het fabriceren van kunstdrukpapieren; 2. de textielindustrie: a. weverijen (katoen en wol); b. katoendrukkerijen; C. tapijtfabrieken; 3. houtbewerkingsindustrieen: a. meubelfabrieken; b. lijstenfabrieken; C. fabrieken van orgels en piano's; d. parketvloerenfabrieken. GELATINEFABRICAGE De gelatinefabriek maakt behalve beenderlijm ook een zeer edel product, de gelatine. Beenderschroot wordt daartoe allereerst met verdund zoutzuur behandeld om er het phosphaat uit op te lossen. De gelatinefabricage begint dus met de verwijdering van het phosphaat, terwijl de lijmfabricage begint met de verwijdering van lijmstof. PHOSPHORZURE VOEDERKALK. Dit is het product, dat verkregen wordt door het met phosphaat verzadigde zoutzuur te behandelen met kalkmelk. Deze phosphorzure voederkalk is weer een onmisbare grondstof bij de fabricage van veevoederkernen en dergelijke. In gezuiverde vorm wordt phosphorzure voederkalk gebruikt voor pharmaceutische doeleinden. Het van phosphaat bevrijde been, osseine genaamd, wordt dan gewassen met water en gedurende lange tijd in kalkmelk (d.i. brij van gebluste kalk) gezet. Na de kalking wordt de osselne met water gewassen, gebleekt en met chemicalien gereinigd. Na deze bewerkingen is de osseine, die nog steeds de vorm van het oorspronkelijke stukje been vertoont, elastisch en veel lichter van kleur geworden; zij is dan smeltgaar. Deze osseine wordt enige malen met warm gedestilleerd water behandeld waarbij zij geleidelijk geheel als gelatine in oplossing gaat. De achtereenvolgens verkregen gelatineoplossingen worden alle afzonderlijk gehouden, want tussen de verschillende oplossingen bestaat kwaliteitsverschil. De eerste zijn de beste, de latere van minder kwaliteit. Zij worden gefiltreerd, zo nodig ingedampt, vergoten zoals bij de lijm en op de netten gedroogd. Bij de gelatine-fabricage heeft, althans in een modern ingerichte fabriek, het vergieten in hoofdzaak plaats op een band zonder eind, hetgeen minder handenarbeid vereist, dus ook hygienischer is, maar bovenal het opstijven vlugger doet verlopen. Dit is bij dit gevoelige dierlijke eiwit, dat bij onoordeelkundige behandeling gemakkelijk aan bederf onderhevig is, van groot belang. Gelatine wordt in hoofdzaak in gemalen vorm afgeleverd. Dit heeft het voordeel dat de verschillende porties onderling kunnen worden gemengd tot een aantal standaardkwaliteiten. Door een intensieve controle in het laboratorium wordt vooraf van elke portie de kwaliteit vastgesteld. Aldus heeft een afnemer, die gewend is een bepaalde soort te betrekken, de zekerheid ook steeds dezelfde kwaliteit te ontvangen. Gelatine wordt gebruikt voor voedings- en voor technische doeleinden. VOOR VOEDINGSDOELEINDEN: 1. De grootste verbruikers in de voedingsindustrie zijn de suikerwerkfabrieken (voor z.g. schuimwerk, pepermunt, gomballen, winegums, glaceren van biscuits enz.). 2. Puddingpoederfabrieken. 3. Room- en consumptie-ijsfabrieken. 4. Vlees- en visconservenfabrieken. 5. Voor huishoudelijk gebruik en voor het gebruik in hotels en restaurants. 6. Voor bakkerij-grondstoffen. 7. Banketbakkerij. 8. Het klaren van wijn. 9. Voor eetbare medische capsules. 10. Een zeer kleine hoeveelheid voor medische en bacteriologische doeleinden. VOOR TECHNISCHE DOELEINDEN: 1. Maken van drukrollen. 2. Maken van fotografisch papier en gramofoonplaten. 3. In de aardewerkfabricage als emulgeermiddel en drager van de pate (glazuur). 4. Voor het gommeren van postzegels. 5. Voor flessencapsules. 6. In de textielindustrie voor het appreteren van bastband en sommige stoffen. 7. In de hoedenindustrie voor appreteringsdoeleinden. 8. Voor diverse andere doeleinden. C. M. HAGE HOOFDSTUK 5 VERWERKING VAN BLOED Uit de slachtcijfers kan worden afgeleid, dat per jaar in Nederland 15-20 millioen liter bloed ter beschikking komt. Een gedeelte van dit bloed, wisselend met het jaargetijde, in de winter meer en in de zomer minder, en liggend beneden de 25 %, wordt als zodanig bij de worstbereiding gebruikt. Op Welke wijze dit geschiedt en andere gegevens hieromtrent vindt u elders in dit boek. Merkwaardig voor deze worstbereiding is, dat er grote voorkeur bij aan de dag wordt gelegd voor varkensbloed, hoewel men overal vindt vermeld, dat ook ander bloed vooral runderbloed - geschikt is. In Duitsland is het gebruik van bloed voor de worstbereiding belangrijk groter. Het gebruik van bloedsoep, dat aldaar een belangrijk artikel is, medegerekend, komt men er op een gebruik* van 60 % van het totaal. In Zweden is het gebruik als zodanig voor de menselijke voedselbereiding zeer groot. Het gebruik wordt hier zeer bevorderd door de grote vlucht, die de consumptie van bloedpudding genomen heeft. Voor de bezetting had het overige gedeelte, dat niet door de mest verwerkt werd, geen waarde en verdween door het riool. Het bemoeilijkte het werk, vervuilde de slachtplaatsen en gaf stank en verstoppingen. In de bezettingstijd werd dat anders. Toen was er een grote behoefte aan voedingsmiddelen en vooral aan eiwitrijke voedingsmiddelen. Een gevolg hiervan was, dat men belangstelling kreeg voor het weglopende bloed, dat volgens Junack slechts 5 % water meer en 12 % eiwit minder dan vlees bevat. Toen bleek, dat de rode tot donkerrode kleur van het bloed tegenzin veroorzaakte en een veel groter gebruik tegenhield, ontwikkelde men een bruikbare wijze voor het winnen van plasma uit bloed. Bloed bestaat uit het min of meer gele plasma en rode en witte bloedcellen. Witte bloedcellen zitten er slechts weinig in. Op 500 tot 800 rode bloedlichaampjes komt een witte voor. De rode bloedlichaampjes zijn de dragers van de rode bloedkleurstof, de haemoglobine, die voor de zuurstofverplaatsing door het lichaam zorgt. HET WINNEN VAN PLASMA Om uit bloed plasma te kunnen winnen, mag dit niet stollen. Bij de stolling wordt fibrine vast en legt zich in fijne draden om de bloedlichaampjes. Er vormt zich een bloedkoek. Bij het samentrekken van de bloedkoek treedt er serum uit. Dit serum is dus plasma zonder fibrine. Men kan er, doordat het vaste fibrine onoplosbaar is, geen plasma uit maken. Daar plasma meer van het eiwit fibrine bevat dan serum is het waardevoller voor de voeding. Om plasma te winnen voegt men bij het bloed stollingwerende stoffen. Vroeger werd voor het vloeibaar houden van kleine hoeveelheden citraat gebruikt. De Duitse bloedchemicus L. Lux stelde hiervoor nu een nieuw middel samen ; het fibrisol. Dit middel, hetwelk gepatenteerd is, bestaat voor 60% uit verschillende soorten natriumphosphaten en voor 40% uit keukenzout. Het gaat de stolling volkomen tegen bij toevoeging van een hoeveelheid van 10 gram op 1 liter bloed. Het geeft geen haemolyse. Toevoeging aan bloed is ten onzent toegestaan tot een hoeveelheid van 1% (art. 2 K.B. 22 Aug. 1938, S 865). In het aldus vloeibaar gehouden bloed zouden de bloedlichaampjes alleen reeds door staan tengevolge van de zwaartekracht naar beneden zinken en zou zodoende plasma te winnen zijn. Evenwel is daarbij de snelheid waarmede de bloedlichaampjes zich bewegen gering, omdat het verschil in soortelijk gewicht tussen vloeistof en lichaampjes niet groot is, terwijl bovendien de deeltjes zo klein zijn, dat de wrijving in verhouding tot het gewicht van grote invloed is. Daar het soortelijk gewicht van de rode bloedlichaampjes iets groter is dan dat van de witte, zullen de rode bloedlichaampjes, hoewel ze iets kleiner zijn dan de witte en de wrijving van grotere invloed is, het eerst beneden zijn. De snelheid waarmede de lichaampjes zinken (bezinkingssnelheid), zal ook beinvloed worden door de viscositeit van het plasma, die tussen bepaalde grenzen schommelt, al naar de soort en de toestand van het slachtdier, waarvan het bloed afkomstig is en van de temperatuur. Soortelijk gewicht bloed 1.050-1.062 „ „ plasma 1.028-1.032 „ „ bloedlichaampjes 1.080-1.105 (Witte iets kleiner dan de rode) Viscositeit plasma (18° C) 0.019 Doorsnede der rode bloedlichaampjes bij varken, rund 1 / 170 mm schaap 1/200 mm paard 1 / 180 mm geit 1/250 mm Doorsnede der witte bloedlichaampjes 1 /200-1 /80 mm Vorm rode bloedlichaampjes : platte convexe schijfjes. „ witte „ : in rust rond, kan ook an dere vorm hebben. Door de lange bezinkingstijd zal het kiemgehalte belangrijk stijgen. Daarbij zal de opbrengst aan plasma nog zeer gering zijn. Een ideale methode is de winning door staan dus allerminst. Een snelle scheiding is mogelijk met bloedcentrifuges. Men centrifugeert of separeert. Door het veel grotere verschil in centrifugaalkrachten gaan de bloedlichaampjes snel naar buiten. Dit wordt nog bevorderd bij de in gebruik zijnde centrifuges door de weg, die de bloedlichaampjes in de vloeistof moeten afleggen, te verkorten. Dit geschiedt door schuingerichte platen. Hierdoor zijn de bloedlichaampjes 197 HOOFDSTUK 6 BEWERKING EN VERWERKING VAN DIERLIJK HAAR ALGEMEEN Onder de bijproducten, welke in de warmslachterij voorkomen, behoren verschillende dierlijke haarsoorten, die wij geenszins onder de rubriek ,afval" willen rangschikken. Er zijn weinig haarsoorten, welke niet voor een of ander doel te gebruiken zijn. Wanneer wij het woord ,haar" bezigen, wordt daarmee bedoeld: het haar afkomstig van zoogdieren. Zonder een verhandeling te geven over de chemische samenstelling van haar willen wij hier wijzen op het verschil tussen haar (hoornstof, eiwit bevattende keratine) en plantenvezel (celstof, houtvezel). Dit verschil is gemakkelijk vast te stellen. Men neemt een draadje van de te onderzoeken vezel en steekt deze in een vlam. Haar schroeit terug, vormt 'n knopje en verspreidt de typische reuk van brandend haar. Deze reuk ontstaat in grote mate wanneer de hoefsmid het hete ijzer op de paardenhoef passend maakt. Een plantenvezel daarentegen brandt op als een lucifer. Haar kan in verschillende categorieen worden ondergebracht, zo bij voorbeeld : a. dun haar, waarbij spinbaar. Wij denken hier aan wollen stoffen, tapijten, vilt, pelterijen, penselen; b. het dikkere haar van staart, manen, vetlok. Bij runderen spreekt men wel van koepluimen. Het wordt weinig versponnen, wel geweven en gevlochten; C. de borstels, tastharen, o.a. zwi jnsborstels, snorharen van verschillende dieren, oogharen. Deze haarsoorten kunnen een aardige bijverdienste opleveren, wanneer ze behoorlijk zijn verzameld. Zolang ze nog niet van de huid, of van het dier, verwijderd zijn, kunnen ze gemakkelijk worden gereinigd. In de meeste gevallen zal het haar gereinigd moeten worden, doordat het in aanraking komt met bloed, slijm, mest enz. Eenmaal van de huid verwijderd, is het noodzaak, dat het haar gedroogd wordt, luchtdroog, door b.v. uitspreiden in de zon, niet op gras natuurlijk. Onder een afdak, uitgespreid op op-elkaar-stapelbare rekken van latwerk met kippengaas. Is het haar eenmaal droog, dan kan het in zakken gepakt op een droge plaats worden weggeborgen. Wij kunnen er niet genoeg de nadruk op vestigen, dat aan deze bewerkingen de hand moet worden gehouden. Wordt verontreinigd, nat haar op een hoop geworpen, dan gaat het broeien, waarbij warmte ontstaat. Hierdoor wordt de structuur van de hoornstof vernield en wordt het haar waardeloos. Keratine is een zwavelhoudende eiwitstof, die voorkomt in de verhoornde cellen van de opperhuid en in nagels, hoorn, haren, veren, stekels, hoeven, baleinen, schildpad enz. Verbroeien en verrotten zijn synoniem. Is het reinigen en drogen in het bedrijf georganiseerd, heeft men eenmaal de naam van schoon-haarleverancier, dan is zulks een onschatbare goodwill tegenover de haar afnemers. Natuurlijk gegroeid haar, waaraan dus niet is geknipt of geschoren, loopt per haarspier spits toe. Het haarkleed van elk dier is aan vernieuwing onderhevig. Wij doelen hier op de rui (zomer- en wintervacht). Zo kan een dier, waarvan het lichaamshaar door knippen is geoogst, na de ruitijd weer spits haar opleveren. Verder kunnen wij over haar mededelen, dat de yacht van dieren uit koude streken voor de borstelmaker kwalitatief beter is dan haar uit warme landen, hoewel hierop uitzonderingen zijn vast te stellen. In de koude is de natuurlijke neiging om yacht te vormen groter dan in de tropen. Er is haar, dat een beperkte lengte bereikt en er is haar, dat in de lengte door blijft groeien, ongeacht de rui-uitval en vernieuwing. 's Mensen hoofd- en baardhaar, paardenstaart en -manen, koepluimen. De borstelmaker verwerkt beide laatstgenoemde soorten haar, beperkt van lengte en langgroeiend. Haar met beperkte lengte, o.a. varkenshaar (waarover later), is voornamelijk in de penseelindustrie van belang. Voor het vervaardigen van penselen wordt meestentijds pelsdierhaar gebruikt, doch ook lichaamshaar (niet de staarten dus) van paarden, runderen. Voor wij overgaan tot varkenshaar, moeten wij nog even vermelden hoe het haar van beperkte lengte, waartoe varkenshaar ook behoort, wordt behandeld. Het haar van beperkte lengte wordt, na gewonnen te zijn, aan diverse behandelingen onderworpen o.a. richten, recht maken, op lengte sorteren. Dit laatste geschiedt in machines, die het sorteren op 5 mm lengteverschil, meer nog op 4" (inch) verschil. Kleine penselen maakt men van kort haar, grote van de langere lengten, naar gelang de grootte en het doel van het te maken schildersgereedschap. De werktop van het penseel, de kwast en zeker ook van de scheerkwast is het belangrijkste van dit eindproduct. Daaraan mag zo min mogelijk geknipt, omdat die werktop zacht moet zijn, en dat doet dat spitse puntje. Wanneer de borstelmaker langgroeiend paarden- of runderhaar verwerkt, moet hij dit op de gewenste lengte aan moten snijden. De lezer begrijpt nu terstond: ,Weg mooi, natuurlijk haarpuntje", het is volkomen verdwenen, door het afsnijden. Toch behoren ook deze langgroeiende haarsoorten tot de hoornstoffen, die in de borstelmakerij van meer waarde zijn, dan de minder elastische, houterige plantenvezels. W. P. MACLAI N E PONT VERWERKING VAN KOEHAAR Het Naar van de koe (en stier) wordt uitsluitend verkregen na de slachting. Hierbij worden de onderstaande soorten haar onderscheiden: a. staarthaar; b. lichaamshaar; c. oorhaar. In tegenstelling tot het paardenhaar wordt koehaar over de gehele wereld verkregen en is de mogelijkheid, dat de beschikbare hoeveelheid zal verminderen, uitgesloten. De kwaliteit van het haar wordt in veel sterkere mate dan bij paardenhaar bepaald door het ras ; uiteraard is land van oorsprong en leeftijd mede bepalend. Staarthaar. Na het slachten wordt het uiteinde van de staart met het zich daaraan bevindende haar (de z.g. kwast) afgesneden en gewassen. Vervolgens wordt dit haar door middel van broeien verwijderd en al naar gelang bestemming tot bundels gebonden of ongebundeld verpakt. De kwaliteit van het haar wordt bepaald door de lengte en de hardheid; hoe langer en hoe krachtiger des te beter. Evenals het paardestaarthaar wordt het koestaarthaar of bereid of gesponnen. Bereiden. In principe geschiedt het bereiden op dezelfde wijze als paardestaarthaar. Het voornaamste verschil is gelegen in het rechtmaken, hetgeen door koken geschiedt. Koestaarthaar is van nature krullend en de bereider is verplicht dit haar enige malen te koken voordat het recht is. De verwerking van bereid koestaarthaar geschiedt vrijwel uitsluitend in de borstelindustrie voor speciale doeleinden. Spinnen. Dit spinnen, dat in de ruwhaarspinnerijen geschiedt, is volkomen identiek aan het spinnen van paardenhaar. Het gebruik van het vulmateriaal is bepalend voor de soort haar of vezel of mengsel, die gebruikt wordt. Lichaamshaar. Dit haar wordt geschraapt van de huid voornamelijk in de leerlooierijen. Vervolgens wordt het haar grondig gereinigd en gewassen in speciaal-wasmachines, waarbij grote hoeveelheden water gebruikt worden. Nadat het haar schoon is wordt het gedroogd in droogovens en tot vilt verwerkt. Dit geschiedt in de viltfabrieken alwaar het haar verwarmd samengeperst wordt tot vilt voor de vervaardiging van hoeden en voor bekledings- en isolatiedoeleinden. Uiteraard is de kwaliteit van het te verwerken haar bepalend voor de kwaliteit van het vilt. Oorhaar. Dit haar wordt uit het oor van het rund verkregen. In tegenstelling tot het staart- en lichaamshaar, dat van vrijwel alle runderen ter wereld te gebruiken is, kan het oorhaar slechts van enige soorten runderen bewerkt worden. Voor de bewerking geschikt oorhaar is voornamelijk afkomstig uit Argentinie en voor een klein gedeelte uit Canada. Dit haar wordt door vakmensen, meest in ambacht, zorgvuldig gereinigd en bereid. De verwerking van dit dure haar tot kostbare penselen geschiedt in de penseelindustrie. J. P. DE GROOT VERWERKING VAN VARKENSHAAR Waar men over de gehele wereld het zwijn aantreft, gefokt of in het wild, varkenshaar heeft een karakteristiek die bij geen ander dier voorkomt. Dit is in de tropen en in dierentuinen onderzocht o.a. bij de dikhuidigen als olifanten en nijlpaarden. Deze karakteristiek van het varkenshaar bestaat uit de volgende drie eigenschappen : tapse tot een varkenshaar gebundelde haardraden met de bles of pluim, de kop of het worteleinde en de elasticiteit. Het varkenshaar bestaat uit een samengegroeid bundeltje tapse, spits toelopende haardraden (varkensborstel genaamd) met uitzondering van het staarthaar, het tussen de borstels groeiende wolhaar en het korte buikhaar. Dit in tegenstelling tot het haar van andere dieren dat per spiertje uit een haardraad bestaat. Het ene einde van een varkenshaar bestaat uit de bles of pluim waaraan men kan zien hoeveel haardraden de varkensborstel heeft. Met een paar pincetten kan men een varkenshaar over de gehele lengte opensplijten in net zo veel haardraden als waaruit de bles bestaat. Deze bles is niet te vervangen. Wel maakt men een kunstmatige bles aan paardehaar en er is tapse nylon in de handel maar dat fluweelzachte blesje is er niet dan aan varkenshaar. De kop of het worteleinde wordt gevormd door een verdikking aan het andere einde van het haar. Het belang hiervan zullen wij nog aantonen. De elasticiteit ten slotte is te vergelijken met die van een uit lamellen bestaande wagenveer. Een potlood-dikke bundel breinaalden is elastisch terwijl een potlood-dikke staaf stug is. Om deze reden is varkenshaar mooi elastisch in tegenstelling tot het haar van een olifant dat stug is omdat het bestaat uit een stuk hoorn ter dikte van een lucifer. Deze drie eigenschappen hebben bij de toepassing van varkenshaar hun specifieke waarde. Door de bles, dus het bundeltje van de zachtste haardraden, blijft de werktop van een kwast zacht bij slijtage. De verdikking van de kop leent zich bijzonder voor het vastzetten van de haren in de kwasthouder met kit of anderszins. Door de elasticiteit heeft een kwast van varkenshaar een masserende werking. Wij vestigen er echter de nadruk op dat deze drie eigenschappen verloren gaan bij onjuiste winning of verzameling. Het haar dient te geschieden door plukken of schrapen (met een schrapijzer). Men noemt het ook wel trekken en spreekt dan van drooggetrokken varkenshaar. In ieder geval nooit knippen want hiermede gaan kop en bles verloren. Verder dient men het haar behoorlijk te reinigen en doelmatig te drogen ter voorkoming van broei waardoor de structuur van de hoornstof wordt gewijzigd en het haar dan waardeloos is. Wij hebben zowel de kwaliteit als de hoeveelheid van het varkenshaar zien verminderen hetgeen gedeeltelijk zijn oorzaak vindt in het te jong slachten van de varkens met het oog op de productie van vlees, bacon en spek. Ook het ophokken van de beesten in het koude seizoen heeft een nadelige invloed op de haarvorming. Kwaliteitsvermindering kan echter grotendeels worden voorkomen door de juiste winning en behandeling. Ook met het sorteren op stijfte (rughaar tegenover flankhaar) en op kleur kan men zijn voordeel doen. W. P. MACLAINE PONT VERWERKING VAN PAARDENHAAR - Van het paard worden de onderstaande haarsoorten ver kregen: a. staarthaar b. manenhaar C. hoef- of poothaar d. lichaamshaar. De kwaliteit van het haar wordt door verschillende factoren beinvloed, waarvan de voornaamste wel zijn het ras, de leeftijd en het land van oorsprong. In het algemeen vindt de regel „hoe ouder het paard en hoe kouder het land van oorsprong, des te Langer en krachtiger het haar" toepassing. De grootste hoeveelheden paardenhaar worden na de slachting verkregen, dit noemt men het zogenaamde slachthaar. Vooral het staarthaar wordt in vele landen, alwaar dit tenminste niet wettelijk verboden is (zoals b.v. in de Verenigde Staten van Noord-Amerika) van levende paarden gesneden. Dit haar, het zgn. stomphaar, is krachtiger dan het soortgelijke slachthaar en wordt daarom bi j voorkeur door de verwerkende industrie gebruikt. Het paardenareaal over de gehele wereld loopt vooral tengevolge van motorisering en mechanisatie regelmatig achteruit. Zodoende zal er eens een tij d komen, dat paardenhaar voor de verwerkende industrieen niet meer in voldoende mate aanwezig zal zijn. Momenteel komt het paardenhaar voornamelijk uit Zuid-Amerika (vooral Argentinie), de V.S. van Noord-Amerika en Rusland. Staart en manenhaar. De bewerking van deze beide haarsoorten komt vrijwel overeen ; de verwerking daarentegen ligt veelal op geheel verschillend terrein. Deze bewerking kan bestaan uit: 1. Het bereiden. Bij het bereiden van dit haar komen nog steeds weinig machines te pas, het is dus nog een van de loonintensieve bewerkingen. De eerste behandeling bestaat uit het sorteren en grondig reinigen van het haar. Alleen het rechtliggende, zogenaamde gladde haar kan voor dit doel gebruikt worden ; het warrige en te korte haar wordt apart gehouden en is geschikt voor de vulmaterialensector (zie later). Dikwijls wordt het grijze en bontgekleurde haar zwart geverfd, vooral in verband met de heersende opvatting, dat paardenhaar van nature zwart is. Na het reinigen en sorteren wordt het haar grondig doorgekamd en op verschillende lengten stiff tot bundels ingewikkeld en daarna gekookt. Dit koken geschiedt om het haar volledig recht te krijgen. Vervolgens wordt dit gedroogde halffabrikaat op maat gesneden en vermengd met andere haar- of vezelsoorten al naar gelang bestemming. Sedert enige jaren heeft men een machine ontworpen waarmee men het paardenhaar splijten kan. Dit geschiedt om een vervangingsmiddel te krijgen van varkenshaar. Het verschil met varkenshaar is echter, dat bij varkenshaar het gespleten uiteinde (bles of vlag genaamd) steeds van nature doorsplijt in tegenstelling met gespleten paardenhaar. Dit haar wordt in paardenhaarbereiderijen bewerkt voornamelijk voor a. de borstelindustrie, alwaar het verwerkt wordt tot borstels, kwasten, penselen, kamervegers etc. (Diverse borstelfabrieken hebben eigen bereiderijen.) b. De haardoekweverijen, alwaar het verwerkt wordt tot haardoek, dat de kleermakers en confectie-industrieen op grote schaal verwerken. 2. Het krullen of kroezen (ook wel spinnen genaamd). Na grondige reiniging wordt het haar, al dan niet vermengd met andere haar- of vezelsoorten met behulp van mengmachines losgeslagen. Vervolgens wordt dit mengsel door hekelmachines gevoerd, waardoor het haar uiterst luchtig en zodoende spinklaar wordt. Dit spinnen kan op verschillende manieren geschieden van de eenvoudige handmachine tot de meest perfecte volautomatische spinmachine toe. Daartussen bestaan nog verschillende soorten semi-automatische machines. Het handspinnen vereist een grote routine en bedrevenheid; het bedienen van een automatische spinmachine daarentegen vereist geen enkele bekwaamheid. Op Welke wijze het spinnen geschiedt is een economisch vraagstuk; het spinnen zelve bestaat uit het maken van de zogenaamde streng of koord waarin door middel van draaiing een krul wordt aangebracht. Deze krul dient blijvend te zijn hetwelk geschiedt door stomen of koken; deze krul is bepalend voor de veerkracht van het materiaal. Het haar wordt gesponnen in paarden- of ruwhaarspinnerijen en het gesponnen haar wordt als vulmateriaal verwerkt in hoofdzaak door de matrassen-, meubel-, wagon-, autobus- en auto-industrie. Vanzelfsprekend kan het vulmateriaal niet in de strengenvorm verwerkt worden, maar dit geschiedt: a. zogenaamd geplozen ; dit wil zeggen men haalt het haar al dan niet machinaal uit elkaar en dan wordt het haar met de hand op de plaats van bestemming gelegd (stofferen). b. het geplozen haar wordt door middel van machines op een onderlaag, meestal van jute, bevestigd. Vooral voor - serie-werkzaamheden is deze methode een aanzienlijke besparing van arbeidsloon. C. het geplozen haar wordt in latex gedompeld of met latex bespoten. Dit gerubberiseerde haar, hairlok genaamd, wordt dan precies in model gemaakt. Vooral in de laatste tijd vindt deze toepassing dank zij de verdubbelde veerkracht (en haar en latex) en de aanzienlijke besparing op arbeidsloon, steeds meer toepassing. Hoefhaar. Dit haar is slechts van onbetekenend belang en wordt, alleen als het voldoende lengte heeft in zeer goedkope kwaliteiten vulmateriaal verwerkt. Lichaamshaar. Wordt momenteel niet verwerkt; alleen in geval van zeer grote schaarste aan koelichaamshaar wordt dit door de viltindustrie verwerkt. J. P. DE GROOT HOOFDSTUK 7 BE- EN VERWERKING VAN WOL Bij het slachten van het schaap wordt het gedode dier van het vel ontdaan. Dit vel bestaat uit een huid met daarop een grotere of kleinere hoeveelheid wol, welke wol het waardevolste gedeelte van het vel is. Alvorens te kunnen aangeven wat met de wol, na scheiding van de huid, kan gebeuren is het nodig een inzicht in dit product te verkrijgen. Dit doet zich namelijk in een dusdanig groot aantal verschillende vormen voor, dat bijkans voor ieder textielproduct waarin wol is verwerkt, door de fabrikant naar een kwaliteit wol gezocht wordt, welke voor het door hem te fabriceren eindproduct het meest geschikt is. Als wij de achtereenvolgende factoren beschouwen, die de kwaliteit en daarmede de waarde van de wol bepalen, dan speelt daarbij het schapenras de voornaamste rol. Ieder schapenras heeft een specifieke soort wol, die van fijn en kort tot grof en lang varieert. De fijnste wollen worden geleverd door Merinoschapen, de grove door de vele Cross-Bredrassen. Aangezien wij in Nederland eigenlijk nog slechts schapen van het Texelse ras kennen, met hier en daar nog enige exemplaren van het oude heideschaap en Friese melkschaap, kunnen wij ons in dit bestek in hoofdzaak tot wol van het Texelse schaap bepalen. Nog zij opgemerkt, dat het heideschaap een wol levert die beduidend grover, het melkschaap een die iets fijner is dan de wol van het Texelse schaap. Hoewel door het ras de soort wol in grote trekken is aangegeven, treft men verder nog grote variaties aan, daar wij immers te doen hebben met een natuurproduct. Het gevolg is, dat de wol niet alleen van schaap tot schaap varieert, maar ook nog tussen de verschillende delen van het lichaam van een enkel dier. Bij de verdere beoordeling wordt in hoofdzaak gelet op : fijnte, lengte, kleur, glans en afwijkende wol. FIJNTE Het verschil in fijnte tussen de Merinowol en de Cross- Bredwol is zo groot dat het eigenlijk twee volledig verschillende producten zijn. Bij de wol van het Texelse schaap treft men echter ook nog grote verschillen in fijnte aan, waardoor het nodig is de wol te sorteren, ten einde deze te laten verwerken tot de producten waarvoor ze het meest geschikt is. LENGTE De slachtingen van onze schapen hebben het hele jaar plaats met een hoogtepunt in het najaar, daar dan zeer veel voor export geslacht wordt. Geslacht worden dieren die minder dan een jaar oud zijn, waarvan de vellen lamsvellen heten, en oudere dieren, die schaapsvellen leveren. De eerste groep is geboren in Maart of April en nooit geschoren. De tweede groep is geschoren in Mei of Juni. De wol der lammeren heeft dus gelegenheid gehad 2 maanden langer te groeien dan de wol der oudere schapen. Lamsvellen hebben dus bij gelijke slachting langere wol dan schaapsvellen. Een verder verschil is, dat de punten der stapels van het lamsvel kurketrekkervormige spitse uiteinden hebben. De gemiddelde lengte van de wol neemt toe naarmate de wol langer heeft kunnen groeien ; de wol in September is langer dan in Augustus, in October weer langer dan in September enz. KLEUR De kleur wordt vrijwel geheel door de bodem bepaald. De Nederlandse wol is zelden geheel wit, doch steeds wat geelachtig. Soms zijn enige delen van een vel sterker gekleurd, soms zelfs okergeel. Voor witte of lichtgekleurde textielproducten is witte wol nodig, zodat vaak sortering op kleur plaatsvindt, waarbij de witte wol voor het verven van lichte, de geelachtige wol voor het verven van donkerder kleuren gebruikt wordt. GLANS Wol van geslachte schapen heeft veelal een mooie glans waardoor deze voor de fabricage van enige artikelen zeer geliefd is. Geverfde wol heeft een prettiger aanzien dan vele synthetische producten. „Het leeft meer" als gevolg van de ongelijkheid in de structuur etc. waardoor de verfstof verschillende effecten geeft. AFWIJKENDE WOL Bij de vellen treft men steeds een aantal met verf gemerkte exemplaren aan, doordat, ondanks de voorlichting op dit gebied, nog steeds enige schapenhouders voor het merken van hun schapen verf gebruiken. Deze verf is niet te verwij deren, zodat deze wol apart moet worden gehouden. Daarnaast wijkt de wol van de buik en de dijen sterk in kwaliteit af, zowel wat lengte, fijnte als kleur betreft. De buikwol is kort en fijn, de ,bilstukken" daarentegen grof en lang. In enkele vellen kan men ook Bode haren aantreffen. Daar deze niet aanverven moeten ze ook apart worden gehouden. Daarnaast vindt men nog vervilte vellen, vellen waarbij een zwakke plek in de wolvezels te vinden is als gevolg van een ziekteperiode van het schaap, in welke tij d geen normale wol werd gevormd, enz. Uit het bovenstaande moge blijken, dat het van belang is, dat bij de verwerking van de vellen met de eisen die de toekomstige gebruikers van de wol zullen stellen terdege wordt rekening gehouden. Het is hieraan waarschijnlijk te wijten, dat voor de scheiding van wol en huid bij de schapenvellen aparte ondernemingen bestaan, terwijl de scheiding van haar en huid bij de rundervellen in de leerlooierij geschiedt. De eerste bewerking die het vel na het slachten als regel ondergaat is het conserveren door middel van zout. De conserverende werking van dit zout berust voor een belangrijk gedeelte op wateronttrekking. Deze gezoute vellen komen in de vellenbloterij, dat is het bedrijf dat er zijn werk van maakt de wol van de huid te scheiden, waarbij wol en de bloot verkregen worden. Allereerst wordt daar het vel geweekt in water, waarbij het zout wordt weggenomen, de huid weer opzwelt en zijn natuurlijke toestand herneemt. Daarna vindt het wassen van het vel plaats, waarbij ongeveer 60 % van het wolvet en vuil wordt weggenomen. Dit wassen geschiedt in een speciale machine waar het vel met koud water wordt besproeid, terwijl het tussen een paar rollen aan de wolzijde min of meer wordt geborsteld. Vervolgens wordt het grootste deel van het water verwijderd door centrifugeren. Verkregen is nu weer een vel dat zijn natuurlijke toestand zoveel mogelijk heeft herkregen en dat gereinigd is. Door insmering aan de lichaamszijde met en inwerking gedurende enkele uren van een chemisch preparaat, meestal natriumsulfaat, wordt na enige uren verkregen, dat de wol loslaat in de lederhuid en er uitgetrokken kan worden. De hoeveelheid natriumsulfaat is bepalend voor een juiste ma- flier van loslaten van de wol; te weinig geeft moeilijkheden met de verwijdering, te veel doet stukjes huid meegaan. Bovenstaande methode wordt algemeen voor inlandse huiden toegepast. Daarnaast bestaat een andere methode, de zweetmethode, waarbij de vellen gedurende 1-2 dagen in stoomkamers worden gehangen, waardoor ook een loslaten van de wol wordt verkregen. Na deze voorbereidingen wordt de wol van de huid verwijderd, waarbij tevens gesorteerd wordt. Er wordt dus onderscheid gemaakt tussen goede schaapswol, goede lamswol, merken, bilstukken, haar en buikwol terwijl men de goede lamswol en schaapswol nog in diverse fiinten kan sorteren. Degenen die de vellen bloten hebben een aantal manden om zich heen staan, waarin ze de diverse soorten deponeren. Deze wol is dan nog steeds vochtig, zodat iedere soort na het bloten gedroogd moet worden. Hiertoe zijn verschillende methoden mogelijk. In principe gebeurt dit door de wol uit te spreiden en aan een luchtstroom (meestal verwarmde droge lucht) bloot te stellen, waardoor het water verdampt en wordt afgevoerd. Om dit op economische wijze te verwezenlijken bestaan allerlei machines, die alle volgens dit principe werken maar welke zijn aangepast aan de te drogen hoeveelheid. Bij kleine hoeveelheden wordt de wol in laden of rekken met de hand uitgespreid in een ladendroger, bij grote hoeveelheden machinaal op een brede band zonder einde die langzaam beweegt door een gesloten kast waarin zich een tegenstroom lucht beweegt (continu banddroger). De wol, die gedroogd nog + 15 % vet en vuil bevat, is hierna gereed om naar de textielindustrie te verhuizen, terwijl de bloot na zouten naar de leerlooierij verdwijnt. De Nederlandse wolindustrie fabriceert velerlei artikelen: herenstoffen, damesstoffen, handbreigarens, dekens, dassen, truien, sokken, tapijten enz. Bij al deze producten begint de fabricage gelijk, namelijk met het maken van garens. Bij handbreigarens worden 2 of meer enkelvoudige draden ineengedraaid (getwijnd) en het product is in wezen klaar, bij stollen, dassen enz. wordt het product verkregen door weven der garens, bij nog andere producten door breien. Achtereenvolgens passeert de wol dus de spinnerij om tot garen te worden gemaakt en daarna soms nog de weverij of de breierij, terwijl vanzelfsprekend ook ergens in het productieproces een ververij is ingevoegd. De spinnery maakt dus garens en wel 2 soorten : kamgaren en strijkgaren. Bij het eerste soort garen liggen vrijwel alle vezels evenwijdig waardoor het een glad aanzien heeft, terwijl bij de strijkgarens de vezels wel enigszins in de lengte-richting van het garen liggen maar toch nog sterk dooreengeslingerd, waardoor de punten of gedeelten der vezels nog buiten het garen uitsteken en dit dus een veel ruwer aanzien heeft dan bij kamgaren het geval is. Het spinnen van het kamgaren geschiedt dan ook door veel meer bewerkingen dan het spinnen van het strijkgaren. Een der voornaamste handelingen die essentieel is bij de fabricage van kamgaren is het kammen van de wol, waarbij door een stalen kam alle vezels evenwijdig gelegd worden en de korte vezels en verontreinigingen uitgekamd worden. Ook wordt bij kamgaren een veel grotere gelijkmatigheid van het garen verkregen door een groot aantal speciale machinale bewerkingen. In de spinnerij wordt het enkelvoudige garen verkregen in verschillende dikten. De dikste garens worden voor de tapijt-, dekens- en tweedfabricage gemaakt, de dunste voor de fijne wollen damesstoffen of voor de breierijen. In de weverijen wordt van de garens een weefsel gemaakt, dat ontstaat door een aantal draden strak naast elkaar op een machine te spannen (de kettingdraden) en daardoor in de dwarsrichting draden te vlechten (de inslagdraden). Het uiterlijk van het weefsel wordt behalve door het soort garen bepaald door de wijze waarop de draden van de inslag de kettingdraden kruisen (de binding) en door het aanwenden van verschillend gekleurde garens. Dat hiermede een grote variatie is te verkrijgen getuige de grote verscheidenheid weefsels die te koop is. Een speciaal weefsel daarbij is het poolweefsel, dat is een weefsel met opstaande draadeindjes. Belangrijk bij het weefsel is de zorgvuldige afwerking waarbij allerlei machines gebruikt kunnen worden om het weefsel te vervolmaken b.v. om te glansen, te ruwen enz. Met het ruwen kan men een weefsel ook weer een geheel ander aanzien geven. Een deken b.v. is voor deze de ruwmachine passeert een gewoon weefsel. Bij het ruwen echter worden uit de oppervlakte van dit weefsel vele vezels losgetrokken, waardoor het ,wollige" aanzien ontstaat en de deken plotseling van doek tot deken wordt getransformeerd. De deken is door de isolerende werking van de lucht tussen de haren ,veel warmer" dan het oorspronkelijke doek. Zoals reeds vroeger is gezegd, is het product dat de wolfabrikant wil maken, bepalend voor de wol die hij koopt. Nederlandse blootwol wordt dus niet in alle takken van de wolindustrie gebruikt : met uitzondering van een kleine hoeveelheid fijne lamswol niet voor stoffen behalve tweed. Echter wel in de deken-, breigaren- en tapijtindustrie. Voor de dekens wordt daartoe de goede lams- en schapenwol aangekocht, voor de breigarens goede lamswol en voor de tapijten de mindere soorten. Ir J. HAVERHALS HOOFDSTUK 8 DE VERWERKING VAN KLIEREN MET INTERNE SECRETIE In het lichaam van de mens komen verschillende klieren voor die de stoffen die zij produceren, direct in de bloedbaan brengen. Dit zijn de z.g. klieren met inwendige secretie, de stoffen die zij produceren zijn de z.g. hormonen. Dat deze stoffen zeer belangrijk zijn blijkt wel uit het feit, dat er ernstige stoornissen ontstaan, indien een van deze klieren niet goed meer functionneert. Er ontstaan dan meestal vrij ernstige uitvalsverschijnselen, die in de meeste gevallen alleen kunnen worden opgeheven door toediening van die stoffen, die door de desbetreffende en niet meer functionnerende klier werden geproduceerd. Men zocht dus bronnen die deze stoffen zouden kunnen leveren en vond die in de verschillende klieren van slachtvee. Tot voor die tijd werden deze klieren als afvalstoffen beschouwd, zij blijken nu waardevolle grondstoffen te zijn voor de pharmaceutische industrie. Tot de taak van deze industrie behoort dus het bereiden van geneesmiddelen uit slachtafvallen. Deze stoffen worden dan door de medicus meestal door middel van een injectie aan de patient toegediend. Het spreekt dus vanzelf dat men er naar streeft, de stoffen zo zuiver mogelijk, dus zonder bijmengselen, in handen te krijgen. Tevens streeft men naar een zo hoog mogelijk rendement, d.w.z. men tracht deze zuiveringen uit te voeren met zo gering mogelijke verliezen. Een eerste vereiste hiervoor is, dat de klieren na het doden van het dier zo snel mogelijk verwij derd en na de verwij dering zo zorgvuldig mogelijk behandeld worden. Immers bij het in leven zijnde dier kunnen we aannemen, dat het gehalte van deze stoffen in de klier optimaal is. Na het doden zijn er vele omstandigheden waardoor het gehalte meer of minder achteruitloopt. Door een goede behandeling van de klier is het mogelijk dit te beperken. De voornaamste klieren, die voor de bereiding van geneesmiddelen van belang zijn of zijn geweest, zijn de volgende: de hypophyse of hersenaanhangsel het pancreas of de alvleesklier de lever de maag de bijnier de thyreoidea of schildklier de parathyreoidea of bijschildklier de testis of teelbal het ovarium of eierstok de thymus of zwezerik de epiphyse of pijnappelklier DE HYPOPHYSE. SITUATIE VAN DE KLIER EN HET VERZAMELEN ER VAN. De hypophyse ligt op de bodem van de hersenbasis in een uitholling van de stella turciqua (Turks zadel), een klein bot dat de hypophyse bijna geheel omgeeft, en waardoor deze voor invloeden van buiten zo goed mogelijk beschermd wordt. De voornaamste dieren waarvan de hypophysen verzameld worden, zijn het rund en het varken. Bij het rund wordt met een hakmes het schedeldak verwijderd. Onder de hersenen ziet men dan de hypophyse liggen, deze is omgeven door vrij hard kapsel dat, met de hypophyse, met behulp van een uitbeenmes uit de holte wordt uitgesneden. De uitgesneden hypophyse wordt, nog steeds omgeven door dit kapsel, zo snel mogelijk in een vriescel gebracht tot verdere verwerking plaatsvindt. De temperatuur van bewaring dient minstens —10° C te bedragen. Het uitsnij den van de hypophyse dient binnen een a twee uur na de slachting plaats te vinden. Men komt bier zeer vaak in conflict met de normale gang van zaken in het slachthuis. In de practijk komt het er veelal op neer, dat het verwijderen pas de volgende dag plaatsvindt. Indien verwijdering niet direct na het slachten kan plaatsvinden, verdient het aanbeveling de kop koud te bewaren. Wij merken op dat vertraging in het verzamelen verlies van actieve stoffen tengevolge kan hebben. Verwijdering van de hypophyse van het varken dient aan de slachtlij n te gebeuren. In tegenstelling tot het rund ligt de hypophyse vrij los in de holte van het Turks zadel en is niet omgeven door een kapsel. Bij het doorhakken van de wervelkolom van het varken hakt men nog enkele slagen door zodat men de kop geheel klieft en het varken dus in twee stukken snijdt. Met een pincet kan men nu de hypophyse op eenvoudige manier verwijderen. Het komt een enkele maal voor, dat men bij het doorhakken de hypophyse raakt, waardoor deze niet meer terug te vinden is. Bij enige ervaring bereikt men ongeveer 100% opbrengst. Menig slachthuis vindt het onaangenaam het varken op deze wijze in twee delen te splitsen. Er zijn nu twee methoden ontwikkeld waarbij dit niet meer noodzakelijk is, nl. met de boor van Vermehren en met het apparaat van Truffaut. Het toestel van Vermehren bestaat uit een electrisch aangedreven holle boor, die men, terwijl het varken gesteund wordt, op een bepaald gedeelte van de keel plaatst. Men boort nu, totdat de boor in de hersenen uitmondt en trekt deze dan terug. Met een plunjer verwijdert men nu het boorsel en zoekt hierin de hypophyse. Met enige ervaring, noodzakelijk om de juiste stand van de boor te vinden, bereikt men hiermede eveneens goede resultaten. Bij de methode van Truffaut werkt men met een metalen lepeltje op een vrij lange, stevige steel.De steel is in de lengterichting doorboord, bier gaat een metalen staafje doorheen, aan het einde waarvan zich een dekseltje van het lepeltje bevindt. Dit dekseltje is aan de bovenzijde van het apparaat door een bier aangebracht nokje beweegbaar. Op deze wijze heeft men dus een doosje verkregen dat men open PAARDEN Evenals bij de inkoop van levende slachtpaarden, moet men bij de inkoop van geslachte paarden letten op dezelfde kwaliteitskenmerken. Deze kenmerken moet men uiteraard op een andere wijze vaststellen, daar sommige aanwijzingen, die bij het levende paard aanwezig zijn, bij het geslachte paard ontbreken; en omgekeerd, kenmerken, die bij het geslachte paard zijn waar te nemen, bij het levende paard niet te constateren zijn. Het volgende maakt dit wel duidelijk : Het in te kopen paard, levend of geslacht, moet beoordeeld worden naar de volgende punten : 1. geslacht (hengst, ruin of merrie) 2. ouderdom 3. bevleesdheid 4. slachtrijpheid 5. beenderenstelsel 6. soort (warm- of koudbloed) Natuurlijk kunnen er voor iedere zaak andere eisen worden gesteld. Maar in het algemeen moet een prima slachtpaard, wat punt 2, 3, 4 en 5 betreft, niet te oud zijn, dik-bevleesde bouten hebben, met zo weinig mogelijk vet er aan (de doorsnee consument is afkerig van vet), en met een zeer fijn beenderenstelsel. Of men hengst, ruin of merrie prefereert, moet ieder voor zich zelf uitmaken. Wel kan dit gezegd worden, dat een hengst (vooral wanneer hij jong is) mooi zwaar, vast vlees geeft, hoewel dit vlees veel grover van draad is, en stugger kan zijn, in tegenstelling met vlees van een merrie, dat fijner van draad en zachter is, terwijl vlees van een ruin tussenliggende eigenschappen bezit. Wat punt 6 betreft, zoekt men een zeer zwaar paard, dan zal men tot koudbloed moeten besluiten (eigenschappen : zwaar vlees, dat mooi van kleur kan zijn; enigszins zwaar beenderenstelsel). Verkiest men een zeer fijn slagerspaard, dan besluit men tot warmbloed (eigenschappen : zeer mals vlees, dat fijn van draad is, maar donker gekleurd; zeer fijn beenderenstelsel; het vet is dikwijls hardgeel, tot oranje; voorts kan een warmbloed zeer zware reuzels hebben). Laten we nu nagaan, hoe we punt voor punt beoordelen. GESLACHT Is bij het levende paard het geslacht gemakkelijk te onderkennen (hengst : roede met balzak, forse fiere bouw, klein hoofd met zware hals, in de mond sterk ontwikkelde haaktand ; ruin : minder forse bouw, roede zonder balzak, in de mond minder ontwikkelde haaktand ; merrie : kling en uier, in de mond geen of heel slecht ontwikkelde haaktand), bij het geslachte paard is dat wat minder eenvoudig. Komt bij de levende hengst de forse bouw sterk tot uiting, dit is ook het geval bij de geslachte hengst. Vooral de zware hals treedt sterk naar voren. De roede en teelballen ontbreken hier echter, daar deze bij het slachten worden weggenomen. Wel zijn hier de gaten te onderkennen, die bij het wegnemen der teelballen en zaadleiders zijn achtergebleven, terwijl het zakvet niet sterk ontwikkeld is. Aan de achterkant van het schaambeen is te zien, waar de roede is afgesneden. Evenals bij de geslachte hengst is bij de ruin duidelijk waar te nemen, waar de roede is weggenomen. Bij de ruin ontbreken echter de gaten, die bij het wegnemen der teelballen en zaadleiders van de hengst te zien zijn. Hier vindt men wel een sterkere ontwikkeling van het zakvet. De geslachte merrie herkent men aan het elder of de uier, met het uiervet, en aan de plaats waar de kling is weggesneden. Ook ziet men bij de merrie een grotere ruimte in de bekkenholte. OUDERDOM Bij het geslachte paard ontbreken de ouderdomskenmerken, die bij het levende paard wel zijn waar te nemen (waarnemingen aan het gebit) geheel en al, daar het hoofd is afgesneden. Nu kan men wel zeggen, het hoofd hangt er bij, maar wie garandeert, dat het geen hoofd is van een ander geslacht paard? Hier moet men dus afgaan op andere kentekenen. Allereerst letten we op de kraakbeen-ontwikkeling van de beenderen. Dit kraakbeen heeft een blauw-witte kleur. Jonge paarden hebben een scherpe kraakbeen-aftekening. Naarmate zij ouder worden verbeent dit kraakbeen en wordt donkerder gekleurd tot hard rood toe. Dit is het duidelijkst waarneembaar aan het schaambeen. Ziet men de doorsnede hiervan bij jonge paarden, dan is die blauwachtig wit gekleurd en dik. Met het toenemen der jaren wordt deze doorsnede roder en dunner, tot het kraakbeen een dunne harde samenstelling krijgt, welke donkerrood gekleurd is. Ditzelfde verbeningsproces kan men zien aan het doorgehakte of doorgezaagde borstbeen, en aan de schenen van rib en lende. Ten slotte kan men het ook nog beoordelen aan de uiteinden van de z.g. zwevende ribben. Bij jonge paarden zijn deze gemakkelijk te buigen. Ook is het vlees van oudere paarden donkerder gekleurd, en het vet kan hardgeel zijn. BEVLEESDHEID Een prima slachtpaard geeft afgeronde vormen te zien. Dit is reeds waar te nemen aan de dikte van het schenkelvlees van voor- en achtervoeten. De achterstomp en schouder moeten afgeronde lijnen te zien geven, zonder dat het vlees hier of daar invalt. De rib en lende moeten gewelfd zijn, zodat ze de indruk wekken van uit te puilen. De kloof (lengte-doorsnede van rib en lende) moet breed zijn. De spieren van het middenrif (z.g. omloop- of karweivlees) moeten dik aanvoelen, evenals het vlees van het dunne klapstuk en de vang. SLACHTRIJPHEID Deze beoordeelt men aan de vetontwikkeling op de ribben, op bovenbil en staartstuk, aan het broekvet, manenstreng en reuzel. Bij vette oudere paarden komt het nogal eens voor, dat het vlees doorwassen is met vetaders (z.g. gemarmerd). Vooral wanneer zulk een paard een slechte rug heeft (invallende rug) komt dit verschijnsel dikwijls tezamen voor. Hiervoor passe men goed op, daar het snijden in zulk vlees een ellende is, en zeer nadelig voor de beurs. Dit verschijnsel is het best te onderkennen aan de dwars HOOFDSTUK 2 HET IN STUKKEN VERDELEN VAN DE GESLACHTE DIEREN, DE VERDELING DER VLEESSTUKKEN NAAR KWALITEIT EN HET NUTTIG GEBRUIK DE VERDELING EN VERWERKING VAN HET RUND. Volgens plaatselijk gebruik of naar behoefte van de zaak, wordt een half rund, dat nog in z'n geheel hangt, verdeeld in een voor- en achtervoet, hetwelk op twee manieren kan geschieden. 1. Vanaf het kruis- of staartbeen laat men 6 lendewervels aan de achtervoet. Men snijdt tussen zesde en zevende wervel de appel van de rib door en snijdt vervolgens dwars over de ribben heen tot de navelstreek. Hierin bevindt zich geen been en we snijden vooral niet te ver. Op die plaats blijft de voorvoet nog aan de achtervoet bevestigd. Daarna worden de ribben en de wervelkolom doorgezaagd. De voorvoet wordt opgebeurd en nu kan het dun- ne klapstukvlees doorgesneden worden. Als we nu een dergelijke voorvoet in de winkel hebben hangen en de haak op de scheiding van het rode vlees en vet in de voorvoet plaatsen, dan hebben we een vrij rechte lijn verkregen. Wanneer de fijne rib en dunne lende voor rollade gebruikt moeten worden, behoeft men in dit geval eerst geen schadelijk stuk van de rib van ruim 1 kg af te snijden. 2. Vooral door grossiers op abattoirs wordt de volgende manier van afsteken toegepast. Aan de achtervoet worden 1 of 2 ribben gelaten. De appel van de rib wordt doorgesneden tot het been, waarna de wervelkolom doorgezaagd en met de loop van de ribben het vlees doorgesneden wordt; vervolgens wordt dezelfde handeling toegepast zoals bij de eerste manier is beschreven. Deze werkwijze kan in zoverre voordeel hebben, dat wanneer het vlees bestemd is voor zaken waar de dunne lende aan hotels of grote inrichtingen als contrafilet wordt af- geleverd, deze leverantie in een zwaarder gewicht uitgevoerd kan worden. DE VOORVOET Een voorvoet (af b. 297/8) kan op twee manieren, zelfs op drie, in onderdelen verdeeld worden, dit hangt geheel af van het plaatselijk gebruik, of naar behoefte van het bedrijf. De minst gangbare manier van breken, maar die toch nog wel in sommige streken op het platteland wordt toegepast, willen we eerst bespreken. Van bovenaf bij het dunne klapstuk, ongeveer op de scheiding van het rode vlees en vet, snijden we over de ribben, dwars door het dikke gedeelte van de schouder heen, precies tussen de knop van het opperarmbeen (middenpijp) en schouderblad, daarna wordt de voorvoet in twee gedeelten gezaagd. Het eenvoudigste is deze voorvoet op de werkbank door te zagen. Wordt de voorvoet, hangende aan één haak, op deze manier doorgezaagd, dan krijgt men zo gauw scherpe punten aan de doorgezaagde ribben, daar deze afbreken bij het zagen, waaraan men gemakkelijk lichaamsdelen of kleding kan beschadigen. Dit kan echter voorko men worden, wanneer een haak in het klapstuk en één in de fijne rib gedaan wordt, zodat de voorvoet horizontaal aan twee haken hangt. Bij het doorzagen zal men dan niet die gevaarlijke scherpe punten aan de ribben krijgen (af b.299). Men kan zich nu wel afvragen wat voor doel dit heeft, omdat de voorvoet meestal op een andere wijze wordt verdeeld, maar deze werkwijze is best te verklaren. In een slagerij van niet te grote omzet, wordt vaak zo gewerkt, omdat men dan het vlees meer „gesloten" houdt. We kunnen rustig aannemen, dat in ieder bedrijf naar behoefte gewerkt moet worden. Is er dus midden in de week meer vraag naar doorregen vlees (in dit geval borst en klapstuk) dan beent men alleen dat gedeelte uit en de helft van de schouder, zodat ook een klant, die om een mager stukje vlees vraagt, bediend kan worden (af b. 300). De hals en doorgaande rib met een gedeelte schouder kan dan in de koelcel geborgen worden totdat men die nodig heeft (af b. 302). Hier zij nog opgemerkt, dat er ook vele plattelandsslagers zijn, die bij het slachten alle schenen (doornvormige uitsteeksels) aan één kant laten, in tegenstelling met de gewoonte, om de andere een scheen aan de voorvoet te laten. Het halve rund zonder schenen wordt het eerst verwerkt, de helft met de schenen het laatst. Hierdoor zal men spoedig bederf en gewichtsverlies tegen gaan. Voor de jongere lezers is het wel aardig om te weten, dat, toen er nog geen achturige werkdag ingesteld was, er met het uitbenen van het vlees zolang mogelijk werd gewacht. Vrijdagsavonds en Zaterdagsmorgens werd het vlees voor de verkoop op de laatste dag der week pas uitgebeend, dit ter voorkoming van gewichtsverlies. Nu wordt er reeds Donderdags, zo nodig Woensdags, vlees uitgebeend om tijdig gereed te zijn. Het gewichtsverlies zal hierdoor aanmerkelijk groter zijn. De tweede en meest gangbare manier van breken van een voorvoet is wel de volgende: Eerst wordt begonnen met de schouder af te lichten. We steken een smal puntig mesje aan de binnenzijde van de voorvoet horizontaal tussen vierde en vijfde rib, van beneden af geteld, precies in het midden daarvan naar de buitenkant van de voorvoet en komen hierdoor uit even boven het bloemstuk (dikke schouder). Onder aan de rugkant maken we een kleine insnijding, op de plaats van de denkbeeldige lijn die parallel loopt met de vierde en vijfde rib. Aan de buitenkant, dus over het schouderblad, verbinden we deze beide punten door een flinke snede tot het been toe te maken. Het schouderblad kan daarna doorgezaagd worden waarbij er wel op gelet dient te worden, dat men niet te diep zaagt, zodat het vlees, dat zich er onder bevindt, niet gekwetst wordt, hetgeen ontijdig bederf van dat gedeelte als gevolg kan hebben (af b.301). Het kraagvlees van de hals, hetwelk op de voormuis ligt, kan eerst 370. Peeseind. 371. Stooflap. 372. Harinkje. 373. Baklap. 374. Muis. 375. Platte bil. 376. Staartstuk. 377. Dikke lende. 240 snijden door tot de tweede vleeslaag is bereikt. Door nu het mes enigszins horizontaal te houden, kunnen we het slappe vlees zodanig van het rugspek afsnijden, dat er zo weinig mogelijk mager vlees aan het rugspek blijft zitten. Dit gedeelte maken we ook zo ver mogelijk los van het spek tot we de appel van de lendekarbonade hebben bereikt. Hierna plaatsen we bij de eerste 5 à 6 ribben ter hoogte van de schoftkarbonade het mes rechtstandig in de zaagsnede en snijden tot het blauwachtige vlies van de magere vleesplaat in de zij spek. Wanneer we dit zo doen heeft dit twee voordelen. Ten eerste blijft nu het vlees op de ribben van de schoftrib (dit wordt nog veel te vaak nagelaten) en ten tweede hangt er geen overbodig los vlees aan de zij spek, dat later toch afgesneden moet worden. Bij de schouder volgen we het vlies tussen karbonade en het vlees op het schouderblad totdat we bij het kraakbeen aankomen. Het kraakbeen snijden we door zodat dit aan de streng karbonade blijft zitten. Daarna plaatsen we het mes horizontaal onder de ribben en wel zo, dat er een dun laagje spek op de ribben blijft. Als we nu met één haal van voren naar achteren deze snede gemaakt hebben, richten we het mes een paar millimeter in schuine richting benedenwaarts, ter voorkoming van insnijdingen in de appel van de ribkarbonade. Hierbij proberen we een klein randje spek aan de karbonade te laten, terwijl toch het rugspek niet beschadigd wordt. Als de halsen lendekarbonade voldoende losgemaakt zijn, kunnen we zeer gemakkelijk de gehele streng karbonade van het rugspek afhalen. Wanneer door het snijden bijna de rugkant is bereikt leggen we de streng karbonade weer terug, beuren de halskarbonade op en snijden gelijkmatig met het rugspek de karbonadestreng van het spek, er hierbij wel op lettend, dat het rugzeen aan de appel blijft, inkartelingen dienen vermeden te worden. Op een vakkundig uitgesneden rib bevinden zich 4, 5 à 6 ovale vleesplaatjes, ook wel bloempjes genoemd. Af b. 419 laat ons het uitsnijden van een streng karbonade zien, en hoe men op een gemakkelijke manier gebruik kan maken van twee vleeshaken om het verschuiven onder het uitsnijden te voorkomen. Vooral bij vriezend weer, wanneer spek en vlees hard zijn en moeilijk te verdelen, kan men deze methode goed toepassen. Terloops zij nog opgemerkt, dat er ook vele slagers zijn die het buikspek tot het zwoerd insnijden en bij de schouder de buik geheel doorsnijden, zodat deze bij de werktafel kan neerhangen, wat het voordeel geeft van minder verschuiven en meer zicht bij het uitsnijden van de streng karbonade (afb. 420). De streng karbonade (afb. 420) kan verdeeld worden in : a. Halskarbonade, het gedeelte tot de eerste rib. (afb. 421). b. Schoftkarbonade, de eerste vier ribben. (afb. 422). Deze beide delen aan elkaar worden schouderkarbonade genoemd. c. Ribkarbonade, vijfde tot en met laatste rib. (afb. 423). d. Lende- of haaskarbonade, het laatste deel zonder ribben. (afb. 424). De gehele strook karbonade kan aan plakken gesneden als zodanig worden verkocht. a. De halskarbonade (afb. 425) heeft een klein beentje en is nogal doorregen. Hiervan worden karbonaadjes gesneden. Ook leent dit deel zich goed voor een doorregen braadstukje en rollade (afb. 426). b. De schoftkarbonade (afb. 427) heeft in verhouding tot de andere wel het meeste been. Daarom is het aan te raden de doornvormige uitsteeksels (scheentjes) er af te halen. c. De ribkarbonade (afb. 428) wordt meestal verkocht als karbonade. Bij de aflevering daarvan verdient het aanbeveling een stukje wervel af te kappen. Voor het maken van een rollade is dit gedeelte nogal schadelijk, omdat er veel been in zit (afb. 429). d. In de lendekarbonade (afb. 430) is weinig been en wordt niet alleen daarom, maar ook om het mooie vlees voor hoger prijs verkocht. Uitgebeend wordt dit gedeelte verwerkt tot opgerolde varkensfilet (afb. 431). Het rugzeentje wordt + 2 cm verwijderd en tevens de binnenvliezen op de appel van de lende en van het haasje. Het haasje kan daarna met een katoendraad aan de appel worden bevestigd maar we kunnen dit geheel ook oprollen als een rollade. Het maken van een crépinette (afb. 432) We nemen hiervoor een dun plakje ribkarbonade, met of zonder been. Van aangemaakt varkensgehakt maken we twee dunne laagjes in de vorm van de appel van de rib. Het ribvlees en het gehakt halen we door een geklopt ei en drukken de gehaktschijfjes op het vlees, zodat dit dus geheel met gehakt is bedekt. Een varkensnetje, dat van te voren even in lauw water is geweekt, wikkelen we om het geheel, waarna op het ribbetje een manchetje geplaatst kan worden. Ook kan men gebruik maken van een los ribbetje, wat bij het nuttigen van een crépinette wel zo gemakkelijk is. Het afsnijden van de schouder Bij het uitsnijden van dit gedeelte moeten we er rekening mee houden, of het te verwerken halve varken van een spekof vleestype is. Onder het vlees van de schouder van een spekvarken bevindt zich nogal veel spek. Door dit spek aan de rug te laten, verkrijgen we een mooie en zwaardere strook spek, waarvan de waarde hierdoor wordt verhoogd. Bij het uitsnijden van een schouder van een vleesvarken laten we meer spek op de schouder, omdat dit vlees met een klein vet randje wellicht vers verkocht kan worden. Op de volgende manier wordt de schouder afgesneden. Het borstbeentje wordt voorzichtig ingezaagd en wel op die plaats waarvan we weten, dat er geen buikspek aan de schouder blijft en ook evenmin schoudervlees aan de buik wordt gelaten. In de regel kunnen we 3 ribbeentjes op de schouder laten zitten als we de vierde rib iets opzij duwen. Vanaf het punt, waar de karbonade doorgezaagd is, zetten we het mes verticaal in het spek en snijden met één snede door het spek, zodat we een mooie rechte snijkant verkrijgen. Met de linkerhand beuren we daarna het pootje op en maken met het mes een rechte snede door het zwoerd en spek tot het vlees bereikt is. Daarna leggen we de schouder terug op de werkbank. Het schouderblad nemen we vast en het magere vlees kan gemakkelijk van het vlies van het spek worden afgesneden (afb. 433). Door deze werkwijze wordt een mooie gave strook spek verkregen. Bovendien heeft dit het grote voordeel, dat het overtollige spek bij het verkopen van het schoudervlees niet afgesneden behoeft te worden en zodoende geen vetsnippers worden gemaakt. HS 17 257 HOOFDSTUK 3 SPEK EN DE HANDEL IN SPEK W anneer wij een beschrijving van spek geven bepalen wij onze aandacht eerst bij het varken. Van alle huisdieren is het varken spoedig vet te mesten, aangezien het tot de alles-eters behoort. Uiteraard heeft het toegediende voedsel een zeer grote invloed op de kwaliteit en hoedanigheid van het te vormen spek bij het desbetreffende dier. Zulks blijkt dan ook wel onmiddellijk na de slachting. Het is vanzelfsprekend, dat het spek van varkens, die gevoederd zijn met granen en meelsoorten, met bijvoeging van karnemelk, kwalitatief hoger is aan te merken, dan het spek van varkens, die met alle mogelijke afval-producten zijn gevoederd. In de eerste plaats denk ik hierbij aan de voedering met vis en/of vismeel ; zulks heeft een zeer funeste invloed op geur en smaak van het spek. Het kan dan zelfs glazig en geel van kleur zijn en slap van substantie worden, met een uitgesproken geur en smaak naar vis, zodat het voor consumptie vrijwel geheel ongeschikt wordt. Het is dan ook van belang, dat het voederen met dergelijke producten minstens drie maanden voor het slachten gestaakt wordt. Uitsluitend voederen met aardappelen en keukenafval, zogenaamde kliek, is van grote invloed op de hoedanigheid van het spek. De varkens worden hier wel spoedig vet van en verkrijgen een behoorlijke spek-aanwas, doch van een zeer slappe consistentie. Welke varkens leveren ons het beste spek, dat voor consumptie het meest geschikt is te noemen? Dan zou ik in de eerste plaats de zogenaamde fijne varkens willen vermelden, welke op zeer jeugdige leeftijd zijn gecastreerd. Zij toch leveren na behoorlijke afmesting kwalitatief het beste spek. Het spek van zeugen, alhoewel dit na langdurige afmesting een behoorlijke dikte kan verkrijgen, is daarentegen minder waardevol te noemen. Het zwoerd is dikker en, nadat dit spek een zout- en rookbehandeling heeft ondergaan beduidend stugger en harder dan bij het spek van fijne varkens. Spek van het ongecastreerde mannelijke varken kunnen wij als zodanig buiten beschouwing laten, daar dit de naam van spek niet verdient : het is namelijk meer een eeltplaat met een laag vetgehalte en zal als spek door geen enkele cliënt begeerd worden. Wanneer wij het varken gaan ontleden, afsnijden zoals men dit noemt, dan verkrijgen wij drie soorten spek en wel ten eerste het wang- of kinnebakspek, dat op verschillende wijzen in de slagerij productief is te maken. Het in de winkel in verse staat verwerken van genoemd kinnebakspek schenkt ons de volgende mogelijkheden : het opsnijden als zogenaamde speklapjes (iets billijker in prijs dan doorregen buiklappen) en voorts het tot gehakt verwerken van het kinnebakspek. Meer mogelijkheden tot verwerking van bovengenoemd artikel staan ons echter in de worstmakerij of zouterij ten dienste. Ten eerste laat het wangspek zich uitstekend zouten om vervolgens in al of niet gerookte staat gekookt te worden gedurende 4 uur op ca 78 ° C. Wel verdient het aanbeveling het kinnebakspek afzonderlijk te pekelen, aangezien dit in de pekel nogal wat bloeddelen afscheidt waardoor de pekel te vroegtijdig verontreinigd zou worden. Ook kan wang- of kinnebakspek uitstekend benut worden voor het vervaardigen van spekblokjes, te gebruiken bij bloedworstbereiding. In gemalen toestand kan het zeer goed gebruikt worden bij de vervaardiging van kookworstsoorten, daar het wangspek tijdens het koken niet zo spoedig tot zogenaamd afzetten in de worst overgaat, hetgeen bij andere vet- en speksoorten veel eerder het geval is (o.a. broek- of vangvet, rugspek enz.). Om wangspek uit te smelten is niet zo aanbevelingswaardig, gezien het lage smeltresultaat, zijnde ca 55 % vet ; het overige deel gaat verloren aan kanen en uitdamping. Omdat het uitgesmolten wangspek betrekkelijk zacht van substantie is, doet men goed dit te vermengen met gesmolten reuzel en/of pluk- en darmvet. Behalve pekelen of zouten of uitsmelten is het nog mogelijk om in een tijd van een teveel aan wangspek het overtollige deel in te vriezen en zodoende te bewaren tot een periode, waarin men het beter benutten kan. Export van wangspek naar andere landen, zoals dit met buikspek en in bijzondere mate met rugspek geschiedt, vindt bijna niet plaats en dit kunnen wij gevoegelijk buiten beschouwing laten. Ook het inblikken van gestoomd kinnebakspek is een uitnemende manier van conserveren en door aan het wangspek nog enige magere delen te laten zitten bij het afsnijden, verkrijgt men een heel aardig artikel, dat zich ook in de slagerij goed laat verkopen. Bepalen wij nu onze aandacht bij het zogenaamde doorregen of buikspek. Ook hier zijn weer meerdere mogelijkheden tot verwerking, geheel afhankelijk van de behandeling, welke wij de varkensbuik laten ondergaan. In de eerste plaats is het van zeer grote betekenis met wat voor een soort varkensbuik wij te maken hebben. Om le kwaliteit mager gerookt spek of ontbijtspek te vervaardigen gebruiken wij nu eenmaal geen buiken van oude zeugen, om van de buiken van beren maar helemaal te zwijgen, omdat deze de naam van spek niet verdienen en zich beter lenen om vermalen te worden. Wanneer wij het verse buikspek in de winkel gaan gebruiken, voor directe verkoop aan het publiek, verwijderen wij eerst de platte ribbetjes hieruit, waarna wij het buikspek al of niet van zwoerd ontdoen ; vervolgens kan men het verkopen als de zo bekende doorregen varkenslappen. Opengespleten kan het ook als rand dienen voor het vervaardigen van een rollade. Gaat het buikspek naar de zouterij dan ontstaan ook weer vele mogelijkheden tot verwerking. Ten eerste na uitpelling der platte ribbetjes (waarbij het zwoerd niet verwijderd behoeft te worden) en na pekeling ontstaat het zogenaamde pekelspek, hetgeen voornamelijk in najaar en winter een veel gevraagd artikel is om bij zuurkool of dergelijke te gebruiken. Vanzelfspre HOOFDSTUK 4 VETTEN EN DE HANDEL IN VETTEN Rundvet en reuzel zijn van oude tijden af de meest essentiële voedingsmiddelen geweest voor de instandhouding van het menselijk lichaam. Als hoogwaardig voedsel zijn rundvet en reuzel producten van de eerste orde. Vandaar dat in tijden van mobilisatie en oorlog dierlijke vetten de eerste producten zijn die door de overheid op de lijst worden geplaatst van distributie en prijsbeheersing. In normale tijden zullen rundvet en reuzel steeds producten zijn die, hetzij voor directe consumptie hetzij voor verwerkingsdoeleinden, een belangrijke functie vervullen in het economisch verkeer. Ondanks de toenemende welvaart van de volkeren, ondanks toenemend gebruik van margarine en plantaardige vetten, ondanks toenemende dieetvoorschriften van H.H. medici tot minder vetgebruik, blijven rundvet en reuzel essentiële producten om de mensheid te dienen, het zij voor voeding of anderszins. RAUW RUNDVET De handel in rauw rundvet wordt actueel zodra het vet na slachting is vrijgekomen en op een koele plaats wordt bewaard. Voor de slachtende grossier in vlees en voor de zelfslachtende slager is de vethandel geen hoofdbestanddeel van hun uitvoerend bedrijf. Vandaar dat de groothandel in vlees heel vaak het rundvet verkoopt aan de speciale vethandel. De speciale vethandel gaat het rundvet separeren d.w.z. het z.g. dikke en dunne vet te bestemder plaats verkopen om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen. Enerzijds zal de vethandel voor het gesepareerde dikke vet een goede prijs kunnen vragen bij slagers die over een klantenpubliek beschikken met vraag naar dik rauw vet. Anderzijds zal de vethandel naar de mogelijkheden zoeken om het dunne vet te plaatsen bij slagers die over een klantenpubliek beschikken dat vraagt naar vet tegen voordeliger prijs. Deze gang van zaken is in de loop van het jaar echter sterk afhankelijk van verschillende factoren als jaargetijden w.o. warm en koud weer alsmede de aanvoer van slachtvee met goede of minder goede slachten vet. Bij warm zomers weer is er uiteraard weinig vraag naar vet omdat het menselijk lichaam minder weerstand heeft te bieden tegen koude. In deze maanden, nl. van Juli tot medio October wordt veel vet geproduceerd door het rund in de weide. In deze maanden komt aan ieder slachthuis veel rundvet beschikbaar dat niet volgens de bovenomschreven gang van zaken van grossier - vethandel - slager - consument tot zijn bestemming komt. Vooral in deze maanden worden de vetsmelterijen actueel in de schakel van de handel in vetten. Vrijwel al het dunne vet dat in deze maanden wordt geproduceerd alsmede grote partijen dik vet komen in de smeltketel terecht om dit in gesmolten toestand te bewaren tot de tijd dat de consument hiervoor belangstelling heeft, welke belangstelling gemeenlijk samenvalt met de wisselvalligheden van ons klimaat. GESMOLTEN RUND VET Is rauw rundvet betrekkelijk korte tijd houdbaar, als gesmolten product krijgt het meer mogelijkheden voor de handel. Rauw rundvet exporteren komt hoegenaamd niet voor. Onze Oosterburen hebben voor rundvet niet die interesse die wij er zelf voor hebben. België heeft als regel zelf een rundvetsurplus omdat margarine en boter méér nog dan bij ons de plaats van rundvet heeft ingenomen. Hetzelfde kan worden gezegd van Frankrijk. Het rundvet smelten is tot heden nog de meest geschikte conservering. Als gesmolten product is het geschikt, in daarvoor bestemde emballage (vaten) landsgrenzen te passeren en kan het verzonden worden van en naar alle landen ter wereld. Vóór de tweede wereldoorlog was Amerikaanse premierjus in ons land een bekend en gewaardeerd product. Grote partijen gesmolten vet uit België vonden in Nederland goede belangstelling. De laatste jaren is Australisch vet een belangrijk importproduct dat de markt van vraag en aanbod mede in evenwicht brengt. Met nadruk zeggen wij „mede in evenwicht brengt" want uiteindelijk zijn het niet de buitenlandse importen van gesmolten vet die vraag en aanbod beheersen maar dat is en blijft wat ons land betreft de consument, of wil men „de kopende huisvrouw". Het is merkwaardig dat in de loop der jaren het gesmolten rundvet als eetbaar vet bij de consument aan populariteit heeft ingeboet. Voor de consument is rundvet en met name gesmolten vet een vertrouwensproduct. Van oudsher heeft de Nederlandse consument bij voorkeur zelf zich voorzien van rauw vet om het zelf te smelten en te bewaren in Keulse potten. In tijden van goedkoopte wist vrijwel iedere slager zijn adressen waar hij zijn overtollig surplus rundvet kon plaatsen. Weliswaar is deze methode van voorraadvorming bij de Nederlandse consument minder gebruikelijk geworden, de voorkeur voor rauw rundvet „rechtstreeks bij de slager gehaald" is blijven bestaan. Gesmolten vet van buitenlandse herkomst heeft het nadeel dat de kwaliteit vaak oncontroleerbaar is. Zonder hierop nader in te gaan is het in ieder geval merkwaardig dat de consument het zuivere Hollandse rundvet prefereert en wij zeiden het reeds, het is de consument die de HOOFDSTUK 5 VLEES VOOR DE VLEESWARENBEREIDING Ieder dier heeft zijn bepaalde eigenschappen ten aanzien van de consistentie van het vlees, alsmede van de smaak. Het vlees van een rund wijkt bijvoorbeeld in sterke mate af van het vlees van het varken, terwijl het vlees van een schaap weer anders is. Met deze eigenschappen van het vlees moet natuurlijk de man die vleeswaren of worstsoorten gaat bereiden terdege rekening houden. Het is echter juist het vakmanschap van de betreffende persoon, die hier richting en leiding moet geven om het vereiste vlees te gebruiken voor een bepaald artikel, terwijl een bepaalde vleessoort tevens op de juiste wijze moet worden behandeld, wil het voldoende tot zijn recht komen. Daarom zullen wij hieronder de verschillende diersoorten, alsmede de geaardheid van het vlees van deze dieren onder de loupe nemen om aldus te komen tot een globale indeling van de bestemming van het vlees. RUNDEREN Wij hebben hier een groep dieren, welker vlees een welhaast onmisbare functie vervult bij de bereiding van een heel groot aantal worstsoorten en vleeswaren. Wij stellen met opzet de vleeswaren op de tweede plaats, omdat het rundvlees meer als grondstof voor de bereiding van worstsoorten dan voor fijne vleeswaren gebruikt wordt. DE STIER Vlees van de stier is in het bijzonder geschikt voor de bereiding van verduurzaamde worstsoorten die heel mager moeten zijn of voor de gekookte worstsoorten. Vereiste is echter, dat wij hier te maken hebben met een goed magere stier, die bij voorkeur ook niet al te oud mag zijn. Voor de kookworstsoorten speelt deze ouderdom in minder sterke mate een rol dan bij de verwerking van stierenvlees in verduurzaamde worstsoorten, daar de eerste voor de nuttiging worden gekookt, terwijl de laatstgenoemde worstsoorten rauw worden gegeten. Het vlees van oudere stieren leent zich minder goed voor de bereiding van rookvlees, pekelvlees etc. omdat dit vlees nogal grof is van vezel en daardoor voor de rauwe consumptie minder mals. Ook bij pekelvlees, dat we wordt gekookt, komt vlees van een oude stier minder in aanmerking, daar de stukken nogal groot en grof zijn en de vezel van het vlees stug. Wij kunnen dus het vlees van de stier alweer onderverdelen in verschillende groepen, waarvan wij noemen : de oude magere stier; de vette oude stier ; de magere jonge stier en de vette jonge stier. Jonge stieren kunnen gevoeglijk worden verwerkt tot alle vleeswaren en worstsoorten, waarin rundvlees wordt voor- HS 19 geschreven. Zowel voor het bereiden van rookvlees, pekelvlees als voor de grondstof in verduurzaamde worstsoorten, kookworstsoorten en in enkele leverworstsoorten is het vlees van de jonge stier bijzonder goed geschikt. Wij kunnen het vlees van een stier het best verwerken in slachtwarme toestand, daar dit vlees dan de hoogste bindkracht zal bezitten. Daartoe wordt het in slachtwarme toe- stand uitgebeend en uitgezeend, waarna het door de 14 mm-plaat wordt gedraaid. De verkregen grove stukjes vlees worden nu vermengd met per kg 20 g keukenzout, 1 g salpeter en 1 g suiker. Van dit zout, de salpeter en de suiker wordt eerst een mengsel gemaakt, welk mengsel dan aan het gedraaide vlees wordt toegevoegd. Na grondige menging wordt het nu aangezouten slachtwarme vlees in bakken gedaan. Echter niet te dikke lagen vormen, daar anders gevaar voor verstikking zal optreden; het nog enigszins warme vlees kan hierdoor beter uitwasemen. De bakken met vlees worden nu in de koelcel geplaatst. In de meeste gevallen zal echter geen verwerking van slachtwarm vlees kunnen plaatsvinden. Let wel, wij hebben hier het oog op de magere delen van de stier, zoals de hals, de dikke rib, de schenkels enz. De fijnere delen worden het liefst in de winkel verwerkt zoals de fijne rib, rib, lende enz. Moet het gehele dier voor de worst of als vleeswaren worden verwerkt, dan verdient de droge magere stier de voorkeur. Hamburger rib kan ook heel goed van een goed gedekte stier worden gemaakt, mits deze niet al te oud is. Wordt het vlees van een magere stier in koude toestand verwerkt dan ontdoen wij het vlees na het uitbenen eveneens van de zenen en snijden het in niet te grote stukken, die gemakkelijk een weg door de vleeswolf kunnen vinden. Door te grote stukken te nemen kan het vlees door het wormhuis worden gerukt, hetgeen leidt tot een veranderde consistentie van het vlees, dat door dit maalproces teveel te lijden krijgt. Op deze plaats willen wij er dan ook met nadruk de aandacht op vestigen, dat steeds met goed scherpe platen en messen en een goed functionnerende vleeswolf moet worden gewerkt. Alle kwetsing van het vlees veroorzaakt namelijk warmte en een stukscheuring van de cellen van het vlees, waardoor het vlees minder bindkrachtig wordt en bij het latere roken en koken aanleiding geeft tot geleiafzetting. Bij de vervaardiging van droge worstsoorten met gekwetst vlees zal het aanleiding zijn tot het ontstaan van een minder vast artikel, waarvan bovendien de kleur nog iets afwijkend kan zijn. Het vlees wordt nu door de 14 mm-plaat gedraaid en aangezouten met een mengsel, bestaande uit per kg vlees 20 g keukenzout, 1 g salpeter en 1 g rietsuiker. Het gehele mengsel van vlees en zout wordt grondig door elkaar gezet en dan vast in bakken of iets dergelijks aangedrukt. DE OS Hier kunnen wij weer onderscheid maken tussen de gemeste os, de magere os en de trekos. Zoals bekend is de os een gecastreerde stier, die door het castratieproces een veranderde consistentie van het vlees ondergaat. Vlees van de os is minder grof van draad, vooral de voorvoet is niet zo zwaar ontwikkeld als bij de stier. Van de gemeste os leent zich alleen voor de vleeswarenbereiding de achtervoet, waarvan de platte bil, de muis en ook de bovenbil tot rookvlees kunnen worden bereid. De borst, naborst en het klapstuk zijn in de meeste gevallen (als de os niet al te zwaar is) geschikt voor pekelvlees. Voor de bereiding van verschillende worstsoorten kunnen wij het magere vlees van de hals, de schenkels en de dikke rib heel goed aanwenden. De magere os kan van „kop tot staart" voor de vleeswaren- en worstbereiding worden genomen. Een uitzondering willen wij hier echter maken voor de trekos. Deze is namelijk wel mager, maar tevens is het vlees bijzonder stug van vezel door de zware werkzaamheden die dit dier heeft moeten verrichten. Voor de kookworstsoorten kan het vlees echter zeker goed worden verwerkt, daar het voor deze worstsoorten toch tot een grote graad van fijnheid wordt verkleind. Minder geschikt, doch wel te gebruiken is het vlees voor de bereiding van verduurzaamde worstsoorten, althans voor die soorten, die een behoorlijke fijnheid van het rundvlees vereisen, zoals bijv. Saucise de Boulogne en Wiener knakworst. Voor de verwerking van het vlees van de os gelden dezelfde bepalingen als reeds beschreven bij het vlees van de stier, zodat wij daarnaar kunnen verwijzen. DE KOE Het vlees van de koe is wel het meest verwerkte rundvlees, daar het aantal geslachte koeien het aantal geslachte stieren en ossen tezamen veelvoudig overtreft. Het vlees van de koe leent zich daarbij het best voor de vleeswaren- en worstbereiding, omdat het van een andere hoedanigheid is dan het vlees van een stier en een os. De vezel (ook wel de draad genoemd) van het vlees van de koe is n.l. veel fijner, waardoor het vlees zachter en malser is. Natuurlijk dienen wij hierbij weer een rijk onderscheid te maken tussen de vele variëteiten die het vlees van de koe biedt. Voor de bereiding van verduurzaamde of gekookte worstsoorten eigent zich het best het vlees van een magere, droge koe, waarbij de leeftijd volmaakt onverschillig is. Als het dier maar droog en mager is. Wij hebben hier het oog op de worstkoe van de beste eigenschappen voorzien. Natte koeien zijn heel moeilijk te verwerken, daar hun vlees een geringe bindkracht bezit. Speciaal voor verduurzaamde worstsoorten, alsook voor de bereiding van rookvlees — van welke aard ook — is dit vlees minder goed, zo in het geheel niet, geschikt. Niet alleen, omdat het vlees weinig bindkracht bezit, maar nog meer, omdat het in alle vleesvezels is voorzien van natte delen. Zou van dit vlees nu rookvlees worden vervaardigd, dan zal dit rookvlees slecht op kleur kunnen komen, terwijl het inwendig — zelfs bij een voldoende zout- en droogproces — toch altijd nat blijft. Bovendien gaat er veel gewichtsverlies verloren. Zowel van jonge als oude dieren, die nogal aan de vette kant zijn, kan voor de worstbereiding toch altijd heel goed de hals, de schenkels en in vele gevallen ook de dikke rib worden gebruikt. Van de achtervoet kan voor rookvlees worden genomen de platte bil, de bovenbil en de muis. Vlees van een prima rijpe koe van 4 tot 8 tanden bijvoorbeeld is bijzonder goed voor het uitsnijden voor winkelverkoop, maar daarentegen minder geschikt voor de vleeswaren- en worstbereiding, althans de meeste delen ervan. Hierbij denken wij voor de verwerking in de worst aan de hals, de dikke rib en de schenkels. Voor rookvlees zijn de platte bil, de muis en in mindere mate de bovenbil goed geschikt, terwijl de borst, naborst en dunne klaprib goed zijn voor pekelvlees. DE PINK Daar dit een dikwijls aanmerkelijk jonger dier betreft komt het verschijnsel van overdadige vetaanzetting hier meestal niet ter sprake. Natuurlijk, ook in deze zijn er uitzonderingen, die de regel bevestigen, maar dan toch wel in aanzienlijk mindere mate dan bij de koe. Een goede magere pink kan van voor tot achter voor de bereiding van vleeswaren en worstsoorten worden gebruikt, waarbij de incourante delen in de worst en de mooie vaste stukken voor vleeswaren zullen worden gebruikt. Het vlees van de pink bezit een behoorlijke bindkracht, is alleen wat bleker van kleur dan het vlees van de koe. HET GRASKALF Nog bleker van kleur is het vlees van het graskalf. Dit is een in de weide doorgegroeid nuchter kalf van om en bij 3 tot 5 maanden oud. Het vlees van het graskalf kan in alle worstsoorten heel goed worden verwerkt, omdat het een goede bindkracht bezit en daarbij lekker zacht van consistentie is. Wie een goede kwaliteit boterhamworst, lunch- worst, gekookte worst of welke andere kookworstsoort wil vervaardigen doet verstandig aan het worstdeeg een bepaalde hoeveelheid graskalfsvlees toe te voegen. Uitsluitend graskalfsvlees kan natuurlijk ook worden gebruikt, maar dan moet men zich wel voor ogen houden, dat de kleur van het verkregen artikel aan de bleke kant zal zijn, omdat graskalfsvlees betrekkelijk weinig kleurferment bezit. Daar is het vlees nog te jong voor. Ook moet worden bedacht, dat vlees van het graskalf na het voorzouten niet al te lang in aangezouten toestand dient te worden bewaard, daar anders een deel van de bindkracht van het vlees verloren gaat. Trouwens, dit geldt — zij het in iets minder sterke mate — voor alle vleessoorten. Als regel kan worden gesteld, dat vlees van een stier, os of koe niet langer dan ten hoogste 3-5 dagen (dit hangt veel af van de consistentie van het betreffende vlees) in aangezouten toestand moet worden bewaard. Voor graskalfsvlees doet men goed deze tijd te stellen op 2 tot 3 dagen. De beste resultaten zullen worden verkregen met graskalfsvlees dat 24 uur is aangezouten. Het komt wel eens voor, dat de platte bil en muis aan elkaar worden gezouten voor rookvlees. Dit is zeker mogelijk, al willen wij hierbij opmerken, dat dit rookvlees ten eerste bleek van kleur en ten tweede minder pittig van smaak zal zijn dan rookvlees, vervaardigd van het vlees van de koe. gehakt, maar moet het heel blijven, omdat anders een goed gebruik ervan niet mogelijk is. Ook het broeien en schrapp en van het speenvarken zal heel voorzichtig dienen te geschieden, opdat het niet wordt beschadigd. Wordt een speenvarken voor etalagestuk of tafelstuk verwerkt, dan wordt het met gekruid gehakt, danwel het een of andere worstdeeg gevuld. LOPERS Dit zijn varkens van om en bij 8 tot 10 weken oud. Ook deze varkens worden voor de vleeswarenbereiding vrijwel niet gebruikt, omdat zij weinig vlees opbrengen. ZOUTERS EN BACONVARKENS Deze kunnen zeker in één adem worden genoemd, omdat zij wel bijzonder dicht bij elkaar liggen. Deze varkens zijn — zoals de naam reeds doet uitkomen — in het bijzonder geschikt om voor de zouterij te dienen. Vooral het bacon van zulke varkens is heel geschikt, omdat deze varkens mooi droog vlees bezitten, terwijl zich nog geen dikke spekrand op de rug heeft gevormd. Bovendien wordt bacon verkregen van niet te groot gewicht, hetgeen eveneens een punt in hun voordeel is. Behalve voor bacon zijn de varkens echter eveneens zeer geschikt voor de bereiding van enkele verduurzaamde worstsoorten, zoals Gelderse rookworst, snijworst enz. VLEESVARKENS Varkens van om en bij 80 kg geslachtgewicht zijn o.i. de beste varkens voor de slagers die veel worstsoorten en vleeswaren bereiden. Het mooie gewicht maakt, dat deze varkens vrijwel van kop tot staart aan de vleeswarenbereiding dienstbaar kunnen worden gemaakt, hetgeen zowel bij de zouters als bij de zwaardere vleesvarkens niet altijd kan worden gezegd. De hammen van deze varkens zijn heel geschikt voor gekookte achterham, rolham, nootham, rauwe achterham, hampunt enz. Er vallen weinig incourante delen af en deze kunnen heel goed voor de' bereiding van verscheidene worstsoorten worden aangewend. De strengen karbonade kunnen op vele manieren worden verwerkt. Vooral als iets zwaardere stukken bacon, waarbij het spek — dat meestal een geringe dikte heeft — op het vlees blijft. Verder als Kasseler rib, blaasham enz. De schouders zijn bestemd voor gekookte schouderham. De buiken kunnen worden aangewend voor ontbijtspek, hetzij gerookt of gekookt. Verder als gerookte buiken. De wangen kunnen heel goed worden gebruikt voor vette ham, terwijl zij natuurlijk bijzonder goed geschikt zijn bij de fabricage van verscheidene worstsoorten. SPEKVARKENS Deze kunnen eveneens voor de vleeswarenbereiding worden gebruikt, al moet worden opgemerkt, dat zij hiertoe minder geschikt zijn dan de vleesvarkens. Niet alleen, omdat het spekvarken zoveel vetter is — al is dit reeds een nadeel op zichzelf — maar bovenal, omdat de stukken vlees zoveel zwaarder zijn, waardoor zij zich minder gemakkelijk tot een delicate vleeswaar laten verwerken. Het spek van het varken kan heel goed worden gebruikt voor gerookt spek na voorafgegane zouting. Voor het overige gelden dezelfde regels als bij de vleesvarkens beschreven. VETTE EN MAGERE ZEUGEN Tussen deze twee soorten ligt een hemelsbreed verschil terwijl het bovendien van groot belang is hoe oud de betreffende zeug is. Een jonge zeug is zeker zo goed als een spekvarken, maar een oude zeug is minder gemakkelijk te verwerken, daar het vlees van deze dieren nogal grof van draad is, terwijl ook het vlees donker van kleur is. Vooral bij de bereiding van verduurzaamde worstsoorten kan dit van groot belang zijn. Een en ander staat nu eenmaal bij de worstfabricage nauw met elkaar in verband. Een vette zeug zal niet zo gemakkelijk aan de vleeswarenbereiding dienstbaar kunnen worden gemaakt omdat de stukken vlees te zwaar wegen en het vlees dikwijls gemarmerd is. Een magere zeug komt in verduurzaamde worst meestal beter tot haar recht dan een vette, omdat hier de aanwezigheid van vet grotendeels ontbreekt. Voor deze magere zeugen geldt echter, dat het vlees uitsluitend in gemalen toe- stand moet worden gebruikt. Voor gekookte of rauwe ham, ontbijtspek enz. is de magere zeug minder geschikt, omdat het vlees te grof zal zijn van draad. BEREN Dit zijn ongecastreerde mannelijke varkens. Het vlees van deze dieren mag uitsluitend voor vleeswaren of worstsoorten die rauw worden gegeten worden gebruikt. Door dit vlees is namelijk een reuk van urine merkbaar, welke reuk extra wordt opgewekt bij verwarming van het vlees. Daarom wordt van het vlees een braadproef genomen om vast te stellen hoe groot de onaangename reuk is. HET SCHAAP Het schaap wordt voor de vleeswarenbereiding vrijwel niet gebruikt. Zulks in tegenstelling met andere landen, waar wel degelijk schapevlees voor de worst wordt gebruikt, terwijl tevens in enkele landen een gezouten achterbout van het schaap als een ware lekkernij wordt beschouwd. Hieruit blijkt dus reeds, dat het vlees van het schaap heel goed voor de vleeswarenbereiding kan worden gebruikt en dat de enigszins scherpe smaak van het vlees geen beletsel zal zijn om een behoorlijk artikel af te leveren. Bij voorkeur verwerkt men de schouders en schenkels van het het schaap, terwijl ook de hals goed dienst kan doen. Het schapevlees voor gekookte worstsoorten wordt in hoeveelheden van 3 schapevlees, 3 rundvlees en 3 varkensvlees genomen, waarbij dan nog komt het vet enz. HET LAM Vlees van het lam kan eveneens worden genomen, maar het zal weinig voorkomen, daar lamsvlees altijd stevig aan de prijs is en men dus dit dure vlees niet zal verwerken. HET ZUIGLAM Hetzelfde geldt voor het vlees van het zuiglam, dat zo mogelijk nog duurder is dan dat van het lam. DE GEIT Hoewel practisch niet voorkomend dienen wij toch ook het vlees van de geit te noemen. Dit vlees is iets lichter van kleur dan schapevlees. Voor de verwerkingsmogelijkheden verwijzen wij naar het schaap. B. J. J. JANSSEN HOOFDSTUK 6 SPECERIJEN EN DROGERIJEN ALGEMEEN Wanneer wij iets over specerijen en drogerijen in het algemeen willen vertellen, plaatsen zich twee vragen op de voorgrond, welke eerst beantwoord moeten worden en wel 1. wat verstaat men eigenlijk onder specerijen, en 2. wat is het verschil tussen specerijen en drogerijen? Onder specerijen verstaat men natuurlijke planten- of vruchtendelen, die een bepaald, min of meer krachtig aroma bezitten en al naar hun karakter onder levensmiddelen, genotmiddelen of geneesmiddelen worden gerangschikt. Ook spelen specerijen bij sommige volkeren een rol bij hun religieuze gebruiken. Wat betreft het verschil tussen specerijen en drogerijen: meestal verstaat men onder specerijen de gewassen uit tropische landen en onder drogerijen de producten uit subtropische gewesten. Het zal duidelijk zijn, dat een zuivere grens tussen beide begrippen moeilijk te trekken is. Hoewel er uitgesproken specerijen zijn zoals peper, foelie, enz., zijn majoraan, basilicum e.d. uitgesproken drogerijen. Specerijen kan men indelen naar hun plantkundige afkomst. Zo zijn sommige specerijen de bloemknoppen van planten, zoals bijvoorbeeld de kruidnagelen. Andere specerijen ontstaan uit de zaden van de planten, zoals mosterdzaad, venkelzaad, enz. Ook de schors of de bast van de planten vormt soms de specerijen, zoals kaneel en cassia. Voor weer andere specerijen gebruikt men de bladeren van de plant, zoals de laurier. Ook ondergrondse delen worden gebruikt zoals bij gemberwortel en turmeric. En ten slotte worden ook wel de gehele bovengrondse gewassen geoogst, zoals bijvoorbeeld bij majoraan en tijm. Er bestaan zeer veel soorten specerijen (voor het gemak spreken wij in het vervolg alleen nog maar over specerijen, hiermede tevens drogerijen bedoelend), waarvan wij er hieronder enkele opsommen, zonder ook maar in het minst te willen beweren, dat wij met deze opsomming volledig zouden zijn: cassia turmeric (curcuma) laurier cardamom vanille lavas (levisticum) chillies anijszaad majoraan cubeben basilicum mosterdzaad foelie koriander paprika gemberwortel foenigrec pepermunt kaneel galangawortel pimpernelli kruidnagelen jeneverbes saffraan nootmuskaat kummel selleriezaad peper (karwijzaad) tijm piment kervel venkelzaad Spaanse peper komij nzaad Alvorens echter tot de bespreking van de verschillende soorten over te gaan moeten wij eerst nog enkele belangrijke factoren betreffende de eigenschappen van de specerijen nader bespreken. En dan willen wij ons allereerst afvragen, waaraan specerijen eigenlijk hun kenmerkende eigenschappen te danken hebben. Zoals gezegd zijn specerijen planten- of vruchtendelen, die een bepaald aroma bezitten. Waar komt echter dat aroma vandaan? En hoe constateren wij dan dat aroma? Specerijen nu prikkelen op de een of andere, al naar gelang hun soort, aangename of minder aangename, wijze onze smaak- en reukorganen. Deze smaak- en reukorganen zijn hoofdzakelijk in de neusholte gelegen, boven- en achterin, buiten de normale ademingscirculatie; ook onze smaakwaarneming heeft direct verband met de reukcellen in de neusholte. Alle smaak- en reukorganen nu worden geprikkeld door de in alle soorten specerijen en drogerijen aanwezige aetherische oliën. Deze aetherische oliën bestaan uit alle in de specerijen aanwezig zijnde vluchtige stoffen. In alle specerijen komen dus aetherische oliën voor, want als dit niet het geval zou zijn, dan zouden specerijen dus geen lucht en geen smaak hebben. Het gehalte aan deze oliën wisselt steeds : de ene specerij bevat veel meer olie dan de andere, terwijl van één soort specerijen, dus bijvoorbeeld van peper, in de ene soort veel meer olie voorkomt dan in de andere soort. Hiervoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. De kwaliteit van een specerij wordt dus bepaald door de kwaliteit van de erin aanwezige aetherische olie. Het gehalte aan aetherische oliën van specerijen is niet evenredig aan de kwaliteit van die specerijen, want een specerij met een grote hoeveelheid aetherische olie hoeft nog niet van prima kwaliteit te zijn en een specerij met een laag gehalte aan aetherische olie kan uitstekend van kwaliteit zijn. In dit verband zijn de eisen, die aan het specerij worden gesteld, zeer belangrijk : van één soort specerij gaat bijvoorbeeld een gedeelte naar de geneesmiddelen- industrie, een ander deel wordt door de extractie van oliën geleverd aan de reukstoffen-industrie (parfumerieën) en weer een ander deel gaat naar de levensmiddelen- sector. Al deze drie soorten kunnen aan één en dezelfde specerij geheel andere . eisen stellen al naar gelang het doel waarvoor zij bestemd zijn en gebruikt worden. Waar dus aan de ene kant van één soort specerijen verschillende eindproducten gevonden kunnen worden, onder andere door de verbouwing van de plant en de verzorging van de grond alsmede door het klimaat, enz., speelt ook aan de andere kant de verzorging van de specerij, als deze eenmaal geoogst is en verscheept wordt, een belangrijke rol. Zo speelt de verpakking bijvoorbeeld een grote rol, terwijl de wijze van opslaan van groot belang is. Zo is bij het verschepen van specerijen zeer belangrijk, dat niet de geringste vorm van broeiing kan optreden, want iedere temperatuursverhoging tijdens het transport olie, waarbij moet worden opgemerkt, dat al naar het land van oorsprong het olie-percentage verschillend is. Zo bevatten de Amboina-nagelen 20 tot 24 procent olie, de Madagascar- nagelen 18 tot 20 procent en de Zanzibar-nagelen 15 tot 19 procent. Uit het bovenstaande kan men concluderen, dat ook het malen van kruidnagelen een grote zorg vereist om zoveel mogelijk van de olie te behouden. Men spreekt bij gemalen kruidnagelen dikwijls over „gestoten nagelen", welke term afkomstig is van de in de oudheid veel gebruikte methode om kruidnagelen fijn te stampen in vijzels. Toen wij schreven over de verschillende maalsystemen bespraken wij o.a. het kwaliteitsverschil bij het malen op snellopende en langzaamlopende molens. Dit verschil nu treedt bij kruidnagelen al zéér sterk naar voren en aan de lucht van gemalen kruidnagelen kan men dus onmiddellijk constateren volgens welke methode ze gemalen zijn. De oogsten van kruidnagelen zijn zeer groot en men zal zich dan ook afvragen waarom bij dergelijke grote oogsten de kruidnagelen zo'n dure specerij vormen. Dit nu is het gevolg van de grote consumptie van kruidnagelen : niet alleen worden kruidnagelen als specerij gebruikt bij de worstfabricage, bij de banketbakkers, bij de inleggerijen, enz. doch bovendien worden uit enorme partijen kruid nagelen de aetherische oliën geëxtraheerd. Maar hiermee zijn wij er nog niet, want een heel groot percentage van de kruidnageloogsten gaat naar de Indische tabaksfabrieken. De inlanders zijn namelijk gewend hun „strootjes" te rollen met wat kruidnagel erin, hetgeen een voor hen zeer fijne aroma aan de sigaret geeft. De oliën, welke uit de kruidnagelen gedestilleerd zijn vinden zeer zeel toepassingen, waarvan wij bij voorbeeld de productie van de vanilline willen noemen (vanilline is een kunstproduct voor vanille). Verder worden de aetherische oliën van kruidnagelen zeer veel gebruikt bij de parfum-industrie, vooral in Frankrijk. Ook alle likeurstokers zijn gebruikers van kruidnagelen. Vermeldenswaard is nog, dat kruidnagelolie een ontsmettende werking heeft. Zo gebruiken bijvoorbeeld tandartsen kruidnagelolie als ontsmettingsmiddel. Zoals gezegd wordt uit kruidnagelen de bekende kruidnagelolie gedestilleerd. Als residu blijven dan over de zogenaamde „uitgestoomde nagelen". Let op : hierin zit een veel toegepaste vervalsingsmogelijkheid. Men koopt namelijk deze uitgestoomde nagelen op voor weinig geld en men vervalst er de echte kruidnagelen mee. Deze praktijk is daarom zo gevaarlijk, omdat de uitgestoomde kruidnagel er wat vorm betreft precies zo uitziet als de originele. Ook en vooral voor kruidnagelen geldt dus, dit product, hetzij heel, hetzij gemalen, van bona fide firma's te betrekken. PIMENT Aansluitend aan de kruidnagel willen wij eerst iets beschrijven van de piment, daar deze specerij qua smaak en geur wel wat lijkt op de kruidnagel. Piment vindt men hoofdzakelijk op Jamaica, het is de vrucht van de pimentboom ofwel Pimenta officinalis, welke boom in zeer geringe mate ook wel voorkomt in de omgeving van Mexico. Het vruchtje wordt geoogst als het nog niet geheel rijp is; na het oogsten wordt het direct in de zon gedroogd. De pimentkorrel lijkt wel wat op de zwarte peperkorrel, doch is iets groter van afmeting en is glad van oppervlak. Wanneer men piment goed proeft, dan bemerkt men dat het de eigenschap heeft naar verschillende soorten specerijen te smaken, in Engeland noemt men piment dan ook „allspice". Waar piment goedkoper is dan kruidnagelen gebruikt men gemalen piment dikwijls om gemalen kruidnagelen te versnijden om zodoende tot een lagere kostprijs te komen. Dat piment in smaak en geur overeenkomt met kruidnagelen wordt chemisch bewezen door het feit, dat zowel in kruidnagelen als piment eugenol voorkomt. GEMBER Onder alle specerijen neemt de gember een speciale plaats in, omdat deze plant op twee manieren van waarde is, namelijk als specerij en als speciale lekkernij, welke bij banketbakkers en bijvoorbeeld bij het dessert zeer gewaardeerd wordt. De gember is een plant, waarvan alleen de (ondergrondse) wortels gebruikt worden, de plant zelf heeft verder geen waarde. Deze plant, de Zingiber officinale wordt ongeveer 50 cm tot 1 m hoog en heeft stengels waaruit spitse, tegenoverelkaar staande bladeren ontspringen. Vaak komen in deze planten geen bloemen voor, daar de plant zich meestal door de wortelstok voortplant. Vermeldenswaard is, dat op het moment, dat de plant begint af te sterven het juiste ogenblik is gekomen om de wortels te oogsten. Dit oogsten moet zeer voorzichtig gebeuren, daar men met de spade of met de vork de wortel niet mag beschadigen, dit zou de kwaliteit zeer nadelig beïnvloeden. De wortelstok nu wordt, zoals gezegd, op tweeërlei manier gebruikt. De jonge uitlopers van de wortelstok nl. worden geschild, daarna gekookt en vervolgens geruime tijd in suiker of in stroop te weken gezet. Op deze manier wordt de geconfijte gember, de zogenaamde stem-gember verkregen. Dit is een pittige en aangename lekkernij, welke door velen zeer gewaardeerd wordt. De andere toepassing is, dat de wortelstokken ongeschild in de hete zon worden gedroogd en daarna worden verhandeld als de bekende specerij „gemberwortel". De gemberplant groeit in alle tropische gebieden van de gehele wereld, dus zowel in India, China, Japan, als in de tropische Amerikaanse en ook Afrikaanse gebieden. Een eigenaardigheid van de gember is, dat de plaats, waar de plant vandaan komt zeer veel invloed heeft op de smaaken reukeigenschappen van de plant. Gember bijvoorbeeld uit China smaakt anders dan gemberwortel uit Japan en smaakt ook volkomen anders dan de Afrikaanse gemberwortel. Ook de Amerikaanse soorten, welke echter niet zoveel gebruikt worden, hebben een typische eigen smaak en geven dan ook bij de verwerking een typisch eigen karakter aan het product, waarin het verwerkt is. Bij het verwerken van de specerijen hebben wij aangestipt, dat men bij verschillende handelaren een en dezelfde specerij kan kopen en toch een volkomen verschillende uitkomst kan hebben. Dit geldt wel heel speciaal voor gemberwortel, want als men vandaag gemalen gember koopt voor de worstmakerij van leverancier A, die bijvoorbeeld gemberwortel uit Japan importeert en men zou daarna van importeur B gemberwortel uit Afrika verwerken, dan zou de worst een volkomen andere en dikwijls niet gewenste smaak kunnen verkrijgen. PAPRIKA Paprika is hoofdzakelijk afkomstig uit Hongarije en uit Bulgarije, waarbij moet worden opgemerkt, dat in de handel de Hongaarse soorten wat kwaliteit betreft nog iets hoger staan aangeschreven dan de Bulgaarse. Voor zover bekend stamt de paprika oorspronkelijk uit Midden-en Zuid-Amerika en is in de middeleeuwen overgebracht naar Europa. In Amerikaanse gebieden komt de plant thans weinig meer voor, terwijl de verbouwing, het kweken, het bewerken en het verhandelen van de paprika op het ogenblik in Bulgarije en Hongarije een zeer belangrijk steentje tot de nationale welvaart bijdraagt. In Hongarije is de export van dit artikel geheel in handen van de staat en aIle export van paprika geschiedt dan ook via het Hongaarse ministerie van Landbouw. Dit ministerie ziet, gezien de belangrijke bron van inkomsten voor de staat uit paprika, zeer nauwlettend toe op de verbouwing, de bewerking en de verpakking van dit artikel, waar inderdaad de allergrootste zorg aan wordt besteed. De paprika eist een zeer grote zorg; het zou te ver voeren om deze bewerking hier geheel te gaan beschrijven, doch aan de hand van de resultaten onderscheiden wij de volgende soorten: Delikatess-Paprika (capseicine-vrij) Halbsuss-Paprika Delikatess-Paprika Rosenpaprika Edelsiiss-Paprika Scharfpaprika De paprika-soorten zijn in dit Iijstje opgesomd in alphabetische volgorde, waarbij wij willen opmerken, dat de kwaliteit "Edelsiiss" voor ons land de meest gebruikte en de beste is. De paprika-plant bloeit in Juni, terwijl de vrucht reeds tegen eind Augustus rijp en volwassen is. De vrucht wordt daarna geoogst en op de grond in de zon gedroogd. Een van de belangrijkste bestanddelen van de paprika is de capseicine, die zeer scherp is en uit de vrucht, zo niet geheel,dan toch gedeeltelijkverwijderdwordt. Vermeldenswaard is nog, dat paprika een zeer grote hoeveelheid vitamine bevat en weI hoofdzakelijk vitamine C. SPAANSE PEPER EN CHILLIES Verwant aan de paprika zijn de Spaanse peper en de zogenaamde chillies. De Spaanse peper, de naam zegt het aI, vindt men hoofdzakelijk in Spanje en ze schijnt ook uit Zuid-Amerika in de middeleeuwen naar Spanje overgebracht te zijn. De Spaanse peper is kleiner en platter dan de paprika en wordt in haar geheel, na ook gedr:oogd te zijn, in de handel gebracht. Daar de Spaanse peper dus geen bewerking ondergaat en de capseicine er in bewaard blijft is zij veel heter dan de paprika en minder aromatisch, hetgeen ook te maken heeft met het klimaat waarin de plant groeit. De paprika groeit namelijk in veel gematigder gebieden dan de Spaanse peper. Nog heter zijn de chillies, een hele kleine vorm van Spaanse peper, welke hoofdzakelijk uit Azie en Indie afkomstig is. De vrucht bevat een grote hoeveelheid capseicine, ook al omdat zij in volkomen tropisch klimaat wordt gekweekt. Zoals gezegd zijn chillies ontzettend heet. Het is dan ook het meest gangbare vervalsingsmiddel, of, zo men wil, versnijdingsmiddel van de echte peper. Men kan dit onmiddellijk constateren door het brandende gevoel hetwelk in de keel ontstaat na het proeven van een artikel waarin chillies zijn verwerkt. Toen de Keuringsdienst van Waren nog niet zo streng was, vervalste men peper door bijvoorbeeld aardappelmeel te nemen en er chillies bij te gooien. Zie verder hetgeen wij hierover onder peper schreven. Nadrukkelijk moeten wij hier nog bij vermelden, dat zowel Spaanse peper als chillies wel zeer heet zijn, doch niet het minste aroma bevatten. KORIANDER Koriander is een typisch product uit subtropische gewesten, het wordt hoofdzakelijk gekweekt in Noord-Afrika. Hierbij onderscheiden wij twee belangrijke soorten, namelijk het Marokkaanse korianderzaad en het Tunesische, waarbij de kwaliteit van het Marokkaanse korianderzaad op het hoogste plan staat. Men heeft ook elders geprobeerd koriander te kweken, namelijk in Frankrijk en zelfs ook in nog noordelijker gebieden zoals in Nederland. Wanneer de koriander geen zon genoeg krijgt bemerkt men onmiddellijk, dat de kwaliteit van de aetherische olie veel minder wordt, zodat de smaak en de reuk aanmerkelijk slechter zijn ondanks het feit, dat het gehalte aan olie gelijk blijft. Waar nog bij komt, dat de koriander zeer zwaar van schil wordt, zodat ze veel moeilijker te malen is. De oorzaak hiervan is, dat de grond waarin de plant hier gezaaid wordt veel te vet is, terwijl natuurlijk ook de weersomstandigheden bij de ontwikkeling van koriander in de noordelijker gebieden een grote rol spelen. Een bona fide specerijenhandelaar zal dan ook uitsluitend het zuivere fijn-aromatische korianderzaad uit Marokko in huis hebben en dit niet vermengen met de goedkopere soorten uit andere gebieden. MAJORAAN Majoraan is een in Zuid-Frankrijk veel voorkomende plant, welke tijdens en vlak na de bloei een heerlijke geur verspreidt. Majoraan wordtinzijngeheelgeoogst,dochwordt bij bijzonder fijne kwaliteiten ontdaan van de stengels. De beste kwaliteit majoraan wordt verhandeld als "majoraanblaadjes". Majoraan bevat een behoorlijk gehalte aan olie, waarvan een belangrijk deel naar de parfum-industrie gaat. De gedroogde en gemalen majoraan is een zeer fijne drogerij, welke men echter met verstand en met voorzichtigheid fioet gebruiken. Een specerijenhandel-van-kwaliteit verwerkt in die worstkruiden waar het in hoort het gemalen majoraan-blad. TIJM Ook tijm is afkomstig, althans de beste soorten, uit ZuidFrankrijk. Hij wordt gekweekt op heuvelachtige terreinen en men ziet daar dan ook lange rijen kleine ronde polletjes tijm staan. Ook in Duitsland wordt tijrn gekweekt van een uitstekende kwaliteit. Met het gebruik van tijm moet men zeer voorzichtig zijn, daar er ook nag een soort "exotische tijm" bestaat, welke voor de specerijenhandel in het geheel geen waarde heeft, daar de smaak hiervan "vloekt" met de smaak van aIle worstsoorten. Het kopen van tijm is dan ook evenals aIle andere hiervoor besproken producten zuiver een zaak van vertrouwen. B. J. DRIESSEN HOOFDSTUK 7 KLEURVORMING EN KLEURBEHOUD IN VLEESWAREN INLEIDING Hoewel de kleur van vleeswaren geen volledig beeld geeft van de kwaliteit van een product, is deze toch een belangrijke factor bij de beoordeling van de waarde. Bij een juiste behandeling van het te verwerken vlees zal echter in elk geval een product ontstaan, waarvan de mooie kleur de meest attractieve factor vormt. Het behoud van deze natuurlijke vleeskleur tijdens het koken wordt bereikt door gebruik te maken van kalium- of natriumnitraat (salpeter) en kalium- of natriumnitriet. Wanneer vlees nl. wordt gekookt of gebraden zonder gebruik te maken van een dezer stoffen gaat de aanvankelijk rode kleur snel over in bruingrijs bij rundvlees of grijswit bij varkensvlees. Om deze kleurverandering te verhinderen en de natuurlijke vleeskleur te behouden is reeds sinds eeuwen van salpeter gebruik gemaakt. Men kan vermoeden dat het kleurbehoudend effect van sal- peter is ontdekt door de toenmalige artsen, die salpeter gebruikten in hun medicijnen. In 1901 werd door Haldane een zeer uitgebreid onderzoek ingesteld naar de werking van salpeter op vleeswaren. Hij stelde vast, dat vlees, direct gekookt met salpeter, evenzeer verkleurde tot grijsbruin, evenals wanneer geen salpeter werd toegevoegd. Bleef dit vlees echter enige dagen staan in water waarin salpeter was opgelost en werd het daarna gekookt dan behield het we zijn kleur. Ook behield vlees zijn natuurlijke kleur indien dit gekookt werd onder toevoeging van nitriet. Uit onderzoekingen van Haldane bleek dat salpeter geen direct effect heeft op het kleurbehoud doch eerst moet worden omgezet in nitriet, om dit kleurbehoud te bewerkstelligen. Talrijke onderzoekingen zijn aan dit proces gewijd en hebben de kennis hierover uitgebreid. KALI SALPETER OF KALIUM NITRAAT In de practijk wordt practisch uitsluitend gebruik gemaakt van kalisalpeter hoewel men evengoed natronsalpeter aan kan wenden. De reden waarom kalisalpeter de voorkeur verdient boven natronsalpeter ligt in het feit dat dit laatste sterk water aantrekt en hierdoor niet geschikt is om in voorraad te houden. Door de ondervinding heeft men geleerd dat vers gemaakte pekel, samengesteld met zout en salpeter, nooit direct zulke goede resultaten geeft, als wanneer deze enige tijd in gebruik is. De reden hiervan is, dat in deze pekel na enige tijd een stijgend gehalte nitriet is aan te tonen, wat de kleurbehoudende werking op de vleeswaren uitoefent. Hieruit zou men kunnen afleiden dat men dus veel eenvoudiger nitriet zou kunnen gebruiken, omdat, als hiermede de gehele kleurvorming zou zijn verklaard, het gebruik van salpeter overbodig zou zijn geworden. Het blijkt echter uit de practijk, dat de zaak toch niet zo eenvoudig is als het wel lijkt. Gebruikt men nl. voor het zouten van gerookte vleeswaren (b.v. bacone.d.) uitsluitend nitriethoudend zout, dan geeft dit niet hetzelfde resultaat als wanneer hiervoor salpeter wordt gebruikt. Het gebruik van sal- peter berust dus op meer dan één werking. De bacteriën, die salpeter omzetten tot nitriet, versterken nl. de hoedanigheden die een snelle verkleuring tegengaan, zodat dus bij aansnijden van vleeswaren welke salpeter bevatten de kleur langer goed blijft dan bij gebruik van uitsluitend nitriet. Een belangrijke, remmende invloed blijkt salpeter uit te oefenen op de ontwikkeling van bepaalde soorten bacteriën. Bij de indeling der bacteriën kunnen deze in 2 grote groepen worden verdeeld nl. in aërobe en anaërobe soorten. Populair uitgedrukt kan men zeggen dat aërobe soorten in aanwezigheid van zuurstof en anaërobe soorten zonder zuurstof zich het beste ontwikkelen. Onder de anaërobe soorten bevinden zich de gevreesde verwekkers van worstvergiftiging, Clostridium botulinum, terwijl hieronder ook valt een bij bederf veel voorkomende Clostridium putrificum. Bij de fabricage van vleeswaren in blik constateerden verschillende onderzoekers dat salpeter deze soorten sterk in ontwikkeling remde. Zij deden dit door in een gedeelte der blikken wel, in een ander gedeelte geen salpeter te gebruiken. Alle blikken werden geënt met éénzelfde hoeveelheid van één der genoemde soorten bacteriën. Dat salpeter een duidelijk effect heeft op bacteriologische werking blijkt ook uit het feit dat van salpeter wordt gebruik gemaakt bij de kaasbereiding. Wanneer b.v. wei-gelatine wordt geënt met bepaalde bacteriën ontstaan hierin na korte tijd gasbellen, nog voordat bacteriekolonies met het oog zijn te zien. Voegt men aan deze weigelatine 0,5 - salpeter toe, dan ontstaat practisch geen gas, ook niet als de bacteriekolonies met het oog zijn waar te nemen. Uit dit voorbeeld blijkt mede dat salpeter naast zijn invloed op de kleur door vorming van nitriet nog op andere wijze aan het pekelproces deelneemt. Wanneer salpeter wordt gebruikt in pekel, zal deze, na enige tijd in gebruik te zijn geweest, een hoeveelheid nitriet bevatten, welk gehalte langzaam stijgt. Als voor het opsterken der pekel steeds nitriethoudend zout wordt gebruikt, dient hiermede rekening te worden gehouden. De hoeveelheid salpeter moet dan beperkt worden en mag dan niet te groot worden genomen. Er bestaat anders kans dat het percentage nitriet in het zout, tezamen met de nitriet welke uit de salpeter wordt gevormd, te hoog zou kunnen worden. Het veiligst is wel om uitsluitend salpeter te gebruiken en wel per 100 kg 2 kg salpeter. Bij gebruik van nitriethoudend zout is 1 kg per 100 kg zout voldoende. 1. Gelderse beenham. 2. Staartham. 3. Hollandse beenham. 4. Plaatham. 5. Rondsnitham. 6. Brabantse ham. 7. Coburger ham. 8. Hamspek. 9. Rolham. 10. Blaasham. 11. Rookvlees (bovenbil). 12. Nootham. Aan de hand van het bovenstaande blijkt dat het gebruik van salpeter om meer dan een reden gewenst is en wel : 1. Salpeter is de bron waaruit door bacteriën voortdurend nitriet wordt gevormd. 2. Bij gebruik van salpeter in gerookte vleeswaren, die niet worden gekookt, blijkt de kleurontwikkeling beter dan bij gebruik van nitriet. 3. Bij gebruik van salpeter is ook de kleurbestendigheid tegen inwerking van licht en zuurstof groter. 4. Salpeter heeft een remmende en in sommige gevallen een vernietigende invloed op de ontwikkeling van bepaalde soorten bacteriën. 5. Door het gebruik van salpeter zal bij het conserveren van vleeswaren het sterilisatie-effect gemakkelijker worden bereikt. NATRIUMNITRIET De toepassing van nitriet in vleeswaren dateert vanaf de ontdekking, dat niet de tot dan toe gebruikte salpeter, doch het hieruit ontstane nitriet, met de spierkleurstof de verbinding levert, welke ook door verhitting niet ontkleurd wordt. Hierdoor is het gebruik van natriumnitriet snel opgekomen. Men kan hiervoor ook kaliumnitriet gebruiken. Het gebruik van nitriet is populair geworden door direct de kleurbehoudende reactie te geven. Vooral in artikelen die direct gekookt worden is nitriet hèt middel om de worst op kleur te krijgen. Toch is ook de rol van nitriet in het kleuringsproces niet volledig opgelost. Indien men nl. een kookworstsoort uitsluitend kookt, of eerst kookt en daarna rookt, dan. heeft de worst een minder mooie kleur dan wanneer de worst vooraf wordt gerookt op een temp. van 30 à 35° C. Deze temperatuur blijkt een rol te spelen in het kleuringsproces. Ook op andere wijze is dit waar te nemen. Op het slagersproefstation viel het nl. op dat vleeswaren in blik, zoals boterhamworst, vaak niet zo mooi op kleur waren, als men kon verwachten. Om de kleur te verbeteren werden toen gevulde blikken gedurende 3 tot 4 uur verwarmd op een temperatuur van 35 ° C. Van de veronderstelling werd uitgegaan, dat de temperatuur op deze kleurvorming van invloed zou kunnen zijn. De proefblikken werden hierna gesteriliseerd tezamen met blikken, welke deze warmtebehandeling niet hadden ondergaan. De inhoud van de aldus behandelde blikken bleek bij opening inderdaad een veel betere kleur te vertonen. (Met nadruk moet hierbij worden opgemerkt dat na deze „warmtebehandeling" de blikken steeds onmiddellijk moeten worden gekookt.) Een afdoende verklaring is hiervoor niet te geven. Wel is het bekend dat nitriet ook op andere wijze kan reageren en wel met een bepaald gedeelte der eiwitten van het vlees welke de aliphatische aminogroep wordt genoemd. Bij deze reactie ontstaat uit het nitriet stikstof, waardoor de kleurbehoudende eigenschap verloren gaat. Deze reactie ontstaat vooral tijdens het koken. Men kan nu veronderstellen dat de temperatuur van 30 à 35° C voor de kleurbehoudende reactie zeer gunstig is en daardoor veel beter en sneller verloopt dan de andere, ongewenste, reactie. Ook nitriet blijkt op bacteriën invloed te hebben en een remmende werking op hun groei uit te oefenen. Een nadeel van nitriet is, dat dit bij onoordeelkundig gebruik niet ongevaarlijk is wegens de giftige eigenschappen. Onderzoekingen hebben evenwel aange- HS 20 toond dat een hoeveelheid van 12 mg nitriet per kg voldoende is om het vlees volledig op kleur te krijgen. Om nu het gevaar van vergiftiging te voorkomen mag nitriet slechts vermengd met zout in de handel worden gebracht. Gebruikt men nu ten hoogste 30 g zout per kg dan komt dit overeen met 18 mg nitriet, dus ruim voldoende om alle vlees op kleur te krijgen, zonder dat een nadelige werking op het menselijk lichaam mogelijk is. Van de direct-kleurende werking van nitriet kan in een bepaalde tijd van het jaar op een speciale manier profijt worden getrokken, nl. wanneer vrij veel nuchter kalfsvlees wordt aangeboden. Het nadeel van dit kalfsvlees is de zeer blanke kleur doordat dit weinig ijzerhoudende spierkleurstof bevat. Het verwerken van dit vlees heeft een nadelige invloed op de kleur der worst. Daar nu bloedkleurstof en spierkleurstof zeer nauw aan elkaar verwant zijn en chemisch op dezelfde wijze reageren met nitriet kan van deze eigenschap gebruik worden gemaakt. Bij de navolgende bewerking dient men echter steeds te bedenken, dat uitsluitend mager, vetvrij vlees moet worden gebruikt om het gewenste resultaat te verkrijgen. Nodig is hiervoor vers bloed, dat wordt voorgezouten met 30 g nitriethoudend zout per liter bloed. Dit blijft gedurende 24 uur staan waarbij het herhaalde malen flink wordt geroerd. Vlak voor het verwerken wordt het bloed onder stevig roeren voorzichtig tot 40° C verwarmd. Het magere, blanke vlees, dat men wil kleuren wordt nu uitgecutterd waarbij per 10 kg vleesmassa 1 à 2 theekopjes bloed worden toegevoegd, totdat de gewenste kleur is bereikt. Een nadeel bij gebruik van nitriet ontstaat, indien dit gedurende vrij lange tijd met zout vermengd blijft staan; het verliest dan zijn kleurende werking. De zuurstof der lucht is nl. in staat om het in het zout aanwezige nitriet om te zetten in nitraat (salpeter), waardoor het nitriet zijn directkleurende werking verliest. Dit is de reden, waarom op de meeste zakken nitriethoudend zout een datum vermeld wordt tot welke de kleurende werking gegarandeerd wordt. De kleurende reactie in vleeswaren blijkt dus van een aantal factoren afhankelijk, welke voor salpeter of nitriet beide gelden : 1. Nitrietopname door het vlees. Er moet dus steeds voldoende nitriet aanwezig zijn, om een volledige doorkleuring te krijgen. 2. Aanwezigheid van nitraat-reducerende bacteriën in salpeterpekel. De rol der bacteriën in nitriet-pekel is nog vrij duister, doch zij verbeteren wellicht de omstandigheden, om een snelle doorkleuring te verkrijgen. 3. Aanwezigheid van voldoende spierkleurstof (myoglobi- ne) in het weefsel, daar nitriet slechts kleurbehoudend werkt en zelf geen kleur heeft. 4. Een te hoge temperatuur schept omstandigheden waaronder bacterieontwikkeling zo versneld wordt dat de pekel en daardoor tevens het vlees zeer snel tot bederf kan overgaan. Een te lage temperatuur vertraagt de kleurgevende reactie en de bacteriële activiteit, zodat een onvoldoende kleurvorming dan het resultaat is. In het algemeen is het gewenst dat de temperatuur ligt tussen 6 en 10° C. DE INVLOED VAN SALPETER, NITRIET EN ZOUT OP BACTERIËN In het voorgaande is gewezen op het remmend effect van salpeter en nitriet op z.g. anaërobe bacteriën. Uit onderzoekingen bleek dat zout in een hoeveelheid van meer dan 4,5 % een zeer sterk remmend effect vertoonde. Ook salpeter in hoeveelheden van 4 % vertoonde dit effect, terwijl nitriet van meer dan 0,5 % sterkte hetzelfde resultaat gaf als salpeter en zout. Deze hoeveelheden hebben geen betekenis voor het practisch gebruik. SUIKERS In de vleeswarenbereiding zijn 2 soorten suiker toegestaan, nl. gewone suiker en de sedert enige tijd toegelaten glucose. Bij gebruik van gewone suiker maakt het geen verschil of hiervoor rietsuiker dan wel bietsuiker wordt gebruikt, daar beide in chemisch opzicht volkomen aan elkander gelijk zijn. Tussen suiker (saccharose) en glucose is echter wel duidelijk verschil. In uitgebreide onderzoekingen is nagegaan of suikers invloed hebben op de kleur van vleeswaren en op welke wijze deze tot stand komen. Hierbij is duidelijk geconstateerd dat de aanwezigheid van suiker invloed heeft op geur en smaak, op de zuurgraad en op de kleur. De invloed op geur en smaak is niet alleen te zoeken in de smaak der suiker, doch eveneens doordat de uit suiker gevormde glucose of de direct toegevoegde glucose door bacteriën wordt omgezet in melkzuur. Melkzuur is een der producten welke het vlees mede zijn bijzondere geur en smaak verleent. Het ontstaat eveneens in het slachtwarme vlees tijdens de eerste 48 uren. Dit rijpingsproces verleent het vlees door zijn vorming van melkzuur zijn zachtheid en smaak. De melkzuurvorming is ook bij het pekelen van invloed op de geur en smaak. Daarnaast heeft deze melkzuurvorming nog een andere belangrijke functie. De aanwezigheid hiervan doet de waterstofexponent pH (een maat voor de zuurgraad) der pekel dalen tot beneden 6. Nu is de pH van vers vlees ongeveer 5,6-5,8 terwijl deze bij oud vlees gestegen is tot 6,5 en hoger. Voor de bacterieontwikkeling ligt de pH waarbij zij het beste gedijen ongeveer tussen 6,8 en 7,3. Dit geldt voor vele soorten. Dit houdt dus in dat de lage pH tevens een rem- mend effect vertoont op de bacterieontwikkeling in de pekel. Belangrijk is daarbij dat de kleurvorming in het vlees hiermede verband houdt. Dat de kleurvorming in vers vlees altijd zeer goed is, is uit de practijk bekend. Dit effect blijkt verband te houden met de pH en wel zo dat bij de normale pH van vers vlees tevens de kleurwerking het gunstigst verloopt. Een onaangenaam verschijnsel bij gebruik van suiker mag hier niet onvermeld blijven. Soms treedt hierbij nl. het verschijnsel op dat bij gepekeld vlees of snijworst, waarbij naast salpeter suiker is gebruikt, tussen twee op elkander liggende plakken lange slijmdraden worden getrokken. De oorzaak ligt bij een bepaalde soort bacteriën zg. „dextran"-vormers. De enige wijze om dit euvel te voorkomen is een radicaal stopzetten der suikerverwerking. Bij vergelijking van bacon, gepekeld zènder en mèt glucose, was de kleur van laatstgenoemde mooier en langer standhoudend. Ook tegenover gewone suiker blijkt glucose in het begin van het pekelproces betere resultaten te geven, wat verband houdt met de omzetting van suiker in glucose, zoals deze is beschreven. In de practijk blijkt dat glucose of een mengsel van glucose en suiker een versnelde kleurvorming geeft, terwijl de kleurvastheid wordt verbeterd. Tevens is de omzetting van glucose tot melkzuur belangrijk voor geur en smaak en heeft door de verlaging van de zuurgraad invloed op de houdbaarheid van de pekel. PHOSPHATEN Over de werking der phosphaten bij de worstbereiding is nog weinig bekend. Alleen weet men uit de practische toe- passing dat de vetafzetting in de worst wordt tegengegaan. Het gebruik van phosphaten waardoor vetafzetting voor een groot gedeelte kan worden voorkomen kan een gevaar betekenen voor de kwaliteit der worst indien men het beschouwt als een middel om grote hoeveelheden vet in kookworstsoorten te gaan verwerken. Een volledige verklaring van de invloed der phosphaten in worst is nog niet gevonden. Men weet dat phosphaten deel uitmaken van zeer belangrijke verbindingen in het levend organisme. Het is wellicht mogelijk dat een gedeeltelijke verklaring van de werking der phosphaten op dit terrein zou kunnen liggen. Bij gesteriliseerde vleeswaren zoals luncheonmeat is meermalen geconstateerd dat phosphaten een invloed hadden op de kleur. De worst had meermalen een naar bruin overhellende kleur, terwijl dan bij onderzoek duidelijk bleek dat hierin phosphaten waren verwerkt. Een ander gevaar, dat de meeste slagers niet kennen, is dat door het gebruik van veel vet, het gevaar bestaat om in conflict te komen met de Warenwet, doordat het Federgetal der worst te hoog is. Dit wordt veroorzaakt doordat bij het uitcutteren van het vlees de hoeveelheid water of ijs, welke wordt gebruikt, zo wordt genomen zoals in oudere boeken wordt aangegeven. De daarin aangegeven hoeveelheid (16 was gebaseerd op een 65 % mager, 35 % vet verhouding. Nu met behulp van phosphaten deze verhouding soms wordt gewijzigd in 40 % mager en 60 % vet wordt nog 16 % water of ijs toegevoegd. Daar het Federgetal zich uitsluitend baseert op de verhouding water/eiwit en door het mindere gehalte vlees het eiwitgehalte der worst daalt, is het duidelijk dat de hoeveelheid van 16 % water of ijs veel te hoog is. Het gebruik van phosphaten is derhalve een aanleiding geweest om de ijs- of watertoevoeging op een andere basis te betrekken. Deze berekening is gebaseerd op het oude recept. Als basis voor de berekening werd nu gekozen 65 kg mager. Hierop werd dus verwerkt 16 kg ijs. 16 kg is nu 25 % van het gewicht van het mager, zodat nu de toevoeging uitsluitend werd gebaseerd op de hoeveelheid verwerkt mager. Verwerkt men dus 50 kg mager dan voegt men toe 25 % ijs = 122 kg; per 40 kg 10 kg ijs enz. Uit deze berekening ziet men duidelijk welk een groot verschil ontstaat als hierop de berekening wordt gebaseerd, waaruit tevens blijkt dat de grenswaarde van het Federgetal belangrijk wordt overschreden, indien hiermede geen rekening wordt gehouden. Het gebruik van phosphaten is in de practijk een belangrijk hulpmiddel gebleken, om zachte vetten en in de vorm van emulsies zelfs gesmolten vet te verwerken. Toch blijkt ook hier, dat een onnadenkend gebruik van phosphaten door deze te gebruiken als een hulpmiddel om zoveel mogelijk vet te verwerken, dit aan de w orstmakerij van de slager ernstige schade kan doen. Tevens dient acht te worden gegeven op de hoeveelheid ijs bij het cutteren, daar een grotere vetverwerking een lagere hoeveelheid ijs inhoudt, om een overschrijding van het Federgetal te voorkomen. D. M. MEIJ DAM GELDERSE ROOKWORST V Samenstelling : 3 kg mager rundvlees, 3 kg mager varkensvlees, 4 kg kinnebakspek (taai spek) en per kg 22 tot 26 g zout, 1 g salpeter, 1 g witte peper. Het rundvlees wordt gedraaid door de 4 mm-plaat en voorgezouten met 20 g zout en 1 g salpeter per kg en daarna weggezet tot de volgende dag. Het varkensvlees en het spek snijdt men aan eigrote stukjes en vermengt dit eveneens met 20 g zout en 1 g salpeter per kg en plaatst dit in de koelcel. De volgende dag wordt het gekoelde en gemalen rundvlees door de 2 mm-plaat gedraaid. (Het vlees wordt hierdoor lichter van kleur en tevens fijner, waardoor later wanneer de worst gekookt is, het rundvlees zachter is.) Nu doet men de stukjes varkensvlees en spek in de mengbak en voegt het fijngemalen rundvlees met het resterende zout en de peper aan de fijngemalen massa toe, vermengt alles goed, waarna men dit mengsel door de 3 mm-plaat draait om het daarna nog eens goed te mengen en af te stoppen. METWORST I, GROVE Samenstelling: 15 kg graskalfsvlees; 40 kg mager varkensvlees en 45 kg kinnebakspek. Bewerking: Men snijdt het graskalfsvlees in stukken en draait het door de 14 mm-plaat, zout dit met 20 g zout per kg en laat het daarna 24 uur goed doorkoelen. De volgende dag draait men het graskalfsvlees door de 4 mmplaat en vermengt het met 5 liter water, tot een taai deeg is verkregen. Dit deeg vermengt men met de stukken varkensvlees en kinnebakspek plus zout en kruiden en draait het tezamen door de 14 mm-plaat. Vooral goed . doormengen en afstoppen in dunne varkensdarmen tot mooie ronde worsten. Deze hangt men aan rookstokken en laat ze 24 uur drogen, daarna gedurende 36 uur koud roken, niet warmer dan 14° C tot ze mooi van kleur zijn. Samenstelling zout en kruiden per kg: 24 g zout, 1 g rietsuiker, 2 g kalisalpeter, 2 g witte peper, 2 g foelie en 2 g koriander. METWORST II, GROVE Samenstelling: 60 kg mager varkensvlees, 20 kg buikspek, 20 kg vet spek. Kruiden en zout per kg: 24 g zout, 2 g salpeter, 1 g suiker, 2 g peper, 1 g nootmuskaat. (Afb. 562) Bewerking: Vlees en spek tezamen door de 14 mm-plaat draaien, waarbij zout en kruiden, daarna goed doormengen en afstoppen in varkensdarmen. Afdraaien op een gewicht van 80 g, daarna 24 uur langzaam roken. METWORST, HOLSTEINER Samenstelling : 30 kg mager rundvlees, 50 kg mager varkensvlees en 20 kg rugspek. Bewerking : Het rundvlees draait men door de 8 mm-plaat. Het wordt voorgezouten met 20 gram zout per kg. Het mager varkensvlees : hiervoor neemt men vlees van jonge varkens, bij voorkeur van de schouder. Dit vlees wordt goed uitgezeend en in grove stukken gesneden. Het rugspek snijdt men in dunne plakken. Vlees en spek gedurende 48 uur in de vriescel goed laten doorkoelen. Verdere bewerking : Men draait het rundvlees door de 4 mmplaat, vermengt het met de stukken varkensvlees en het spek en laat dit in de cutter achtmaal ronddraaien. Op het laatste moment voegt men zout en kruiden toe, daarna goed doormengen, vaste ballen [maken en deze in de koelcel gedurende 24 uur goed laten doorkoelen. De volgende dag stopt men de worst in rechte runderdarmen, diameter 50 mm bij een lengte van 40 cm. De worst moet vervolgens 4 dagen drogen en daarna 2 dagen koud worden gerookt. Samenstelling zout en kruiden per kg: 32 g zout, 1 g rietsuiker, 2 g kalisalpeter, 2 g witte peper, 2 g koriander en g kruidnagel. ROOKWORST GROVE Samenstelling: 70 kg mager varkensvlees, 30 kg vet spek en kinnebakspek. Bewerking: Het mager varkensvlees snijdt men in stukken en laat het daarna gedurende 24 uur goed doorkoelen. Het spek snijdt men in stukken en laat dit ook goed doorkoelen. De volgende dag vermengt men het vlees en het spek tezamen met zout en kruiden en draait het door de 14 mm-plaat. Even doormengen en afstoppen in dunne varkensdarmen, enige uren laten opdrogen en daarna gedurende minstens 24 uur koud roken. Samenstelling zout en kruiden per kg: 22 g zout, 1 g rietsuiker, gg salpeter en 3 g witte peper. SMEERWORST I, BRUNSWIJKER Samenstelling: 45 kg mager varkensvlees en 55 kg zacht vet. Bewerking : Het mager varkensvlees wordt goed uitgezeend en daarna in grove stukken gesneden, dit plaatst men 48 uur in de vriescel. Voor vet neemt men broekvet en vette snippers, deze worden in grote stukken gesneden en eveneens 48 uur doorgevroren. Verdere bewerking : Men draait eerst het varkensvlees door de 2 mm-plaat; dit vermengt men met de stukken vet en draait het daarna tezamen door de 2 mm-plaat. Vervolgens in de cutter fijn cutteren tot het een zachte massa is. Op het laatste moment voegt men zout en kruiden toe, de massa moet zacht en smeerbaar zijn, maar mag tijdens het cutteren niet warm worden. Deze worsten stopt men in kromme runderdarmen, welke van tevoren vers opgeblazen zijn. De worsten worden gestopt op een gewicht van 200 gram (men kan ook cellophaandarmen gebruiken), vervolgens aan rookstokken opgehangen en gedurende 24 uur voorgedroogd, daarna 2 dagen koud gerookt tot ze mooi goudgeel van kleur zijn. (Afb. 561) Samenstelling zout en kruiden per kg: 26 g zout, 2 g rietsuiker, 5 g kalisalpeter, 2 g witte peper en 1 g paprika. SMEERWORST II, BRUNSWIJKER Samenstelling : 20 kg mager rundvlees, 30 kg mager varkensvlees en 50 kg zacht spek. Bewerking : Het mager rundvlees snijdt men in stukken. Het wordt vers in de vriescel geplaatst. Het mager varkensvlees wordt eveneens in stukken gesneden en in de vriescel geplaatst. Het zachte spek laat men ook in stukken be vriezen waarvoor het 2 dagen in de vriescel wordt geplaatst. Verdere bewerking : Eerst wordt het mager rundvlees door de 2 mm-plaat gedraaid en, vermengd met de stukken mager varkensvlees, wederom door de 2 mm-plaat gedraaid. Hierna voegt men de stukken spek en vet plus zout en kruiden toe en nu wordt de gehele massa nogmaals door de 2 mm-plaat gedraaid. Vooral goed doormengen en daarna afstoppen in kromme runderdarmen of cellophaandarmen, op kleine worstjes afbinden, gewicht 150 gram, daarna 24 uur laten drogen en 2 dagen koud roken, ternperatuur van de rokerij 14° C. (Afb. 561) Samenstelling zout en kruiden per kg : 28 g zout, 1 g rietsuiker, 2 g kalisalpeter, 2 g witte peper, 1 g paprika en 4 g foelie. SMEERWORST III, BRUNSWIJKER Samenstelling : 50 kg vet rundvlees, 50 kg buikspek. Bewerking : Men neme bij voorkeur vlees van een vette koe, de puntborst en klapstuk. Het vlees wordt warm uitgebeend en in lange repen in de koelcel opgehangen, bij een temperatuur van 2 graden boven nul. Het buikspek wordt afgezwoerd en ook in dunne repen in de koelcel doorgekoeld. Rundvlees en buikspek moeten 48 uur doorkoelen. Verdere bewerking : Men draait eerst het rundvlees door de 2 mm-plaat. Dit daarna vermengd met het stuk gesneden buikspek wederom door de 2 mm-plaat draaien. Men laat nu dit gemalen vlees weer 24 uur goed doorkoelen in platte bakken, het mag niet te dik op elkaar liggen, bijv. niet hoger dan 8 cm. Vervolgens vermengt men dit vlees met zout en kruiden en wordt het nogmaals door de 2 mmplaat gedraaid. Even doormengen en dan afstoppen in kromme runderdarmen of cellophaandarmen, kleine worstjes van 100 tot 150 gram, daarna laten drogen gedurende 24 uur. Vervolgens 2 x 24 uur koud roken. (Afb. 561) Samenstelling zout en kruiden per kg : 24 g zout, 2 g rietsuiker, 2 g kalisalpeter, 2 g witte peper, 2 g paprika en 2 g nootmuskaat. SMEERWORST, FIJNE Samenstelling : 40 kg vet rundvlees, 20 kg mager varkensvlees, 40 kg zacht spek. Kruiden en zout per kg : 22 g zout, 1 g salpeter, 1 g suiker, 2 g peper en 1 g nootmuskaat. Bewerking : Vlees en spek 2 dagen goed koelen en daarna door de 2 mm-plaat draaien, hierna 5 maal in de cutter laten lopen en vervolgens afstoppen in kromme darmen ; 24 uur drogen en daarna koud roken. (Afb. 559) SMEERWORST, RAUWE GeITTINGER Samenstelling : 30 kg vet rundvlees, 30 kg mager varkensvlees, 40 kg zacht spek. Kruiden en zout per kg : 24 g zout, 1 g salpeter, 3 g suiker, 2 g peper, 1 g paprika. Bewerking : Vlees en spek 1 dag invriezen bij een temperatuur van —10° C. (Afb. 565) De volgende dag alles tezamen door de 2 mm-plaat draaien, onder bijvoeging van zout en kruiden; afstoppen in cellophaandarmen, 24 uur drogen en daarna 36 uur koud roken. THEEWORST Samenstelling : 30 kg mager rundvlees, 40 kg mager varkensvlees en 30 kg rugspek. Bewerking : Het rundvlees wordt door de grove plaat ge draaid, voorgezouten met 20 gram zout per kg en 48 uur goed doorgekoeld. Het mager varkensvlees snijdt men in stukken. Dit wordt eveneens voorgezouten met 20 gram zout per kg. Het spek snijdt men aan dunne plakjes. Vlees en spek 2 dagen in de koelcel doorkoelen bij een temperatuur van 2 graden boven het vriespunt. Verdere bewerking : men draait het rundvlees door de 4 mmplaat, vermengt dit met het mager varkensvlees en het spek plus zout en kruiden en draait dit tezamen door de 4 mmplaat. Goed doormengen en vervolgens afstoppen in rechte runderdarmen, wijdte 50 mm of cellophaandarmen, tot worstjes van 10 cm lang. Men laat deze daarna 48 uur drogen en 2 dagen koud roken. (Afb. 560) Samenstelling zout en kruiden per kg: 20 g zout, 1 g rietsuiker, 2 g kalisalpeter en 2 g witte peper. THEEWORST, GROVE Samenstelling : 20 kg mager rundvlees, 40 kg mager varkensvlees en 40 kg buikspek. Bewerking : Het rundvlees draait men door de grove plaat 565. Rauwe Gottinger smeerworst. 566. Verse cervelaatworst. waarna het wordt voorgezouten met 20 gram zout per kg. Dit laat men 24 uur doorkoelen. Het mager varkensvlees en het buikspek snijdt men in grove stukken en laat men vers gedurende 2 dagen in de vriescel doorkoelen. Verdere bewerking: Men draait het rundvlees door de 3 mm-plaat en vermengt dit met de stukken varkensvlees en het buikspek en voegt hier zout en kruiden aan toe. Vervolgens draait men de gehele massa door de 8 mm-plaat, daarna doormengen en afstoppen in rechte runderdarmen of cellophaandarmen van 60 mm tot kleine worstjes van 14 cm lengte. De worstjes worden aan rookstokken gedurende 2 dagen in de droogkamer gehangen bij een ternperatuur van 14° C en 80 graden vocht en vervolgens nog 2 dagen koud gerookt. (Afb. 560) Samenstelling zout en kruiden per kg : 30 g zout, 2 g rietsuiker, 5 g kalisalpeter, 22 g witte peper en 2 g paprika. TOURISTENWORST (ALPENWORST) Samenstelling : 30 kg mager rundvlees, 45 kg mager var kensvlees en 25 kg vet spek. BOTERHAMWORST (van vet en mager vlees) Samenstelling: 42 kg vet en mager vlees, 8 kg spekplaatjes. Zout en kruiden : 26 g kleurzout, 3 g peper, 12 g foelie, 1 g stimulisator of glutaminaat voor smaakverbetering; 16% ijs, 4% meel. Men neemt naar schatting half mager en vet door elkaar, rund-, kalfs- en varkensvlees, zout het voor met 20 g kleurzout per kg en neemt daarbij 8 kg spekplaatjes, gesneden op 14 van de snijmachine. Vet en mager vlees verwerken is meer geschikt voor meergevorderde worstmakers, daar men hetgeen afvalt, of wat in de zomer minder goed verkoopbaar is, dient te verwerken tot een goed verkoopbaar product. Het vlees en het vet worden door elkaar gemengd en voorgezouten in stukken met 20 g kleurzout per kg en onder koeling gezet tot de volgende dag; daarna draait men het vlees en het vet tegelijk door de 2 mm-plaat en cuttert het met het toegestane percentage ijs, meel, kruiden en restant zout, uit tot men de goede bindkracht heeft. Men voegt het spek er bij en laat de cutter enkele malen rondlopen tot het spek de gewenste grootte heeft. Dan doet men de farce in de mengbak en mengt alles goed na; daarna luchtvrij in de stopbus en luchtvrij afstoppen in runder- of pinken-zakeinden of kunstdarmen kaliber 90 tot 100. Daarna warm roken en koken op 75 — 80° C. Vet en mager vlees laat zich zeer goed verwerken, maar uitsluitend met ijs. BOTERHAMWORST, PARIJZER Samenstelling: 30 kg varkensvlees, 122 kg taai spek, 72 kg spekblokjes. Zout en kruiden : 26 g kleurzout, 3 g peper, 1 g foelie, 2 g gember, 2 g cardamom af 4 g gemengde boterhamworstkruiden ; 16% water of ijs, 4% meel. Het varkensvlees wordt met 20 g kleurzout voorgezouten en onder koeling gezet. Het spek wordt afgezwoerd, in stukken gesneden en gekoeld. De spekblokjes worden afgebroeid, vingergaar, en vetvrij gemaakt waarna men ze af laat koelen. De volgende dag draait men het varkensvlees door de 2 mm-plaat en cuttert het uit met 16% water of ijs tot men de hoogste bindkracht heeft ; daarna voegt men vet, zout, kruiden en meel toe en ook het door de 3 mm-plaat gedraaide spek en laat vervolgens de cutter nog enkele malen rondlopen. De farce wordt uit de cutter gehaald en in de mengbak gedaan ; de massa wordt nu met de spekblokjes goed door elkaar gemengd, totdat alles zich goed verdeeld heeft. Men vult de stopbus vooral luchtvrij en stopt daarna de massa in pinken-zakeinden of kunstdarmen kaliber 90 Deze worst wordt warm gerookt op een temperatuur van 30 -- 40° C tot ze mooi lichtbruin van kleur is en wordt dan 2 à 2-I uur gekookt op 75 — 80° C. Onder het koken worden de worsten enkele malen gekeerd. Is de worst de volgende dag gerimpeld, dan wordt ze in goed heet water afgebroeid. BROEIWORST, JAUERSE Samenstelling : 3 graskalfsvlees, 3 varkensvlees ; 3 buiken of kinnebakken. Zout en kruiden : 24 g kleurzout, 2 g peper, 1 g foelie, 4 g gemalen kummel, knoflook en geraspte citroenschil. Het graskalfsvlees wordt een dag met 20 g kleurzout voorgezouten en de dag daarna met water of ijs uitgecutterd; dan blijft het nog een nacht in de koelcel staan om door te conserveren. De volgende dag draait men het varkensvlees door de 4 mmplaat en cuttert dit met het reeds uitgecutterde graskalfsvlees onder toevoeging van het resterende zout en de kruiden nog even verder uit, dan wordt het buikspek of het kinnebakspek er bij gedaan. Dit wordt vooraf door de 12 mmplaat gedraaid; de cutter laat men nu enkele malen rondlopen, zodat men het spek nog in stukjes kan onderscheiden (dus niet tè fijn). Uit de cutter genomen mengt men alles nog eens goed na. De worstjes worden afgestopt in wijde varkensdarmen op een gewicht van 125 gram, daarna hangt men ze in snelrook en worden ze mooi geelbruin afgerookt. Ze worden licht aangebroeid. Als de worstjes de volgende dag rimpelen, worden ze even afgebroeid in kokend water. BROEIWORSTJES (van uitsluitend varkensvlees) Samenstelling : 30 kg mager varkensvlees en 20 kg kinnebak- en nekspek. Zout en kruiden : 26 g kleurzout, 2 g peper, 1 g nootm. Het magere varkensvlees wordt met 20 g zout per kg in niet te grote stukken voorgezouten en niet de dik op elkaar in bakken in de koelcel geplaatst. Het spek wordt eveneens in niet te grote stukken gesneden en ook onder koeling gezet. Vervolgens wordt het varkensvlees door de 3 mm-plaat gedraaid. Men dient er vooral op te letten, dat de wolf goed afsnijdt; daarna wordt het vlees niet te sterk met ijs uitgecutterd. Het spek wordt ook door de 3 mm-plaat gedraaid en vermengd met het resterende zout en de kruiden; men laat het 6 à 7 maal in de cutter rondlopen. Deze massa wordt afgestopt in snaren kaliber 24-26 en paarsgewijze afgedraaid tot worstjes van 110 g per paar. Droog ze enkele uren langzaam voor en rook ze dan in een warme vochtrook tot ze mooi geel zijn; voor de wijze van roken zie bij knakworst. CERVELA'S, BRUSSELSE Samenstelling: 10 kg afvalvlees, 5 kg speksnippers, 2 kg resten en afsnijdsel van de snijmachine. Het vlees wordt voorgezouten met 20 g zout per kg, 1 g salpeter en 1 g suiker. Het spek wordt vers gebruikt. De volgende dag wordt het vlees door de 3 mm-plaat ge draaid en uitgecutterd met 3 kg ijs of water. Daarna voegt men de speksnippers en worstresten aan stukken bij, laat alles twee maal rondlopen en draait de massa door de 3 mm plaat (dit bindt het vet beter aan de massa). Vervolgens gaat de gehele massa weer in de cutter onder toevoeging van de volgende kruiden : 30 g peper, 20 g gember, 20 g foelie en 20 g knoflook (deze moet men met een weinig zout fijn strijken). Deze worst moet een rose kleur hebben; daarom voegt men hier nog bij een mespuntje karmijnrood; dit oplossen in water en daarna even flink cutteren. De worst wordt gestopt in niet te wijde, kromme runderdarmen (niet te vast stoppen) en daarna afgebonden op worstjes van 75 à 100 g; vervolgens dompelt men de worstjes in lauw water met een oplossing van karmijn, zodat ze ook van buiten een rose kleur krijgen. Daarna even tamelijk warm roken en dan 20 minuten koken bij 75° C; afkoelen en ophangen. HA M W O R S T (grove Schinkenworst) Samenstelling: 10 kg graskalfsvlees of varkensvlees, 20 kg donker varkensvlees, 20 kg nekspek. Zout en kruiden : 28 g kleurzout, 3 g peper, 1 g foelie, 1 g gember, 2 g cardamom; 16% water of ijs en 4% meel. Het graskalfsvlees wordt van zware pezen en stempels ont daan, kleingesneden en door de 14 mm-plaat gedraaid en met 20 g kleurzout voorgezouten, goed gemengd en gekoeld. Het donkerkleurige varkensvlees en het vet worden gesneden, voorgezouten en gekruid. Dit varkensvlees mag niet te nat zijn, dus droog vlees, daar men anders de kans loopt dat zich bij het koken een geleirandje om de stukjes vlees vormt en deze er dan bij het snijden uitvallen. Ook mag deze worstsoort niet bij een hogere temperatuur dan 75° C gekookt worden, want hoe heter men deze worst kookt, hoe meer vocht er uit de stukjes vlees komt dat zich als gelei afzet. Als men de worst gaat maken, zet men een dag tevoren middelwijde runder-zakeinden in het water om goed te we- ken en er het zout uit te laten trekken of men neemt ge droogde opgeblazen kalfsblazen. Het graskalfsvlees wordt door de 5 mm-plaat gedraaid en met 10% water of ijs uitgecutterd, onder toevoeging van het meel. Het varkensvlees en het spek draait men door 2 voorsnijders en mengt het met het resterende zout en de farce goed door elkaar, zodat ieder stukje vlees en vet besmeurd zijn met farce.Nu vult men de stopbus vooral luchtvrij en stopt men de worst (in geweekte kalfsblazen of middelwijde runder-zakeinden), tamelijk vast en laat ze een nacht doorconserveren. De volgende dag rookt men ze warm op 25 — 35° C tot ze de gewenste kleur hebben ; daarna circa 21 à 3 uur koken bij een temperatuur van 75 ° C. Leg de worst in de winter onder doeken en hang ze in de zomer aan stokken. Mocht de worst rimpelig worden dan in heet wa ter afbroeien. (Af b. 602, 605 en 606) HILDESHEIMER Samenstelling : 10 kg graskalfsvlees, 15 kg varkensvlees, 25 kg kinnebakken. Zout en kruiden : 24 g kleurzout, 3 g peper, 2 g foelie, 1 g koriander. Het graskalfsvlees wordt in stukken voorgezouten met 20 g zout per kg. Het varkensvlees en het kinnebakspek wordt kleingesneden en met het voorgezouten graskalfsvlees in de koelcel geplaatst. De volgende dag draait men het graskalfsvlees door de 2 mm-plaat en cuttert het matig uit, zodat het goed bindt. Het uitgecutterde vlees wordt met het varkensvlees, het spek en het resterende zout en de kruiden goed door elkaar gewerkt en dan door de 5 mm-plaat gedraaid. Vervolgens wordt alles goed nagemengd en in rechte runderdarmen of kunstdarmen kaliber 75 gevuld. Laat de worsten een dag en een nacht aandrogen en rook ze matig warm af tot ze mooi van kleur zijn. Kook ze dan af op een temperatuur van 75° C. JACHTWORST Samenstelling : 4 graskalfvlees en 4 varkensvlees vet en mager, half om half. Zout en kruiden : 28 g kleurzout, 3 g peper, 2 g gember, 1 g foelie, 2 g cardamom, 3 g mosterdzaad ; 16 %water of ijs en 4% meel. Het graskalfsvlees wordt van de zware pezen en stempels ontdaan, klein gesneden, door de 14 mm-plaat gedraaid en daarna voorgezouten met 20 g kleurzout per kg. Het varkensvlees snijdt men klein, doch dit wordt niet voorgezouten (de worst blijft dan malser), waarna het gekoeld wordt. De volgende dag wordt het graskalfsvlees door de 2 mm-plaat gedraaid en matig uitgecutterd met water of ijs tot een goede bindkracht is verkregen; het resterende zout en de kruiden doet men met de farce door het varkensvlees en het vet en draait alles door de 14 mm-plaat. Daarna goed mengen en vooral luchtvrij stoppen in brede rechte runderdarmen, kalfs-zakeinden of kunstdarmen, kaliber 75. Als het mogelijk is de worst een nacht over laten hangen om door te conserveren; de volgende dag warm afroken (25 — 35° C) tot ze lichtbruin van kleur zijn, daarna koken op 75 — 80 ° C al naar gelang van de dikte (rechte darm circa 1 uur, kalfs-zakeinden 12 à 1 4 uur) ; wanneer de worst rimpelt deze in goed heet water afbroeien. (Af b. 603) KALFSVLEESWORSTJES Samenstelling: 20 kg nuchter kalfsvlees, 10 kg varkensvlees, 20 kg kinnebak- en nekspek. Zout en kruiden : 24 g kleurzout, 3 g peper, 1 g nootmuskaat, 2 g gember. Het kalfsvlees wordt in stukken voorgezouten en niet te dik op elkaar in bakken in de koelcel geplaatst. Het varkensvlees wordt niet voorgezouten, doch met het spek klein gesneden en eveneens niet te dik op elkaar in bakken in de koelcel gezet. De volgende dag wordt het kalfsvlees door de 2 mm-plaat gedraaid en flink uitgecutterd, daarna vermengd met het varkensvlees, het spek, het resterende zout en de kruiden en door de 2 mm-plaat gedraaid. Nu laat men alles tezamen in de cutter enkele malen rondlopen, waarna ze nagemengd worden en afgestopt in schapensnaren kaliber 26-28, of smalle varkensdarmen. Draai ze paarsgewijze af en rook ze warm tot ze mooi helder bruin zijn; daarna nog even afbroeien. KNAKWORST, AUGSBURGER Samenstelling: 25 kg flink uitgecutterd graskalfsvlees en 25 kg doorwassen varkensvlees. Zout en kruiden : 22 g kleurzout, 2 g peper, 4 g koriander, g nootmu skaat. Er kan ook ui of knoflook in verwerkt worden. Het graskalfsvlees wordt met 20 g kleur zout per kg voorgezouten, slachtwarm, en één nacht, vooral dun uitgespreid, in bakken in de koelcel geplaatst. Het doorwassen varkensvlees wordt kleingesneden en eveneens onder koeling gezet. De volgende dag wordt het graskalfsvlees door de 2 mmplaat gedraaid en flink uitgecutterd. Deze farce met het doorwassen varkensvlees wordt met het resterende zout en de kruiden goed door elkaar gemengd en door de 2 mmplaat gedraaid, waarna het nog enkele malen in de cutter moet rondlopen om een goede verdeling te krijgen. Deze worst laat men in de rook langzaam aandrogen en snel afroken tot ze mooi van kleur is. Ze worden 7 a 8 minuten gekookt op een temperatuur van 75 ° C. Men laat de worstjes vervolgens even in de mengbak liggen en giet er koud water overheen, zodat ze „schrikken", gedurende 10 minuten, daarna worden ze opgehangen en overgoten met heet water. goed namengen en afstoppen in niet te brede, kromme varkensdarmen tot worstjes van 100 g, paarsgewijze 200 g. Deze worstjes worden in snelrook afgerookt tot ze lichtbruin zijn en daarna even gebroeid op 75° C. SCHINKENWORST Deze worst wordt vooral in Duitsland en Limburg veel gemaakt. Wil men ze goed maken dan wordt hiervoor uitsluitend varkensvlees gebruikt. Samenstelling: 25 kg varkensvlees en 25 kg taai spek, af graskalfvlees, 3 varkensvlees, 3 taai spek, af 10 kg graskalfsvlees, 20 kg varkensvlees, 20 kg taai vet. Zout en kruiden : 24 g kleurzout, 3 g peper, 1 g foelie, beetje aroma. Het magere vlees wordt voorgezouten met 20 g kleurzout per kg, het taaie spek wordt afgezwoerd, in stukken gesneden en in de koelcel geplaatst. De andere dag draait men 3 van het magere vlees door de 2 mm-plaat en cuttert het uit met 16% water of ijs en 4% meel; vervolgens draait men de rest van het magere vlees plus vet door de 2 mm-plaat en voegt er de rest van het zout plus de kruiden aan toe. Meng alles met het uitgecutterde vlees door elkaar en laat de cutter nog vijf- tot zesmaal rondlopen : zodoende krijgt men een zeer fijn gecutterde en malse worst. Alles wordt nog eens goed nagemengd en luchtvrij in de stopbus gedaan ; men vult brede, rechte runderdarmen of kunstdarmen kaliber 75 met deze massa. Deze worst wordt op dezelfde manier gerookt: 25 à 35 ° C en gekookt op 75 — 80 ° C, gedurende 1 à 14 uur. Na het koken wordt de worst op stokken gehangen ; is de worst na het afkoelen gerimpeld, dan wordt ze in goed heet water afgebroeid. TONGENPASTEI, BONTE Een bonte-galantinedeeg wordt met 5 voorgekookte tongen in elkaar gerold, waarna er een dun laagje spek om het geheel komt. Voor deze bonte tongenpastei (af b. 611) kan het gemakkelijkst met een pasteivorm worden gewerkt. Wij beleggen dan eerst de pasteivorm met een dun laagje spek en bestrooien dit spek licht met wat gelatinepoeder. We brengen nu eerst een dun laagje bonte-galantinedeeg over het spek aan en vullen vervolgens de pasteivorm geheel op met bonte-galantinedeeg en de opgerolde en voorgekookte tongen. Om deze tongen is een heel dun randje spek gerold. De kooktijd bedraagt 2 tot 2-1- uur bij een temperatuur van 80 °C. WEISSWORST, MUNCHENER Samenstelling: 30 kg kalfsvlees, 20 kg kinnebakken- of ander taai spek, 15 kg gekookte kalfskoppen, koud. Zout en kruiden : 26 g keukenzout, 22 g peper, 2 g foelie, g gember, 1 geraspte citroenschil per 50 kg, peterselie en snijlook naar smaak. Het kalfsvlees wordt van pezen en stempels ontdaan, in stukken gesneden en in de koelcel geplaatst, zodat het flink afkoelt. Het taaie spek of kinnebak wordt afgezwoerd, stukgesneden en ook flink gekoeld. De volgende dag draait men vlees en spek tezamen door de 2 mm-plaat ; men dient er vooral op te letten, dat de messen goed afsnijden. Vervolgens cuttert men deze massa tezamen met ijs matig uit (in Duitsland cuttert men met bevroren melk). Voor het cutteren voegt men het zout bij het vlees ter verhoging van de bindkracht, daarna draait men de gekookte en koud geworden kalfskoppen, waar de huid nog om zit, met de peterselie en snijlook door de 2 mm-plaat en laat men dit nog één- of hoogstens tweemaal met de massa door de cutter rondlopen, onder toevoeging van de kruiden. Ten slotte alles nog eens goed namengen. De worstjes worden afgestopt in niet te brede, kromme varkensdarmen en paarsgewijze afgedraaid of in kettingen afgebonden. Wil men de worstjes langer bewaren, dan kookt men ze af op 75° C gedurende 15 minuten, daarna direct in koud stromend water, totdat ze goed doorgekoeld zijn, vervolgens hangt men ze op in de koelcel. Men gebruikt geen kleurzout, want de farce van deze worstsoort moet blank zijn. Mocht men deze worst willen steriliseren, dan dient men hiervoor geverniste blikken te gebruiken. WORST I, GEKOOKTE Dit is een goedkope worstsoort, waarin men soms een klein percentage varkensvlees verwerkt, doch meestal is dit niet het geval. Samenstelling : 25 kg graskalfsvlees en 25 kg taai vet. Zout en kruiden : 24 g kleurzout, 3 g peper. 2 g noot, af 4 g gemengde boterhamworstkruiden; 16% water of ijs, 4% meel, aroma. Het magere vlees wordt voorgezouten met 20 g kleurzout per kg, het taaie vet wordt afgezwoerd en alles onder koeling gezet. De volgende dag draait men het magere vlees door de 2 mm-plaat en cuttert het uit met water of ijs en meel tot het goede bindkracht heeft. Het vet draait men door de 4 of 5 mm-plaat en voegt het met de rest van het zout en de kruiden bij het gecutterde vlees, mengt alles goed door elkaar en laat het 2 à 3 maal in de cutter rondlopen. Dan in de mengbak goed namengen en vooral luchtvrij stoppen in kromme runderdarmen tot ronde worsten of in rechte natuurdarmen ; daarna roken op 25 30 ° C tot ze de gewenste kleur hebben, vervolgens circa 50 minuten koken bij een temperatuur van 75 — 80° C. WORST II, GEKOOKTE Samenstelling: 35 kg aangewassen rundvlees en 15 kg taai spek. Zout en kruiden : 24 g kleurzout, 3 g peper, 2 g noot, 1 g glutaminaat of stimulisator, 16% ijs en 4% meel. Het aangewassen rundvlees en vet worden kleingesneden, (zware pezen en stempels worden verwijderd) en voorgezouten met 20 g kleurzout per kg, het taaie vet wordt afgezwoerd en eveneens kleingesneden, waarna alles gekoeld wordt. Als men de worst gaat maken draait men het aangewassen rundvlees door de 2 mm-plaat en cuttert het uit met 16% ijs en meel tot een goede bindkracht is verkregen. Het taaie vet draait men door de 4 of 5 mm-plaat, voegt het met het resterende zout en de kruiden bij de farce en laat de cutter nog enkele malen rondlopen. Voor de verdere bewerking zie als bij gekookte worst reeds beschreven. Bewerking vet en mager : Als men het aangewassen vlees in de cutter doet, voegt men er het meel en een gedeelte van het ijs bij. Niet te veel ijs ineens, want de bedoeling is om zo vlug mogelijk een stevige bindkracht te krijgen; dan kan LEVERWORSTSOORTEN AANWIJZINGEN BIJ DE VOORBEREIDING EN HET MAKEN VAN LEVERWORSTSOORTEN De afvallen die men gebruikt voor leverworst moeten zo vers mogelijk verwerkt worden. Teneinde een goede blanke worst te krijgen worden deze een nacht in stromend water gezet om goed uit te wateren. De afvallen dienen overdag of 's morgens vroeg gekookt te worden, niet des nachts : het zou anders wel eens voor kunnen komen dat de massa niet gaar is, of te gaar waardoor onnodig gewichtsverlies ontstaat en de massa ook minder bindkracht heeft. Bij het niet gaar zijn loopt men de kans, dat de massa door te lage temperatuur al half zuur is. Het zwoerd dat men gebruikt (bij voorkeur gezouten, waardoor men blanker worst verkrijgt) mag niet te gaar gekookt worden : men behoudt dan de meeste bindkracht. Als de massa gaar is en niet dadelijk verwerkt kan worden, legt men alles op de werktafel uit elkaar, zodat het goed kan uitwasemen. Vooral niet te dik op elkaar en geen teilen of bakken gebruiken : er zou dan grote kans bestaan dat de massa ging verzuren. VOORBEREIDING VAN DE LEVER Wil men snijdbare leverworst maken dan dient men de lever zo vers en blank mogelijk te gebruiken. Dit bevordert ook de bindkracht ; lever die te oud is en niet in koeling is geweest zal meestal geen bindkracht meer hebben en is ook min of meer sterk. Voorbewerking van de lever : de galgangen worden er eerst uitgehaald, daarna de lever in niet te dikke plakken snijden en 4 à 5 keer flink met schoon water wassen, vervolgens 75 minuten in pekel van 10 graden om de rest van de gal die nog in de lever aanwezig is er uit te trekken; op deze manier krijgt men geen bittere galsmaak aan de worst. De lever kan voor de snijdbare leverworstsoorten zowel vers als voorgezouten verwerkt worden. Voor de zachtere of smeerbare soorten wordt de lever aangebroeid en niet voorgezouten. Het zachte vet voor de smeerworstsoorten wordt in kokend water halfgaar afgebroeid. Het water moet kokend zijn, zodat men het minste gewichtsverlies heeft ; gebruikt men schielvet, dan wordt dit eerst gewaterd, zodat het mooi blank wordt en daarna afgebroeid. Koppen en ander afval dient men eerst goed te wateren en een nacht in lichte pekel te leggen; de worst krijgt dan een rose kleur. Gebruikt men buikspek, dan kan men dit ook een nacht in zachte pekel leggen. Uien kan men op twee manieren verwerken : nl. rauw of gebakken ; gebruikt men ze rauw, dan snijdt men ze klein en legt ze in kokend water tot ze gaar zijn; zijn ze gebakken, dan giet men er kokend water overheen, om het bittere van de uien weg te werken. De samenstelling van onderstaande recepten geldt voor 50 kg; de hoeveelheden kruiden en kleurzout per kg. BAKLEVERWORST Samenstelling : 15 kg varkensvlees, 20 kg varkenskoppen en ander afval, 9 kg vetsnippers, 6 kg gezeefd boekweitmeel of gekookte rijst. Kruiden en zout : 20 g zout, 2 g peper, 1 g nootmuskaat. De varkenskoppen etc. worden flink gewaterd. De lever wordt van galgangen ontdaan, in plakken gesneden en eveneens flink gewaterd. De vetsnippers licht aanbroeien. Als koppen en afval gaar zijn worden ze met de lever door de 2 mm-plaat gedraaid en matig met bouillon, zout en kruiden uitgecutterd onder toevoeging van het meel. Gebruikt men gekookte rijst dan wordt die gelijk met de koppen door de 2 mm-plaat gedraaid. Daarna wordt het vet, dat door de 3 mm-plaat is gedraaid, er bij gedaan, en laat men de cutter nog enkele malen rondlopen. Vervolgens namengen en afstoppen in runderdarmen. Deze worst wordt gekookt in kromme runderdarmen ca. 45 minuten, in rechte runderdarmen 60 minuten bij een temperatuur van 75-80° C. Na uit de ketel te zijn genomen wordt ze vetvrij gemaakt en half afgekoeld, even in heet water gedompeld en opgehangen, zodat de darm droog wordt en niet zo vlug zal smetten. Teneinde moeilijkheden met de Keuringsdienst van waren te voorkomen wegens te hoog meelgehalte, is het raadzaam de worst te voorzien van een label waarop vermeld staat : „Bakleverworst". BAKLEVERWORST, TWENTSE Samenstelling : 40 kg vers vet spek, 20 kg lever, 40 kg boekweitmeel. Verder bouillon van leverworst of het kooknat van hammen of rolpens. Per kg 22 g zout en 5 g gewone leverworstkruiden. Het spek wordt aan kleine blokjes gesneden, in kokend water afgebroeid en in de mengbak overgebracht. De lever wordt van galgangen ontdaan, aan plakken gesneden en uitgewaterd ter bevordering van de blanke kleur. Vervolgens wordt de lever in heet water afgebroeid, maar niet zo lang dat ze hard en droog wordt. Ook de lever wordt aan kleine blokjes gesneden. In de mengbak worden spek en lever vermengd met de warme bouillon en daarna wordt het meel toegevoegd. Soms verwerkt men in het deeg ook nog een beetje gebroeide rijst en wat aardappelmeel. Door de rijst wordt de worst blanker en het aardappelmeel voorkomt het kleffig worden van het deeg. De massa wordt op smaak gebracht met zout en kruiden, goed gemengd en vervolgens gestopt in linnen of perkament darmen met een kaliber van ca. 12 cm. Om te voorkomen dat de worsten tijdens het koken barsten, worden ze vooral niet te vast gestopt. Bij een temperatuur van tegen de 100 ° C worden de worsten ca. 2 uren gekookt. Vóór de worst geheel is afgekoeld, wordt het deeg in de darmen opgedrukt en de darm opnieuw afgebonden, wat een mooier model geeft. BERLINER I Samenstelling : 25 kg varkenslever, 25 kg buik- en kinnebakspek. Kruiden en zout : 28 g kleurzout, 3 g peper, 1 g foelie, enkele gebakken uien en 1 ei per kg. Het buik- en kinnebakspek maakt men een dag te voren klaar ; alles dient vers te worden afgezwoerd en in stukken gesneden. Daarna goed laten doorkoelen. De lever wordt vers verwerkt ; de galgangen haalt men er uit en men snijdt de lever thans in gelijkmatige plakken waarna De leverkaasblikken worden met dunne platen spek belegd en licht ingewreven met het deeg. Daarna vult men de blikken luchtvrij en laat ze enkele uren doorkleuren. Vervolgens worden ze gekookt bij een temperatuur van 75-800 C, te rekenen 1 uur per kg. Als de leverkaas gaar is laat men de blikken afkoelen (niet te snel). Het beste is ze in de kelder te plaatsen tot de volgende dag. De blikken worden nu even in heet water gedompeld en de leverkaas er uitgehaald. Men laat ze opdrogen en legt er daarna een goudvlies om dat men vooraf even in de wind laat aandrogen. De leverkaas wordt op schone stokken even in de rokerij licht koud gerookt. LEVERKAAS II Samenstelling : 15 kg varkensvlees (schouders), 15 kg blanke varkenslever (vers), 20 kg magere kinnebakken. Kruiden en zout : 28 g kleurzout, 3 g peper, 1 g foelie, 2 g gember, 2 g cardamom; 10% vocht (water of ijs), 4% meel. Het varkensvlees wordt met 20 g kleurzout per kg voorgezouten en door de 14 mm-plaat gedraaid, goed gemengd en in de koelcel geplaatst tot de volgende dag. Het kinnebakspek wordt afgezwoerd en in niet te grote stukken gesneden en eveneens in de koelcel geplaatst. De lever kan men voorzouten of vers verwerken ; ook kan men uien verwerken, bij de voorbewerking beschreven. Het varkensvlees wordt door de 2 mm-plaat gedraaid evenals het kinnebakspek en de lever (met of zonder uien naar verkiezing). Nu wordt het varkensvlees, met 10 % ijs of water voor de gehele massa, uitgecutterd ; ook het meel toevoegen tot men een goede bindkracht verkregen heeft. Men voegt dan het vet er bij en laat de cutter tweemaal rondlopen en doet vervolgens alles in de mengbak. Daarna wordt de lever met het zout en de kruiden gecutterd tot de massa luchtbellen vertoont; meng nu alles flink door elkaar en laat de cutter nog enkele malen rondlopen. Alles wordt nogmaals flink door elkaar gemengd waarna de leverkaasvormen, die vooraf met dunne platen spek belegd zijn, kunnen worden gevuld. Zie verder Leverkaas I. LEVERKAAS (met de wolf) Samenstelling : 20 kg kalfsvlees of varkensvlees, of de helft kalfsvlees en varkensvlees, 15 kg verse varkenslever, 15 kg verse magere kinnebakken. Kruiden en zout: 28 g kleurzout, 3 g peper, 1 g foelie, 1 g gember, 2 g cardamom; 10% water, 4% meel. Het kalfsvlees of varkensvlees, of kalfsvlees en varkensvlees wordt met 20 g kleurzout per kg voorgezouten. Uit de lever worden de galgangen verwijderd ; dan wordt deze 75 minuten in pekel van 12 graden gezet om daarna in een vergiet uit te lekken. Vervolgens draait men de lever door de grove plaat en wordt deze met 20 g kleurzout voorgezouten, goed geklutst en in de koelcel geplaatst. Het taaie spek wordt in stukken gesneden en in de koelcel geplaatst zodat alles goed kan door-conserveren en doorkoelen. De volgende dag wordt het magere vlees door de 2 mmplaat gedraaid. Men dient er vooral op te letten dat de messen van de wolf goed afsnijden. Het vlees wordt vermengd met het toegestane water en het meel tot men goede bindkracht verkregen heeft. Nu neemt men 4 deel farce en mengt dit door het taaie vet of kinnebakken met het resterende zout en de kruiden en deze massa wordt door de 2 mm-plaat gedraaid. De lever wordt eveneens door de 2 mm-plaat gedraaid, nog eens flink gemengd en door het spek en de farce gewerkt totdat alles goed verdeeld is. Er kunnen ook wat gebakken uien door verwerkt worden; deze worden dan tegelijk met de lever door de wolf gedraaid. Voor de verdere bewerking als voren beschreven. LEVERKAAS (met de wolf, vet en mager) Samenstelling : 20 kg graskalfsvlees, 15 kg magere kinnebakken, 15 kg verse blanke varkenslever. Kruiden en zout : 28 g kleurzout, 3 g peper, 1 g foelie, 1 g gember, 2 g cardamom; 10% ijs en water, 4% meel, enkele eieren. Het graskalfsvlees wordt van zware zenen en stempels ont daan en in stukken voorgezouten. Het kinnebakspek wordt afgezwoerd, stukgesneden en eveneens voorgezouten met 20 g kleurzout per kg en alles, dus vet en mager, door elkaar gemengd. De lever wordt (nadat de galgangen zijn verwijderd) in plakken gesneden en enige malen flink doorgespoeld in zuiver water. Men laat ze in een vergiet uitlekken en draait ze door de grove plaat : vervolgens zout men ze met 20 g kleurzout per kg, klutst ze flink en zet alles in de koelcel tot de volgende dag. Als men met de bereiding begint worden het graskalfsvlees en de kinnebakken tezamen, onder toevoeging van een beetje ijs door de 2 mm-plaat gedraaid (ijs wordt uitsluitend gebruikt om de massa goed koel te houden niet om meer vocht te verwerken). Daarna mengt men deze massa met het resterende zout, de kruiden en het meel en alles wordt door de 3 mm-plaat gedraaid onder toevoeging van een beetje ijs. In een emmer met water worden enige stukjes ijs gedaan, zodat het water goed koel is en dit wordt onder voortdurend mengen aan de massa toegevoegd. Men zorge er vooral voor, dat men steeds bindkracht behoudt. Als men het water verwerkt heeft, wordt de lever een- of tweemaal door de 2 mm-plaat gedraaid, met enkele eieren flink geklutst en door de farce gemengd tot alles goed verdeeld is. Voor verdere bewerking als voren beschreven. LEVERKAAS, GEBRADEN Samenstelling : 20 kg graskalfsvlees en varkensvlees (het varkensvlees behoeft niet al te mager te zijn), 15 kg kinnebakspek, 15 kg verse varkenslever. Kruiden en zout : 24 g kleurzout, 3 g peper, 1 g foelie, aroma naar smaak, 1 g glutaminaat of stimulator; 14% ijs, 4% meel. Het graskalfsvlees en het varkensvlees worden met 20 g kleurzout per kg voorgezouten. Het kinnebakspek wordt in stukken gesneden en vers in de koelcel geplaatst. De lever wordt behandeld als hiervoor beschreven en eveneens in de koelcel geplaatst. De volgende dag wordt het graskalfsvlees en het niet te magere varkensvlees door de 2 mm-plaat gedraaid en uitgecutterd met ijs ; het meel wordt er direct bijgevoegd, zodat de farce vlug bindkracht heeft. Het kinnebakspek, dat door de 2 mm-plaat gedraaid is, wordt met het resterende zout en de kruiden bij de uitgecutteide farce gevoegd en men laat de cutter tweemaal rondlopen. Vervolgens doet men de massa in de mengbak. Nu draait men de lever, desgewenst met gebakken uien, door de 2 mm-plaat en cuttert tot ze luchtbellen vertoont, of tot ze „trekt" (men cuttert de lever nooit te lang, want dan slaat de bindkracht er weer uit). Alles wordt nu flink door elkaar gemengd en men laat de cutter twee- à driemaal rondlopen; vervolgens flink namengen en vullen in de leverkaasvormen die men te voren goed met reuzel of boter ingevet heeft. Even laten doorkleuren en daarna braden in de oven. De braadtijd is voor vormen van 22 kg ca. 2 uur; de oven mag niet te heet zijn. LEVERSOEZEN 200 g melk, 100 g patentbloem, 100 g boter, 4 eieren. Vulsel: 100 g boter, 300 g Berliner I, 2 eierdooiers. Breng de melk met de boter aan de kook. Strooi er al roerende het gezeefde meel in en blijf roeren tot het deeg als een bal van de pan loslaat. Voeg er dan al roerende één voor één de eieren bij (de pan van het vuur nemen). Spuit met behulp van een spuitzak met glad mondstuk kleine bergjes op een beboterd bakblik, op een onderlinge afstand van ca. 4 cm. Bak de soesjes in een hete oven in ongeveer 10 a 15 minuten gaar. Roer voor het vulsel de boter tot room, vermeng het met de dooier, draai de Berliner door de fijne plaat en vermeng deze dan met de vermengde room en dooier. Snijd of knip ze open en vul ze met het mengsel. Men kan ze ook met de spuitzak vullen. LEVERWORST, BRUNSWIJKER Samenstelling : 20 kg verse blanke varkenslever, 30 kg zacht vet. Kruiden en zout : 28 g zout, 3 g peper, 1 g foelie, 1 g gember, 1 g tijm. De lever wordt van de galgangen ontdaan, in gelijkmatige plakken gesneden en 30 minuten in pekel van 12 graden gelegd, teneinde de gal er goed uit te laten trekken. Daarna wordt ze licht afgebroeid, waardoor ze blank maar niet hard wordt. Het vet wordt in kokend water afgebroeid, halfgaar. Een paar uien worden licht in vet of boter gebakken en daarna overgoten met heet water, waardoor het bittere van de ui kan wegspoelen. Alles wordt tegelijk door de 2 mm-plaat gedraaid, onder toevoeging van zout en kruiden; men laat het in de cutter nog enkele malen rondlopen, tot alles fijn is en zich goed verdeeld heeft. De massa wordt afgestopt in rechte of cellophaandarmen tot worstjes van 200 g, of op lengte van 25 cm. Ze worden gekookt bij een temperatuur van 75-80° C gedurende 50 à 60 minuten, naar gelang de dikte van de darm. Na het koken wordt de worst in lauw water gelegd en dan verder afgekoeld in koud stromend water. Vooral niet te snel afkoelen, daar de mogelijkheid bestaat, dat er dan een grijze rand ontstaat. Is de worst koud en vast geworden, dan wordt ze 1 uur koud gerookt. Teneinde een goed blanke worst te verkrijgen is het ge wenst, dat alles koud verwerkt wordt; wil men er iets kleur aan brengen, dan gebruike men kleurzout. Als er een vet- rand ontstaat legt men ze even in goed warm water en worden de worsten gerold, zodat het vet zich om de worst afzet, daarna even afkoelen. DELICATESSE-LEVERWORST (grondmassa) Samenstelling : 20 kg rauwe varkenslever, 10 kg nuchter kalfsvlees en enkele kalfskoppen, 10 kg schielvet, 10 kg kinnebakken en buiken. Alles zo vers mogelijk verwerken. Kruiden en zout: 26 g zout (wil men ze lichtrose hebben, dan wordt kleurzout gebruikt), 3 g peper, 1 g foelie, 2 g gember, een weinig aroma. Naar wens enkele gebakken uien. De varkenslever wordt van galgangen ontdaan en flink in regelmatig ververst water omgespoeld. De lever wordt afzonderlijk door de 2 mm-plaat gedraaid. Het gekookte kalfsvlees wordt eveneens afzonderlijk door de 2 mm-plaat gedraaid. Het schielvet, de kinnebakken en de buiken die goed doorgebroeid zijn, worden met de lever, het kalfsvlees en de kalfskoppen plus zout en kruiden goed vermengd en door de 3 mm-plaat gedraaid; de massa goed namengen. Deze farce kan men gebruiken voor delicatesse-leverworstsoorten, zoals : tomatenleverworst, truffelleverworst, ganzeleverworst, sardine-leverworst, tongeleverworst enz. GANZELEVERWORST Samenstelling : 8 kg verse blanke varkenslever, 8 kg vers, mager, blank varkensvlees, 14 kg rugspek, 20 kg ganzelever. Kruiden en zout : 30 g zout, 1 g witte peper, 1 g foelie, g cardamom, een weinig piment naar smaak. Op 50 kg massa voegt men 4 dozen Perigot-truffels toe. Het materiaal voor deze worstsoort moet zo vers mogelijk zijn om het juiste en zuivere aroma te verkrijgen. De lever, het varkensvlees en het spek worden langzaam aangebroeid, waarna men alles koud laat worden. Nu wordt eerst de lever door de 2 mm-plaat gedraaid, daarna het varkensvlees. Meng de stukken spek, de kruiden, het zout, de lever en het varkensvlees even door elkaar en draai dan alles nog tweemaal door de 2 mm-plaat. De truffels kan men, fijngehakt, er doorheen werken. De ganzelever moet diep gekoeld zijn, de galgangen worden er voorzichtig uit verwijderd, daar ganzelever zeer zacht is. Vervolgens wordt deze met een warm mes in dobbelsteentjes van ca. 1 cm gesneden die met zorg door de massa heen gewerkt worden tot ze goed verdeeld zijn. De massa wordt gevuld in na-einden van witvellen op een gewicht van 4 kg of nog kleiner. Het koken geschiedt bij een temperatuur van 75 ° C. Als de worstjes koud en droog zijn worden ze licht gerookt. Verpak ze in staniol. GUTSLEVERWORST Samenstelling : 18 kg verse varkenslever, 7 kg gekookte varkenskoppen, 10 kg broekvet, 15 kg niet te vette varkensbuiken en -broeken. Kruiden en zout : 28 g zout, 3 g peper, 1 g majoraan, 1 g foelie of nootmuskaat. De varkenslever wordt van galgangen ontdaan, in plakken gesneden en licht afgebroeid ; hiervan wordt een hoeveelheid van 8 kg in dobbelsteentjes gesneden van 1 cm. De overige 10 kg wordt door de fijnste plaat gedraaid of tweemaal door de 2 mm-plaat, daarna gecutterd met zout tot ze goed bindt. Kalfs- en varkenskoppen worden eveneens tweemaal door de 2 mm-plaat gedraaid en afzonderlijk gecutterd tot ze blank en goed fijn zijn. Het broekvet, dat goed halfgaar is aangebroeid, wordt door de 10 mm-plaat gedraaid. Het buikspek dat eveneens halfgaar gebroeid is, wordt in dobbelsteentjes van 1 cm ge sneden en even met heet water overspoeld, waardoor ze vetvrij worden. Nu wordt alles tezamen met het resterende zout en de kruiden goed gemengd. Naar smaak kunnen er ook enkele uien in verwerkt worden, gebakken in vet, of klein gesneden en in heet water even gaar gemaakt. De worst wordt afgestopt in witvellen of rechte runderdarmen en gekookt bij een temperatuur van 80 ° C, ca. één uur al naar gelang van de dikte. Na het koken worden de worsten in warm water afgewassen en in koud water afgekoeld. Tijdens het koken dient men de worsten enkele malen te keren. Vervolgens laat men de worst winddroog worden en enkele uren koud roken. LEVERWORST I, HAUSMACHER Samenstelling : 222 kg varkenslever, 22-12- kg buik- en kinnebakspek, 5 kg vetvrij zwoerd. Kruiden en zout : 28 g kleurzout, 3 g peper, 1 g foelie, g gemalen kruidnagel, 2 g gemalen majoraan. Men begint met het vetvrij zwoerd gaar te koken. De varkenslever wordt in plakken gesneden en in heet water langzaam afgebroeid tot deze van binnen bijna blank zijn. Het buik- en kinnebakspek wordt halfgaar gekookt. Het zwoerd wordt door de 2 mm-plaat gedraaid en vermengd met een beetje bouillon; daarna met de lever en het stukgesneden buik- en kinnebakspek met het zout en de kruiden vermengen. De massa wordt nu door de 12 of 14 mm-plaat gedraaid, goed nagemengd en afgestopt in naeinden van witvellen of rechte runderdarmen. Deze worstsoort wordt gekookt bij een temperatuur van 75-80 ° C, gedurende 1 à 14 uur al naar gelang van de dikte; vervolgens in warm water vetvrij gemaakt en in stromend water afgekoeld. Na afkoeling worden ze 1 uur koud afgerookt. LEVERWORST II, HAUSMACHER Samenstelling : 17 2 kg varkenslever, 171 kg kinnebak- en buikspek, 15 kg goed gewaterde varkenskoppen. Kruiden en zout: 28 g kleurzout, 3 g peper, 2 g kruidnagel, 2 g majoraan. De varkenskoppen worden gaargekookt en door de 2 mm-plaat gedraaid. De afgebroeide lever en het halfgaar gekookte spek worden in dobbelsteentjes gesneden en vermengd met de gedraaide varkenskoppen plus zout en kruiden. Ook kan alles door de grove plaat gedraaid worden. Voor de verdere bewerking zie Hausmacher leverworst I. LEVERWORST, DELICATESSE HAUS MACHER Samenstelling : 3 runderlever, of half runder- en half varkenslever, 3 kinnebakken en varkensbuiken (niet te vet). Kruiden en zout : 28 g zout, 3 g peper, 1 g majoraan, 2 g gemalen kruidnagel. De lever, die niet van oude dieren mag zijn, wordt in vers water gedurende 10 a 15 minuten flink gewaterd, zodat het bloed er uit trekt. De kinnebakken en de buiken laat men goed doorbroeien, zodat ze bijna gaar zijn. Deze massa, nl. de lever, kinnebakken en het buikspek wordt tezamen door de 10 mm-plaat gedraaid en vermengd met zeer sterke zwoerdbouillon (vooral een kleine hoeveel heid gebruiken). Is de bouillon niet sterk genoeg, dan kan men er met het zout en de kruiden ook een weinig fijn gedraaid zwoerd doorheen werken. De massa wordt gestopt in kransen. De worst wordt gekookt bij een temperatuur van 75-80° C, al naar gelang van de dikte 1 à 12 uur. Vervolgens laat men deze in koud water goed afkoelen ; de volgende dag licht koud aanroken. LEVERWORST, FRANKFURTER Samenstelling : 23 kg verse varkenslever, 27 kg verse gekoelde buiken. Kruiden en zout : 28 g keukenzout of kleurzout, 2 g peper, 1 g foelie, 2 g gember. Enkele uien klein snijden, in kokend water afbroeien. De galgangen worden uit de lever verwijderd, deze wordt in plakken gesneden en flink uitgewaterd. Vervolgens laat men deze in een vergiet uitlekken en draait de lever tweemaal met de uien door de 2 mm-plaat. Het buikspek draait men één maal door de 2 mm-plaat, waarna men alles met het zout en de kruiden door elkaar mengt en in de cutter fijn laat lopen. Nog even namengen en afstoppen in rechte runderdarmen. De worst wordt gekookt bij een temperatuur van 75-80° C. Uit de ketel genomen wordt ze vetvrij gemaakt en in koud water afgekoeld, opgehangen en lichtgeel aangerookt. LEVERWORST, FIJNE Samenstelling: 17 kg verse lever, 13 kg halskarbonade of varkensschouders, 15 kg broeken of ander zacht spek, 5 kg dobbelsteentjes spek. Kruiden en zout : 26 g zout, 3 g peper, 2 g piment, 2 g foelie. De varkenslever wordt in plakken gesneden, licht aangebroeid en vervolgens tweemaal door de 2 mm-plaat gedraaid. De halskarbonade of schouder, dus het varkensvlees dat gekookt is, en het broekvet worden eveneens door de 2 mm-plaat gedraaid. De spekblokjes afbroeien. De gehele massa wordt nu met zout en kruiden goed door elkaar gemengd en daarna tamelijk vast gestopt in rechte runderdarmen. De worst wordt ca. 45 tot 60 minuten gekookt bij een temperatuur van 75-80 ° C, goed koud af laten koelen in stromend water. Hierna nog even naspoelen in heet water, de worsten ophangen en laten drogen. LEVERWORST, FIJNE VERSAND- Samenstelling : 15 kg blanke varkenslever, 172 kg gekookte varkenskoppen, 172 kg kinnebakken en broekvet. Kruiden en zout : 26 g zout, 22 g peper, I. g foelie, 2 g gemalen majoraan. De lever wordt van de galgangen ontdaan, in plakken gesneden, licht afgebroeid en tweemaal door de 2 mm-plaat gedraaid waarna alles met een gedeelte van het zout flink met de hand wordt geklutst. Het aangebroeide vet en de gekookte varkenskoppen worden door de 1 mm-plaat gedraaid en daarna flink met het resterende zout en de kruiden en lever vermengd. Hierna afstoppen in rechte runderdarmen en koken bij een temperatuur van 75-80° C gedurende 45 a 60 minuten, in koud water laten afkoelen, na het afkoelen even in warm water vetvrij maken en enkele uren koud roken. De koppen en magen enz. worden flink in stromend water gewaterd, zodat het bloed er uitgetrokken is en daarna met het zwoerd gaar gekookt (worteltjes, het witte van prei en selderijknol in een net doen en laten meetrekken waardoor men een fijne smaak aan de bouillon krijgt). De lever wordt van de galgangen ontdaan, in plakken gesneden en in schoon water flink gewassen, zodat het bloed er uittrekt. De vetsnippers worden licht afgebroeid. Enkele uien worden klein gesneden en even in kokend water gekookt en tweemaal met de lever door de 2 mm-plaat gedraaid. De koppen, de magen enz. draait men vervolgens met het zwoerd door de 2 mm-plaat en alles tezamen wordt droog gecutterd, zodat de massa goed fijn slaat. Hierna wordt de bouillon er aan toegevoegd. Als de massa goed fijn is, doet men het zout en de kruiden er bij alsmede de door de 3 mm-plaat gedraaide speksnippers en laat men de cutter enkele malen rondlopen. Nog even in de mengbak namengen en afstoppen in paardendarmen. De worsten worden direct gekookt bij een temperatuur van 75-80° C gedurende 12 -14 uur, al naar gelang de dikte van de darm. De worsten worden tijdens het koken enkele malen gekeerd. Na uit de ketel te zijn genomen worden ze in lauw water afgewassen, zodat er geen vet aan zit, daarna in stromend water afgekoeld tot ze koud en vast zijn. Deze worst kan bewaard worden in pekel van 3 graden. Ook kan men ze licht afroken in koude rook. LEVERWORST, RHEINISCHE Samenstelling : 10 kg varkenskoppen, 10 kg kalfskoppen, 5 kg afvalvlees, 5 kg pensen, 5 kg magen, 72 kg zenen, 72 kg lever. Kruiden en zout: 26 g zout, 22 g peper, 2 g foelie, 1 g majoraan. Varkenskoppen, kalfskoppen, vlees van afgekookte beenderen, pensen, varkensmagen, zenen, dit alles wordt flink in stromend water gezet en van tijd tot tijd gespoeld, zodat al de bloeddelen er uit trekken en alles blank wordt. De gehele massa wordt tamelijk gaargekookt en met de runder- of half runder- en varkenslever door de 2 mm-plaat gedraaid. Daarna komt alles in de cutter en laat men de massa eerst drooglopen, zodat deze goed fijn wordt. Ook wordt nu de bouillon, waarin het afval is gekookt, er bij gedaan plus het zout en de kruiden. Men laat nu alles in de cutter rondlopen tot het mooi blank is. De massa wordt gevuld in kromme of rechte runderdarmen en gekookt bij een temperatuur van 75-80° C. Gedurende het koken worden de worsten gekeerd en daarna afgekoeld in koud stromend water tot ze vast geworden zijn. Deze worstsoort kan men in pekel van 3 graden bewaren, men kan ze echter ook licht aanroken. LEVERWORST, SAKSISCHE Samenstelling : 15 kg blanke varkenslever, 15 kg varkensen kalfskoppen (mager), 72 kg schielvet, 122 kg broekvet. Kruiden en zout; 26 g zout, 3 g peper, 1 g foelie, 1 g majoraan, 2 g piment en naar wens enkele gebakken uien. De varkens- en kalfskoppen worden goed gaar gekookt, tijdens het koken maakt men verder alles klaar, de lever wordt van galgangen ontdaan, in plakken gesneden en licht afgebroeid in heet water, zodat ze van buiten blank zijn (ze mogen van binnen nog rauw zijn). Zorg dat de lever niet te hard wordt, want dan wordt de worst korrelig. Het schielvet dat vooraf is gewaterd, zodat het goed blank is, wordt met het broekvet in kokend water afgebroeid tot het halfgaar is. Als de koppen gaar zijn laat men ze met de lever en het vet afkoelen en alles wordt koud verwerkt. De koppen, magen en de lever worden door de 2 mm-plaat gedraaid en men laat de massa in de cutter fijn lopen, onder toevoeging van zout en kruiden ; daarna voegt men het vet, dat ook door de 2 mm-plaat is gedraaid, er bij en laat de cutter nog enige malen rondlopen. Even namengen en afstoppen in rechte niet te wijde runderdarmen. De worsten kunnen worden afgebonden op een gewicht van 4 kg, of men maakt lange worsten van 25 cm. De worst wordt gekookt bij een temperatuur van 75 ° C, gedurende 45 à 60 minuten (onder het koken dienen de worsten te worden gekeerd). Uit de ketel genomen, worden ze in warm water afgewassen en men laat ze niet te snel afkoelen: dus in den beginne het water niet te koud. Later mag het goed koud zijn; zodoende voorkomt men een grijze rand. De worsten worden in blanke pekel van 3 à 4 graden bewaard, waardoor ze mooi blank blijven en niet smetten. De worst die in cellophaandarm is gestopt legt men niet in de pekel ; deze kan men goed in de koelcel bewaren, aangezien deze darm niet zo snel smet. SARDINE-LEVERWORST I Samenstelling : 122 kg varkenslever, 7-i kg pensen, varkensmagen, keeldarmen, 30 kg doorregen vetafval. Kruiden en zout : 26 g zout, 3 g peper, 1 g majoraan, 1 g gember, 25 g sardines per kg. De varkenslever, in plakken gesneden, licht aanbroeien. Pensen, magen en verder afval worden gaargekookt, het vetafval wordt flink aangebroeid, en alles wordt afzonderlijk door de 2 mm-plaat gedraaid met de graatvrije sardines. De lever wordt met pensen, magen enz. afzonderlijk in de cutter gedaan en men laat de massa goed fijn lopen, waarna men het vetafval plus zout en kruiden er aan toevoegt. Men laat de cutter enkele malen rondlopen, daarna even namengen en afstoppen in kromme runderdarmen. De worst wordt afgekookt bij een temperatuur van 80 ° C en langzaam afgekoeld. Deze worstsoort licht aanroken. SARDINE-LEVERWORST II Samenstelling: 222 kg kinnebakken en broeken, 10 kg blanke varkenslever, 172 kg doorregen kalfsvlees en varkensvlees. Kruiden en zout : 22 g zout, 22 g peper, 2 g foelie, 2 gcardamom, 2 g suiker, 2 g majoraan, 40 g sardines en zoute haring, half om half. De varkenslever wordt in plakken gesneden en flink in vers water gespoeld, zodat het bloed er goed uittrekt. Men laat de lever vervolgens in een vergiet uitlekken en draait ze met de sardines en de zoute haring plus enkele gebakken uien tweemaal door de 2 mm-plaat. Het vet en het doorwassen kalfs- en varkensvlees wordt bijna gaargekookt; men laat het koud worden en draait het door de 2 mm-plaat, waarna men alles tezamen nog enkele malen in de cutter laat rondlopen. Hierna nog even namengen en afstoppen in rechte of kromme runderdarmen en afbinden tot worstjes van 100 g. De worst wordt vervolgens gekookt bij een temperatuur van 80° C. Ze kunnen licht aangerookt worden. gekookt, wordt nu met het aangebroeide vet plus zout, kruiden en de reeds doorgedraaide lever door de 2 mm-plaat gedraaid en daarna met de dobbelsteentjes tong goed vermengd en afgestopt in witvellen. Ten slotte wordt de worst bij een temperatuur van 80 ° C afgekookt ; tijdens het koken worden de worsten enkele malen gekeerd. Uit de ketel genomen, wordt de worst afgewassen en in koud water gekoeld, terwijl onder het afkoelen de worsten enkele malen worden gekeerd. Deze worstsoort wordt in een koude rook afgerookt tot ze mooi van kleur is. Men kan deze worstsoort ook samenstellen met de farce van Berliner leverworst II. LEVERWORST IN AZIJN Samenstelling : 12 kg rauwe runderlever, 25 kg runder- en varkenskoppen, pensen, magen enz., 8 kg zwoerd, 5 kg broekvet. Kruiden en zout : 24 g zout, 2 g peper, 2 g majoraan. Naar wens enkele rauwe uien. Koppen, pensen, magen en verder afval worden eerst flink gewaterd en daarna gaargekookt. Het zwoerd wordt vingergaar gekookt, het broekvet wordt flink aangebroeid. De lever wordt van galgangen ontdaan, flink gewaterd en met enkele rauwe uien door de 2 mm-plaat gedraaid en in de cutter onder toevoeging van zout blank gecutterd. De verschillende soorten afval worden eveneens door de 2 mm-plaat gedraaid en bij de lever in de mengbak gedaan. Het zwoerd wordt zo warm mogelijk door de 2 mm-plaat gedraaid en in de cutter met bouillon uitgecutterd. De gehele massa wordt nu met zout en kruiden flink door elkaar gemengd en men laat alles in de cutter onder toevoeging van een weinig bouillon goed fijn lopen. De massa mag vooral niet te dun worden door er te veel bouillon aan toe te voegen. Deze worstjes moeten als ze koud zijn, stevig aanvoelen (in azijn worden ze gauw te zacht), de darm is dan ook beter bestand tegen de inwerking van azijn. De massa wordt gestopt in niet te brede, kromme runderdarmen en kettingsgewijze afgebonden tot worstjes van 100 g. Ze worden gekookt bij een temperatuur van 80 ° C en afgekoeld in koud stromend water. Uit het water opge hangen, doet men ze de volgende dag in flessen, gevuld met half azijn en half gekookt, koud geworden water. Men kan ook nog enkele kruiden toevoegen, zoals laurierblad, een beetje mosterdzaad en een klein beetje aluin. (Af b. 624) PÂTÉ D'ANVERS Samenstelling: 7 2 kg varkenslever, 5 kg rugspek, 4 kg kinnebakspek, 5 eieren, 1 lepel lichtgeel gebakken ui, 2 kg rijst. Kruiden : 2 g salpeter, 2 g suiker, 2 g peper, 1 g foelie per kg plus 20 g zout. De lever wordt van galgangen ontdaan, waarna deze aan plakken wordt gesneden. Vervolgens goed laten uitwateren, enkele minuten af broeien in heet water en in een zeef goed laten uitlekken. Daarna door de 2 mm-plaat draaien, en in de cutter doen met zout, kruiden en eieren; de rijst (die tevoren is gestoomd, zodat deze goed gezwollen en zeer zacht is) wordt eveneens door de 2 mm-plaat gedraaid, waarna dit alles goed uitgecutterd wordt. Ten slotte voegt men het spek eraan toe (gedraaid door de 2 mm-plaat) waarna men nogmaals flink cuttert. Dit deeg doet men in vuurvaste potten (deze zijn speciaal hiervoor in de handel); er overheen legt men een plaatje dun gesneden rugspek, dat met de punt van het mes aan de zijkant wordt ingeduwd, vervolgens sluit men het deksel af en kookt een en ander gedurende 22 uur bij 75° C. Verdere afwerking: het spekplaatje met een weinig bloem met een kwastje bestrijken, nu maken we een papje van gebrande suiker, geklutst met een paar eieren, waarmede het spekplaatje eveneens wordt bestreken; we trekken enige figuren over de Pâté en gaan er met een gasvlam over heen ; de rand afgarneren met reuzel. (zie smeerleverkaas). PÂTÉ DE TERRINE Samenstelling : 5 kg blanke varkenslever, 5 kg nekspek, 200 g champignons, 200 g uien (rauw gewogen), 100 g dextrose, 240 g zout, 25 g witte peper, 10 g foelie, 10 g gember. Bereiding : De lever wordt zuiver van de galgangen ontdaan en daarna aan zeer dunne plakjes gesneden (ca. 1 cm) en gedurende 2 uren in schoon water gezet, dat men enige malen ververst. Hierna broeit men de lever enigszins aan, doch niet meer dan ongeveer een derde; dus het hart van de plakjes blijft rauw. Bij deze aangebroeide lever voegt men de champignons en de intussen gefruitte uien en draait alles gezamenlijk door de 2 mm-plaat, waarna men de lever in de cutter doet, onder toevoeging van het door de 2 mm-plaat gedraaide spek plus zout en kruiden. Deze massa cuttert men zo lang, tot zij de eerste tekenen van afzetting vertoont. Nu wordt dit deeg gevuld in vuurvaste terrines, die vooraf met een kwastje, gedoopt in even vloeibare reuzel, worden ingevet. De terrines moeten goed vol met een kop er op, zodat er geen lucht tussen deksel en deeg zit. Voordat het deksel er op gaat, legt men een dunne lap spek over het deeg en daarover een velletje vetvrij perkament; dit om te voorkomen dat men later bij het verwijderen van het deksel het spek van de pâté trekt. Men sluit vervolgens de terrines af met het deksel en omsnoeren ze met touw, zodat de deksel er tijdens het koken niet kan afvallen. De kooktijd voor de grote terrines is 3 uur, voor de kleine terrines 2 uur op 80° C. Na het koken laat men ze tot de volgende dag afkoelen, waarna men de deksels plus het perkament verwijdert. Vervolgens bestrooien wij het spek met tarwebloem, waarna men de overtollige bloem er zorgvuldig afklopt. Voor het bereiken van de bakkleur, gaat men als volgt te werk : Men neemt een eiwit en slaat dit stuk met een paar vorken, doch niet tot schuim. Bij dit geklopte eiwit voegen wij een weinig slaolie, wat melk en enkele druppels gebrande suiker om de gewenste kleur te krijgen. Wanneer dit alles goed vermengd is, wordt het met een zacht kwastje op de pastei gestreken. Daarna gaat men met een vork, waaruit de beide binnenste tanden zijn verwijderd, evenwijdige diagonale lijntjes over het spek trekken in beide richtingen, waardoor ruitjes op het spek ontstaan. Na deze behandeling brandt men met een gassteekvlam de oppervlakte van de randen af naar het midden, lichtbruin. Voor het branden moet het mengsel eerst opgedroogd zijn. Om het geheel glanzend te krijgen kan men er een kwastje vloeibare vleeslak over strijken. Ten slotte vult men de rand met een randje blanke reuzel door middel van een spuitzakje. SMEERLEVERKAAS Samenstelling : 20 kg varkenslever, 271- kg zacht vet, broekvet, 22 kg boter of margarine, 2 kg rijst, per kg 1 ei. PAARDEWORSTSOORTEN INLEIDING Het verwerken van paardevlees tot diverse worstsoorten stelt andere eisen aan de worstmaker dan bij rundvlees het geval is. Paardevlees heeft namelijk een iets minder grote bindkracht dan rundvlees. Bovendien is paardevlees vochtrijker dan rundvlees. Aan worstsoorten — met paardevlees gemaakt — dient 3 spek te worden toegevoegd, evenals dit bij worstsoorten met rundvlees het geval is. Vooral bij het bereiden van lever- worst moet rekening worden gehouden met het feit, dat paardevet — zowel het slachtvet als het aangewassen vet — een gele kleur heeft, die zich in gekookte artikelen oplost. (Wanneer niet anders vermeld geldt voor de volgende recepten de samenstelling voor 10 kg worstmassa; de hoeveelheden kruiden en zout per kg). BOTERHAMWORST Samenstelling : 6 kg mager paardevlees, 1 kg paardevet, 2 kg taai kinnebakspek, 1 kg spekblokjes. Kruiden en zout : 24 g kleurzout (of 24 g keukenzout, 1 g salpeter en 1 g suiker), 3 g witte peper, 12 g gember, 1 g nootmuskaat, 2 g cardamom. Het magere paardevlees, paardevet en kinnebakspek worden aan stukken gesneden en apart voorgezouten met per kg 24 g kleurzout. Na enkele dagen wordt het magere vlees eerst door de 14 mm-plaat gedraaid en daarna door de 2 mm-plaat. Het paardevet en kinnebakspek gaan door de 3 mm-plaat (tezamen draaien). Wij cutteren nu het magere vlees uit met 16% water en 4% aardappelmeel. Tevens wordt de benodigde hoeveelheid vetbindmiddel toegevoegd. Als de massa voldoende is uitgecutterd (de kruiden worden halverwege het cutterproces toegevoegd) worden het gedraaide vet en spek bijgevoegd in de cutter en wij laten het geheel nog enkele keren rondlopen. Daarna overbrengen in de mengbak en de klein gesneden, gebroeide spekblokjes toevoegen. Alles goed door elkaar zetten en stoppen in goed warm voorbereide runder-zakeinden. Na de worsten circa 8-10 uur te hebben gedroogd bij een temperatuur van rond 20° C worden ze mooi roodbruin gerookt in de rookkast. Naar gelang de dikte koken wij de worsten nu 2 tot 22 uur op 75-80° C. Het verdient aanbeveling de worsten na het koken op de tafel te leggen en er doeken of iets dergelijks over te leggen. De kleur zal daardoor beter zijn. De darmen glad trekken door in kokend water dompelen. B O T E R H A M W O R S T (alleen met wolf) Samenstelling en kruiden als bij de bewerking met cutter. In plaats van het door de 2 mm-plaat gedraaide paardevlees in de cutter over te brengen doen wij dit in de mengbak. Wij wegen nu het toegestane water (16%) en aardappelmeel (4%) af en roeren het meel door het water. Dit mengsel voegen wij geleidelijk aan het vlees in de mengbak toe en mengen het met de hand goed door elkaar. Als het water en meel geheel door het vlees is opgenomen worden het gedraaide paardevet, het kinnebakspek, de kruiden en het benodigde vetbindmiddel toegevoegd. Dit alles tot een homogene massa mengen met goede bindkracht. HS 23 WORST, DROGE Samenstelling: 62 kg paardevlees (mager), 3i kg taai spek. Zout en kruiden : 20 g keukenzout, s g salpeter, 1 g suiker, 3 g witte peper. Het magere paardevlees wordt door de 14 mm-plaat gedraaid en vervolgens aangezouten met 20 g zout per kg, 5 g salpeter en 1 g suiker. Na het zout te hebben toege voegd moeten het vlees en het zout grondig met elkaar worden vermengd en dient het vlees tot slot stevig in elkaar te worden gedrukt. Het wordt nu in de koelcel geplaatst, waar wij het acht dagen laten staan. Het benodigde spek snijden wij aan repen, die wij aan stokken rijgen en vervolgens in de koelcel hangen, zo dicht mogelijk bij de verdamper. Het spek zal daardoor goed droog en koel worden. Bij de verdere bereiding draaien wij het vlees en het spek door de 4 of 5 mm-plaat met het resterende zout en de kruiden. Van de verkregen massa maken wij stevige ballen, die wij een nacht in de koelcel plaatsen. De volgende dag stoppen wij deze massa in rechte darmen. De verkregen worsten leggen wij 5 dagen in een pekel van 18-20 gr. en hangen ze daarna op om te drogen. Als de worst voldoende is gedroogd wordt zij één tot twee dagen koud gerookt (18-20° C). GEKOOKTE WORST Samenstelling : 6 kg mager paardevlees, 1 kg aangewassen paardevet (of taai spek), 3 kg taai spek. Zout en kruiden : 24 g kleurzout, 3 g witte peper, 1 g foelie. Voor het maken van kookworst van paardevlees zijn er vele mogelijkheden. Wij laten er twee volgen. 1. Het magere paardevlees wordt aan stukken gesneden en voorgezouten met 24 g kleurzout per kg. Dit vlees plaatsen wij in de koelcel. Ook het paardevet en taai spek worden aan stukken gesneden, voorgezouten met 24 g kleurzout en in de koelcel geplaatst. Na enkele dagen draaien wij het magere vlees door de 14 mm-plaat en daarna (naar wens) door de 2, 3 of 4 mmplaat. Het magere vlees cutteren wij uit met 16% water en 4% aardappelmeel. De kruiden voegen wij toe. Na voldoende bindkracht te hebben verkregen worden het door de 3 of 4 mm-plaat gedraaide paardevet en taai spek toegevoegd, evenals wat vetbindmiddel. Het geheel wordt tot een homogene massa gecutterd, die wordt gestopt in kransdarmen. De worsten worden 8-10 uur gedroogd (waardoor tevens een mooie kleur wordt verkregen) en daarna gerookt in een rook van circa 25° C. Het koken geschiedt 45-60 minuten bij 80° C. Na het koken de worsten ophangen om af te koelen. Rimpelig geworden worsten worden in heet water gedompeld. 2. Een kleine hoeveelheid paardevlees wordt door de 2 mm-plaat gedraaid en uitgecutterd met water en meel. Deze farce mengen wij met de rest van het te verwerken paardevlees, paardevet en taai spek (dat in niet te grote stukken is gesneden) en draaien het geheel — met zout en kruiden — door de 3 mm-plaat. Tevens wordt wat vetbindmiddel toegevoegd. Na namenging stoppen in kransdarmen. Verdere behandeling als bij 1. aangegeven. Deze methode kan zowel met de cutter als alleen met de wolf worden toegepast. DIVERSE RECEPTEN GEKOOKTE BACON Hiervoor gebruiken wij het dunne vette spek met karbonades erop van lichte varkens van ca. 70 kg. Deze bacon wordt ongeveer 2 dagen gezouten in pekel van 18-20 graden. Uit de pekel wordt de bacon met een doek afgedroogd en op de grootte van een kleine vierkante hamkoker gesneden. In de van tevoren ingevette hamkoker legt men vervolgens de twee bacons ; één met de zwoerdzijde naar beneden en één met de zwoerdzijde naar boven. Tussen de beide bacons strooit men wat zwoerdpoeder. Hierna wordt het deksel van de hamkoker aangedrukt en koker met inhoud gedurende drie uur op 80 ° C gekookt. Voor verdere bewerking verwijzen wij naar Press-filet. BIEFSTUK TARTARE In het midden van een ovaal schaaltje legt men een gehakt biefstukje dat is vermengd met een weinig zout en peper. De gehakte biefstuk wordt als gewone biefstuk gekerfd, zodat hierdoor fijne ruitjes ontstaan. Dit biefstukje wordt in het midden een weinig ingedeukt, zodat een rauwe eierdooier, die men daar inlegt, er ongeveer tot 3 deel in verzinkt. De verdere ingrediënten zijn : augurkjes, uitjes, hard gekookt ei en peterselie. Het ei wordt gepeld en daarna wit en geel gescheiden. Deze ingrediënten worden nu afzonderlijkk fijn gehakt, waarna men langs de rand van het schaaltje hiervan kleine, ronde stapeltjes legt, b.v. acht op gelijkmatige afstand en omringt met een randje peterselie. BOUDIN BLANC Samenstelling: 10 kg mager varkensvlees, 10 kg buikspek. Het vlees wordt voorgezouten met 20 g zout, 2 g salpeter, g suiker per kg. Kruiden : 1 g peper, 2 g foelie, 2 g nootmuskaat. Het varkensvlees wordt door de 2 mm-plaat gedraaid en vervolgens uitgecutterd met 3 liter gekookte melk, 1 kg wit- brood en 3 eieren (het brood wordt geweekt in de melk, daar er anders stukjes in blijven). Het spek draaien we door de 2 mm-plaat en onder bijvoeging van enkele blaadjes peterselie wordt het gecutterd. De massa wordt afgestopt in varkensdarmen, afgeknoopt in kettingworstjes en vervolgens gekookt, gedurende 20 minuten bij 75° C; daarna afkoelen in stromend water en ophangen. Deze worstjes worden gebraden opgediend. CORNED BEEF IN APPARAAT Samenstelling: 55 kg rundvlees en 25 kg aangewassen vet. Het rundvlees wordt voorgezouten aan grote stukken met 20 g zout, 1 g salpeter, 1 g suiker, gedurende minstens 2 dagen ; dit vlees (in van tevoren met been en pezen gekookte bouillon) laten trekken tot het tamelijk gaar is (vooral niet te gaar koken daar het dan te veel aan gewicht verliest), het vlees uit de ketel scheppen en enigszins laten uitlekken; intussen worden de stukken aangewassen vet gekookt. Het vlees wordt door de wolf gedraaid met voorsnijder, mes en wederom voorsnij der, het vet draait men door de 14 mm-plaat, vervolgens mengt men deze massa met 71 kg niet te gaar zwoerd. Dit wordt tweemaal door de 2 mmplaat gedraaid met 5 liter vetvrije bouillon, waaraan toegevoegd 1 g peper per kg. Deze massa vult men in apparaten, naar verkiezing met of zonder spekplaten. Wordt spekbelegging gebruikt, dan nog 15 minuten nakoken en licht aanpersen. GENTSEKOP Hiervoor nemen we mager kalfsvlees, dat we 2 dagen zouten in pekel van 16 graden; daarna koken we dit met weinig water en hierbij voegen we kalfsborsten en -poten teneinde een goede bouillon te krijgen. We hangen er een zakje kruiden bij (peperkorrels, foelie, een paar laurierblaadjes) en laten dit alles trekken tot het vlees tamelijk gaar is. Het vlees wordt vervolgens uit de ketel genomen en aan enigszins grote stukken gesneden. De massa wordt nu in vrij grote vormen gedaan, die tevoren zijn belegd met spekplaten, welke zijn gesneden van licht gezouten spek. Hiertussen wordt een weinig bouillon gegoten. Men legt er nu een plankje op met een gewicht, zodat het goed perst. De volgende dag kunnen de vormen worden uitgeklopt. HOOFDKAAS I Samenstelling : 20 kg varkenskopvlees, 20 kg kalfskopvlees, 10 kg hart en long, 10 kg zwoerd en 20 liter bouillon. Hoeveelheid kruiden en zout per kg : 20 g kleurzout, 2 g peper, 1 g foelie. Bewerking : Het vlees van varkenskoppen, kalfskoppen, harten en longen en het zwoerd zet men enige uren in koud water, zodat het bloed er goed uittrekt. Vervolgens wordt alles tezamen gekookt met zo weinig mogelijk water, ter verkrijging van een goede bouillon. Wanneer het vlees en het zwoerd gaar zijn, draaien we het samen door de 6 mm-plaat, daarna voegen we dit gemalen vlees bij de bouillon en laten dit nog een kwartier door koken. Men voegt naar smaak kleurzout, peper, foelie, en een weinig azijn toe. Vervolgens schept men de massa uit de ketel in een bak en laat deze al roerende afkoelen tot ze lauw-warm is, waarna de hoofdkaas in kleine vormen wordt geschept. HOOFDKAAS II Samenstelling : 10 kg kalfskopvlees, 10 kg runderkopvlees, 20 kg hart en long van kalf en varken, 20 kg zwoerd en 30 liter bouillon. Voor de bewerking zie Hoofdkaas I. HOOFDKAAS III Samenstelling: 1- kg varkensvlees, 2 2 kg zwoerd en naar smaak peper, zout, nootmuskaat, azijn. Het vlees moet ongeveer 3 mager en 3 vet zijn. Men kan hiervoor nemen uitgebeende varkenshielen, nekkarbonade, de losse delen van een uitgebeende schouder, buikspek, uitgebeende varkenskop. Het uitgebeende en ontzwoerde vlees wordt met 22 kg zwoerd enkele uren in schoon water gezet en voor het in de grote pan gedaan wordt, nog een keer in schoon water nagespoeld. Onder in de pan doet men een roostertje, zodat het vlees tijdens het koken niet kan aanbranden. In de pan doet men 8 a 10 liter water en brengt dit, nadat het vlees er in gedaan is, aan de kook. Nu is het nodig op te letten, dat het spek juist vingergaar wordt om het dan van het vlees te snijden en koud te laten worden. Het vlees nog een tijdje laten doorkoken tot het MOZAÏEKPASTEI Voor deze pastei gebruiken wij een bonte galantine, waarbij het middenstuk wordt gevuld met een ronde, gewikkelde tong. Zowel om deze tong als om de buitenzijde wordt een wit-rode plaat gelegd. Verdere behandeling als bij de overige mozaïeken en pasteien. (Afb. 698) MOZAÏEKROLLADE, BLOKSPIRAAL Wij snijden hiervoor allereerst twee lichtrode en twee donkerrode vierkanten, die worden bestrooid met gelatinepoeder en bestreken met blanke farce. De blokken worden samengevoegd tot een vierkant. Van donkerrode farce snijden wij thans plaatjes om rond het verkregen vierkant te zetten. Ook deze worden bestreken met blanke farce na met gelatinepoeder te zijn bestrooid. Wij hebben nu twee voorgekookte spiralen nodig, die in de lengte worden doorgesneden en tegen het vierkant aangezet. De overige ruimte wordt met rauwe blanke farce gevuld. Rond het geheel komt een wit-rode spekrand, zoals elders beschreven. De verdere behandeling is als aangegeven bij de zevendelige mozaïekrollade. MOZAÏEKROLLADE, DRIEDELIGE Wij gebruiken hiervoor drie rose, drie lichte en drie donkerrode strepen, alsmede drie halve blanke strepen. De strepen bestrooien wij met een weinig gelatinepoeder en bestrijken ze hierna met een weinig blanke farce. De strepen worden vervolgens samengevoegd tot 3 blokken om daarna de blokken tot een figuur te vormen. De holle ruimten worden met halve blanke strepen gevuld. De figuur wordt nu in een vel perkament gerold door omwikkeling met een lint. De figuur moet goed vast in elkaar zitten. Wij koken deze rol circa 40 minuten op 80° C. Na afkoeling volgt verder opbouw van de rollade. Wij leggen nu een wit-rode plaat spek plat op tafel, bestrijken deze met een centimeter dikke laag farce en rollen hier de figuur in. De rollade wordt nu dichtgemaakt en in een pasteidarm getrokken. Deze wordt goed afgerold en verder behandeld als aangegeven bij rollades. MOZAÏEKROLLADE, RAD- In een ronde vorm wordt eerst een lichte en donkere rol farce gekookt. Deze rollen worden op de pasteiplank in acht gelijke strepen verdeeld. Voor de rad-rollade hebben wij vier donkerrode strepen nodig en vier lichte, die allereerst met gelatinepoeder worden bestrooid en vervolgens bestreken met rauwe, blanke farce. De acht strepen worden nu samengevoegd, donker en licht om en om, tot een ronde figuur. Deze rol wordt weer bestrooid met gelatinepoeder, bestreken met farce en daarna wordt er een rood-witte band om gezet. Leg haar nu op een uitgelegde rood-witte plaat spek, die met een centimeter dikke laag farce is bestreken. De verdere behandeling als bij de zevendelige mozaïekrollade. MOZAÏEKROLLADE, STER- Voor deze rollade bestrooien wij drie rode en drie donkerrode strepen met een weinig gelatinepoeder en bestrij ken ze met blanke farce. Deze strepen worden nu zodanig tezamen gevoegd dat een ster ontstaat. De hoeken worden met blanke farce bestreken, waarna een rol zal ontstaan, die in perkament wordt gerold en daarna omwikkeld met lint. Thans de rol 40 minuten koken op 80° C. Na te zijn gekookt wordt de rol in de koelcel gelegd. Een wit-rode plaat spek wordt met een laag blanke farce ter dikte van een centimeter bestreken en hierin wordt de inmiddels afgekoelde rol gelegd. De rollade wordt nu dichtgemaakt, waarbij de beide uiteinden met rauwe blanke farce worden gevuld. Na de rollade in een pasteidarm te hebben getrokken wordt deze goed afgebonden en verder behandeld als aangegeven bij rollades. MOZAÏEKROLLADE, ZEVENDELIGE Deze rollade wordt gemaakt van lichte, rose en donkerrode bloedfarce, ieder 7 strepen, die van tevoren op de pasteiplank zijn gesneden. De 21 verkregen strepen worden met een weinig gelatinepoeder bestrooid en bestreken met blanke farce. Deze strepen worden nu tot 7 enkele blokken samengevoegd om vervolgens deze rollade neer te zetten op een uitgelegde rood-witte plaat spek. Er worden hierbij nooit 2 gelijke kleuren naast elkaar gelegd. De 3 kleuren moeten alle horizontaal liggen. De overige holle ruimte vult men met halve blanke strepen (blanke farce). De beide uiteinden worden met ongekookte blanke farce gevuld. De rollade wordt nu in een pastei-darm getrokken en goed afgebonden. Zij wordt nu in een doek gewikkeld en met lint mooi rond omwikkeld. De rollade wordt nu circa 3 uur gekookt op 80° C. Na het koken wordt de rollade nog eens goed nagerold, hetgeen nodig is om de juiste vorm te verkrijgen. Als de rollade in de koelcel is afgekoeld kan ze nog een zachte, koude rook hebben. Dit geeft de rollade een beter aanzien en voorkomt klef worden. HET MAKEN VAN DE ROOD - WITTE PLAAT SPEK Een vel perkament ter breedte van de pastei en ter lengte van circa 40 centimeter wordt plat op tafel gelegd. Dit vel perkament wordt vervolgens belegd met een dun laagje spek (2 mm), waarover een weinig gelatinepoeder wordt gestrooid. Nu wordt het ingesmeerd met een dun laagje blanke farce. Op deze farce leggen wij thans om en om dunne strookjes spek en dunne strookjes donkerrode bloedfarce. Nu weer bestrooien met een weinig gelatinepoeder. Wij hebben thans een centimeter dikke laag blanke farce nodig, die over de lagen wordt gesmeerd. NIERBROODJES I De nieren worden in de gehaktmachine gemalen door de 5 mm-plaat. Ongeveer 1 kg is benodigd. Een ui wordt fijngesneden en lichtbruin gebakken. Vervolgens worden de nieren toegevoegd in de pan en men laat nu de gehele massa even doorbakken met zout en kruiden. Als het gaar is, voegt men nog een weinig tomatenpurée toe en een halve liter bouillon. Naar smaak kan men wat soya of Worcestersaus toevoegen. De gehele massa nog circa 20 minuten laten doorkoken. HOOFDSTUK 9 BEREIDING VAN HAMMEN, PEKEL- EN ROOKVLEESWAREN INLEIDING Wanneer stukken vlees voor de zouterij worden bestemd dan moeten enkele speciale regels terdege in acht worden genomen. Wij zullen in het kort enkele regels aangeven. 1.De te slachten dieren mogen niet in vermoeide toestand worden geslacht. Een rustperiode van 24 uur is nodig. 2. Tijdens het slachten mogen de dieren niet opgewonden geraken. Het bedwelmen en verbloeden dient zo snel en goed mogelijk te geschieden. 3. Een zeer voorname regel voor de zouterij is stellig, dat alle te pekelen stukken vlees van tevoren volkomen doorgekoeld moeten zijn. Er mag nooit worden vergeten, dat het zouten voor het vlees een periode inhoudt van bepaalde „armoede". Hoe beter het vlees is doorgekoeld, des te beter zal het zich tijdens het zouten houden. Vooral de eerste dagen zijn belangrijk, want dan bevat het vlees te weinig zout om afweer te hebben tegen de bacteriën. 4. Vlees van tochtige (vrouwelijke) dieren is ongeschikt voor de pekelkelder. 5. Wanneer stukken vlees na koeling niet hard worden zijn zij tevens ongeschikt om te worden gepekeld. DE PEKELKELDER Deze zal bij voorkeur een temperatuur moeten hebben van om en bij 8° C. Een hogere temperatuur is niet goed voor de te pekelen stukken vlees, daar deze sneller aan bederf onderhevig zullen zijn. Ook de pekel zal sneller tot ontbinding overgaan. Is echter de pekelkelder te koud, dan zal veelal het gepekelde vlees een enigszins donkere rand te zien geven. Vooral bij rookvlees en hammen is dit sterk het geval. De pekelbakken kunnen zeer verschillend zijn. Zij mogen echter geen scheuren of barsten bevatten. Het verdient verder aanbeveling de bereide pekel veelvuldig met de pekelweger na te meten om zodoende de grootst mogelijke zekerheid te hebben. (Afb. 708) HET ZOUTEN Allereerst worden de hammen flink met pekelzout ingewreven. Onder pekelzout wordt verstaan een mengsel van 100 kg keukenzout met 1 kg kalisalpeter en 2 kg rietsuiker. De rietsuiker wordt toegevoegd om de ietwat bittere smaak van de kalisalpeter te neutraliseren. Denk er wel om, dat een homogene menging wordt verkregen, opdat de salpeter niet gedeeltelijk op één hoop blijft zitten. Ook wordt wel eens gewerkt met snelwerkend kleurzout, waaronder wordt verstaan 100 kg keukenzout vermengd met 600 gram nitriet. Rietsuiker kan naar wens worden toegevoegd. Wij wijzen er met nadruk op, dat het nitrietgehalte nimmer de 0,6 % te boven mag gaan. Dit, omdat nitriet - de volle naam luidt natriumnitriet - bij toepassing van grotere hoeveelheden een giftige werking heeft. Het verdient aanbeveling om bij gebruik van nitriet eerst een kleine hoeveelheid keukenzout eraan toe te voegen, dit goed met elkaar te vermengen en dan weer een hoeveelheid keukenzout toe te voegen. Dan weer grondig mengen. Eerst dan wordt dit mengsel aan het resterende keukenzout toegevoegd. Dit in etappen mengen doen wij, opdat zich vooral geen klontjes nitriet vormen. HET SNELPEKELEN HET INSPUITEN VAN VLEESWAREN MET PEKEL Bij de behandeling van de verschillende recepten zal blijken, dat het pekelen van vleeswaren op drieërlei manier kan geschieden, te weten : vlg. de zoutmethode volgens de droge zouting, de pekeling en als laatste groep de zogenaamde snelpekeling, welke wij hieronder zullen bespreken. Juist in deze tijd wordt steeds meer gezocht naar een pekelmethode, die tijd bespaart. ALLEEN VOOR TE KOKEN VLEESWAREN TOEPASSELIJK De snelpekelmethode kan alleen worden toegepast op vleeswaren die na de pekeling worden gekookt en dus niet op vleeswaren, die in rauwe toestand worden genuttigd. De snelpekeling geeft nl. een minder zorgvuldige conservering. Ook is van enorm groot belang, dat de snelpekeling op de juiste wijze wordt toegepast, onverschillig welk hulpapparaat daartoe ook wordt aangewend. Het op de juiste wijze spuiten is een eerste vereiste. Het is daarom nuttig eerst iets te vertellen over de toe te passen wijze van pekelen, waarna wij de verschillende voor dit doel vervaardigde apparaten zullen behandelen. HET PRINCIPE VAN SNELPEKELEN Dit is terug te voeren tot het inbrengen van de pekel in het vlees, in plaats van deze pekel geleidelijk-aan erin te laten trekken. Het laat zich gemakkelijk indenken, dat deze wijze van pekelen een geforceerd pekelproces is. En ... alles wat geforceerd verloopt brengt bepaalde nadelen met zich mede. In tegenstelling met de normale pekelmethode lijdt het vlees veel meer dan wenselijk is. Door steeds weer de spuitnaald in het vlees te steken - teneinde de pekel erin te laten vloeien - ontstaan er kleine gaatjes in het vlees, die zich grotendeels sluiten. Nu is het zaak de spuitnaald zodanig in het vlees te steken, dat de minste weerstand wordt verkregen, terwijl bij het inspuiten van de pekel moet worden gelet op een regelmatige toevoer van de pekel uit de pomp en een regelmatige verspreiding door het vlees. Daarom drukken wij voorzichtig de pekel in het vlees terwijl intussen, al drukkende, een licht draaiende beweging met de pekelspuit wordt gemaakt en gelijktijdig de naald voorzichtig en langzaam uit het vlees wordt getrokken. been bevindende vlees wordt verwijderd. Hieruit blijkt dus reeds, dat het schaambeen niet wordt uitgebeend. Dit blijft in de ham, opdat een mooi gesloten geheel gehandhaafd blijft. Deze is dus goed ingewreven met pekelzout en blijft thans enige tijd liggen om alvast door te kleuren. Vervolgens worden de hammen in schone vaten gelegd. Dit kunnen goed gezuiverde wijnvaten zijn, dan wel cementen of gemetselde pekelbakken. Over iedere ham wordt een hoeveelheid pekelzout gestrooid, waarna het pekelvat of de pekelbak wordt aangevuld met pekel van 22 tot 23 graden sterkte. Een zodanige pekel wordt verkregen door aan 25 liter water 6 kg keukenzout, 200 g kalisalpeter en 200 g rietsuiker toe te voegen, waarna alles in de ketel aan de kook wordt gebracht. Na 15 minuten doorkoken — waarbij het opkomende schuim steeds wordt verwijderd — wordt de pekel door een neteldoek gegoten. Daarna laat men de pekel afkoelen, waarbij regelmatig wordt geroerd om verstikking te voorkomen. Voor alle zekerheid wordt de sterkte met de pekelweger gecontroleerd. Indien een pekel aanwezig is, waarin reeds eerder is gepekeld, maar die toch nog heel goed van conditie is, wordt hieraan bij het pekelen van Gelderse hammen de voorkeur gegeven. Deze pekel bezit namelijk reeds vele eiwit- en extractstoffen uit het tevoren gepekelde vlees, zodat deze pekel een smaakvoller product oplevert. Als voldoende pekel aan de hammen is toegevoegd, zodat deze onder de pekel staan, worden de hammen bezwaard met een rek, waarop stenen zijn geplaatst. Let hierbij wel op, dat de hammen niet te veel worden geperst, doch tevens, dat de druk voldoende is om de hammen onder de pekel te houden. DE VERDERE BEWERKING Nimmer mag worden vergeten, dat de hammen tijdens het pekelen min of meer een armoedige tijd meemaken. Daarom worden de hammen na een week omgelegd en wel in dier voege, dat de onderste hammen boven komen en de bovenste beneden. Dit omzetten moet iedere week geschieden, waarbij steeds het vat of de bak wordt aangevuld met pekel. Het pekelproces duurt 3 tot 4 weken. Zodra de zouttijd is beëindigd worden de hammen uit de pekel genomen en gedurende 2 weken in het donker weggelegd om goed door te kleuren. Er wordt wel op gewezen, dat dit doorkleuringsproces in het donker moet geschieden, omdat anders de kans op geel worden van het spek niet denkbeeldig is. Daarom worden de hammen op elkaar gepakt en vervolgens bedekt met zoutzakken of iets van dien aard. De fraaie rode kleur trekt hierdoor tot in de kern van de hammen door, terwijl het vlees tevens een betere rijping ondergaat. Na de twee weken doorkleurtijd worden de hammen gedurende 1 dag in het water gelegd. Dit geschiedt om de buitenste zoutlaag — die natuurlijk sterker is dan in de kern van de hammen — gedeeltelijk weer weg te nemen en tevens om latere zoutuitslag ten dele tegen te gaan. Na het wateren worden de hammen gedroogd. Dit moet op een beslist tochtvrije plaats gebeuren, want anders slaat de buitenzijde toe, waardoor rond de ham een donkere rand optreedt, hetgeen een lelijk gezicht is. Vervolgens komen de hammen gedurende 4 dagen in een beslist koude rook. Voor deze rook wordt eiken- of beukenzaagsel genomen, waaronder een weinig eiken- of beukenspaanders worden gelegd. Met deze rook wordt een behoorlijk dikke walm verkregen, terwijl toch de temperatuur laag blijft. Met nadruk vestigen wij er de aandacht op, dat als rookmateriaal geen vurenhout, dan wel zaagsel of spaanders van dennenof grenenbomen moet worden genomen, daar dit sterk harshoudend is, zodat de hammen, die in een dergelijke rook worden gehangen, een bittere smaak krijgen. Na het roken blijven de hammen nog enige tijd hangen om af te koelen, waarna zij in linnen zakjes worden gepakt, waarin zij worden bewaard. BEENHAM, HOLLANDSE In afwijking met de Gelderse beenham wordt bij de Hollandse beenham het schaambeen wel weggenomen. Het uit benen hiervan dient uiterst voorzichtig te geschieden, opdat er geen vliegengaten worden gemaakt. Ook het afnemen van het onderpootje geschiedt bij een Hollandse beenham op andere wijze, zoals trouwens afb. 715 laat zien. Het onderpootje wordt juist onder het kniegewricht afgezet. Vervolgens worden de bloedaderen goed leeggedrukt en wel langs de bovenfricandeau en het spierstuk van de ham. Bij dit uitdrukken van het bloed houdt men een schone doek bij de hand, zodat het uitkomende bloed regelmatig kan worden weggenomen. De knop van de bilpijp wordt goed schoongemaakt en het losse vlees wordt weggesneden. Nu wordt de Hollandse beenham goed met pekelzout (een mengsel van 100 kg keukenzout, 1 kg kalisalpeter en 2 kg rietsuiker) ingewreven. Als de ingewreven hammen enige tijd hebben gelegen wordt begonnen met de verdere pekeling. De hammen komen hiertoe in pekelvaten of pekelbakken, waarbij tussen iedere ham een hoeveelheid pekelzout komt. Vervolgens worden de vaten of bakken bijgevuld met pekel van 23 à 25 graden sterkte tot de hammen geheel onder staan. Teneinde de hammen ook werkelijk onder te houden wordt er een rekwerk van hout op de hammen gelegd, dat met stenen wordt verzwaard zonder dat persing optreedt. De zouttijd van Hollandse hammen bedraagt tussen de 3 en 4 weken, afhankelijk van het gewicht der hammen. Iedere week worden de hammen omgelegd, hetgeen inhoudt, dat de onderste hammen boven komen en de bovenste onder. Na het eindigen van de zouttijd — die zoals gezegd tussen 3 en 4 weken bedraagt — worden de hammen uit de pekel genomen om dan gedurende ongeveer 2 weken onder zoutzakken goed donker te worden weggelegd om een doorkleurings- en rijpingsproces te ondergaan. Een heel belangrijk proces, omdat de hammen hierdoor niet alleen beter en sterker van kleur worden, doch tevens omdat de smaak van het vlees veel voller en rijper wordt. Er moet evenwel worden gezorgd voor een donkere opslag, want lichtinwerking benadeelt de kleur en smaak van het spek. Met het gedurende een dag wateren van de hammen wordt de slotphase van het bereidingsproces van Hollandse been- ham ingeluid. Door middel van het koude water wordt de buitenste zoutlaag voor een deel weggenomen en daarmede ten dele zoutuitslag voorkomen. Nu worden de hammen opgehangen om te drogen en wel trokken. Vooraf moet deze varkensblaas eerst in lauw water worden gezet om te weken. Daarna wordt de varkensblaas nog eens goed met lauw water uitgespoeld en vervolgens gekeerd. De urinekant komt dus aan de buitenzijde te zitten. Wanneer de blaas over het vlees is getrokken dient deze te worden dichtgenaaid. Dit dichtnaaien geschiedt met katoengaren. Is de blaasham dichtgenaaid, dan houden wij haar enige tellen in goed heet water, waardoor de blaas zich strak om het vlees heen trekt. Nu moet de blaasham worden gewikkeld. Hierbij begint men aan de zijde waar de blaasham werd dichtgenaaid. Zou aan de tegenovergestelde zijde worden begonnen, dan is de kans groot, dat de blaas stukspringt op de plaats waar zij werd dichtgenaaid. De spanning wordt immers tijdens het wikkelen steeds sterker. Bij een goed gerolde blaasham zullen de afstanden tussen de touwtjes onderling niet van elkaar verschillen. Begonnen wordt met het leggen van een vaste steek, de zogenaamde rolladesteek. Van hier uit beginnen wij te rollen. Onder voortdurend sterk aantrekken van het wikkelgaren wordt thans de blaasham geheel gerold. Aan het eind van de blaasham gekomen wordt het wikkelgaren stap voor stap onder alle spangarens doorgetrokken. Deze komen thans onder een nog grotere spanning te staan en worden tevens met elkaar verbonden, zodat zij niet meer van hun plaats kunnen. De blaasham wordt nu bij een temperatuur van circa 25° C gerookt tot zij een mooie lichtgele kleur heeft. Hierna wikkelt men de blaasham in een doek en bindt deze met een lint goed vast. De blaasham wordt nu gekookt gedurende 24-4 uur bij een temperatuur van 80 ° C. Zulks naar gelang de dikte van de blaasham. Na het koken wordt de blaasham uit de doek genomen en dan na 2 —3 uur nog eens nagerold. BLAASHAM OP WESTFAALSE WIJZE In plaats van uitgebeende karbonades - zoals bij de Hollandse blaasham gebruikelijk - wordt thans de nootham genomen (het spierstukje van het varken). Dit noothammetje wordt goed gekoeld en dan flink ingewreven met pekelzout, dat bestaat uit een mengsel van 100 kg keukenzout met 1 kg kalisalpeter en 1 kg suiker. Het ingewreven spierstukje laten wij ongeveer 6 tot 8 uur liggen, waarna het in een pekel van 20 tot 22 graden wordt gelegd, daarbij zorgdragend dat het vlees ook inderdaad onder de pekel blijft door op het vlees een houten rekwerk te leggen, dat wordt verzwaard met enkele stenen. In deze pekel blijft de nootham 10 tot 12 dagen liggen, waarbij op de helft van de zouttijd het vlees een keer wordt omgelegd. De nootham wordt nu uit de pekel genomen en in een donkere ruimte gedurende enkele dagen weggelegd om door te kleuren en tevens om het vlees een rijpingsperiode te doen ondergaan. Gedurende deze ligtijd het vlees met zoutzakken tegen lichtinwerking afschermen. Vervolgens wordt de nootham enkele uren in koud water gelegd om het teveel aan zout aan de buitenzijde van het vlees te onttrekken, waarna het goed wordt afgedroogd. Om de nootham trekken wij een blaasje van een varken. Teneinde de blaas strak om de nootham te trekken wordt het geheel even in kokend water gedompeld, waarna de nootham goed winddroog wordt gemaakt. Thans roken wij haar in een koude rook van eiken- of beukenspaanders, met daarover een laag eiken- of beukenzaagsel, tot een mooie lichtgele kleur is verkregen. Deze Westfaalse blaasham wordt als rauwe ham gegeten. BLAASHAM, WIKKELEN VAN Verscheidene vleeswaren worden niet direct in het water van de kookketel gebracht om te worden gekookt, doch eerst in een linnen doek gewikkeld. Deze gang van zaken vindt men op de af b. 717, 718 en 719 duidelijk weergegeven. Op afb. 717 wordt de te wikkelen vleeswaar in een vierkante linnen doek gelegd, waarna deze doek vast om het product wordt gerold. Aan de ene zijde legt men in de doek een knoop om vervolgens aan de andere zijde de doek met worstgaren dicht te binden (afb. 718). Als slot van de handeling wordt om het geheel een lint gewikkeld (afb. 719). Hiervoor is een lint nodig en geen worstgaren, daar door het lint een gelijkmatige druk op het te wikkelen artikel wordt uitgeoefend. Op dezelfde wijze wikkelen wij onder andere rollades, gevulde varkensbuik, gevulde kalfsborst, galantinen enz. FILET DE SAKS Voor deze delicate boterhambelegging wordt bij voorkeur vlees genomen van varkens, die niet zwaarder zijn dan 100-110 kg geslacht gewicht. Van een dergelijk varken worden de ribkarbonades netjes uitgebeend, waarbij men er op moet letten, dat er geen kraakbeentjes in het vlees aanwezig blijven. Filet de Saks is nu eenmaal een bijzonder fijne vleeswaar en dus moet zij ook dienovereenkomstig worden behandeld. Het vet van de bal vlees wordt geheel weggesneden, zodat alleen het magere vlees wordt benut. Deze magere spieren vlees wrijven wij flink in met pekelzout. Dit pekelzout is een mengsel van 100 kg keukenzout, 1 kg kalisalpeter en 2 kg rietsuiker. Na een nacht te hebben gelegen, worden de met pekelzout ingewreven stukken vlees in een pekel van 18 graden gelegd, waarin zij ongeveer 8 dagen moeten blijven liggen. Hierbij wordt bovenop een houten rekwerk gelegd, dat met stenen wordt verzwaard, om de stukken vlees onder te houden. Na het pekelen leggen wij de stukken vlees in een donkere ruimte en wel gedurende enkele dagen. Daardoor trekt de kleur goed door, terwijl tevens wordt bereikt, dat de smaak van het vlees verbetert ten gevolge van de rijping die het vlees door de „rustperiode" ondergaat. Na de doorkleuringsperiode wordt het vlees enkele uren in het water gelegd om het overtollige zout aan de buitenzijde te onttrekken. Hiermede wordt tevens bereikt, dat er minder zoutuitslag zal optreden. De volgende phase in het bereidingsproces is, dat om de delen vlees een dunne schijf spek wordt gewikkeld en wel zo, .dat de buitenkanten van het spek elkaar wel raken, maar niet over elkaar komen te liggen. Om het geheel komt thans een goudvlies. Dit vlies is afkomstig van de binnenkant van een runder-zakeind, zeer sterk en doorschijnend. Thans wordt de Filet de Saks gedurende ongeveer een dag opgehangen om te drogen. Het liefst doen wij dit in een koelcel, opdat de vleeswaar goed hard en het goudvlies mooi droog wordt. HAM, COBURGER Voor een goede Coburger ham zijn de hammen van varkens rond 100 kg geslacht gewicht het meest aan te bevelen. Te zware hammen zijn minder geschikt en in de meeste gevallen tevens iets te vet om tot Coburger ham te worden verwerkt. Nadat de hammen goed zijn gekoeld worden zij op het vlies uitgebeend. De bilpijp wordt er echter niet uitgehaald. Coburger ham bestaat uit de bovenfricandeau en de platte fricandeau op elkaar. Het hamspek en de nootham worden er dus afgesneden. Wij nemen aan, dat de Coburger hammen kant en klaar worden gepekeld. De bilpijp zit er dus nog in, zoals op afb. 722 links is te zien. Hierdoor blijft een mooi gesloten geheel bewaard, wat straks bij de verdere afwerking heel belangrijk zal blijken te zijn. De Coburger hammen worden nu flink met pekelzout ingewreven. De samenstelling van dit pekelzout is : 100 kg keukenzout, 2 kg rietsuiker en 1 kg kalisalpeter. De met pekelzout ingewreven stukken vlees blijven gedurende een dag liggen om het zout gelegenheid te geven in te werken. Vooral rond de bilpijp wordt royaal pekelzout ingestopt. De Coburger hammen komen nu in een pekel van 22 graden sterk, waarbij er voor wordt gezorgd, dat de hammen geheel onder de pekel komen te staan. Indien aanwezig, wordt er een houten rekwerk (dat met houten pennen is gepend) verzwaard met stenen over de hammen gelegd. Na een week worden de hammen gekeerd, waarbij de onderste hammen boven en de bovenste onder worden gebracht. De pekel wil namelijk nogal eens sterker aan de onderzijde zijn dan aan de bovenkant, zodat door de ham- men tijdig te keren een gelijkmatige zouting wordt verkregen. Na nog een week pekelen - 14 dagen in totaal dus - zijn de Coburger hammen wel voldoende op kleur gekomen. Zij worden nu een week in een niet te koude ruimte opgeslagen om door te kleuren en tevens om te rijpen. Door dit rijpen krijgt het vlees een malser hoedanigheid, hetgeen de ham smakelijker en zachter maakt. Tijdens het opslaan worden de hammen met zoutzakken bedekt, opdat er vooral geen lichtwerking kan optreden. Dit kan namelijk aanleiding geven tot geelkleuring van het spek, terwijl bovendien een enigszins ransige smaak te voorschijn komt. Na het doorkleuren en rijpen worden de Coburger hammen in het water gelegd, nadat de bilpijp heel voorzichtig - zonder de boven- en platte fricandeau van elkaar te trekken is verwijderd. Dit wateren duurt 5-7 uur. Hierna wordt de Coburger ham - indien nog nodig - mooi kantgesneden. Thans moeten de hammen in de juiste vorm worden geperst. Dit kan geschieden door twee brede planken te nemen, waar de Coburger ham tussen wordt gelegd. De bovenste plank wordt nu flink verzwaard, bijvoorbeeld met een emmer water, enkele zware gewichten of iets van dien aard. Als er maar een goede drukkracht van uitgaat. Tussen deze planken worden de hammen 4 tot 8 dagen geperst. Let vooral goed op, dat er gedurende die dagen geen vliegen bij de hammen kunnen komen. Het persen geschiedt in de koelcel of op een donkere plaats. Als de hammen de juiste vorm hebben gekregen door het persen worden ze afgewassen en opgehangen om te drogen op een tocht- en windvrije plaats. Vervolgens worden de Coburger hammen 24 uur in een koude rook mooi op kleur gerookt. Deze koude rook kan het best worden verkregen door op de bodem van de rook- lade een weinig eiken- of beukenspaanders te strooien en daarover een flinke laag eiken- of beukenzaagsel. De spaanders zorgen nu dat het vuur aan blijft en het zaagsel doet een dikke, volle rookwalm ontstaan, terwijl toch de temperatuur zeer gering wordt verhoogd. Ideale omstandigheden dus om te roken. Hoe koud echter ook het roken gebeurt, toch zal de Coburger ham weer enigszins bol zijn gaan staan. Daarom worden de hammen na het roken nog enkele dagen tussen de planken geperst tot de Coburger ham er uitziet als rechts op afb. 722. Het aanzien van de Coburger ham kan eventueel worden verhoogd door de hammen in een vleeslak te dompelen. Indien dit wordt verkozen, dan krijgen de Coburger ham- men eerst een korte rook en worden daarna in de vleeslak gedompeld. De vleeslak moet zo dun mogelijk zijn, omdat dan de mooiste resultaten worden veri_regen. Na het lakken laten uitlekken en daarna de hammen afroken in een koude rook. Denk er echter wel aan, dat ook vleeslak de vliegen niet uit het vlees houdt. I HAMMEN, ZOUTLOOS GEKOOKTE Naast zoutarm rookvlees staat degenen, die door de arts op een zoutloos of zoutarm dieet zijn gesteld wegens een te hoge bloeddruk, ook zoutloos gekookte ham ter beschik king. Bij voorkeur nemen wij voor de bereiding van zoutloos gekookte ham de rolham van een niet te zwaar vleesva eken. In geen geval zwaarder dan 100 kg geslacht gewicht . Wij nemen dus de platte en ronde fricandeau op elkaar. Eerst laten wij deze goed koelen, waarna zij worden gespoten met een oplossing van 10 liter water en 6 gram natriumnitriet. Het spuiten dient op voorzichtige wijze te geschieden en wel zodanig, dat het vlees overal een gelijkmatige toevoeging van deze oplossing krijgt. Wij brengen daartoe de pekelspuit diep in het vlees en onder aanhouding van gelijke druk trekken wij de spuit, al voorzichtig draaiende, er weer uit. Dit herhalen wij enkele malen tot de gehele ham er van doordrenkt is. Niet meermalen op dezelfde plaats het vlees inspuiten ! Na het spuiten worden de hammen 2 tot 3 dagen in dezelfde oplossing als voor het spuiten gebruikt gelegd. Dit geschiedt in de koelcel, omdat de hammen natuurlijk te teer zijn om in een waterige oplossing drie dagen buiten de koelcel te blijven liggen! De hammen worden nu ongeveer 3 uur bij een rook van 40-45° C - dat is dus behoorlijk warm - gerookt om door te kleuren. Het liefst gebruiken wij spaanders en daarover een niet te dikke laag eikenzaagsel, terwijl de gasverwarming als warmtebron dienst doet. Heeft men geen gasverwarming in de rookkast, dan neemt men hoofdzakelijk krullen met daarover een heel dunne laag spaanders. Ook dan wordt een tamelijk warme rook verkregen, zij het minder gelijkmatig van temperatuur dan bij gasverwarming. Na het roken worden de hammen in hamkokers geperst en wel zodanig, dat niet de volle spanning wordt verkregen. Zij worden nu de eerste 3 uren gekookt bij een temperatuur van 50° C naar gelang de dikte en vervolgens wordt de Zijn de buiken voldoende gedroogd, dan worden zij gerold. Een buik is namelijk altijd enigszins dun, waardoor zij slechts smalle strookjes ontbijtspek oplevert. Worden zij daarentegen gerold, dan ontstaat een mooi ovaalvormige plak, die zich beter voor de broodbelegging leent. Dit rollen van een buik moet wel flink stevig gebeuren. Allereerst wordt hiertoe aan de dikke zijde - de borstkant een vaste steek of rolladesteek gelegd, waarna al rollende de touwtjes rond het ontbijtspek worden gelegd. De onderlinge afstand tussen de touwtjes bedraagt ruim een vinger. Tijdens het rollen worden de touwtjes stevig aangetrokken, zodat een goed vast geheel ontstaat. Is men aan het eind van de buik gekomen - de vangzijde dus - dan legt men daar het touwtje vast zonder echter het touw door te snijden. Er wordt nu enige ruimte in het touw gelaten om straks het ontbijtspek aan te kunnen ophangen, waarna de buik wordt omgedraaid en het touwtje aldaar eveneens wordt vastgemaakt. Ter verdere versteviging van het windsel worden nu de touwtjes met elkaar verbonden. Thans wordt het ontbijtspek gerookt in een beslist koude rook van eiken- of beukenspaanders en zaagsel. Het zaagsel vormt de hoofdzaak, want dit zorgt voor een dichte rookontwikkeling zonder al te veel warmte op te wekken. De buiken worden mooi lichtgeel gerookt. Op deze wijze bereid ontbijtspek is mooi om te zien en gemakkelijk om te snijden. Bovendien legt men er eer mee in, omdat het geen hinderlijke knarsbeentjes of zwoerd bevat. ONTBIJTSPEK, GEKOOKT De laatste jaren is naast het gewone ontbijtspek, dat gerookt werd afgeleverd, ook het gekookte ontbijtspek in trek gekomen. Voor dit gekookte ontbijtspek gebruiken wij liefst de bui ken van niet te oude en te zware varkens. Voordat de buiken worden gezouten komen zij eerst in de koelcel om geheel door te koelen. Verder wordt er voor gezorgd, dat niet alleen de borstbeenderen en de platte ribben worden weggenomen, maar ook de knarsbeentjes. Die zijn zeer hinderlijk als zij later bij het nuttigen van het gekookte ontbijtspek tussen de tanden komen! De kantgesneden buiken worden nu flink met pekelzout (een mengsel van 100 kg keukenzout, 1 kg kalisalpeter en 2 kg rietsuiker) ingewreven en blijven dan enkele uren liggen om door te kleuren. Vervolgens komen de buiken in een pekel van circa 20 graden sterk, waarin zij al naar gelang de dikte en het gewicht der buiken 8-12 dagen blijven liggen. Uit de pekel genomen worden de buiken enkele uren in koud water gelegd om de buitenzijde te ontzouten. Vervolgens wordt de buik afgezwoerd. Bij dit afzwoerden - zie afb. 699 - dient er op te worden gelet, dat er een stempel van de Keuringsdienst op de buik blijft zitten. Dit is nodig voor de controle van de Keuringsdienst. Het zwoerd moet zo kaal mogelijk van de buik worden weggenomen. Daartoe maakt men eerst een klein afloopvlak aan de zijde van het zwoerd, zodat men het zwoerd kan vastpakken. Nu snijdt men met het mes het zwoerd van de buik af, daarbij stevig aantrekkend met de linker- hand. Werk steeds van dik naar dun, dus van de schouderkant af, naar de broekkant toe. Een goed afgezwoerde buik zal geen inkepingen te zien geven, terwijl het zwoerd volkomen zonder spekaanhangsel zal zijn. Zodra de buik van het zwoerd is ontdaan kan met het rollen worden begonnen. Daartoe drukt men het dikke deel van de buik naar binnen (het deel, waarvan het vette spek is afgesneden), terwijl men het dunnere deel hierover heen trekt. Met behulp van enkele ijzeren vleespennen zet men de gerolde buik als het ware vast en begint met rollen. Dit rollen kan op twee manieren geschieden. Ten eerste door op onderlinge afstanden van anderhalve vinger breed de zogenaamde rolladesteek toe te passen, waarbij wordt gezorgd, dat de vasthechtknopen onder het toegeslagen dunne deel komen. Het is nodig, vast aan te trekken om een goed snijvast product te verkrijgen. De tweede wijze van rollen is met één draad zonder onderbreking de buik te omsnoeren. Afb. 700 toont de eerstgenoemde wijze van rollen overduidelijk aan, terwijl afb. 724 het gereedgekomen artikel weergeeft. De gerolde varkensbuik, wordt nu 2 à 22 uur gekookt bij een temperatuur van 75° C. Uit de ketel genomen laat men de buik afkoelen en deze is dan gereed voor het gebruik. PEKELVLEES Wij nemen aan, dat de gehele borst met klapstuk wordt genomen. Deze wordt zorgvuldig uitgebeend, waarbij er nauwlettend op wordt toegezien, dat er geen knarsbeentjes in het vlees achterblijven. Nadat het uitgebeend is wordt het eerst goed gekoeld en dan de volgende dag met pekelzout (een mengsel van 100 kg keukenzout, 2 kg rietsuiker en 1 kg kalisalpeter) grondig ingewreven. De klaprib blijft nu een halve dag liggen, waardoor het pekelzout gelegenheid wordt gegeven de buitenste laag van het vlees te doordringen. Hierna komt het in een pekel van 18 graden. Zij kan ook heel goed bij rookvlees worden gezouten. Alleen is de pekeltijd iets korter. Pekelvlees wordt gedurende 10 tot 14 dagen gepekeld. Dit naar gelang de dikte van het vlees. Na het pekelen wordt het vlees in schoon water gelegd, waardoor het overtollige zout aan de buitenzijde wordt onttrokken. Na ongeveer 4-5 uur in het water te hebben gelegen, wordt het verdeeld in drie stukken: 1. de pekelborst. Deze kan gerold of ongerold worden gekookt. Wordt zij ongerold gekookt, dan bedraagt de kooktijd 3-4 uur bij een temperatuur van 80-85° C. De beste methode van koken is wel, de pekelborst een half uur op 90° C te houden en dan geleidelijk aan de temperatuur te laten dalen tot 80° C. Dit levert het minste kookverlies. Eventueel wordt de kooktijd een half uur langer genomen. Wordt de pekelborst wel gerold, dan zal ook de kooktijd iets langer worden gehouden en wel 31-- tot 42 uur. Het eerste uur op 90° C en vervolgens laten dalen tot 80 ° C. 2. de naborst en het deel klapstuk. Dit deel kan eveneens op twee wijzen worden gekookt. Ten eerste - de meest toegepaste methode - door het stuk vlees te rollen. Zie af b.726. Met dit rollen wordt aan de dikste zijde begonnen, terwijl de zogenaamde rolladesteek wordt gebezigd. De onderlinge afstanden tussen de touwtjes kunnen vrij ruim worden gehouden. Eerst wordt het stuk vlees met ijzeren vleespennen goed in elkaar gestoken. Dan begint het rollen. Bij dikke 728. Plaatham met bovenfricandeau. 729. Plaatham zonder bovenfricandeau. 730. Pekelvlees, in apparaat gekookt. Plaathammen worden gedurende ongeveer 3 tot 4 weken PLAATHAM (zonder bovenfricandeau) gepekeld om vervolgens een doorkleurings- en rijpings- Wanneer prijs wordt gesteld op een mooi egaal gerookte periode te ondergaan van ongeveer 2 weken. Hiertoe wor- ham van vrijwel overal dezelfde dikte, dan kan ongetwijfeld den de hammen uit de pekel genomen en in een donkere de plaatham zonder bovenfricandeau worden aanbevolen. ruimte opgeslagen, waarbij zij op en over elkaar worden Deze ham biedt bovendien het voordeel, dat de bovengestapeld. Bovendien worden zij nog bedekt met enige fricandeau in verse toestand in de winkel kan worden verzoutzakken of iets van dien aard. Door deze ligtijd ver- werkt. Dit is de reden, dat speciaal slagers met een beter krijgen de hammen een fraaiere rode kleur, die bovendien gesitueerde klantenkring de plaatham zonder bovenfricanvaster is dan wanneer dit doorkleuren wordt nagelaten. deau verkiezen boven die met bovenfricandeau. Na deze 2 weken worden de hammen ongeveer 24 uur in Ook voor deze ham geldt, dat uiterst voorzichtig te werk koud water gelegd om het overtollige zout aan de buiten- moet worden gegaan bij het uitbenen, opdat geen steekzijde der ham te onttrekken. gaten ontstaan, terwijl ook de diverse delen niet van elkaar Het drogen der hammen dient met zorg te geschieden. De mogen worden getrokken. wel eens toegepaste methode van het te drogen hangen der Het bloedadertje wordt - na het aflichten van de bovenhammen op een plaats waar de wind rijkelijk langs komt, fricandeau - zichtbaar in het vet boven de platte fricanis volkomen onjuist. Weliswaar worden de hammen sneller deau. Eventueel in de ader aanwezig bloed wordt uitgedroog, doch dit berust op een misverstand. Alleen de bui- drukt in een schone doek, zonder dat het vet wordt betenzijde van de ham wordt snel droog en dit is verkeerd. smeurd. Alle aanklevende bloeddelen kunnen immers aan- Daarom moeten hammen op een wind- en tochtvrije plaats leiding geven tot bederf van de pekel en zelfs van het vlees. worden gedroogd om een goed eindproduct te verkrijgen. Als de losse vleesdelen van de ham zijn afgesneden kan met Na voldoende droging kan het roken een aanvang nemen. het zoutproces worden aangevangen. Allereerst worden Dit roken moet heel koud plaatsvinden, zodat hiermede daartoe de hammen grondig met pekelzout (een mengsel met het aanleggen van de rook rekening dient te worden van 100 kg keukenzout, 1 kg kalisalpeter en 2 kg rietsuiker) gehouden. Het best handelt men als volgt : op de bodem ingewreven. De hammen gaan hierna nog niet in de pekel, van de rookbak worden een weinig spaanders van eiken doch zij blijven gedurende enkele uren liggen, opdat het of beuken gelegd, waarover een tamelijk dikke laag eiken- pekelzout alvast enigszins in het vlees kan binnendringen. of beukenzaagsel komt. Geen vuren-, dennen- of grenen- In pekelvaten of pekelbakken worden vervolgens de hamhout verwerken, want deze houtsoorten zijn zeer harshou- men op elkaar gelegd, waarbij tussen iedere ham een hoedend en geven daarom aan de gerookte producten een af- veelheid pekelzout wordt gestrooid. Is de pekelbak of het wijkende, bittere smaak. Dit wordt nu ao - gestoken, waarbij pekelvat bijna vol met hammen dan wordt de resterende de toevoer van te veel lucht zoveel mogelijk moet worden ruimte volgegoten met een pekel van 22 tot 23 graden sterk, voorkomen. Een binnenstromende luchtstroom bijvoor- zodat de hammen geheel onder staan. Teneinde de hammen beeld kan aanleiding zijn, dat spaanders en zaagsel gaan ook werkelijk onder te houden wordt een rekwerk van hout branden, terwijl zij juist moeten smeulen. In deze rook over de hammen gelegd, welk rekwerk wordt verzwaard blijven de hammen 3 tot 4 dagen hangen, waarna zij mooi met enkele stenen. De zogenaamde veldkeien of „kinderop kleur zullen zijn. Het opslaan van deze hammen dient hoofdjes" lenen zich hiertoe bijzonder goed. De druk mag op een donkere plaats te gebeuren, waarbij de hammen in echter niet zo zwaar zijn, dat de hammen worden geperst. een linnen zakje worden verpakt. Plaathammen zonder bovenfricandeau worden gedurende Zijn de hammen bestemd voor vrijwel directe consumptie 3 weken gepekeld. Tijdens deze pekelperiode worden de of verkoop, dan kan het inpakken in linnen zakjes achter- hammen iedere week omgelegd, waarbij de onderste ham wege worden gelaten. Bij eventuele zoutuitslag - veroor- boven komt en de bovenste onder. Deze omlegging mag zaakt door het van binnen uittredende vocht door de zout- niet achterwege worden gelaten, want anders kan onmogelaag, waarbij het bepaalde zoutdelen meeneemt - worden lijk een gelijkwaardige pekeling der hammen geschieden. de hammen in lauw water afgewassen en hierna afgedroogd. Het is namelijk zo gesteld, dat de pekel aan de bovenzijde 392 graden gelegd, daarna gedurende enige tijd gedroogd en vervolgens in een koude rook mooi op kleur gerookt. ROLHAM, NOOTHAM EN HAMPUNT Natuurlijk is het niet noodzakelijk een ham in haar geheel te pekelen. Het is heel goed mogelijk haar te splitsen, waarbij wij dan drie delen verkrijgen, te weten de rolham, de nootham en de hampunt. Deze drie delen worden dan afzonderlijk gepekeld, gedroogd en gerookt. DE ROLHAM Deze wordt verkregen door een verse ham van het weke vangspek te ontdoen, waarna het hielbeen in het gewricht wordt doorgesneden tot aan het vlies. Denk er wel aan, dat het dunne einde van de bil aan de rolham bevestigd blijft, opdat de ham later een mooi model krijgt. Het staartbeen en het schaambeen worden netjes zonder inkervingen uitgebeend. Het staartstuk of de hampunt wordt nu van de ham afgesneden. Vervolgens wordt het spierstukje — de latere nootham — met de bilpijp van de ham afgenomen, zodat uiteindelijk de rolham overschiet. Deze rolham bestaat dus uit de platte fricandeau met peeseind en de bovenfricandeau op elkaar. (Af b. 738). Het is gewenst, dat deze beide delen vast op elkaar bevestigd blijven, omdat hierdoor de rolham later bij het snijden op de snijmachine een betere snit te zien zal geven. Toch bestaat op deze regel een uitzondering en wel tijdens het zouten van rolhammen in warme zomermaanden. Dan doet men er namelijk verstandig aan de bovenfricandeau iets los te snijden om de pit — dat is het losse slappe vet tussen platte- en bovenfricandeau — te verwijderen. Alvorens de rolhammen in de pekel worden gelegd ondergaan zij eerst een stevige inwrijving met pekelzout (dat is een mengsel van 100 kg keukenzout met 1 kg kalisalpeter en 2 kg rietsuiker). Na enige uren worden de rolhammen in een pekel van circa 22 graden gelegd. De pekel mag niet lichter zijn, daar anders de kans op bederf niet denkbeeldig is, vooral als niet over een gekoelde pekelkelder wordt beschikt. De zouttijd van rolhammen duurt ongeveer 14 tot 16 dagen. Gedurende deze tijd worden de rolhammen zo nu en dan gekeerd en eventueel iets bijgezouten. Na het pekelen volgt dan een korte periode — enkele dagen — waarin de rolhammen onder zoutzakken in een donkere ruimte worden opgeslagen om door te kleuren en te rijpen, waarna zij gedurende ongeveer 8 uren in koud water worden gelegd om uit te wateren. Thans worden de rolhammen opgehangen om winddroog te worden. Let wel, dit drogen mag onder geen beding op een tochtige of winderige plaats geschieden. Het rollen der ham vereist de nodige zorg en bekwaamheid. Een goed gerolde ham zal ongeveer het model van een fles bezitten. Daarom is het volgende onderdeel van de bewerking, met name het dichtnaaien der ham, heel belangrijk. Bij het dichtnaaien wordt begonnen aan de dikke zijde en men werkt naar de plaats toe waar het hielbeen werd weggenomen. Van deze kant af begint het wikkelproces, waarbij de touwtjes op gelijke afstanden worden gehouden. Denk er aan de touwtjes stevig aan te trekken. Na het wikkelen van de ham komt deze in een koude rook van eiken- of beukenzaagsel, waaronder een dun laagje eiken- of beukenspaanders is gelegd. In deze koude rook worden de rolhammen mooi op kleur gerookt. Het is ook mogelijk het aanzien van de rolham te verfraaien door deze met vleeslak te bewerken. DE NOOTHAM Na de rolham bespreken wij nu de nootham. Van het spierstukje wordt de bilpijp afgehaald, liefst op het vlies. Het knieschijfje blijft echter in de nootham zitten, want anders is deze straks niet te rollen. (Af b. 740). Het voor nootham bestemde spierstukje wordt grondig ingewreven met pekelzout (een mengsel van 100 kg keukenzout, 1 kg kalisalpeter en 2 kg rietsuiker) en blijft dan enkele uren liggen om het pekelzout te laten inwerken. Vervolgens komen de stukken vlees in een pekel van 22 graden sterkte en wel zo, dat zij geheel onder de pekel komen te liggen. Eventueel worden de stukken vlees met een rekwerk van hout bedekt, waarop enkele stenen als verzwaring. In deze pekel blijven de spierstukken ongeveer 10 tot 12 dagen. Na een dag of vijf worden de stukken vlees nog eens omgezet en indien nodig wat bijgezouten. Uit de pekel genomen, worden de noothammen enkele dagen opgeslagen in een donkere ruimte om door te kleuren en te rijpen, waarbij zij worden bedekt met zoutzakken. Vervolgens worden zij 3 tot 4 uur in koud water gelegd om te wateren. Zijn de noothammen voldoende gedroogd, dan worden zij met touw omwikkeld. De onderlinge afstand der onderscheidene wikkeltouwen dient ca. een vinger te bedragen. Nu kunnen de noothammen in de rookkast worden gehangen om in een koude rook van eiken- of beukenzaagsel, waaronder een dun laagje eiken- of beukenspaanders, gedurende 12 tot 22 dag mooi bruin te worden gerookt. DE HAMPUNT De hampunt is het laatste stuk, dat nog van de ham resteert. Zoals wij boven reeds aangaven is dit stuk al uitgebeend, zodat wij het alleen nog iets moeten bijkanten en de losse vleesdelen wegsnijden. (Af b. 739). De hampunt wordt nu goed ingewreven met pekelzout (bestaande uit 100 kg keukenzout, 1 kg kalisalpeter en 2 kg rietsuiker), waarna de stukken nog enkele uren blijven liggen om door te kleuren. Thans komen zij in een pekel van 20 tot 22 graden sterk, waarbij de hampunten geheel onder de pekel moeten staan. De zouttijd van hampunten bedraagt 10 tot 14 dagen, naar gelang de dikte en het gewicht. Na het verstrijken van de eerste helft der zouttijd worden de hampunten omgelegd en eventueel indien nodig wat bijgezouten met pekelzout. Na het verstrijken van de pekeltijd worden de hampunten op elkaar gelegd in een donkere ruimte, waarbij zij met zoutzakken worden bedekt. Vervolgens worden de hampunten enkele uren in koud water gelegd om aan de buitenste laag van het vlees het overtollige zout te onttrekken. Nu worden de hampunten van een touwtje voorzien en opgehangen op een wind- en tochtvrije plaats. Voldoende gedroogd zijnde komen de hampunten in een koude rook, waarin zij 12 tot 22 dag blijven hangen. Deze rook kan het best worden verkregen door op de bodem van de rookbak een dun laagje eiken- of beukenspaanders te Zoutarm rookvlees is spoedig aan bederf onderhevig, daar het onvoldoende geconserveerd is en dient dus in de koelcel te worden bewaard. RUGSPEK Bij het zouten van rugspek moet men steeds rekening houden, waartoe het te zouten rugspek dient. Wordt bijvoorbeeld het gezouten rugspek vrij spoedig in consumptie gebracht, dan zal de zouttijd korter kunnen zijn dan wanneer het bestemd is om te worden opgeslagen. Een eerste vereiste voor een goede zouting van rugspek is wel, dat het spek van tevoren goed dient te zijn voorgekoeld. Vooral de eerste dagen van de pekeling - wanneer het spek of het vlees nog niet voldoende met zout is doortrokken - zijn in deze kritiek. Goed gekoeld spek en vlees zal daardoor gemakkelijker over deze kritieke periode heenkomen dan ongekoeld spek en vlees. Het zwoerd van het rugspek moet eveneens goed schoon zijn gemaakt, zodat verontreiniging van de pekel wordt voorkomen. Het rugspek wordt dus flink ingewreven met gewoon keukenzout, zonder bijmenging van kalisalpeter. Nu kan men het op twee manieren zouten. Ten eerste is het zogenaamd droog te zouten en ten tweede is het te pekelen. DROOG ZOUTEN Het met keukenzout ingewreven rugspek wordt in de pekelkelder op latten gelegd, waarbij ervoor wordt gezorgd, dat het dicht naast en op elkaar komt te liggen. Tussen iedere laag rugspek wordt een flinke hoeveelheid grof zout gestrooid, ongeveer ter dikte van een halve centimeter. Over deze stapels rugspek worden zoutzakken gelegd om het spek volkomen tegen licht te vrijwaren. Droog gezouten rugspek van normale dikte is in ongeveer 2 tot 3 weken voldoende doorgezouten. Nu is het mogelijk, dat het rugspek nog niet voor consumptie benodigd is. Dan laat men het liggen, waarbij er evenwel voor wordt gezorgd, dat het zeker eens per twee weken opnieuw wordt gekeerd en met zout bestrooid. PEKELEN De pekeltijd van stroken rugspek van normale dikte bedraagt circa 2 weken, waarbij in een pekel van 24 graden sterk wordt gepekeld. Een zwakkere pekel moet ten zeerste worden ontraden, want in het algemeen neemt vet en dus ook spek minder goed zout op dan vlees. Wanneer het spek voldoende is gepekeld en wanneer het voor consumptie gereed wordt gemaakt, dan komt het gedurende enkele uren in koud water om het overtollige zout eraan te onttrekken. Na het wateren van het spek wordt het nog eens met lauw-warm water afgewassen, waarbij in het afwaswater een weinig soda wordt gedaan. Het roken van rugspek vindt plaats gedurende ongeveer 2 tot 3 dagen. Dit hangt af van de dikte van het spek. Wel dient nauwlettend te worden toegezien, dat de rook beslist goed koud blijft. Het best handelt men als volgt : op de bodem van de rooklade worden wat eiken- of beukenspaanders gestrooid. Deze doen min of meer dienst als geleiders van het vuur. Op deze spaanders komt een behoorlijk dikke laag eiken- of beukenzaagsel. De rookontwikkeling zal thans heel dicht zijn, terwijl toch een mini mum aan warmte ontstaat. RUNDERTONGEN Voordat de rundertongen worden gezouten, dienen zij eerst goed te worden gereinigd. Zijn de tongen goed schoon, dan worden zij met pekelzout flink ingewreven. De samenstelling van dit pekelzout bestaat uit 100 kg keukenzout, 1 kg kalisalpeter en 2 kg rietsuiker. Na het inwrijven met pekelzout blijven de tongen ongeveer 24 uur liggen om het zout op het nogal harde vel rond de tong te laten inwerken. Hierna gaan zij in de pekel, die circa 20 á 22 graden sterk moet zijn, waarin zij gedurende 10 tot 14 dagen blijven liggen, zodat zij volkomen zijn doorgezouten. Na het pekelen worden de rundertongen nog enkele dagen droog gelegd om de kleur beter te laten doorkomen. Het kleurzout trekt tijdens deze rustperiode tot in de kern van de tong door. Thans komt de tong in het water om enigszins te ontzouten. Dit proces kan op circa 4 tot 5 uur worden gesteld. De gewaterde rundertong wordt vervolgens gedroogd en hierna gerookt bij een temperatuur tot hoogstens 20 ° C. Voor dit roken kan het best gebruik worden gemaakt van eiken- of beukenspaanders en -zaagsel. Een dun laagje spaanders wordt onder in de rooklade gestrooid en hierover komt een flinke laag zaagsel. Zodra de rundertong voldoende is gerookt moet zij worden gekookt bij een temperatuur van 80-85° C. Naar gelang de dikte van de tong moet de kooktijd worden gesteld op 4 tot 51- uur. Direct na het koken wordt de rundertong in koud water gedompeld, waardoor het vel rond de tong zich gemakkelijk laat verwijderen. Wanneer het vel zich niet laat verwijderen is dit een teken dat ze niet gaar is. Wij merken nog op, dat het koken van rundertongen steeds in zo weinig mogelijk bouillon moet geschieden, omdat hierdoor een goede smaak wordt verkregen. Teveel bouillon is nadelig voor deze smaak en moet dus worden voorkomen. Het bewaren van tongen vraagt ook een nadere toelichting. In de meeste gevallen worden de rundertongen in de koelcel bewaard. Dit is echter minder juist, omdat de tong nu gelegenheid krijgt in te drogen. Ten eerste betekent dit gewichtsverlies en is dus oneconomisch en ten tweede wordt de smaak van de tong minder goed. Het beste is de rundertongen in de bouillon - waarin zij werden gekookt te bewaren of ook wel in een lichte pekel. SCHAPEROOKVLEES Een schapebout wordt bij voorkeur met been gezouten zoals aangegeven bij rookvlees. Na het zouten wordt de bout van de beenderen ontdaan en een paar dagen opgehangen om winddroog te worden. Het vlees wordt nu in een hamkoker gedaan en zodanig geperst tot de mooie vorm is verkregen. Na ongeveer een week wordt de schapebout uit de hamkoker genomen en even afgewassen. Hierna wordt het rookvlees omwikkeld met een goudvlies. Even in heet water dompelen, zodat het goudvlies zich om het vlees sluit en daarna een dag laten ETALAGE-SCHOTELS 1. Gebraden varkensbuik a la Jardinière. 2. Gebraden lamszadel à la Jardinière. 3. Meloen, gevuld met galantine. 4. Gekookte hammet truffelmotief. 5. Gebraden rosbief à la Jardinière. 6. Gebraden, gevulde kalfsborst met truffelgarnering. 7. Gebraden, gevulde varkensbuik met diverse groenten. 8. Gekookte rundertong. den gerookt. Als rookmateriaal worden krullen en spaanders van eiken- of beukenhout genomen, die bij iedere meubelmaker zijn te verkrijgen. Van de krullen wordt een royaal gebruik gemaakt, zodat een dichte rookwalm ontstaat die aan het vlees een lichtgele kleur en een fijne pikante smaak geeft. De rooktijd wordt gesteld op 30 tot 40 minuten. Nu worden de schouders eerst uitgebeend. Het schouderblad en het bovenpootje worden uitgebeend. Het middenpijpje wordt eruit gestoken. Het dikke zeen onder het schouderblad wordt weggesneden. (Af b. 750-751) Als de schouder is uitgebeend wordt het kuitvlees van het zwoerd ontdaan en vervolgens in de holte, ontstaan door het uitsteken van het middenpijpje, gestoken. Het gat wordt nu met worstgaren dichtgenaaid. Het inwendige van de schouderham wordt thans met heel weinig gelatinepoeder bestrooid. Vooral niet te royaal zijn, want dan kunnen grijsachtige plekken optreden. (Af b. 752-753) Met de zwoerdkant naar beneden worden nu de schouders in de hamkoker gestopt, waarbij het losse lapje, dat van het schouderblad is losgemaakt, in de open ruimte wordt gedrukt. Zodoende ontstaat een gesloten geheel. (Af b. 754) Nu het deksel op de hamkoker en flink aanpersen. (Af b.755) De hamkokers komen in de ketel bij een temperatuur van 100° C, op welke temperatuur zij 20 minuten worden gehouden. Dan laat men de temperatuur teruglopen tot 80-85° C. De kooktijd wordt bepaald door het gewicht van de schouder. Tot aan 3 kg 3 uur, voor iedere halve kg meer een kwartier. Na het koken moeten de schouderhammen volledig afkoelen in de koelcel. De volgende dag worden zij zolang in kokend water gedompeld tot de schouderhammen gemakkelijk uit de hamkokers glijden. SCHINKENSPEK, SCHWARZWALDER Het zouten van Schwarzwalder Schinkenspek vindt op dezelfde wijze plaats als hamspek of plaathammen. De verdere bewerking is evenwel sterk afwijkend. Tijdens het drogen wordt namelijk dit artikel zeer sterk gerookt. Voor de slagers kan het rookproces op ten minste 6 weken worden gesteld, waarbij het artikel een plaatsje zal krijgen boven in de rookkast. (Af b. 748) SPEK DE BOULOGNE Het spek wordt in een sterk gekruide pekel, waaraan wijn is toegevoegd, op een speciale wijze gepekeld. De smaak der kruiden en die van de wijn verlenen aan het spek een bijzondere smaak, die heel pikant is. Bovendien wordt het vlees door de wijn heel mals. (Af b. 746) Na voldoende pekeling - zo lang als een buik voor ontbijtspek - wordt er een goudvlies om gewikkeld waarna het spek gedroogd wordt ten einde het goudvlies om de vorm te doen sluiten. Daarna wordt het spek netjes gerold. In een koude rook wordt het spek mooi goudgeel gerookt. VARKENSHARTJES EN -ORGANEN, PEKELEN VAN Vóór het pekelen worden de hartjes - die geheel worden opengesneden - en de organen enkele uren in koud water gelegd om het bloed er aan te onttrekken. Vervolgens worden zij met pekelzout (een mengsel van 100 kg keukenzout, 1 kg kalisalpeter en 2 kg suiker) ingewreven en vervolgens in een pekel van 18 graden gelegd, waarin zij enkele dagen blijven liggen om door te zouten. VARKENSKOPPEN, PEKELEN VAN Alvorens de varkenskoppen te pekelen worden ze een nacht in koud water gezet om het bloed er aan te onttrekken. Zodra de varkenskoppen uit het water zijn genomen laat men ze eerst enige tijd uitlekken om ze dan in een pekel van 22 graden te leggen, gedurende 5 tot 8 dagen. Voordat deze gepekelde varkenskoppen voor de worstbereiding worden gebruikt, worden zij eerst weer enkele uren in koud water gezet om enigszins te ontzouten. VARKENSPOOTJES, PEKELEN VAN 1. DE ONDERPOOTJES Deze onderpootjes worden eerst goed schoon geschoren en dan enkele uren in koud water gezet om het mogelijk aanwezige bloed eruit te trekken. Na enige uren te zijn uitgedropen worden zij in een pekel van 22 graden sterk gelegd en hierin blijven zij 8 tot 12 dagen liggen. 2. VARKENSHIELEN MET BEEN Deze varkenshielen met been worden met pekelzout (dat is een samenstelling van 100 kg keukenzout met 1 kg kalisalpeter en 2 kg suiker) ingewreven en blijven dan enkele uren liggen. Daarna komen zij in een pekel van 20 graden en blijven hierin 8 tot 10 dagen. 3. VARKENSHIELEN ZONDER BEEN Alvorens de varkenshielen te pekelen worden deze eerst uitgebeend. Vervolgens wrijven wij de stukken vlees van de hiel in met pekelzout en laten ze zo enkele uren liggen. Daarna komen de uitgebeende varkenshielen in pekel van 18 tot 20 graden, waarin zij 2 tot 4 dagen blijven liggen. Voor alle drie soorten varkenspootjes geldt, dat zij vóór het verwerken in de worst gedurende enkele uren in koud water worden gezet om enigszins te ontzouten. VARKENSTONGEN, PEKELEN VAN De te pekelen varkenstongen worden eerst goed schoongemaakt, zodat er geen vuil of bloeddelen aan blijven kleven. De tongen worden flink met pekelzout (dat is een mengsel van 100 kg keukenzout, 1 kg kalisalpeter en 2 kg suiker) ingewreven en blijven zo enige uren liggen. Hierbij zij nog opgemerkt dat, als de strot aan de tong wordt gelaten, er voor moet worden gezorgd, dat het kleine stukje keeleind wordt opengesneden teneinde het vuil - dat zich hier veelal in bevindt - te verwijderen. De met pekelzout ingewreven varkenstongen worden 14 dagen in pekel van 18 graden gelegd. Ze zijn nu gereed om te worden gekookt. Het kan zijn, dat de gepekelde varkenstongen niet direct voor het gebruik nodig zijn. De varkenstongen worden dan uit de pekel genomen en droog opgestapeld. ZWOERD, PEKELEN VAN Bij het pekelen van zwoerd wordt het zwoerd eerst van alle vet ontdaan en daarna grondig schoongewassen. Vervolgens wordt het zwoerd in een pekelbak gelegd, waarna er een pekel van 24 graden sterk op wordt gegoten tot de zwoerden geheel met pekel zijn overdekt. Het is niet bepaald nodig zwoerd te pekelen in pekel van kleurzout (pekelzout). Hiertoe kan ook een pekel van alleen keukenzout worden gebruikt, mits deze precies zo sterk is. B. J. J. JANSSEN HOOFDSTUK 10 ZOUTEN EN ROKEN VAN PAARDEVLEES Elke paardenslager die prijs stelt op het afleveren van een HET UITSNIJDEN goed product zal met zorg zijn paarden levend inkopen, slachten en verder bewerken. Zo ook wanneer hij paardevlees wil gaan zouten om rookvlees te maken. Dan is zelfs een nog grotere zorg nodig, niet alleen omdat het de bedoeling is dat het product er zo smakelijk en appetijtelijk mogelijk uitziet, maar ook dat het nog weken, ja maanden lang goed blijft, zonder aan smaak of kleur veel te verliezen. Hierbij willen wij even stil blijven staan bij de verschillende punten die van belang kunnen zijn voor het af te leveren eindproduct vóór wij met het zoutklaar maken beginnen. Vóór het slachten reeds letten wij op, welke kwaliteit wij kopen. Het liefst geen vet paard omdat door het grote financiële verlies op het paardevet het magere vlees duurder wordt, want om te zouten moet men vaak extra veel vet van het vlees afsnijden. Rookvlees moet nu eenmaal mage r zijn, het is moeilijk te verkopen met een rand vet eraan. Het liefst slacht men een goed gebouwd vleespaard met zware uitgebouwde achtervoeten en een goede rug; hiervan kan men dan het beste, grote en dikke stukken snijden voor rookvlees. Vlees van paarden die drachtig zijn of z.g. stroperig in hun vlees zijn ongeschikt voor de zouterij. Ook lichte raspaarden geven niet het gewenste resultaat. Het is van groot belang de paarden voor het slachten goed te laten uitrusten, dit voorkomt slecht uitbloeden, dus minder houdbaar vlees. Houdt men hier geen rekening mee, dan is het vlees vaak donkerder gekleurd en men ziet graag licht fris gekleurd rookvlees. Tijdens het slachten is het zaak dat het vlees, van nature steeds steriel, zo hygiënisch mogelijk behandeld wordt en zo min mogelijk wordt bezoedeld. Vooral niet met smerige slachtdoeken, die reeds meermalen zijn gebruikt en die uitgespoeld worden in een emmer met water waarin reeds eerder zo'n smerige slachtdoek is uitgewassen. Beter is afdouchen met schoon water na het slachten, het verschil in uiterlijk en frisheid van het vlees is reeds na 2 dagen duidelijk zichtbaar; ook is het vlees langer houdbaar dan wanneer het met de slachtdoek in aanraking is geweest. Door de slachtdoek worden de bloedspatten en het vuil op het oog wel verwijderd, maar in werkelijkheid is het nog aanwezig. Het vuil is slechts uitgesmeerd in een dunne laag over een groter oppervlak, plus het nog vuile water uit de spoelemmer erbij, en na een paar dagen is de grotere vermeerdering aan bacteriën dan ook duidelijk zichtbaar over het gehele beest. Bij afdouchen zijn vele van deze nadelen weggenomen, met het boven beschreven gunstige resultaat. Na het slachten is het zaak het vlees goed te laten besterven, te laten doorkoelen en het zo weinig mogelijk aan te raken en te versjouwen. Voor wij verder gaan met het uitsnijden eerst een klein stukje historie om te laten zien hoe met de veranderde houding van het publiek t.o.v. het gebruik van paardevlees ook het vak zelf zich heeft aangepast. Misschien is het zelfs andersom, dat door een moderner en vakbekwamer uitoefening van het vak, de houding van het publiek t.o.v. het paardevlees zich heeft gewijzigd, waarna men zich bewust is geworden van een onberedeneerd vooroordeel tegen paardevlees dat meer dan 1000 jaren heeft bestaan. Dit vooroordeel is ontstaan doordat vanuit Rome een verbod is uitgevaardigd voor de consumptie van paardevlees. Vóór die tijd nam paardevlees, vooral bij de grote Germaanse feesten, een eerste plaats in en werd als een fijne delicatesse gewaardeerd. Daar deze feesten volgens Rome steeds nog een grote hei dense ondergrond behielden, dacht men deze feesten (tevens grote vleesmaaltijden) te kunnen beperken door het eten van paardevlees te verbieden. De laatste 100 jaar ziet men dat verschillende kringen der bevolking zich bewust worden van een onberedeneerd vooroordeel tegen een alleszins gezond en krachtig voedsel. Duitsland is het eerste land waar de wetenschappelijke en medische kringen zich het eerst met de grote voedingswaarden van paardevlees bezighouden en trachten hun bevindingen algemeen bekend te maken. Dat het paardevlees thans meer en meer aan populariteit wint bij het grote publiek is ook te danken aan het oordeel van de medici hier te lande. Elke dag wordt patiënten op medisch advies aangeraden paardevlees te eten, om zijn grotere voedingswaarden, lichte verteerbaarheid, grote eiwitbron ; paarderookvlees vooral is eetlustopwekkend. Deze personen ervaren dan ook, dat paardevlees geenszins onderdoet voor ander vlees. De jus is ongetwijfeld voortreffelijk en heeft de zo zeer begeerde mooie bruine kleur. Een ander onberedeneerd idee of principe is, dat het paard niet geschapen is om opgefokt te worden als slachtdier. Maar dit is echter bij al het slachtvee zo. Wanneer het dier voor de boer minder economisch nut heeft en het heeft als slachtdier nog een goede geldswaarde, dan wordt het verkocht en geslacht. Dit is ook in het belang van het dier zelf, anders zouden wij weer die totaal opgewerkte en afgeleefde dieren krijgen van 50 jaar her, met vaak mens onterende praktijken om het dier toch nog te laten werken, vaak meer dan waar het toe in staat is. Doordat paardevlees door de nog geringere vraag in verhouding tot ander vlees het goedkoopste was, werd het minst draagkrachtige deel der bevolking de eerste grote consument. Van hieruit breidde de consumptie van paardevlees zich steeds meer uit tot op heden toe, nu practisch iedereen wel eens paardevlees — rookvlees, worst, biefstuk, lappen of gehakt - heeft geproefd en gewaardeerd als een volwaardig gezond en krachtig voedsel. In het grote verschil in prijs tussen vóór 1900 toen een slachtpaard werd verkocht voor een paar tientjes en tegenwoordig, nu bedragen van f 800.— tot f1000,— geen uitzonderingen zijn, ligt de gehele evolutie van de paardenslagerij besloten. Wanneer 50-70 jaar geleden een boer een paard verkocht aan de slager was het een grote verliespost voor hem en wachtte dan ook zo lang mogelijk, met gevolg dat het aangeboden beest dan ook volkomen opgewerkt en versleten was. Ook vanuit consumentenoogpunt hadden deze dieren weinig aantrekkelijks. Deze periode kenmerkt zich dan ook voornamelijk als „de Zouterij". Alles werd gezouten en gerookt tot het schenkelvlees toe, enkele dunne stukken vlees werden verkocht (per emmertje) voor een appel en een ei, de huid bracht nog wat geld op, de rest werd begraven of gebruikt voor hondenvoer. Dit rookvlees dan werd verkocht op de plaatselijke weekmarkten en wel per stukje uitgesneden; voilà : dat was de hele paardenslagerij. Omstreeks 1900 werden de eerste paardenslagerijen geopend. Dit waren slagers die zich reeds meer instelden om het publiek iets goeds te geven en reeds bij hun inkoop op kwaliteit gingen letten en genegen waren een hogere prijs te betalen. De verkoop aan het publiek werd ook meer en meer op andere artikelen gericht, dan alleen op rookvlees. Deze vakgenoten maakten er werk van om niet alles te zouten, maar ook om lappen, braad- en stoofvlees te verkopen. Geleidelijk aan verkocht men ook rosbief en biefstuk. Weer een tiental jaren verder gehakt, gekookte worst, gekookte lever enz. tot op heden, nu de meeste paardenslagerijen in de ware zin des woords vlees- en vleeswarenbedrijven zijn geworden met een ruime sortering vleeswaren en vleesartikelen. En die een vergelijking met andere slagerijen glansrijk kunnen doorstaan zowel wat betreft inrichting, verkoopmethoden als vakmanschap. Dit vakmanschap is zo opgevoerd dat zelfs een grotere gespecialiseerde kennis nodig is, die dan ook door de Wetgever is erkend in de Vestigingseisen. Begrijpelijk is dat ook de zouterij geheel is veranderd en dat „alles zouten", een nog vaak verkeerd veronderstelde mening, niet zoveel meer voorkomt, maar dat er met meer zorg die stukken worden uitgezocht die zich het best lenen om er rookvlees van te maken. Dit verschil bemerkt men b.v. bij het kopen van Amerikaans en Hollands rookvlees. In Amerika gelden thans dezelfde maatstaven die voor ons land 50 jaar geleden golden. Hoewel de kwaliteit van het vlees beter is dan toentertijd hier te lande, wordt daar nog bijna alles gezouten, een grote tegenstelling dus met het courant Hollands rookvlees, omdat men in de gelegenheid is die stukken, die als rookvlees niet zo'n bevredigend product geven, hier als een ander en beter voldoend artikel te plaatsen. In het algemeen zout men de grote en zware stukken, zoals de bovenbil met of zonder rand, soms ziet men zelfs, dat men de taaie hampunt er heeft afgesneden om mooie vierkante stukken te krijgen, waarvan dan direct grote plakken worden gesneden. Vervolgens de platte bil helemaal met staartstuk, muis en peeseind. Na het zouten -soms na het roken - snijdt men deze platte bil door- midden en haalt men ook nog wel de muis eraf, naar gelang de grootte van de stukken. Toch verdient het meer voorkeur om de stukken vóór het zouten model te snijden, daar alles wat men er dan afsnijdt aan vlees en vliezen enz., nog vers is en beter kan worden verwerkt. Ook het vlees zelf kan dan beter zout trekken. VERDELING PLATTE BIL Van de platte bil snijdt men de muis zoveel mogelijk op het vlies af. Verder het staartstuk en de ondermuis indien niet al te vet, dus alleen bij magere paarden. De korte platte bil dit dan overblijft wordt gezouten zonder peeseind. HET SPIERSTUK In zijn geheel gezouten, soms zelfs met de knieschijf er nog in om een mooi rond model te krijgen. Heeft men erg zwaar vlees, dan is het aan te bevelen het zijstukje eraf te snijden en apart te zouten. Het stuk wordt anders te groot en voor het intrekken van het zout is het beter de zware zenen, die juist in het midden lopen, weg te snijden. Let vooral op het beenvlies : dit houdt het goed doorzouten sterk tegen. DIKKE LENDE Deze is iets minder courant, maar toch nog prima verkoopbaar als rookvlees. Men neme hiervoor uitsluitend magere paarden daar dit vlees nog wel eens een met vet gemarmerde rand heeft wat bij rookvlees niet erg gewenst is. Ook oppassen voor de bloedaren, daar deze de eerste bron van bederf zijn; het beste is bij de dikke lende de kogel of het zijstuk eraf te nemen omdat dit stuk slecht zout opneemt en er veel bloedaren in zitten. DE DUNNE LENDE Deze zout men wel in z'n geheel, wanneer men voorraad wil maken en weinig biefstuk kan verkopen in verhouding tot de lappen-verkoop. Ook zout men wel alleen de driehoek, het middenstuk dat overblijft, na eerst het zijstuk en de platte plaat te hebben verwijderd. SCHOUDERPIT Deze zout men meestal met het harde hamerstukje er aan vast. Ook laat men soms een gedeelte van het lappenvlees (het sukadestuk) aan de schouderpit. De schouderpit is vaak een enigszins stroperig stuk rookvlees en trekt ook door de zeen in het midden van het dikste gedeelte slecht zout. DE BORST Deze ziet men het liefst zo kort en dik mogelijk afgesneden. Verkoopt men weinig lappen dan snijdt men de borst langer af, wel beseffend dat het stuk rookvlees steeds dunner en incouranter wordt. Zo is het ook het geval met de nek. DE NEK Wanneer men de nek zout, dan liefst alleen het middenstuk. Gaat men verder, dan met het kogelstuk en de ketting. Het gaat dan wel ten koste van de kwaliteit en is meer een kwestie van opruimen, wanneer men dit vlees niet op een andere wijze kwijt kan, evenals het zouten van schenkels. Deze laatste stukken geven veel rafels, kruimels en veel zenen dus ook veel verlies bij afsnijden. direct nodig is dat het vlees snel op kleur komt, maar waarbij het wel nodig is dat het lang de kleur vasthoudt. Te veel salpeter geeft een bittere smaak. Te veel nitriet geeft een walglijk zoete smaak en zelfs groene plekken in de kookartikelen. Met dit pekelzout wrijven wij de stukken goed in, de bedoeling hiervan is dat wij de buitenste laag van het vlees (de droge korst) stuk wrijven en het vlees als het ware openmaken om het pekelzout er sneller in te laten trekken. Daarna passen wij de stukken dicht tegen elkaar aan in de pekelbak en bestrooien elke laag met een dun laagje zout. Hierna kunnen wij twee wegen bewandelen en wel: 1. het vlees begieten met pekel van 18 graden tot alles onderstaat; 2. geen pekel opgieten en enige dagen wachten tot het vlees zelf pekel gevormd heeft, en dan ook onder komt te staan. Het beste is de stukken met enig gewicht te belasten, waardoor men zeker is dat alles onder de pekel blijft. Na 14 à 21 dagen is het vlees doorgezouten, dit is afhankelijk van de grootte en het gewicht van de stukken. Ook kan men na enige routine voelen of het vlees doorgezouten is. Niet doorgezouten stukken voelen meestal slapper aan. De beste temperatuur voor een zouterij is tussen 6 en 10° C; bij lage temperatuur werkt het zout niet voldoende op het vlees in, te hoge temperatuur veroorzaakt bederf. DROOG OPSTAPELEN Nadat het vlees is afgezouten, stapelen wij het op, zonder er zout tussen te doen. Een temperatuur van 10-12° C is de beste; we dekken het vlees af zodat er geen licht bij kan komen en laten het zo 14 dagen of langer liggen. De bedoeling van dit droog liggen is, het vlees beter te laten doortrekken en een zoute rand aan de buitenkant te voorkomen. Het vlees krijgt een egale kleur zonder donkere randen, terwijl ook deze handelwijze kleur-verbeterend werkt en het vlees smakelijker en malser maakt. Wanneer het vlees lang blijft liggen gaat het uitslaan; dit is geen bezwaar. Wanneer het vlees goed is doorgezouten hoeft men niet bang te zijn voor bederf. Deze aanslag laat zich later makkelijk met warm water met wat soda afwassen of afboenen. Wanneer men een partij wil gaan roken dan laat men het vlees eerst enige uren, naar gelang de dikte 10 tot 14 uur, in stromend water uitwateren om het daarna af te wassen en op te hangen om winddroog te laten worden. DROGEN Het drogen mag vooral niet te warm gebeuren. Zorg wel voor een goede ventilatie, door de wind er goed langs te laten strijken die zo al het vocht meevoert. Daarna kan men het vlees langzaam aan wat voorverwarmen - niet te heet - als het goed is krijgt het vlees dan reeds een mooie kleur en glans. Men kan het rookvlees het beste z'n model geven voor het roken, dus na het gewaterd te hebben. Verschillende stukken kunnen het beste opgerold worden met touw, weer andere kunnen ook met de handen in model geknepen worden, waardoor de stukken een dikker en ronder model krijgen. ROKEN Rookvlees moet zachtjes gerookt worden en niet heet, ca. 20° C. Rookt men te heet dan kan het vlees gaan druipen en wordt het vlees zacht en slecht snijdbaar. Rookt men daarentegen te lang en te koud dan krijgt men een donkere rand om het vlees en gaat het achteruit in kwaliteit. Om koud te roken gebruikt men als rookmateriaal eikenzaagsel en slaat dit stevig vast, om zeker te zijn van een gelijkmatig smeulend vuur dat niet te heet wordt. Zorg voor droog rookmateriaal; indien het vochtig is heeft men kans op een carbollucht aan het vlees. Na het roken het rookvlees in de rokerij laten afkoelen, dan blijft het vlees vaster van kleur. BEWAREN VAN ROOKVLEES Afgerookt rookvlees op een droogzolder hangen geeft veel gewichtsverlies, uitslaan en gevaar voor vliegen. In de koelcel bewaren geeft verlies aan kleur. Het beste is gezouten bewaren in grote vaten; het vlees afzouten en daarna dicht laten kuipen. Wel goed oppassen dat alle stukken goed stijf tegen elkaar geperst liggen. Daarna de laatste openingen vullen met pekel van 14 graden en er bij het dichtkuipen opletten dat er zo weinig mogelijk lucht in de vaten zit. Na 1 week wordt er weer pekel door het spongat bijgegoten, waarna vooral de eerste week de vaten goed worden gerold (een paar keer per dag), om te voorkomen dat de stukken tegen elkaar aan blijven zitten. Ook nadat er na 1 week pekel is bijgegoten en het spongat hermetisch is afgesloten en gedicht, is regelmatig rollen aan te bevelen opdat alle stukken gelijkmatig zout trekken en niet gaan vastzitten. Vervolgens in een koelruimte opslaan. ROOKVLEES MET SPEKRAND Hiervoor neemt men model gesneden stukken vlees, langwerpig, het liefst van een platte bil, welke men in 3 a 4 lange stukken snijdt; wanneer men een grote zware platte bil heeft, dan snijdt men ze nog eens door. Ook een spierstuk leent zich hiervoor. Zorg er voor zo weinig mogelijk vet en zenen aan het vlees te laten zitten. Deze kleine stukjes worden normaal gezouten als ander rookvlees, door ze eerst in te wrijven met pekelzout, zout + salpeter en te verzwaren met een zwaar gewicht om er daarna pekel van 18 graden op te gieten. Na 2 weken, afhankelijk van de grootte, zijn de stukken doorgezouten en worden uit de pekel met doeken goed drooggemaakt en met een dun laagje gezouten spek omrold en goed vastgedrukt, eventueel met 2 touwtjes op hun plaats gehouden. Het geheel wordt omwikkeld met goudvlies. Goed strak aangedrukt, aan het einde dichtgebonden, eventueel het geheel omwikkeld met gekleurd koord. Daarna even aanbroeien in kokend water, opdat de darm krimpt en mooi strak om het vlees trekt. Daarna iets warmer roken dan anders. GEKOOKT ROOKVLEES Het beste kookt men het afgezouten vlees in hamkokers of gebruikte blikken, dit is beter dan het los te koken in water. In vormen gekookt houdt het rookvlees een veel beter model en aanzicht en ook blijft het vleessap beter behouden. Men kookt op 80° C ca. 3 uur naar gelang de dikte, na de vormen eerst bij 100° C in de ketel te hebben gezet. Door DE VERDERE BEWERKING Zodra het speenvarken is gevuld met het gekozen deeg wordt het heel zorgvuldig dichtgenaaid en dan vervolgens gedurende een uur zeer licht gerookt. Mede daardoor wordt een lekkerder smaak verkregen. Als het speenvarken uit de rook is genomen wordt het in een doek gewikkeld en daarna met lint of band mooi rond opgebonden. Wij gebruiken voor dit winden met opzet lint of band, omdat bij gebruik van worstgaren er spoedig bindstrepen over de rug van het varken te zien zullen zijn, hetgeen wij juist niet moeten hebben. Het varken zal een natuurlijke ronding te zien moeten geven en niet een als een gerolde ham. Dat staat niet alleen lelijk, maar bovendien onnatuurlijk. Het in de doek gewikkelde speenvarken wordt nu gedurende ongeveer 4 tot 42 uur gekookt bij een temperatuur van het water van 75 ° C tot hoogstens 80° C. Het water mag vooral niet heter zijn, want dan zou het tere zwoerd van het speenvarken deze grotere hitte wel eens niet kunnen verdragen en stukspringen. Na volledige afkoeling na het koken wordt de doek met de windsels voorzichtig van het speenvarken verwijderd. Thans wordt het varken mooi aangesneden tot het model wordt verkregen, dat op de bijgeplaatste foto is te zien. Dit houdt dus in, dat de voorzijde van het speenvarken een aansnijvlak te zien geeft als van een worst. Wij zijn nu zover met de bewerking genaderd, dat het speenvarken met licht vloeibare bruine vleesgelei kan worden bestreken of bedropen. Hierbij mogen geen oneffenheden optreden, zodat het bestrijken of bedruipen wel met de nodige zorg dient te geschieden. Thans plaatsen wij dit speenvarken op een passende schotel (bij voorkeur een roestvrij stalen schotel en geen emaille of glazen) en leggen op de rugzijde een stukje gekarteld staniolpapier, waarop enkele roosjes van aardappel, wortel en biet. Aan het staartje bevestigen wij een mooi strikje ter verdere afwerking, terwijl aan de zijkanten en vóór het speenvarken wat gehakte blanke gelatine, alsmede een paar stukjes met een kartelmesje gesneden blanke gelatine worden gelegd om het geheel af te werken. ENKELE DETAILS ONDER DE LOUPE Teneinde de vlotte gang van het gereedmaken van de schotel gevuld speenvarken niet te storen hebben wij het gehele maakproces achter elkaar laten volgen zonder bij enkele details nader stil te staan. Toch is dit beslist nodig, daar bij het maken van deze etalageschotel zich enige moeilijkheden kunnen voordoen, welke alleen zijn op te lossen als men met de details van de verschillende onderdelen goed op de hoogte is. 1. Het mooi op snit snijden van het speenvarken. Hiertoe wordt het gekookte speenvarken achter de schouders ingesneden, waardoor de mooie ronde vorm van buik, flank en rug van het speenvarken goed tot uitdrukking komt. Het is dus niet zo, dat het gehele speenvarken op de schotel komt, maar ongeveer 3 er van. Dit ter verduidelijking, omdat anders wel eens misverstanden kunnen ontstaan. 2. Het afglanzen van het speenvarken met bruine gelei. Dit afglanzen vindt plaats om het speenvarken het aanzien te geven als zou het zijn gebraden. Daarom wordt voor dit doel bruine gelei - ook wel imitatie-vleesgelei genoemd gebruikt. Deze gelei wordt verkregen door aan de oorspronkelijke gelei een weinig geel kleursel toe te voegen tot de gewenste mooie kleur is verkregen. Alvorens met het afglanzen te beginnen laten wij de gelatine eerst geheel afkoelen en wel zolang tot deze bijna vast begint te worden. Met een schone, droge kwast wordt nu het speenvarken met de vleesgelei bestreken, dan wel met behulp van een lepel bedropen. Denk er aan, dat hierbij de vleesgelei zich gelijkmatig over het speenvarken verspreidt. 3. De roosjes van aardappel, wortel en biet. Het maken van deze roosjes vereist enige ervaring en dus is het goed er eens flink op te oefenen, alvorens men met het snijden van roosjes voor een etalageschotel begint. Toch is dit werk niet zo moeilijk als wellicht wordt gedacht. Nodig is slechts een juiste methode van werken. De aardappel wordt daartoe eerst rond gesneden, zodat een zuiver rond deel ontstaat. Van dit ronde deel wordt aan één zijde een spits torentje gesneden, waarna het eigenlijke snijden van het roosje een aanvang neemt. Uit de zijkanten van de aardappel worden nu 5 blaadjes gesneden met behulp van een garneermesje, welke blaadjes vervolgens aan de achterkant worden weggesneden. Deze handeling herhaalt zich thans en wel zo, dat de blaadjes van het roosje om en om komen te staan. Deze handeling vindt plaats achter de reeds gesneden 5 blaadjes. Dezelfde handeling herhaalt men nog eens achter de tweede rij van blaadjes, waarna in het overblijvende hart (het spitse torentje) de inkervingen worden gemaakt. Is de aardappel geheel uitgesneden tot een roosje, dan wordt de onderzijde mooi rond bijgesneden, waarna hierin bij wijze van steeltje een lucifer kan worden gestoken. Dezelfde handelwijze vindt plaats bij het snijden van roosjes uit wortel en biet. Tot slot merken wij nog op, dat de lichtende glans aan de linkerzijde van het afgebeelde speenvarken niets anders is dan de reflex die werd verkregen tijdens het fotograferen en dus niets met de bewerking uitstaande heeft. SPEKROLLADE, GETRUFFEERDE Voor dit werkstuk wordt eerst een heel magere varkensbuik gevuld met bonte galantine. Na het koken wordt deze als een rollade gerold. Van dit stuk worden vijf plakken afgesneden, die netjes voor de spekrollade op een brede ovale schotel worden gelegd. De spekrollade wordt nu met bruine gelei bedropen, zodat een natuurlijke braadkleur ontstaat. Vervolgens gieten wij de overgebleven ruimte van de schotel vol met melkgelatine. Als decoratie-materiaal kan worden gebruikt : tuinbonen, worteltjes, tomaten, doperwtjes en asperges. Deze groenten worden netjes gerangschikt op de vrije ruimte van de schotel. Tussen de plakken en groenten in loopt een slinger van truffels. De rand van de schotel wordt belegd met halve schijfjes citroen, waarop om en om een stukje truffel en een stukje gebroeide tomatenschil wordt gelegd. De verdere afwerking van de schotel geschiedt door een hoeveelheid blanke gelatine heel fijn te hakken en met deze gehakte gelatine de rand voor de schijfjes citroen weg te werken, terwijl het stuk vleeswaar wordt gegarneerd als aangegeven (af b. 799). 822. Alle bestanddelen zijn van te voren gereed gelegd zodat men 823. Hierna worden de hamrolletjes gerangschikt. Links op de bij de opbouw van een hors-d'oeuvreschotel alles bij de hand heeft. schotel ziet men deze rolletjes reeds op hun plaats terwijl men rechts Allereerst worden de gevulde eieren op de schotel neergelegd. op de schotel bezig is met ze netjes te rangschikken. 824. Naast de hamrolletjes komen aan weerszijden van de schotel 825. De ruimte op de schotel tussen de hamrolletjes en de vleeseen vijftal plakken getruffeerde vleespastei. Deze plakken worden plakken wordt opgevuld met van te voren klaar gemaakte gevulde ongeveer een derde over elkaar heen gelegd. tomaten. Aan beide kanten van de schotel komen evenveel stuks. 826. Er blijft nu tussen de hamrolletjes en de plakken vleespastei 827. Hierna wordt het middengedeelte tussen de gevulde eieren en een kleine ruimte over die we vullen met rolletjes gekookte tong. de randgarnering opgevuld met timbaaltjes ham of iets dergelijks. Zoals voor de tomaten aangegeven ook hier evenveel rolletjes. Op deze timbaaltjes komt dan een gegarneerd kapje tomaat. 828. Tot slot snijdt men nog meerdere lekkernijen af waarvan de 829. De nu nog overgebleven ruimten vult men op met genoemde keus iedereen zelf kan bepalen. Zorg er echter wel voor, alleen zeer fijne vleeswaren zodat de gehele schotel thans is opgevuld en men fijne bestanddelen bij de opbouw van een schotel te gebruiken. een wel zeer smakelijk geheel heeft gecreëerd. 428 834. Men begint het maken van een vleeswarenschotel met het 835. Op de vorige afbeelding werden de timbaaltjes vleeswaren in plaatsen van een papieren onderlegger die zodanig wordt gevouwen gelei op de schotel geplaatst. Naast deze timbaaltjes komen opgedat het midden van de schotel erdoor bedekt wordt. rolde plakjes cervelaatworst. 836. Hierna vullen wij het middengedeelte van de schotel op met 837. Evenzo leggen wij naast de hamplakken plakjes gesneden dun gesneden plakken ham. Deze zijn dubbelgevouwen en daarna tong en rookvlees. Natuurlijk kan men ook andere vleeswaren en zo op elkaar gelegd, dat ze elkaar voor 1/3 gedeelte bedekken. worstsoorten gebruiken. 838. Het van te voren klaargemaakte rondje vleeswaren in gelei 839. Deze afbeelding geeft een goed overzicht van de schotel. Van wordt nu voorzichtig opgepakt en in de hoek naast de boterrolletjes achter naar voren gezien merken wij op : timbaaltjes, cervelaatworst, neergelegd. ham, tong en rookvlees. 840. De afwerking van een vleeswarenschotel is een belangrijk 841. Ook met ei zijn verschillende garneringen mogelijk die bij onderdeel van de opbouw omdat het definitieve karakter van de een vleeswarenschotel soms zulke aardige effecten kunnen geven. schotel hiermede bepaald wordt. Een decoratie van zoutjes doet Doch ook hier : eenvoud is het kenmerk van het ware. het zeker. 430 SIERSTUKKEN 846. Moderne schotel van gerookt vet spek. Een- 847. Wandbord van reuzel-stip- 848. Moderne schotel van gerookt vet spek. voudig van opzet en daardoor zeer attractief. pelwerk. Een zeer sierlijk werkstuk. 849. Michiel Adriaanszoon de Ruyter in 850. Het deltaplan in vet geboetseerd. Een formidabel sierstuk vet geboetseerd. Hoog 1.40 m, breed 0.75 m, van 2.30 m bij 1.60 m met een totaal gewicht van 300 kg. Uit een gewicht 80 kg : voorwaar een artistieke pres- massief gegoten blok vet is het gehele stuk uitgebeiteld en geboettatie. De versieringen op de uniform zijn ge- seerd. spoten uit rundvet. 851. Zeer fraai van lijn en getuigend van een hoog ontwikkeld artistiek gevoel is dit sierstuk uit vet geboetseerd een waar meesterstuk. Slechts door oefening kan men eenzelfde graad van perfectie bereiken. 432 HOOFDSTUK 13 HET CONSERVEREN VAN VLEES DOOR KOUDE INLEIDING Onze voorouders bewaarden hun voorraden bederfelijke levensmiddelen, zoals melk, boter, vlees en vis, meestal in de diepe, koele kelders onder hun huizen. Ook had men in heuvelachtige streken wel holen in de grond gegraven met hetzelfde doel. Daarnaast kende men de isolerende (warmtewerende) werking van stoffen, zoals stro en turfmolm, die algemeen hiervoor werden gebruikt (bescherming van waterpompen tegen bevriezing!). Men verhoogde het effect van dergelijke bewaarplaatsen door ze nog koeler te maken met behulp van stromend water, van sneeuw of van ijs. Dit laatste was alleen maar mogelijk in landen, waar de wateroppervlakte in de winter bedekt werd met een stevige ijsvloer. Deze ijslaag werd in brokken gezaagd en de . stukken ijs in geïsoleerde ijs-bergplaatsen opgeslagen, die soms zo groot waren, dat ze een voorraad ijs konden bevatten, groot genoeg om tot de volgende winter te duren. In landen, waar men weinig of geen ijs kende, kon men dit niet benutten, tenzij men het uit Noord-Europa invoerde. Ook ons land voerde vroeger wel ijs uit Noorwegen in. Toch was men, zoals men begrijpt, zeer afhankelijk van de wisselvalligheden van het klimaat, zodat men naar middelen zocht om zich daarvan onafhankelijk te maken. OPWEKKING VAN KUNSTMATIGE KOUDE De meest gebruikte en waarschijnlijk ook de oudste methode om de temperatuur te verlagen is door verdamping van een vloeistof. Wanneer men zorgt de gevormde damp te verwijderen (bijvoorbeeld door afzuigen), gaat dit verdampen door, totdat er geen vloeistof meer aanwezig is. Voor dat proces van verdamping is warmte nodig, die wordt onttrokken aan de omgeving, met andere woorden, de omgeving wordt kouder, wordt dus gekoeld. Een eenvoudig voorbeeld hiervan is de afkoeling, die men voelt, als men een natte vinger in de wind houdt. Ook berust op dit principe het gebruik van poreuze vaten, waarbij de langzame verdamping van de vloeistof door de wand heen afkoeling van de inhoud veroorzaakt (poreuze dubbelwandige botervlootjes). Wanneer men nu een machine construeert, die enerzijds die damp afzuigt (uit de verdamper) en anderzijds deze damp weer samenperst tot vloeistof (in de condensor), dan heeft men een gesloten systeem, waarvan de zuigperspomp, dat is de compressor, het hart vormt. De absorptiekoelmachines werken volgens hetzelfde principe, doch hebben geen bewegende delen. Op de aangegeven wijze is het mogelijk het gas naar believen deze kringloop te doen herhalen.Teneinde de warmteuitwisseling, zowel in verdamper als in condensor, te bevorderen, zorgt men, dat het gas (de vloeistof) langs grote oppervlakten passeert. Dit geschiedt meestal in pijpenbundels. HS 28 Van de vloeistoffen, die de laatste jaren het meest als koelmiddel worden gebruikt, noemen wij in de eerste plaats ammoniak. Zwaveligzuur- en koolzuurinstallaties zijn, althans op het vasteland, vrijwel verdwenen. Voor kleine installaties zijn ook andere middelen, zoals methylchloride, op de markt verschenen, terwijl in de laatste jaren daarbij gevoegd zijn een aantal fluor-verbindingen, als freon (met toevoeging van een cijfer) aangeduid. Deze laatste stof, hoewel tamelijk duur, is niet giftig en onbrandbaar, hetgeen van de andere niet gezegd kan worden. Ontsnapping van ammoniak of een ander koelmiddel (behalve freon) uit het koelsysteem kan niet alleen schadelijke gevolgen voor de mens, maar niet minder voor de opgeslagen pro ducten hebben. KOEL- EN VRIESHUIZEN Wanneer men nu levensmiddelen of andere waren wenst af te koelen, is de eenvoudigste weg ze vlak bij de verdamper te plaatsen. Men verbetert natuurlijk de werking indien men in de ruimte waarin de verdamperslangen bevestigd zijn, ventilatoren aanbrengt, waardoor de lucht kan circuleren. Wanneer men dan de muren van deze localiteit zo dik neemt (en met 1 of 2 spouwen) dat de warmte van buiten moeilijk kan binnendringen, heeft men het voorbeeld van een koelhuis, zoals men ze vroeger bouwde. Natuurlijk heeft ook op dit gebied de ontwikkeling niet stilgestaan. In de eerste plaats gaat men thans de muren bekleden met een isolerende stof, waarvoor - hoewel andere goede stoffen ook in de handel zijn gebracht - kurk (de bast van de kurkeik) nog het meest gebruikt wordt. Deze kurk wordt gemalen en met een kitstof tot platen geperst, die men aan de binnenzijde van de muren bevestigt . Tegen deze kurklaag wordt weer een beschermende laag geplaatst, die in vlees-koelhuizen meestal uit tegels bestaat. Hoe lager men de temperatuur in de koelhuizen wenst, des te dikker dient men de kurklaag te nemen. Ook gebruikt men voor de overdracht van de koude wel een tussenstof, pekel. Dat wil zeggen, dat men met het koelsysteem pekel afkoelt en deze gekoelde pekel via pijpleidingen laat circuleren in de lokalen waar koude nodig is. Dit is dan de zogenaamde indirecte koeling. De voor vlees meest gebruikte methode (wij komen daarop later uitvoerig terug) is, dat men met deze koude pekel lucht afkoelt (bijvoorbeeld door in een luchtkoeler de lucht door een fijne regen van deze pekel te jagen) en deze gekoelde lucht via luchtkanalen (van hout, ook wel van be- ton) naar het vleeskoelhuis voert. Men kan de lucht natuurlijk ook zonder pekel afkoelen, door ze langs de verdamperslangen te laten strijken! dat wil zeggen de juiste temperatuur voor ieder product gebruiken, deze temperatuur zo constant mogelijk houden en geen verschillende producten bij elkaar bewaren, die elkaar beïnvloeden (rijp met onrijp fruit, geurende vruchten, zoals sinaasappels met vlees, melk of boter!). BoN endien moet men zich bewust blijven van de onvolkomenheden van de toepassing der koude. Bacteriën noch schimmels worden gedood; sommige chemische processen, zoals het ransig worden van vetten, de oxydatie van vitamine C, de denaturatie van eiwitten, gaan, hoewel vertraagd, door! HULPMIDDELEN Daarom worden, teneinde het resultaat te bevorderen, naast de koude vaak hulpmiddelen gebruikt. Voor vlees kunnen we als zodanig noemen: ozon, koolzuur en, in de laatste tijd, de toepassing van steriliserende lampen en het gebruik van omhulsels. Wanneer men ozon aan de koelhuislucht toevoegt, wordt de groei van bacteriën aan de oppervlakte van vlees duidelijk tegengegaan. Bovendien heeft dit gas de eigenschap, dat het desodoriserend werkt, dat wil zeggen, dat het afwijkende geuren afbreekt en dus doet verdwijnen. Toch moet men met de toepassing zeer voorzichtig zijn, daar te hoge concentratie aanleiding geeft tot omzetting (oxydatie) van het aan het vlees aanwezige vet, dat daardoor ransig wordt. Het gebruik van koolzuur, dat we zullen bespreken wanneer we het „chilled meat" behandelen berust deels op hct dodend vermogen hiervan op bacteriën, deels op het verlagen van het zuurstofgehalte der lucht, dat weer de levensvoorwaarden van bacteriën ongunstiger maakt en de mogelijkheid tot oxydatie vermindert. Lampen, welke ultraviolet licht uitstralen, dat een bacteriedodende werking heeft, worden in Amerika op grote schaal en in de laatste jaren ook in Europa toegepast. Aan dit gebruik zijn echter enige nadelen verbonden . In de eerste plaats is de werking aan de schaduwzijde van het bestraalde object nihil; bovendien wordt door de meeste lampen een geringe hoeveelheid ozon opgewekt, dat weliswaar, zoals we zagen, ook dodend werkt op bacteriën, maar dat niet overal en niet onbeperkt kan worden toegelaten. Ten slotte is een nadeel voor het gebruik, speciaal in koelhuizen, dat deze lampen bij lage temperatuur slechts een gering rendement hebben, zodat zeker hiermede bij de aanschaffing moet worden gerekend. Overigens gaan er verschillende stemmen uit de practijk op, die over deze lampen zeer tevreden zijn. Wat het gebruik van omhulsels betreft, zij in de eerste plaats gewezen op het gebruik in Amerika om de geslachte dieren, alvorens ze het koelhuis ingaan, met vochtige doeken te bedekken. Daardoor wordt het uitdrogen tegengegaan en houdt het vet ook een betere kleur. Ook het vlees dat, hetzij in voeten, hetzij in kleinere stukken, bestemd is om te worden ingevroren, wordt, met hetzelfde doel, ingepakt. Voeten in een soort doek, kleine stukken in cellophaan of ook wel in rubberzakken, waaruit men dan de lucht verwijdert. Speciaal in Amerika staat de verpakkingstechniek op hoog peil. (zie vacuumverpakking, pag. 533). HET CONSERVEREN VAN VLEES DOOR KOUDE De ontwikkeling van de toepassing van kunstmatig op gewekte koude op vlees is van zeer grote betekenis geweest voor het bewaren en het gebruik van dit belangrijke voedsel. Speciaal het bevriezen van vlees en het transport van bevroren vlees over de gehele wereld, heeft het mogelijk gemaakt, dat enerzijds de vee-rijke gebieden van Zuid-Amerika en Australië ontsloten werden voor de wereldhuishouding, anderzijds dat daardoor het vleestekort in andere landen kon worden opgeheven. Toch is het nog geen honderd jaar geleden, dat de eerste proeven tot het koelen van vlees (langs mechanische weg) op grote schaal werden genomen. Het was Charles Tellier, die, nadat hij in 1873 voor de Franse Académie des Sciences geslaagde experimenten had verricht, in 1877 een speciaal daarvoor ingerichte boo t, de „Frigorifique", met bevroren vlees van Frankrijk naar Argentinië zond. Deze boot kwam na een moeilijke overtocht, die drie en een halve maand duurde, te Buenos Aires aan, waarbij de lading in uitstekende toestand bleek te verkeren. Ook de terugtocht naar Frankrijk met 35 ton bevroren vlees werd met succes bekroond. Dergelijke verzendingen waren voordien practisch onmogelijk en bijvoorbeeld de grote vleesbedrijven in Amerika waren voor het bewaren van vlees op natuurijs aangewezen, dat opgeslagen moest worden in grote ijsbergplaatsen, die vaak groter waren dan het gehele bedrijf. Het werk van Tellier was dus wel van uitzonderlijke betekenis! Op het VIe Internationale Koude-Congres te Buenos Aires in 1936 werd dan ook aan hem de eretitel van „Père du Froid" verleend. Betroffen deze eerste proefnemingen bevroren vlees, toch past men de koude lang niet altijd op die wijze toe, dat het vlees bevriest. Er zijn talrijke gevallen, waarin men dat juist wil voorkomen, zodat de temperatuur boven -0,6° tot -1,2° gehouden moet worden. Met name aan de openbare slachthuizen, waarin het vlees wordt bewaard, dat bestemd is voor onmiddellijke verkoop, is dit het geval. Hier wordt het vlees wèl gekoeld, doch men zorgt er voor, dat het niet bevriest, aangezien het dan moeilijk te verwerken is en na het ontdooien vaak in uiterlijk en hoedanigheid snel achteruit gaat. Bij dit koelen volgde men tot voor kort en nu meestal nog dezelfde methode. Men laat eerst het geslachte dier minstens enige uren in de slachthal of aangrenzende hangruimte hangen om tot de buitentemperatuur af te koelen, waarbij het tevens reeds een grote hoeveelheid vocht afstaat. Het is natuurlijk een voordeel, dat hiervoor geen koude geproduceerd behoeft te worden. Daarna brengt men het dier in het voorkoelhuis, waar een temperatuur van 6-10° C heerst en vervolgens in het koelhuis, waar een temperatuur van 0-1 ° C (vroeger 2-4° C) wordt onderhouden. Deze wijze van koelen, de „getrapte" koeling, heeft als gevolg, dat aan de oppervlakte van het vlees een droog huidje ontstaat, dat bescherming verleent tegen het binnendringen en de ontwikkeling van bacteriën en schimmels. Ook de relatieve vochtigheid wordt in de koelhuizen vrij laag gehouden. Men krijgt bij de beschreven methode goede resultaten, doch moet het vrij belangrijke gewichtsverlies door het verdampen van vocht op de koop toe nemen. De ervaringen in Amerika, waar men het vlees wèl direct na het slachten HOOFDSTUK 14 HET CONSERVEREN IN BLIK INLEIDING Het conserveren van vleeswaren omvat een zeer uitgebreid terrein, dat door nieuwe uitvindingen steeds groter wordt. In dit hoofdstuk zullen alleen de belangrijkste grondbeginselen van de conservering van vleeswaren in blik (of glas) worden behandeld. Conserveren wil zeggen de grondstof een dusdanige behandeling doen ondergaan, dat deze voor beperkte of bijna onbeperkte tijd houdbaar is. Er bestaan behalve de door ons te behandelen methode van conserveren door sterilisatie nog andere handelingen, zoals zouten, roken, koken, drogen of luchtledig verpakken van vlees of vleeswaren, waardoor deze houdbaar blijven. Bij het conserveren in blik of glas, zoals hier behandeld zal worden, dient onderscheid gemaakt te worden tussen : a. half-conservering; b. vol-conservering. Bij half-conservering denkt men aan beperkte houdbaarheid, bij vol-conservering aan vrij lange houdbaarheid. Er zijn drie hoofdgroepen van te conserveren artikelen, nl. : a. de pure vleeswaren ; b. vleesconserven met bijvoeging van groente of andere voedingsmiddelen; c. soepen. Er bestaan natuurlijk vele tussen-variëteiten, die bij de recepten ter sprake zullen komen. Onder verduurzaamde vleeswaren verstaat men alle vleeswaren die, na het inbrengen in luchtdicht af te sluiten blikken, flessen enz., door verhitting houdbaar worden gemaakt. Deze vleesconserven zijn goed houdbaar, daar alle levensvatbare kiemen door de verhitting zijn gedood terwijl de goed afgesloten blikken het binnendringen van schadelijke kiemen onmogelijk maakt. Het conserveren heeft dus een dubbel doel. Deze methode waarborgt ook de kwaliteit en volle smaak van het artikel daar uitdrogen onmogelijk is. In verband met de hoge productiekosten komen hiervoor alleen kwaliteits- en speciale producten in aanmerking. Alle vleeswaren kunnen echter ingeblikt worden. Zij zijn altijd voor direct gebruik gereed; enkele soorten kunnen voor de consumptie worden verwarmd, b.v. knakworstjes e.d. VOORWAARDEN VOOR EEN GOEDE CONSERVERING HYGIËNE Een goed product is voor een groot deel afhankelijk van de bij het conserveren betrachte zindelijkheid. Dit is nodig om bederf veroorzakende bacteriën te weren, waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen maatregelen, die uitbreiding van ongewenste micro-organismen moeten voorkomen en methoden om de schadelijke kiemen te doden. Al deze bacteriën zijn overal aanwezig, in de lucht, op werktafels, messen enz. en zij vermenigvuldigen zich razend snel. ZUIVER GEREEDSCHAP Dit is de eerste eis, die men kan stellen. Metalen gereedschap verdient de voorkeur boven dat van hout. Bij de bereiding van vleeswarenconserven is de metalen werktafel — met losse snijplanken — te verkiezen boven de houten tafel, daar de eerste wel maar de laatste niet behoorlijk gereinigd kan worden. Afboenen met heet water is nl. niet voldoende, daar de bacteriën, die in de kern van het hout zijn doorgedrongen, niet gedood worden. Zij komen weer naar de oppervlakte en besmetten het vlees. Bij de losse snijplank is dit slechts ten dele het geval, daar deze dunner is en in zijn geheel in heet water gedompeld kan worden. Ook de rest van het gereedschap als messen, emmers en teilen dient grondig en bij voorkeur zowel na als vóór het gebruik ervan gereinigd te worden. MACHINES EN MESSEN Vele slagers hebben de gewoonte om van de vleeswolf de worm met wormhuis ineen af te nemen zonder beide schoon te maken. Hoewel meestal worm en wormhuis een plaats in de koelcel krijgen — waardoor bacteriëngroei enigszins wordt tegengehouden — adviseren wij toch dit na te laten en zowel worm als wormhuis voor het begin der fabricage eerst grondig te reinigen en te laten afkoelen alvorens aan het werk te gaan. Men kan niet voorzichtig genoeg zijn. De vleesdelen, die in het wormhuis en rond de worm zijn blijven zitten, vormen anders een goede voedingsbodem voor bacteriën. Hetzelfde geldt voor de messen, die in de hoeken wel eens vleesresten willen herbergen. Ook deze moeten zowel voor als na gebruik goed schoongemaakt worden, waarbij gebruik van een desinfecterend middel wordt aanbevolen. SCHONE HANDEN EN KLEDING Ook met de handen brengen wij bederfverwekkende bacteriën op het vlees. Gebruik daarom zeep en een desinfecterend middel bij het handen wassen en spoel niet slechts uw handen af in een bak met troebel water. Ook de kleding moet steeds schoon zijn en er moet gezorgd worden voor heldere handdoeken. VLEESKEURINGSWET De Vleeskeuringswet schept reeds enige waarborgen voor helderheid, maar het kan nooit kwaad zichzelf zwaardere eisen te stellen. Zo geeft de wet voorschriften over de hoeveelheid licht, die de worstkeuken moet kunnen binnendringen ; de wanden moeten tot op zekere hoogte glad zijn en voor water ondoordringbaar, de wanden moeten met ronde hoeken in de vloer overgaan, de vloer moet glad zijn en niet toelaatbaar voor water. Het behoeft geen betoog, dat het verwerken van zuurachtige kantjes in de worst, vooral bij vleesconserven, uit den boze is. Men haalt daarmee het Trojaanse bacteriënpaard naar binnen. KEUZE VAN HET VLEES Niet alle vlees is geschikt om tot conserven verwerkt te worden. Een eerste vereiste is, dat het dier gezond is. Bij het bereiden van vleeswarenconserven moet vlees gebruikt worden, dat reeds een hoge natuurlijke graad van houdbaarheid heeft. Zo kan een mager, dus vetarm dier heel wel worden gebruikt, maar niet een beest, dat door ouderdom of ziekte is vermagerd. De spieren zullen dan slap zijn en het aanwezige vet zal naar waterigheid neigen. Ook vlees, dat tijdens het leven van het dier door een ziekte bederfkiemen in zich heeft opgenomen kan niet geconserveerd worden. Belangrijk is ook het uitbloeden bij het slachten. WELKE HOEDANIGHEDEN MOET HET VLEES BEZITTEN? Te conserveren vlees moet mooi droog en ook hard zijn, veerkrachtig en voorzien van een sterk weefselstelsel. Dit vlees is bijna altijd smakelijk, goed kleurhoudend, fraai van aanzien en sterk bindkrachtig. Zulk vlees kan ook gemakkelijk de verhitting tijdens de conservering weerstaan en zal in innerlijke structuur weinig verandering ondergaan. Dit ideale vlees is hoofdzakelijk afkomstig van het rund of het varken ; bij het kalf is geen tijd geweest om een sterk spierenstelsel op te bouwen. Ook de voeding is van groot belang voor de vorming van een goed spierenstelsel. Bij voorkeur nemen wij runderen met hard voer gemest, daar dit stevig vlees geeft. Z.g. schillenkoeien hebben minder vast vlees, evenals spoelingkoeien. Bovendien wijkt bij de laatste dieren de smaak iets af, waardoor hun vlees minder geschikt voor conservering is. VARKENSVLEES Het beste zijn de varkens van het Gelderse type van 80-100 kg geslacht gewicht. Gelderse varkens hebben altijd goed hard vlees, terwijl het Hollandse (Yorkshire) varken door zijn snellere rijpheid een rijkere aanzetting van vet en spek vertoont. Dit remt de spierontwikkeling, waardoor ook de verhouding vlees-vet voor de conservenindustrie ongunstig is. Ook bij varkens is de voedering van belang. Maïs is zeker niet slecht maar geeft een enigszins week en olieachtig vet. Veel erger is, wanneer een varken de laatste weken voor de slacht met vismeel of vis wordt gevoerd. Het vet zal dan een sterke vislucht en -smaak hebben terwijl een vuil-bruine verkleuring mogelijk is. Dergelijke varkens zijn voor de conservenindustrie ongeschikt. Het mesten met graan en aardappelen alsmede krachtvoederbijmenging met bloed- en keukenafval is gunstig voor de consistentie van het vlees. Voor kalfs-, schape- en lamsvlees gelden dezelfde eisen. Graskalfsvlees moet bij voorkeur goed droog zijn. VOORBEHANDELING VAN HET VLEES Het is van belang hoe het dier voor, tijdens en na de slachting behandeld is. Gezonde dieren b.v., die voor het slachten in sterk vermoeide toestand verkeren, kunnen stroperig, voor de conserven-industrie ongeschikt vlees opleveren. De dieren mogen ca. 24 uur voor de slacht niet meer gevoederd zijn. De gevulde maag drukt dan nl. tegen het hart en verhindert een intensief leegbloeden. Er dient op te worden gelet, dat het dier volkomen kan verbloeden. Het is nodig, dat de slager daarbij de nodige medewerking verleent door met de schouder van het slachtdier een pompende beweging te maken. Tevens dienen zonodig de opgelopen bloedaderen van tijd tot tijd te worden ingekort. Zowel tijdens als na de slacht moet de grootst mogelijke hygiëne betracht worden. Bij het afnemen van het dier moeten schone slachtdoeken worden gebruikt. Bij de nieuwste koelmethode wordt het geslachte dier met schoon water afgespoten en in een koeltunnel gehangen waar een koude wind door gaat. Men zij voorzichtig met het kopen van vlees met een oppervlak, dat enigszins klef of nattig aandoet. Dat is vaak door bacteriën aangetast. Bij het vervoer moet er op gelet worden, dat de lucht in de vleeswagens koel is en rond de geslachte dieren kan stromen. Ook hier op hygiëne letten. Bij het opslaan van vlees in de koelcel moet de lucht eveneens rond de stukken kunnen circuleren. Stukken vlees of bouten mogen niet tegen elkaar hangen. De zon is niet zo kwalijk als veel slagers geloven. Het vlees droogt wel uit maar bederft niet sneller ; wel funest is zwoel weer zoals bij onweersbuien, dan moet het vlees snel in de koelcel worden opgeborgen. Maar het gunstigst zijn de wintermaanden. TECHNIEK VAN HET CONSERVEREN Over het algemeen worden de conserven met beperkte houdbaarheid door middel van een open ketel geconserveerd; de vol-conserven, die lang houdbaar moeten zijnen daardoor hoger verhit moeten worden, met een autoclaaf. Doel van het conserveren is de inhoud der blikken kiemvrij te maken en verdere ontwikkeling van bacteriën tegen te gaan. Daartoe worden de gevulde blikken dichtgefelst en geconserveerd, geëtiketteerd, verpakt en opgeslagen. IN OPEN KETEL Dit is de eenvoudigste en daardoor voor het slagersbedrijf doelmatigste methode, die echter als bezwaar heeft dat men geen hogere temperaturen dan 100° C, het kookpunt van water, kan bereiken. Hierdoor wordt slechts een halfconservering bereikt daar het blik niet volkomen steriel wordt. Toch krijgen de op deze wijze — mits juist — behandelde conserven wel een houdbaarheid van enkele maanden, hetgeen voor het slagersbedrijf over het algemeen voldoende is. Hammen worden vrijwel altijd in een open ketel gesteriliseerd om de juiste smaak en sappigheid te behouden. Is langere houdbaarheid gewenst, dan wordt de temperatuur in de autoclaaf niet boven 105° C opgevoerd. Soepen mogen nooit in een open ketel geconserveerd worden wanneer behoorlijke houdbaarheid wordt gewenst. Bij het conserveren in open ketel moet men met twee begrippen rekening houden: de aanlooptijd en de tijd van op temperatuur houden. Wanneer de gevulde en dichtgefelste blikken in de kookketel worden gebracht, zal de temperatuur 100° C bedragen, maar door de koude blikken zakt de temperatuur. Die moet nu eerst weer op 100° C worden gebracht; eerst dan begint de sterilisatie. Vinden wij in de op pag. 456 opgenomen sterilisatietabel een kooktijd van 10 minuten en een tijd van 90 minuten op constant 90° C, dan dient men die tijden als volgt te beschouwen : De blikken worden in de kookketel gebracht, waarna men de temperatuur op 100 ° C brengt gedurende 10 minuten. Dan moet de temperatuur (door tempering van de warmtebron) gedurende 90 minuten op 90° C worden gehouden. Hierna worden de blikken uit de ketel genomen en direct in koud stromend water afgekoeld tot zij handwarm zijn. Daarna worden ze zorgvuldig drooggewreven en met onderlinge tussenruimten op een met zaagsel bestrooide vloer gezet om geheel af te koelen. Voor een hogere graad van steriliteit kan men de blikken de volgende dag nogmaals een dergelijke behandeling laten ondergaan. METHODEN VAN STERILISEREN Voor het conserveren van vleessoorten (niet voor conserven) kan men zowel voor de open-ketel als autoclaaf-methode het vlees op twee manieren voorbehandelen: 1. Het vlees eerst voorkoken (blancheren) en dan in de blikken verder steriliseren; 2. Het vlees rauw in blikken doen en dan steriliseren. De eerste methode wordt het meest gebruikt. Het al dan niet gezouten vlees wordt van pezen en zenen ontdaan en in gelijke stukken van vuistgrootte gesneden, die in de kookketel worden gedaan, waarna uit beenderen getrokken bouillon wordt bijgevoegd tot het vlees juist onder staat. Vervolgens halfgaar koken bij een temperatuur van 85-100°C naar gelang het soort. De blancheertijd bedraagt 5-30 minuten. Grotere stukken als hammen en tongen moeten 2-21uur worden voorgekookt. Voor het blancheren is het goed het vlees enige tijd in een pekel van 18 gr. te pekelen, wat de kleur verbetert. Speciaal aanbevolen voor schapevlees dat anders grauw is. Na het blancheren het vlees in stukjes snijden en in de blikken doen en opvullen met opgietvloeistof, meestal de gefiltreerde bouillon waarin het vlees gekookt is. Na sluiting en dichtfelsen worden de blikken in ketel of autoclaaf gesteriliseerd. Vlees dat rauw in de blikken gaat heet vlees in eigen sap, dat bij conserveren gelei vormt. Bij deze methode moet het vlees 1 tot 2 dagen na de slacht in de koelcel hangen en eerst daarna worden uitgebeend. Bij voorkeur wordt vlees van 2e kwaliteit gebruikt (ook bij voorkoken), daar le kwaliteit vlees iets te veel vet heeft. CONSERVEREN MET EEN AUTOCLAAF Een autoclaaf is in principe een kookketel, waarvan het deksel met bouten en moeren vastgezet kan worden waardoor onder druk hogere temperaturen dan 100° C bereikt kunnen worden, waarin vol- (maar ook half-) conserven kunnen worden bereid. Men werkt met 3 verschillende temperaturen : 1. de tijd van stijgen der temperatuur (stijgen); 2. de tijd van houden der temperatuur (houden) ; 3. de tijd van dalen der temperatuur (dalen). Op het deksel van de autoclaaf zijn een manometer (voor de atmosfeer), een thermometer en een veiligheidsventiel aangebracht. Bij een overdruk van 1 atmosfeer heeft het water een temperatuur van 120° C, bij atm. 111° C. Normaal gesproken is 1 atm., dus 120 ° C, altijd voldoende om het vlees kiemvrij te maken. Het water wordt op kookpunt gebracht (100 ° C) terwijl de autoclaaf open is. Dan worden de gevulde blikken in de ketel geplaatst en het deksel aangebracht. Nu wordt de temperatuur geleidelijk opgevoerd (stijgen) tot de voorgeschreven hoogte. Dan houdt men de temperatuur op die hoogte voor de in het recept aangegeven tijd (houden) om die dan weer geleidelijk tot 100 ° C te laten teruglopen (dalen). Voor rundvlees in eigen sap b.v. kan dat zijn 15 min. stijgen, 80 min. houden op 120° C, 15 min. dalen. Na afloop van de sterilisatie mag de stoom van de autoclaaf slechts langzaam ontsnappen om de drukverandering geleidelijk te laten verlopen. Bij snelle overgangen kunnen de blikken gaan lekken. BIJVULSTOFFEN Voor verschillende vleeswarensoorten is het nodig de ruim ten in het blik op te vullen met een bijvulstof, waarin wij drie soorten kennen : 1. pekel, 2. gelei, 3. aspic. Pekel moet apart bereid worden en men mag niet de voor hammen gebruikte pekel nemen. De bijvul-pekel mag maar 4 graden zijn. Men neme b.v. 25 liter water waaraan 21-kg keukenzout en 20 gram kalisalpeter wordt toegevoegd en dat dan in de kookketel aan de kook wordt gebracht. Het schuim, dat op het water komt drijven moet regelmatig met een schuimspaan worden weggeschept. Is er geen schuim meer dan wordt de pekel uit de kookketel door een dubbele linnen doek in een houten bak of vat gegoten, dat met een doek wordt afgedekt waarna de pekel moet afkoelen. Zodra het vlees in de blikken is gedaan worden deze tot aan de rand met pekel bijgevuld. Gebruik bij voorkeur koude pekel. Gelei kan men maken van een hoeveelheid zwoerd, waaraan om de smaak te verhogen enige kalfspoten, bij voorkeur gebroeide, wat soepgroente, laurierbladen, specerijen en gesnipperde ui zijn toegevoegd. Het geheel wordt in de kookketel aan de kook gebracht waarna de temperatuur wordt gematigd. Als het zwoerd gemakkelijk met de vinger kan worden doorgedrukt is de gelei voldoende getrokken. Deze wordt door een vergiet afgegoten ; alle vaste stof blijft in het vergiet, de gelei stroomt door. Voor grote hoeveelheden kan men ook een deel magere beenderen meetrekken, maar nodig is dit niet. Beter kan men deze beenderen gebruiken bij de soepfabricage. De doorgelopen bouillon wordt met zout op smaak gebracht (niet te veel) en moet een tijdje staan. Het vet komt dan naar boven en kan worden afgeschept want gelei moet absoluut vetvrij zijn. Men laat vervolgens een beetje bouillon op een platte schaal afkoelen om te zien of de gelei vast genoeg is. Zonodig een weinig gelatinepoeder bijvoegen. 857. De verschillende blikken die door slagers gebruikt worden voor het conserveren van vlees en vleeswaren kunnen wij onderscheiden in: 1. en 2. hamblikken van het Franse model. Niet alleen in het binnenland doch ook voor export worden deze blikken steeds meer gebruikt. 4. en 6. hamblikken van het Poolse model die hoofdzakelijk voor exportverpakking worden gebruikt maar de laatste tijd worden verdrongen door de Franse modellen. 3. het bekende boterhamworstblik dat door vele slagers wordt gebruikt maar de laatste tijd eveneens wordt verdrongen door 5. het vierkante boterhamworstblik. De plakjes van worsten uit deze blikken zijn ook vierkant en daardoor bijzonder geschikt voor het beleggen van boterhammen. Zowel de uitvoering onder 3 als 5 zijn te leveren met een ritsband waardoor het mogelijk is de blikken te openen zonder de inhoud te beschadigen. 7. het spamblikje dat na _ de laatste oorlog in Nederland een grote vlucht heeft genomen als conservenblik. Het is een handig formaat en verkrijgbaar in uitvoeringen van 200 g en 340 g inhoud. Door het model lenen de plakjes zich uitstekend voor het beleggen van toast. 8. en 9. hamblikken met een inhoud van respectievelijk 1 en 2 lbs. Het gebruik van deze blikken voor export is groter dan het binnenlands gebruik. 10. en 11. leverpasteiblikjes met een inhoud van 100 g en 200 g. Beiden worden veel gebruikt. 12. en 13. conservenblikken die gebruikt worden voor het conserveren van soepen. Inhoud respectievelijk 1 en 1 1. Voor het gebruik de gelei weer licht vloeibaar maken. Meestal wordt gelei toegevoegd aan conserven als tong, varkenspoot e.d. Ook bij corned beef wordt gelei gebruikt als binding. Aspic is een verfijnde (geklaarde) gelei. Men maakt eerst gelei als boven beschreven. Het klaren kan op twee manieren geschieden: met bloed of met eiwit. Voor het klaren met bloed gebruikt men op 10 1 gelei 4 1 stieren- of kalfsbloed en 2 1 azijn. Eerst worden door het bloed enige scheppen gelei geroerd, vervolgens roert men dit mengsel door de rest van de gelei, evenals de azijn. Dit alles aan de kook brengen en enige tijd rustig laten staan. De verkregen vloeistof moet nu gefiltreerd worden. Men kan hiervoor een oude stoel, waarvan de leuning is afgezaagd, gebruiken door deze met de zitting op de grond te zetten en tussen de poten de schone flanellen filtreerzak te spannen. De filter op een warm plekje zetten om de gelei vloeibaar te houden en rustig afwachten tot alles is doorgelopen. Vooral niet in de filterzak roeren. Bij het klaren met eiwit wordt de gelei warm (niet aan de kook) gebracht, waarna enige stijfgeklopte eiwitten door de gelei worden geroerd. Geen dooier er bij doen want dan wordt de gelei niet stijf. Even laten doorkoken, dan warm houden en het opkomende vuil afscheppen. Per liter bouillon ca. 1 eiwit gebruiken. De aspic laten stollen en in de koelcel zetten. Men kan ook aspic maken van gelatinepoeder (25 g per liter water). Het water aan de kook brengen met wat selderij, look, wortelen en een net waarin laurierbladen, peperkorrels en andere specerijen. De vloeistof door een paardenharen zeef of filterzak gieten. Eventueel wat azijn toevoegen als de gelatine is opgelost. WELKE BLIKKEN GEBRUIKEN? Het blik is belangrijk bij het conserveren. Bij vleeswaren kunnen vrijwel alle blanke blikken gebruikt worden. Gelakte blikken (met lak 70 bestreken) kunnen niet voor bacon, hersenen, lever, vleespastei, varkensworst, worstjes in reuzel of olie, Frankfurter knakworst, bierworst e.d. gebruikt worden. Hiervoor zijn met lak 200 bewerkte blikken beter geschikt. Deze lak is nl. ook ondoordringbaar voor vetten. Producten met sterke zuurgraad als rolpens e.d. in met lak 150 gelakte blikken verpakken. Bij het conserveren van sommige vleessoorten treden chemische reacties op, waardoor ongelakte blikken aangetast worden, terwijl ook niet alle laksoorten voor alle vleeswaren voldoen. Uw leverancier van blikken kan u het best adviseren. Bij ontvangst de blikken goed nakijken op slecht gesoldeerde naden, slecht sluitende bodems, deuken, roest e.d. Ze droog opslaan om roest te voorkomen. De blikken voor gebruik goed reinigen b.v. met heet sodawater. HET DICHTFELSEN Dit dient uitermate zorgvuldig te geschieden daar anders lekken of bombage en bederf van de inhoud voorkomen. Van tijd tot tijd uw feismachine controleren door een lege bus dicht te felsen en die in warm water te dompelen. Is de bus niet goed dicht dan stijgen er luchtbellen op. Voor de export worden blikken vaak luchtledig gemaakt. ETIKETTEREN Voor iedere vleeswarensoort moeten speciale etiketten ge maakt worden die aan de volgende eisen van het Vlees- en Vleeswarenbesluit moeten voldoen: 1. De voorwerpen, waarin vleeswaren zijn vervat - bij worst met uitzondering van de darm of het ter vervanging van darmen gebruikte daarop gelijkende materiaal - alsmede de omhulsels dier voorwerpen, moeten, voor zover zij bestemd of geschikt zijn om met de inhoud aan de verbruikers te worden afgeleverd, aan de buitenzijde zijn voorzien van een aanduiding, aangevende de hoeveelheid der in het voorwerp aanwezige waar. 2. De aanduiding moet voor de koper duidelijk zichtbaar en gemakkelijk leesbaar zijn aangebracht op hetzelfde vlak van het voorwerp, waarop de naam der waar is vermeld en mag niet door vegen zijn uit te wissen. Zij moet bestaan uit het woord „Inhoud", gevolgd door de in kilogrammen en/of grammen uitgedrukte hoeveelheid der waar, en mag geen grotere hoeveelheid aangeven, dan aan waar in het voorwerp aanwezig is. Voorbeeld : „Inhoud 2 kg", „Inhoud 500 gram". De letters en cijfers der aanduiding moeten een hoogte hebben van ten minste 4 mm (0,004 m) bij een lijndikte van ten minste 0,5 mm (0,005 m). RUNDVLEESCONSERVEN CORNED BEEF Hiervoor wordt meestal het vlees van de voorvoet genomen. Zodra het vlees van de beenderen is ontdaan, terwijl vet en zenen eveneens zijn weggenomen, wordt het in stukken ter grootte van een vuist gesneden. Deze stukken vlees worden flink rondom ingewreven met zout en salpeter. Hierbij wordt voor iedere 25 kg vlees een halve kilo keukenzout en 10 g salpeter genomen. Vervolgens wordt het vlees in schone pekelvaten gedaan. De volgende dag overgieten wij het vlees met een pekel ter sterkte van 15 graden en pekelen de stukken vlees thans 6 à 7 dagen. De temperatuur van de pekelcel moet bij voorkeur tussen 12-14° C liggen. Alvorens de vleesstukken allemaal te verwerken verdient het aanbeveling zich door middel van een kookproef te overtuigen of het vlees goed doorgepekeld is. Blijkt dit het geval te zijn, dan worden doorgezaagde mergpijpen van het rund, kalfspoten, zenen en een net vers, goed afgewassen zwoerd in de kookketel gedaan, die met koud water is gevuld. Bij deze artikelen komt bovendien een linnen zakje, waarin wat laurierbladeren, piment- en peperkorrels. Dit alles laten wij 3 uur koken tot de bouillon gebonden is. Door de kruiden in een linnen zakje te binden wordt wel het aroma aan de bouillon meegedeeld, zonder dat deze troebel wordt door de loskomende specerijendelen. Als de bouillon goed gebonden is worden de beenderen, kalfspoten, zenen, zwoerd en kruiden uit de massa genomen. De bouillon wordt vervolgens gezeefd en van vet ontdaan. De gezeefde en ontvette bouillon komt nu weer terug in de schoongemaakte kookketel en wordt tot 90 ° C verhit. Het gepekelde vlees wordt in een houten ton of bak met heet water goed afgetrokken om de ongerechtigheden van het zout zoveel mogelijk weg te nemen. Een deel van de vleesstukken wordt kleingesneden. Deze klein gesneden stukken komen in de bouillon in de kookketel en worden bij een temperatuur van 80° C bijna murw gekookt. Vlees en bouillon worden nu direct vast in de blikken verpakt, waarbij dient te worden uitgegaan van een samenstelling s vlees en bouillon. De warm in de blikken gedane massa vereist een directe afsluiting en sterilisatie, daar anders het gevaar op gisting groot is. De kooktijd bedraagt: Open ketel: 2 kg blikken : 100 minuten ; 1 kg blikken : 120 minuten ; 3 kg blikken : 225 minuten. Autoclaaf: stijgen 10, 70 houden op 120° C, dalen 10 voor kg blikken. Voor 1 kg blikken zelfde tijd van stijgen en dalen, maar 120 minuten houden op 120° C. RUNDVLEES IN EIGEN SAP Het vlees wordt van de beenderen ontdaan, terwijl eveneens de grote zenen dienen te worden verwijderd, daar deze moeilijk gaar worden. Het vlees dient goed koel te zijn. Het uitgebeende en van de zenen ontdane vlees wordt nu in stukken van 3 tot 5 cm gesneden. Deze stukjes vlees worden aangezouten met 16-18 g zout per kg. Tevens worden peper en kruidnagelen aan de stukjes vlees toegevoegd. De zenen zijn vooraf gekookt en door de fijne plaat gedraaid. Procentsgewijs worden deze gemalen zenen op de massa medeverwerkt. Als alles door elkaar is gemengd, wordt de massa vast in blik gestopt zodat er geen lucht in de massa komt. De kooktijden zijn: Open ketel: 2 kg blikken: 100 minuten op 100° C; 1 kg blikken: 120 minuten op 100° C. Autoclaaf: 2 kg blikken : 10 min. stijgen, 70 min. houden op 120° C, 10 min. dalen; 1 kg blikken: 10 min. stijgen, 120 min. houden op 120° C, 10 min. dalen. GOULASH Hiervoor wordt mager, zacht rundvlees genomen. Rundvlees van oudere dieren of van runderen die kort voor de verwerking zijn geslacht lenen zich niet voor de verwerking. Het vlees wordt van de beenderen en dikke zenen ontdaan en in dobbelsteentjes van 2 tot 22 cm gesneden. Bij het rundvlees wordt tevens wat varkensvlees van de borst bijgevoegd, dat eveneens in dobbelsteentjes wordt gesneden. In een braadpan worden in hete boter de dobbelsteentjes runden varkensvlees bij geregeld omroeren vlug aange - braden en daarna op een schaal gelegd. Let op, dat de stukjes vlees nergens te veel aanbraden, want dit benadeelt de fijne smaak van de goulash. Telkens als een partijtje dobbelsteentjes vlees aangebraden is wordt een stukje boter in de pan gedaan, en als deze heet is wordt een nieuwe portie bijgevoegd. Zijn alle stukjes vlees aangebraden, dan wordt in een kleine pan wat boter gedaan en naar gelang de behoefte roostert men in deze boter bloem tot een bruine brij. Hieraan voegt men bouillon bij tot een dik-vloeiende saus is verkregen. Intussen worden gesneden uien gaargekookt, respectievelijk aangebraden. Uien en saus worden thans overgebracht in een grote pan, waarbij ook nog het vlees kan worden gevoegd, en onder voortdurend roeren worden uien en saus nu aan de kook gebracht. Bij deze massa doet men zoveel paprika en zout tot zij er zeer sterk naar smaakt. De saus wordt naar behoefte met bouillon of water verdund of vermeerderd. De dobbelsteentjes vlees met het afgedropen sap komen nu eveneens in de pan met saus en thans laat men de temperatuur tot aan het kookpunt opkomen, waarna de pan van het vuur wordt genomen. De kooktijd van goulash bedraagt: In open ketel: 200 g blikken 60 min. op 100 ° C; 600 g blikken 100 min. op 100° C; 1 kg blikken 120 min. op 100° C. In autoclaaf: als aangegeven bij rundvlees in eigen sap. RUNDERTONG De rundertongen worden op de voorgeschreven wijze gepekeld en goed afgewassen voordat zij worden gekookt. Dit koken dient zodanig te geschieden, dat de rundertongen bijna zacht zijn. Van de rundertongen wordt thans het vel afgenomen en vervolgens stopt men de rundertongen in blikken van 1,8 kg waarbij zij zonodig worden geperst. Het nog niet gevulde deel van de blikken wordt met ingedampte, helder gemaakte vleesbouillon gevuld, zodat het gehele blik met inhoud tot aan de rand vol is. Na het dichtfelsen worden de blikken direct gesteriliseerd. De kooktijden zijn: In open keel: 1,8 kg blikken : 120 minuten op 100 ° C. In autoclaaf: 1,8 kg blikken: stijgen 10 min., houden 100 min. op 103° C, dalen 10 min. RUNDERTONG IN GELEI Ossetongen zijn hiertoe het best geschikt, maar ook tongen van niet te oude runderen kunnen worden aangewend. De tongen worden op de voorgeschreven wijze gepekeld en daarna goed afgewassen. Zij worden nu bijna zachtgekookt en van het vel ontdaan, waarna zij in de daartoe bestemde blikken van 1,8 kg worden gelegd. Als bij te gieten vloeistof wordt de volgende oplossing gereed gemaakt. Varkensoren, kleingehakte kalfs- en varkenspootjes worden gedurende 2 uur in wat water gekookt, waarbij tevens wat worteltjes, prei, uien, laurierblad, peperkorrels, zout en een paar schijven citroen worden gedaan. Het verkregen nat (de gelei) wordt door een schone linnen doek gegoten en gefiltreerd tot een vrij heldere gelei wordt verkregen. Deze gelei wordt van het opkomende vet ontdaan en dan bij de rundertongen in blik gegoten. De blikken worden dichtgefelst en onmiddellijk gesteriliseerd zoals bij rundertongen aangegeven. TONG-GELATINE Hiervoor worden licht gepekelde kalfs-, varkens- of rundertongen genomen, die na goed te zijn afgewassen in niet te veel water (waarin wat azijn, kruiden, uien en enkele schijfjes citroen) matig worden gaar gekookt. De tong wordt van de huid (het vel) ontdaan en daarna weer in het kooknat teruggelegd om volkomen af te koelen. De tongen worden nu gesneden en in de blikken gelegd, waarna zij met een mooi donkere aspic worden overgoten. Nadat de blikken zijn dichtgefelst worden ze 40 tot 60 minuten in open ketel op 100° C gesteriliseerd. RUNDERPEKELVLEES Wij nemen hiervoor het borstvlees van een goed gekoeld geslacht rund. Het klapstuk kan eventueel ook worden ge bruikt. Hiervan worden stukken vlees gesneden van 2t tot 3 kg, die precies in de ervoor bestemde blikken passen. Alvorens het vlees in de pekel te Ieggen wordt het eerst circa 5 minuten in kokend water gebracht, zodat zich op de oppervlakte van het vlees een korst samentrekt en de sappen in de stukken vlees opgesloten blijven. Het nog warme vlees wordt ingewreven met pekelzout en blijft tot de volgende dag staan. Na met schone doeken te zijn afgedroogd worden ze in pekelvaten of bakken gelegd en met pekel van 18 graden overgoten. De temperatuur van het pekelbad wordt op 12 tot 15° C gehouden. Na 8 tot 10 dagen is het pekelproces voltooid, De vleesstukken worden nu een uur in koud water gelegd en daarna afgewassen. Vervolgens doen wij ze in de blikken, waarna deze worden dichtgefelst. De kooktijd bedraagt: In open keteI: 2! kg blikken: 200 min. op 90°C; 3 kg blikken: 240 min. op 90° C. BOUILLONVLEES Hiervoor wordt rundvlees gebruikt dat in stukken gesneden in de blikken wordt gedaan. Bouillon van beenderen en zenen wordt als aanvulling gebruikt. Na het dichtfelsen voIgt sterilisatie als aangegeven bij rundvlees in eigen sap. SCHMORBRATEN OF GAAR RUNDVLEES Deze in Duitsland veel gemaakte vleesconserven -ook wel Boeuf ala mode genoemd -worden bereid van ossenvlees. Bij voorkeur worden dan de fijne delen van de rib, alsmede de lende genomen. De beenderen, zenen en het vet worden verwijderd en het vlees wordt nu luchtig geklopt. Wij wrijven het nu in met zout, peper en een weinig kruidnagelen. Tevens wordt er wat meel over het vlees gestrooid. In de braadpan laten wij thans boter en niervet heet worden en Ieggen het vlees hierin, waaraan tevens enkele Iaurierbladeren worden toegevoegd. Onder herhaald heen-en weerschuiven braden wij het vlees tot het geel begint te worden. Dan gieten wij van opzij zoveel kokend water of bouillon bij tot het gebraad tot op de helft is bedekt en laten het 5 kwartier smoren met het deksel op de pan. Het gebraad wordt in stukken gesneden, die precies in een i tot 1 kg blik passen en we maken een passende saus gereed, die wij er bij gieten. Kooktijden zijn: In open ketelt j kg blikken: 85min. op 100°C; 1 kgblikken: 110 min. op 100° C. RUNDERROLLADE De runderrollade (gezouten en gepeperd), wordt in heet vet van half rundvet half boter, eerst mooi bruin aangebraden en circa 1 uur onder toevoeging van wat water bijna gaar gemaakt. De verkregen braadjus wordt met bouillon van beenderen en een weinig meel tot een saus aangedikt, welke door kleursel van gebrande suiker op kleur kan worden gebracht. De rollade wordt in blikken gedaan en met saus overgoten. Na te zijn dichtgefelst worden de blikken gesteriliseerd: In open ketel: 0,85 kg blikken: 90 minuten op 100° C. In autoclaaf': 0,85 kg blikken: stijgen 10 min., houdeneo min. op 105° C, dalen 10 min. VLEESBALLETJES 10 kg rundvlees en It kg niervet worden tweemaal door de gehaktplaat van de vleeswolf gedraaid en vermengd met It kg bloem, 4 liter melk, 20 eieren, 250 g zout; peper en nootmuskaat naar smaak. Van de verkregen massa worden kleine balletjes gemaakt, die in bouillon worden gekookt. De blikken worden met deze vleesballetjes (met de bouillon) gevuld, dichtgefeist en gesteriliseerd met ais kooktijden: In openketel: t kg blikken: 80 min. op 100° C. In autoclaaf': t kg blikken: stijgen 10 min.,houden 50 min. op 105° C, dalen 10 min. FRICADELLEN OF BALLEN GEHAKT 5 kg rundvlees, 2t kg varkensvlees en 1 kg niervet worden tweemaal door de gehaktplaat gedraaid en vervolgens grondig vermengd met 750 g tarwebloem, 10 tot 12 eieren, 3 liter melk, zout, peper en nootmuskaat. Een pikante smaak krijgen de ballen gehakt door vleesextract toe te voegen. Van de verkregen massa worden balletjes gemaakt of platte fricadellen. In bruin gemaakte boter worden deze gebraden tot ze aan beide zijden een bruine kleur hebben. Er wordt een smakelijke braadsaus bij gemaakt, waaraan wat Madeirawijn wordt toegevoegd. Ais de blikken zijn gevuld worden deze volgegoten met de verkregen saus en dichtgefelst. Kooktijd als bij vleesbalIetjes. OSSENSTAART (voor gebruik gereed) De ossenstaarten worden goed schoon gewassen en ge droogd. De dunne delen worden op het lid afgezet, terwijl de dikke delen van de staart ook nog overlangs worden doorgehakt. De stukken staart worden in de braadpan met wat boter mooi gebruind om ze daarna in de smoorpan over te brengen. Ze worden overgoten met vleesbouillon, wat rode wijn en wat sherry, terwijl tevens wat zout en kruiden worden toegevoegd. In deze massa laat men de stukken staart smoreno De stukken worden nu -overgoten met de saus -in blikken gedaan, dichtgefelst en gedurende een uur in open ketel gesteriliseerd. KALFSVLEESCONSERVEN KALFSFRICANDEAU EN -ROLLADE Voor fricandeau worden de mooie vaste stukken van de achtervoet genomen, terwijl voor de rollade de schouder en borst kunnen worden gebruikt. Zodra de beenderen zijn verwijderd worden de stukken voor fricandeau mooi kantgesneden, terwijl de rollades worden opgerold. De voorbereide stukken worden nu in half vet, half boter gebraden en na afkoeling in stukken gesneden. Voor saus gebruikt men het volgende: half vet, half boter wordt goed heet gemaakt, waarna er wat meel door wordt geroerd. Het overgebleven braadvet, alsmede de benodigde bouillon van afgetrokken beenderen worden eveneens bijgevoegd en alles wordt nu op een zacht vuurtje Iangzaam aan de kook gebracht. Op het Iaatst wordt er ook nog een weinig tomatenpuree aan de saus toegevoegd. De stukken vlees worden nu in de blikken gelegd, die verder tot aan de rand worden gevuld met de bereide saus, Na het dichtfelsen worden de blikken direct gesteriliseerd: In open ketel: 0,8 kg blikken: 80 min. op 100° C. In autoclaaf: 0,8 kg blikken: 10 min. stijgen, houden 50 min. op 102°C, 10 min. dalen. KALFSCOTELETTEN De kalfscoteletten worden zodanig gevormd, dat zij in de daartoe bestemde blikken passen. Het been wordt daarbij zo kort mogelijk afgehakt. De coteletten worden nu gezouten en gepaneerd, en in half vet, half boter gebraden. In ieder 4 kg blik legt men nu een of twee coteletten, waarna het blik verder wordt volgegoten met gekruide saus, zoals bij de kalfsfricandeau aangegeven. Het blik moet tot aan de rand gevuld en er mag zich geen lucht in bevinden. Kooktijden : In open ketel: 4 kg blikken : 45 min. op 100° C; 4 kg blikken: 70 min. op 100° C. KALFSBORSTJES OF KALFSFRICASSEE De kalfsborstjes snijdt men in stukken van 40 tot 50 g. Ook delen van de nek kunnen worden gebruikt. Al deze stukjes worden afgewassen en in een ketel met water gelegd zodat de stukjes vlees onder staan. Het vlees wordt gekruid en gezouten door aan het water de benodigde kruiden en het zout toe te voegen. Wij koken thans de stukjes zolang tot er bij het doorsnijden geen bloed meer uitkomt. Deze stukjes vlees komen in de blikken, die verder worden gegarneerd met in boter gesmoorde champignons en vleesballetjes. Deze vleesballetjes maken wij door kalfsgehakt te kruiden en te zouten. Bijzonder lekker zijn vleesballetjes van kalfszwezerik en niervet door elkaar gedraaid en op smaak gebracht met kruiden en zout. In plaats van vleesballetjes kunnen er ook heel kleine saucijsjes worden bijgevoegd. Als saus gebruiken wij het volgende : Om ongeveer 5 liter saus te verkrijgen smelten wij 125 g boter en doen hierbij evenveel meel als de boter aanneemt. Onder voortdurend roeren voegen wij hier het aftreksel bij van de kalfsborstjes en laten alles ongeveer een uur langzaam doorkoken. Vervolgens maken wij de saus op smaak met zout, nootmuskaat en witte wijn. Tevens worden 2 eierdooiers toegevoegd. Met deze saus worden de blikken verder bijgevuld, waarna zij worden dichtgefelst en gesteriliseerd. In open ketel: 1/1 normaalblikken : 70 min. op 100 ° C. In autoclaaf: 1/1 normaalblikken : 10 min. stijgen, 60 min. houden op 105° C, 10 min. dalen. KALFSPOULET Voor kalfspoulet worden de kleinere stukjes in de gewenste grootte gesneden en licht aangezouten. Deze stukjes worden heel kort aangebraden en daarna kort gekookt in bouillon van vers getrokken beenderen. De stukjes vlees worden in blikken gedaan en aangevuld met krachtige bouillon. Steriliseren als kalfscoteletten. KALFSVLEES-GOULASH Voor goulash van kalfsvlees wordt mager kalfsvlees ge nomen, dat in stukjes van 2 tot 3 cm wordt gesneden. In half boter, half varkensvet, dat goed heet is gemaakt, wor den de stukjes vlees onder gestadig roeren licht gesnoerd. Enkele heel fijn gesnipperde uien worden mede gefruit. De stukjes vlees worden nu uit het vet genomen, waarna de saus met wat tarwebloem wordt gebonden en met vlees bouillon aangelengd tot de juiste bijgietstof is verkregen. De saus wordt nu nogmaals aan de kook gebracht en ver volgens met zout, peper en zure room op smaak afgemaakt. Het vlees wordt in de blikken gedaan; hierbij wordt de saus gegoten tot het blik tot aan de rand is gevuld. Wij nemen hierbij de verhouding 82 % vlees en 18 % saus. De blikken worden vervolgens dichtgefelst en gesteriliseerd: In open ketel: 2 kg blikken : 80 min. op 100 ° C; 1 kg blikken: 100 min. op 100° C. KALFSRAGOUT Voor kalfsragout in blik kan al het vlees van het kalf worden genomen, het vlees van de kop incluis. Het kalfsvlees wordt - na te zijn uitgebeend - in stukken van 40 tot 50 g gesneden en daarna met wat zout en paprika bestrooid. Half vet (reuzel), half boter wordt nu goed heet gemaakt en hierin worden de stukjes vlees bruin aangebraden. In een ketel is inmiddels bouillon van vers afgetrokken beenderen gedaan. In deze bouillon wordt het kalfsvlees, alsmede wat meel gedaan, waarna wij het geheel circa 15 minuten laten doorkoken. De benodigde vleesbouillon kunnen wij als volgt bereiden. De met het uitbenen verkregen kalfsbeenderen worden gehakt, terwijl eventueel enkele kalfspoten kunnen worden bijgevoegd. Er wordt thans zoveel water bijgevuld tot de beenderen onder staan. Hierbij voegen wij enkele in plakken gesneden uien, wat wortelen, peperkorrels, laurierbladeren en wat zout. Dit alles laten wij 3 tot 4 uur koken. De bouillon wordt vervolgens door een fijne zeef gegoten, zodat alle vaste bestanddelen er worden uitgezeefd. Eventueel bovenkomend vet - dat heel gering zal zijn - wordt weggeschept. Na het koken van vlees en bouillon wordt het vlees uit de pan genomen en over de blikken verdeeld. De bouillon kan desgewenst met tomatenpurée (zeer smakelijk!) worden afgewerkt en door inkoken (indampen) tot de gewenste gebondenheid worden gebracht. Deze saus wordt voor het bijvullen der blikken nog eens door de fijne zeef gegoten. Kooktijden: Voor kg blikken: 80 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 100 minuten op 100° C. WIENER SCHNITZEL Voor deze Wiener Schnitzel gebruiken wij het midden van een kalfbout, waarvan wij kleine biefstukjes snijden. Deze worden een beetje geklopt en daarna met zout en peper ingewreven: Hierna worden de Schnitzel in meel en ei, vervolgens in paneermeel of fijngemaakte beschuit gewenteld. In rijkelijk boter en varkensvet (half om half) worden nu de Schnitzel zacht gebraden. De verkregen Wiener Schnitzel leggen wij in de blikken en garneren ze met kappertjes en schijven peperaugurken. Daarna worden de blikken met lichtbruine braadsaus aangevuld tot aan de rand om te worden dichtgefelst. In open ketel steriliseren: kg blikken : 85 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 110 minuten op 100° C. KALFSVLEES MET GELEI Het kalfsvlees wordt in kleine stukjes gesneden en in de kookketel overgebracht, waarna wij het vlees met koud water overdekken. Het geheel wordt aan de kook gebracht en nu laten wij het een uur zachtjes pruttelen. Enkele in schijven gesneden uien worden er nu bijgevoegd, alsmede een linnen zakje met kruiden (hele kruidnagelen, hele stukjes foelie, enkele laurierbladeren en zwarte-peperkorrels). Tevens wordt zoveel zout toegevoegd tot het ge heel op smaak is gekomen. Dit alles laten wij nogmaals een uur pruttelen. Het vlees wordt nu uit de ketel genomen en van de zich erin bevindende beenderen ontdaan. Het verkregen vlees wordt in de blikken gedaan. De vloeistof, waarin het vlees is gekookt, wordt nu door een zeer fijne zeef gegoten en verder op smaak gebracht met een weinig azijn en wat Worcestershire saus. Met de nu verkregen vloeistof vullen wij de blikken verder aan tot de rand en felsen de blikken dicht. In open ketel steriliseren: 2 kg blikken : 80 minuten op 100 ° C; 1 kg blikken : 100 minuten op 100° C. KALFSZWEZERIK De zwezeriken worden goed in water afgespoeld en gekookt met zout, kruiden en laurierbladeren. Het aftreksel met zwezeriken laat men staan tot de zwezeriken in het kooknat koud zijn geworden. Ze worden er nu uitgehaald en in de blikken gedaan, waarna de blikken tot aan de rand met het kooknat worden bijgevuld. Na luchtdicht felsen worden de blikken gesteriliseerd. Blikken van 2 kg kookt men 30 minuten op 100° C en blikken van 1 kg 40 minuten op 100° C. KALFSHERSENEN De hersenen worden in lauw water gelegd om ze schoon te laten trekken. Hierna worden zij van het vlies ontdaan en 5 minuten gekookt in water met azijn, uien, laurierbladeren, citroenschil, kruiden en zout. Men laat de hersenen in het kooknat koud worden om ze er uit te nemen en te verpakken in blikken van een halve kg. De blikken worden luchtdicht gesloten en vervolgens een kwartier gekookt bij 100 ° C in open ketel. Het kooknat kan worden gezeefd en heel goed voor andere conserven als kalfsragout, imitatie schildpadragout, kalfsgoulash en kalfsvlees met gelei worden gebruikt. VARKENSVLEESCONSERVEN GEBRADEN VARKENSCOTELETTEN Bij de verwerking van varkenscoteletten is het gewenst, dat de coteletten van de dikke zenen aan de rugzijde worden ontdaan. Tevens worden de ribbeenderen weggenomen, zodat alleen het ronde ribje in de cotelet blijft. Van de karbonadestreng worden coteletten gesneden van circa 125 g per stuk. Deze worden geklopt en aan beide zijden met zout en peper bestrooid en op elkaar gelegd. In de braadpan maakt men vervolgens het vet (half reuzel, half boter) goed heet. De coteletten worden in geklopt ei gedompeld en door paneermeel gewenteld waarna ze bruin worden gebraden in het hete vet in de braadpan. Als alle coteletten gebraden zijn wordt eerst de saus gereed gemaakt. Hiertoe nemen wij het braadvet, dat wij onder verhitting met meel tot een dikke saus maken. Deze saus wordt met wat goede bouillon verdund. Naar gelang de grootte van het blik worden thans de coteletten er in gelegd en verder gevuld met de saus. De blikken worden nu dichtgefelst en gesteriliseerd in open ketel. Voor blikken van 0,85 kg geldt een kooktijd van 70 minuten op 100° C. In autoclaaf 10 minuten stijgen. 40 minuten houden op 102° C, 10 minuten dalen. GEPERSTE HAM Bij de bereiding moet er goed op worden gelet, dat het model van de ham vrijwel gelijk is aan dat van het blik. De hammen worden gepekeld in de pekelbak en vervolgens, na even te zijn gedroogd, licht gerookt. De hammen worden nu mooi rondgesneden en wel zodanig, dat zij precies in de blikken passen en dus weinig lucht rond de ham in het blik achterblijft. De hammen worden vast in het blik geperst en deze worden vervolgens luchtdicht gesloten. Voor het koken gelden de volgende kooktijden: In open ketel: 3 kg blikken : 20 minuten koken en 160 minuten houden op 80° C; 4 kg blikken: 20 minuten koken en 200 minuten houden op 80° C; 5 kg blikken : 20 minuten koken en 240 minuten houden op 80 ° C; 6 kg blikken : 20 minuten koken en 280 minuten houden op 80° C. In autoclaaf: 3 kg blikken: 30 minuten stijgen, 120 minuten houden op 103 ° C, 15 minuten dalen ; 4 kg blikken : 30 minuten stijgen, 135 minuten houden op 103 ° C, 15 minuten dalen; 5 kg blikken: 35 minuten stijgen ; 160 minuten houden op 103° C, 15 minuten dalen ; 6 kg blikken : 40 minuten stijgen, 190 minuten houden op 103 ° C, 15 minuten dalen. GEKOOKTE ACHTERHAM Niet al te zware hammen van varkens van rond 90 kg geslacht gewicht worden al of niet met been gepekeld. Worden de hammen met been gezouten dan geschiedt dit in ongeveer 3 tot 4 weken. Worden de hammen vooraf uitgebeend, dan kan de pekeltijd worden bekort tot rond 3 weken. Er wordt gepekeld in een pekel van 18-20 graden. De hammen worden uit de pekel genomen en eerst korte tijd in koud water gelegd. Vervolgens worden ze in de rook gehangen en licht gerookt, waarna de niet uitgebeende hammen van de beenderen worden ontdaan. De bilpijp wordt niet uitgebeend, maar uitgestoken. Wij rollen nu de hammen in een doek en koken ze ongeveer 12 tot 2 uur, zodat ze halfgaar zijn. Na afkoeling worden de hammen uit de doek genomen en in 2 tot 3 delen verdeeld, welke stukken thans in de blikken worden gedaan. Als bijvulstof nemen wij de ontvette bouillon waarin de hammen zijn gekookt en vullen de blikken tot aan de rand bij. Daarna worden zij dichtgefelst en gesteriliseerd als bij geperste ham aangegeven. De op deze wijze geconserveerde achterham is zeer lang houdbaar. Wil men een vrijwel onbeperkte houdbaarheid aan de hammen geven dan worden de hammen niet met bouillon bijgevuld, doch stevig in de blikken gedaan en geëvacueerd (de lucht wordt dus uit het blik en het vlees gezogen). Men moet er wel voor zorgen, dat de hammen vrijwel geheel in de blikken moeten passen, daar anders de blikken door het verschil van druk tussen binnen- en buitenkant kunnen worden ingedrukt. SCHOUDERHAM Voor deze conserven gebruiken wij bij voorkeur schouders van varkens die niet zwaarder wegen dan 90 kg geslacht gewicht. Deze schouders worden niet uitgebeend, maar met been en al gepekeld. Veelal pekelen wij volgens de snel pekelmethode, waarbij de stukken vlees dus met pekel van 16 graden worden ingespoten en daarna nog enkele dagen in de pekel worden gelegd om door te pekelen. Uit de pekel genomen, worden de schouders 1 tot 2 uur licht gerookt. Eerst na het roken worden de schouders van de beenderen ontdaan, waarbij wij het middenpijpje eruit steken, zodat de schouder mooi gesloten blijft. De schouders worden nu in passende blikken gedaan. Rond de schouder wordt vleesbouillon gegoten. De blikken worden vervolgens dichtgefelst en gesteriliseerd: In open ketel: Zowel de 3-, 4-, 5- als 6 kg blikken worden eerst 20 minuten gekookt bij een temperatuur van 100 ° C. Vervolgens volgt dan een sterilisatietijd op 80 ° C en wel voor 3 kg blikken 160 minuten; 4 kg blikken 200 minuten; 5 kg blikken 240 minuten en 6 kg blikken 280 minuten. In autoclaaf: De stijgtijden bedragen resp. 30, 30, 35 en 40 minuten; de daaltijden zijn voor elk 15 minuten, terwijl de tijden van houden op 103 ° C resp. zijn: 120, 135, 160 en 190 minuten. HAM IN BOURGOGNE Wij gebruiken ook voor deze hamconserven niet te grote hammen, die wij mild zouten en daarna lichtgeel roken. Deze hammen laten wij trekken tot zij matig gaar zijn. De pan wordt nu van het vuur genomen en wij laten de ham nog twee uur trekken. De hammen blijven in de bouillon tot zij geheel zijn afgekoeld. De donkere rookkorsten, alsmede het zwoerd worden nu verwijderd. We doen de hammen in een braadslede, doen er tevens het vet van het kooknat der hammen bij en schuiven het geheel in een braadoven en wel zo lang tot de ham- men een mooie, gele kleur hebben aangenomen. Bij het vet zijn tevens de specerijen, zoals kruidnagelen, uien, peper en laurierblaadjes gevoegd. De thans verkregen ham wordt in vingerdikke plakken ge sneden, die in de blikken worden gelegd. In het vet, waarin de hammen in de braadoven zijn gebraden laat men nu wat meel heet worden en deze massa wordt met het kooknat van de ham onder toevoeging van bourgogne tot een gladde massa geroerd. Wel wordt de saus van tevoren door een niet te grove zeef geroerd, opdat alle ongerechtigheden er uit worden verwijderd. Met deze saus worden de blikken tot aan de rand bijgevuld, waarna de blikken worden dichtgefelst. De gesloten blikken komen in een open ketel en worden daarin gedurende 70 minuten gekookt als het 2 kg blikken betreft en 90 minuten bij het gebruik van 1 kg blikken. HAM IN BOUILLON Bij voorkeur gebruiken wij hiervoor lichtkleurige hammen met een gewicht van 32 tot 42 kg. De gepekelde en gerookte hammen (heel licht roken!) worden van de beenderen ontdaan en met warm water goed afgeborsteld. Ze worden nu in de kokende ketel gelegd. Eerst een kwartier koken en dan 1 uur bij 75 ° C laten trekken. Uit de ketel genomen, worden de hammen in blikken gestopt en hierbij komt het nat, waarin de hammen zijn getrokken. Na de blikken luchtdicht te hebben gesloten worden de blikken in de ketel gezet, waar wij ze 3 uur laten trekken bij een temperatuur van 75° C. ROLHAM IN GELEI Wij maken op de gebruikelijke wijze de rolhammen klaar, die in heet water worden afgewassen. De rolhammen worden vervolgens in een ketel met heet (kokend) water gedaan en thans laten wij de temperatuur geleidelijk aan teruglopen tot 80° C, op welke temperatuur de rolhammen 2 uur worden getrokken. Door het inbrengen van de betrekkelijk koude rolhammen daalt de temperatuur vanzelf tot het gewenste punt, zodat er geen water bij de ketel moet worden gedaan. Tevens wijzen wij er op, dat er niet meer water in de ketel moet worden gedaan dan nodig is om de hammen onder te laten staan. De rolhammen worden nu uit de ketel genomen en in elk blik wordt een rolham gelegd, waarna de blikken tot aan de rand met het kooknat van de rolhammen worden bijgevuld. Voordien wordt echter in het kooknat een net met vers gewassen zwoerd gehangen om een geleiachtige massa te krijgen. Het vet wordt van deze gelei afgeschept, terwijl de gelei tevens door een zeef wordt gegoten. De blikken worden nu dichtgefelst en dan gesteriliseerd gedurende 20 minuten op 100 ° C en verder gedurende 100 tot 140 minuten op 90° C. BLAASHAM De nog rauwe blaasham wordt in een houten bak met heet water dichtgeschroeid en in een rond blik gelegd. Als bijvulstof gebruiken wij zwakke pekel, die een dag van tevoren moet worden gereedgemaakt. Een goede zwakke pekel kan worden verkregen door 10 liter water te nemen en dat aan de kook te brengen. Hierbij voegen wij 650 g keukenzout en 7 g salpeter. Het opkomende schuim nemen wij steeds weg tot de pekel helder blijft. Deze pekel brengen wij over in een houten vat om af te koelen. Met deze zwakke pekel worden de blikken tot aan de rand bijgevuld en daarna dichtgefelst. De blikken worden eerst 15 tot 20 minuten op 100° C gekookt waarna de temperatuur wordt teruggebracht tot 80° C. Naar gelang het gewicht van de blikken met inhoud gaan wij vervolgens te werk als aangegeven bij geperste ham. ZULTCOTELETTEN Coteletstukken van jonge varkens worden 24 uur in een pekel van 14 graden gelegd. Wij nemen een al eerder gebruikte hammenpekel, daar deze een vollere smaak geeft. De coteletten worden nu goed afgewassen en daarna getrokken in zoveel water tot zij onder staan. Aan dit water worden tevens toegevoegd zout, kruiden, uien, soepgroente en azijn. Als ze matig gaar zijn laten wij de coteletstukken in het kooknat liggen tot alles is afgekoeld. Als de coteletstukken uit het kooknat zijn genomen laat men ze eerst afdruipen om er vervolgens mooie, niet te dikke plakken van te snijden. Deze stukken legt men in platte, vierkante blikken en overgiet ze met heldere aspic. Na te zijn dichtgefelst worden de blikken in open ketel gedurende 10 tot 15 minuten op 100 ° C gesteriliseerd en daarna 15 tot 20 minuten op 80 ° C. VARKENSRIB IN GELEI Van niet al te zware varkens worden de karbonadestrengen uitgebeend, terwijl het overmatige vet wordt weggesneden. De karbonadestrengen worden licht gepekeld en daarna goed afgewassen. Hiervan worden in de blikken passende stukken gesneden, die rauw in de blikken worden gelegd. De gelei wordt verkregen door het koken van beenderen, zenen en zwoerden, waarbij tevens een linnen zakje met kruiden, zoals peper, foelie en laurierbladeren, wordt gehangen. Eventueel kunnen enkele in schijven gesneden uien in het kooknat worden gedaan, alsmede wat azijn. Zout naar smaak toevoegen. Deze bouillon wordt door een fijne zeef gegoten en vervolgens bij de stukken karbonade in de blikken gegoten tot deze tot aan de rand zijn gevuld. De blikken worden nu dichtgefelst, waarna ze in de kookketel komen. Voor normaalblikken is een temperatuur van 100° C gedurende de eerste 20 minuten en een temperatuur van 80° C gedurende de volgende 90 minuten benodigd. VARKENSVLEES IN EIGEN SAP Voor deze conserven kan het vlees van het gehele varken worden genomen. Het vlees wordt hiertoe in flinke dobbelsteentjes gesneden. Wij koken nu wat zwoerd halfgaar en malen het door de 14 mm-plaat, waarna wij het laten afkoelen De volgende dag wordt dit zwoerd door de 2 mm-plaat gedraaid en wel twee keer. Dit zwoerd verdelen wij over het varkensvlees. Het in stukjes gesneden varkensvlees wordt licht aangezouten met 16-18 g zout per kg, terwijl tevens wat peper en foelie over de stukjes vlees wordt gestrooid. Vlees en gemalen zwoerd worden nu grondig met elkaar vermengd, waarna deze massa in blikken wordt gestopt, die vervolgens worden dichtgefelst. Let er wel op, dat geen lucht in het blik wordt meegestopt. De blikken worden thans gesteriliseerd en wel bij de volgende kooktijden: In open ketel: 2 kg blikken : 100 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 120 minuten op 100° C. In autoclaaf: 2 kg blikken : 10 minuten stijgen, 70 minuten houden op 105° C, 10 minuten dalen; 1 kg blikken: 10 minuten stijgen, 100 minuten houden op 105 ° C, 10 minuten dalen. CORNED PORK Wij nemen hiervoor mager varkensvlees van de schouders en de nek en snijden dit in grote stukken, die wij . 2 tot 3 dagen in een pekel van 18 graden leggen tot de stukken mooi rood zijn gekleurd. Het vlees wordt nu - na eerst flink met lauw water te zijn afgewassen, zodat alle zoutdelen van de stukken vlees zijn verwijderd - in een kookketel gedaan, zo, dat het thans net onder water staat. Hierbij hangen wij een net met grondig afgewassen en gewaterd vers zwoerd en voegen er tevens wat peperkorrels, hele kruidnagelen, enkele laurierbladeren en wat prei bij. Het geheel laten wij nu trekken op een temperatuur van ongeveer 90° . C. Als het vlees tamelijk zacht is geworden wordt het uit de kookketel genomen en in kleine stukjes gesneden. Het kooknat laten wij zolang koken tot een geleiachtige vloeistof wordt verkregen, voegen er desgewenst wat zout bij en gieten het geheel door een doek of filter. Ook is het mogelijk wat kopvlees en snuiten mee te koken om de snijdvastheid van het artikel verder te vergroten. Als het vlees goed dooreen is gemengd wordt het in de blikken gedaan. Let wel, met het vlees wordt tevens de dikke gelei meegemengd, zodat een geheel wordt verkregen. De blikken worden gevuld en dichtgefelst. Vervolgens worden ze in open ketel gesteriliseerd gedurende 70 minuten voor 2 kg blikken; 110 minuten voor 1 kg blikken en 200 minuten voor 3 kg blikken. De kooktijd wordt gerekend van het moment af, waarop het water in de ketel begint te koken (100° C dus). ZWOERDROLLETJES Van de kinnebak wordt het zwoerd afgenomen en wel zo, dat er ongeveer 1 tot 12 cm dik spek op blijft zitten. Ook de zwoerdzijde van de buik kan heel goed worden gebruikt als wij het vlees van de buik toch gebruiken voor andere doeleinden in de worstmakerij. Van dit zwoerd met spek maken wij rechte stukken ter grootte van een handpalm. Als inleg nemen wij magere lapjes varkensvlees, die wij zoals bij blinde vinken even plakken en daarna tezamen met het zwoerd en spek oprollen. Deze rolletjes worden gedurende een uur in niet te veel water gekookt, waarna wij ze in het kooknat laten afkoelen. Het kooknat gebruiken wij om er door toevoeging van een meelpap van boter en meel een dikke saus van te maken. Aan deze saus voegen wij nog toe wat wijnazijn, suiker en citroenschil en doen er vervolgens de rolletjes bij . Het geheel laten wij nog 5 minuten doorkoken, waarna de zwoerdrolletjes in geverniste blikken worden gedaan, die verder met de saus worden aangevuld. De blikken worden nu dichtgefelst en gesteriliseerd. Deze sterilisatie geschiedt gedurende 60 minuten voor 250 g blikken; 80 minuten voor 2 kg blikken en 100 minuten voor 1 kg blikken bij een temperatuur van 100 ° C. VARKENSPOOTJES IN GELEI Verse varkenspootjes worden schoongemaakt en enige tijd in water bijna gaar gekookt. Zout, pimentkorrels, laurier . bladeren en wat azijn worden naar smaak toegevoegd. Als de huid zich gemakkelijk laat doorsteken worden de pootjes uit het kooknat genomen en direct in de blikken gedaan. Het kooknat wordt bijgegoten tot de blikken tot aan de rand zijn gevuld, waarna deze worden dichtgefelst. De blikken van 1 kg worden gedurende 90 minuten op 100° C gesteriliseerd. SCHAPE- EN LAMSVLEESCONSERVEN GEBRADEN SCHAPEVLEES In een braadpan leggen wij een gelardeerde schapebout, nadat eerst op de bodem enkele plakken schapevet zijn gelegd, waarop 3 in plakken gesneden uien, een wortel, 2 laurierbladeren, enige peperkorrels alsmede wat kleingehakte beenderen, die uit de bout zijn genomen, worden toegevoegd. Wij overgieten het geheel met liter bouillon, waarmede de schapebout zo lang wordt gesmoord tot alle vocht is verdampt en de uien bruin beginnen te worden. Is het proces zover verlopen dan wordt er 2 liter bouillon bijgegoten en de pan goed gesloten. De bout wordt nu langzaam gaargestoomd. 1. Witte tongepastei. 2. Spekfantasie. 3. Radrollade. 4. Galantinefantasie. 5. Gekookte procureur. 6. Blok spiraalrollade. 7. Galantinefantasie. 8. Corned beef. 9. Driedelige mozaïekrollade. 10. Galantinefantasie. 11. Gekookte bacon. 12. Sterrollade. Het gebraad in plakken van de juiste grootte in de blikken leggen en die verder met een gebonden saus aanvullen, dichten en steriliseren: In open ketel :1- kg blikken 90 minuten op 100 ° C; 1 kg blikken 120 minuten op 100° C. SCHAPECOTELETTEN Van de ribstukken van een schaap worden niet te grote stukken gesneden en wel zo, dat twee coteletten ongeveer 150 g wegen. Met een houten hamer worden de coteletten licht geklopt en vervolgens aan beide zijden met zout en peper bestrooid, waarna zij op elkaar wordt gelegd. Inmiddels wordt in een braadpan half reuzel, half boter goed heet gemaakt en hierin braden wij de dubbele cotelet vlug lichtbruin, waarna zij op een schotel wordt gelegd. De overblijvende saus wordt met aardappelmeel gebonden. De paren coteletten brengen wij over in blikken voor 1 portie en overgieten ze met de verkregen saus, waarna de blikken worden dichtgefelst. Deze blikken worden overgebracht in de kookketel, waarin het water aan de kook is gebracht. We steriliseren de blikken met inhoud gedurende 70 minuten op 100 ° C. SCHAPEVLEESRAGOUT De schouders, buiken, hals en schapepootjes worden uitgebeend en in dikke blokjes gesneden. Het vlees van de vang kan eveneens worden bijgesneden. Deze stukjes schapevlees kruiden wij met zout en peper en braden ze in niet teveel vet zolang, dat het vlees bij aansnijden toch nog een rode kleur heeft. De stukken worden hierna in een zeef gelegd om uit te druipen. Intussen worden kleingehakte beenderen van het schaap met wat uien en wortelen aangebraden om er vervolgens fris water of - nog beter - vleesbouillon bij te doen. De nu verkregen massa laten wij zo lang koken tot alle kracht aan de beenderen is onttrokken en gieten dan het brouwsel door een zeef. De vloeibare massa brengen wij terug in de pan en doen dan goudgeel gebraden meel erbij tot een niet te dikke saus is verkregen, welke wij nog enige tijd laten doorkoken. Deze laten wij een poosje staan om het bovenkomende vet er af te kunnen scheppen. Om de fijne smaak te verhogen kan aan de verkregen vloeistof nog wat witte wijn en tomatenpurée worden toegevoegd. Het vlees wordt nu in de blikken gedaan en overgoten met de saus tot het blik tot aan de rand is gevuld. Vervolgens worden de blikken dichtgefelst en gesteriliseerd en wel in open ketel: 2 kg blikken : 90 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 120 minuten op 100° C. RUNDVLEES MET GROENTE ETC. RUNDVLEES IN BOUILLON MET RIJST Wij gebruiken hiervoor het vlees van de voorvoet, dat eerst met koud water goed wordt afgewassen en daarna met veel specerijen en zout zo lang gekookt, tot het van de beenderen loslaat. Hieruit blijkt dus, dat het benodigde vlees niet eerst uitgebeend, doch met been en al gekookt wordt. Het voor driekwart gare vlees wordt van de beenderen ver- HS 29 wijderd zodra het enigszins is afgekoeld. De te gebruiken rijst (circa 60 procent van het totaal) wordt goed gewassen en daarna aan de bouillon toegevoegd, die wij te voren door een filtreerdoek hebben gegoten om alle ongerechtigheden weg te nemen. De rijst wordt niet helemaal gaar gekookt en na het koken nog eens afgewassen. Het vlees wordt in stukjes gesneden en aan de bouillon toegevoegd, waarna beide delen door elkaar worden gemengd. De blikken worden nu voor it met bouillon en vlees gevuld en daarna vol gemaakt met de rijst, waarna dichtfelsen der blikken volgt. Deze blikken worden in open ketel gesteriliseerd: 2 kg blikken : 90 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 120 minuten op 100° C. RUNDERTONG MET ERWTENPURÉE OF ZUURKOOL De gepekelde tongen worden uit de pekel genomen en goed gewassen. Daarna worden zij ongeveer 2 uur gekookt opdat de huid zich gemakkelijk laat verwijderen. In de tussentijd worden de erwten tot een stevige purée bereid en men doet hier rijkelijk vet bij. Tevens wordt de purée gekruid, waarna de blikken met deze purée voor de helft worden gevuld. Op deze purée worden stukken tong van ongeveer 100 gram gelegd, terwijl hierover bruine boter wordt gegoten. Wil men zuurkool gebruiken in plaats van erwtenpurée dan wordt deze eerst gekookt (bijna gaar) en gekruid en hiermede de blikken half gevuld, waarna de stukken tong er op komen alsmede wat bruine boter. De blikken worden nu dichtgefelst en gesteriliseerd. Voor 2 kg blikken nemen wij 80 minuten op 100° C; voor 1 kg blikken 110 minuten op 100° C. RUNDVLEES MET WORTELTJES De worteltjes worden geschrapt en naar gelang de dikte en grootte één- of tweemaal doorgesneden en goed afgewassen. Het rundvlees mag wel doorregen zijn, maar toch weer niet te vet. Rundvlees van naborst, naveleind en klap stuk is dus heel goed geschikt. Het wordt in kokend water gedaan (waaraan wat zout is toegevoegd) en gekookt. Tijdens het koken wordt het opkomende schuim afgeschept. Thans worden de gebruikelijke soepkruiden er bij gedaan, waarna het vlees zo lang wordt gekookt tot het goed gaar is, maar niet al te zacht. Het vlees wordt nu uit de bouillon genomen en in stukken van 125 tot 250 g gesneden. De worteltjes doet men in een emaille pan, terwijl men tevens het vet van de bouillon er aan toevoegt, alsmede een weinig bouillon zelf. Na nog wat verse boter er bij te hebben gedaan wordt het deksel op de pan gelegd en laten wij de worteltjes 20 tot 30 minuten zachtjes halfgaar koken. Wij zetten de pan thans van het vuur en roeren er voorzichtig gehakte peterselie door. Door een fijne zeef wordt nu wat tarwemeel gestrooid, dat wij, door voorzichtig met de pan te schudden, door de worteltjes roeren. De worteltjes worden op een zeef gedaan, zodat vet en bouillon tussen de worteltjes vandaan zakken. De blikken worden thans voor de helft met worteltjes gevuld, waarna er vlees op wordt gelegd en tot slot weer wat worteltjes. Vet en bouillon worden gelijkmatig over de blikken verdeeld. Per blik nog 2-3 eetlepels rundvleesbouillon. De blikken worden nu dichtgefelst en gesteriliseerd bij de volgende kooktijden: 2 kg blikken : 90 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 120 minuten op 100° C. KALFSVLEES MET GROENTE ETC. SERVISCH RIJSTVLEES Van het vlees van een gemest kalf nemen wij al die incourante delen, die niet voor fricandeau, Schnitzel etc., worden gebruikt. De beenderen worden er uit genomen, waarna het vlees in stukjes wordt gesneden. Kleingehakte beenderen koken wij in zoveel water tot deze even zijn bedekt. Het opkomende schuim wegscheppen. In een platte ketel worden heel fijn gesnipperde uien in rijkelijk rundvet lichtbruin aangebraden. In deze saus smoren wij het vlees onder herhaaldelijk roeren. Bij aansnijden mag het vlees geen rode kleur meer hebben. Tijdens het braden doet men geregeld zoveel vleesbouillon (de bouillon van de beenderen) er bij als men denkt nodig te hebben voor bijvulling der blikken. Kort voor het einde der smoortijd wordt de massa afgekruid met zout, peper en paprika. Het vlees wordt uit de bouillon genomen en in een zeef gezet om uit te druipen. In schoon water wordt de rijst nu gedurende 12-2 uur geweld. Dit doen wij, daar anders de rijst in de blikken gaat zwellen en deze bol drukken. De aldus voorbereide rijst wordt in een voorkookketel in gesmolten vet enige minuten opgekookt. Daarna wordt de rijst gekruid. Wij rekenen voor 5 kg rijst: 50 g paprika, 200 g zout, 150 g geraspte Parmezaanse kaas, wat tomatenpurée en een halve liter witte wijn. Het geheel wordt tot een homogene massa gemengd en met deze massa vullen wij de blikken in de verhouding rijst en 3 vlees. Deze blikken worden dichtgefelst en gesteriliseerd bij de volgende kooktijden: kg blikken : 90 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 120 minuten op 100° C. KALFSVLEES MET SPRUITJES Voor dit artikel kunnen wij het kalfsvlees gebruiken dat minder geschikt is voor aflevering als fricandeau, Schnitzel, oesters of iets dergelijks. Wij bereiden het vlees als volgt. Eerst worden er stukjes van 60 tot 120 g van gesneden, welke stukjes met boter, zout en een paar gesneden uien zover worden gebraden tot zij bij aansnijden niet meer rood zijn. Er mogen geen donkere randen aan het vlees komen. De spruitjes worden van het steeltje en de harde buitenblaadjes ontdaan. De spruitjes mogen echter niet uit elkaar vallen. Ze worden goed afgewassen en daarna met weinig water in een pan op het vuur gezet en slechts 5 minuten gekookt, nadat er ook wat zout is bijgevoegd. Met de schuimspaan scheppen wij de spruitjes op een platte schotel. In een kleine pan wordt wat boter gesmolten en hierbij gieten wij krachtige bouillon, onder toevoeging van wat zout en geraspte nootmuskaat om de saus op smaak te brengen. Het vlees wordt nu in het midden van de blikken gelegd en rondom het vlees komen de spruitjes tot het blik vol is. In elk blik gieten wij twee eetlepels van de verkregen saus, waarna de blikken worden dichtgefelst. Sterilisatietij den : In open ketel: 2 kg blikken: 75 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 100 minuten op 100 ° C. KALFSVLEES MET BLOEMKOOL Bij voorkeur nemen wij hiervoor het vlees van bout, nierstuk of schouder, dat wordt uitgebeend en dan in niet al te grote stukken (circa 1 tot 12 kg) in boter, waarin uien en zout, zover gaar gebraden tot de binnenzijde nog wel iets rood is, doch niet meer rauw. Het vlees wordt nu in porties van 60 tot 125 g verdeeld. Bij niergebraad wordt bij iedere portie nog wat nier met vet toegevoegd. Wij maken thans de bloemkool schoon. Heeft men rundvleesbouillon voorradig of kalfsvleesbouillon, dan wordt hiervan een weinig in een emaille pan gedaan, waarin wat zout (zo nodig!) en daarin de bloemkool. Als geen bouillon aanwezig is dan de bloemkool in heet water opzetten. De pan wordt met het deksel gesloten en op een matig heet vuur wordt de bloemkool 5 tot 10 minuten gekookt en wel zo, dat zij niet uit elkaar valt. De pan wordt nu van het vuur genomen en met de schuimspaan scheppen wij de bloemkool er voorzichtig uit om ze op schotels te leggen. Men smelt nu wat boter uit, waardoor enkele lepels tarwebloem worden geroerd en wat citroensap, nootmuskaat, witte wijn en zoveel bouillon als nodig is om een smakelijke dunne saus te verkrijgen. Wij vullen nu de blikken voor de helft met bloemkool, leggen daarop kalfsvlees en tot slot weer bloemkool. De saus wordt gelijkmatig over de blikken verdeeld, die hierna worden dichtgefelst en in open ketel gesteriliseerd: kg blikken: 75 minuten op 100° C; 1 kg blikken: 100 minuten op 100° C. VARKENSVLEES MET GROENTE ETC. KASSELER RIB MET ZUURKOOL Wij beginnen met gerookte stukken Kasseler rib ongeveer drie kwartier zachtjes te koken, waarna wij de rib in plakken snijden van ongeveer 100 g per stuk. Rauwe zuurkool wordt even in schoon water gezet (circa 5-10 minuten) en daarna flink uitgeknepen, zodat de zuurkool vrij droog is geworden. Met deze uitgeknepen zuurkool vullen wij de blikken tot op de helft en leggen daarop de Kasseler rib, waarna de blikken verder worden aangevuld met zuurkool. De blikken worden verder gevuld met per blik twee eetlepels bruine jus en daarna dichtgefelst en gesteriliseerd met de volgende kooktijden: 2 kg blikken : 80 minuten op 100 ° C; 1 kg blikken : 110 minuten op 100° C. VARKENSCOTELET MET RODE KOOL Van een streng karbonade van een varken van ongeveer 90-100 kg geslacht worden coteletten van elk circa 125 g gehakt, waarbij de ribbeenderen worden weggehakt. Deze coteletten worden licht gezouten, met nootmuskaat bestrooid en daarna in heet half vet, half boter licht aangebraden, om en om. Daarna worden zij in een: zeef gelegd. De rode kool wordt schoongemaakt, gesneden efi gewassen en daarna kort gekookt in vleeskooknat, vet en azijn. De rode kool mag niet meer dan halfgaar worden. De blikken worden nu voor een derde met rode kool gevuld, daarop komen de coteletten en dan weer rode kool. Het kooknat van de rode kool wordt met de braadsaus van de coteletten en een meelsaus gebonden en op smaak gebracht met zout (indien nodig) en wat kruidnagelen. Van deze saus voegen wij op ieder blik 2 tot 4 eetlepels bij. De blikken dichtfelsen en steriliseren: 1.- kg blikken : 90 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 120 minuten op 100° C. BRAADSAUCIJZEN MET RODE KOOL De saucijzen worden van uitsluitend varkensvlees gemaakt en gekruid met zout, pepei en nootmuskaat. In een braadpan wordt half vet, half boter heet gemaakt en hierin worden de saucijzen lichtgeel gebraden, nadat zij eerst in heet water zijn geblancheerd om springen der darmen te voorkomen. De rode kool wordt schoongemaakt, gesneden en gewassen en vervolgens met een weinig water, boter en gesmolten vet in een pan gedaan en halfgaar gekookt. Bij de kool voegt men een weinig zout, azijn en rode wijn. Nadat men op de bodem van het blik wat rode kool heeft gelegd, komen hierop een of twee paar saucijzen waarna het blik verder wordt aangevuld met rode kool. De overgebleven bouillon van de rode kool wordt gelijkmatig over de blikken verdeeld. De blikken dichtfelsen en steriliseren: kg blikken : 80 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 100 minuten op 100° C. VARKENSVLEES MET ERWTENPURÉE Stukken varkensvlees van de schouder of magere dunne buiken worden tot plakken van een vinger dik gesneden en daarna gedurende een nacht in een al eerder gebruikte pekel van 14-16 graden gelegd. De volgende dag broeien wij deze stukken in heet water even aan en verdelen de stukken in porties van 65 tot 125 g (naar gelang wordt gewenst). Als erwten kunnen het beste spliterwten worden genomen, die in water worden opgezet, gaar gekookt en daarna gezeefd. De nu verkregen purée wordt in de pan teruggedaan en op smaak gebracht met zout, peper, wat soepkruiden en uitgebraden rookspek. In ieder geval dient er voldoende vet in de purée te zitten. De blikken worden nu halfvol gedaan met erwtenpurée, waarna de stukjes varkensvlees er op worden gelegd. De blikken worden nu verder bijgevuld met purée en daarna dichtgefelst en gesteriliseerd en wel: kg blikken : 90 minuten op 100° C; 1 kg blikken : 120 minuten op 100° C. VARKENSVLEES MET ZUURKOOL Stukken varkensvlees van de schouder of ook magere varkensbuik worden in plakken ter dikte van een vinger gesneden en daarna een nacht in een pekel van 14-16 graden gelegd. De voorkeur wordt hierbij gegeven aan een al eerder gebruikte pekel. De volgende dag broeien wij deze stukken vlees even in heet water en verdelen ze in porties van 65 tot 125 g per stuk. Is de zuurkool erg zuur, dan wordt zij even in kokend water afgetrokken en daarna met de hand uitgeknepen. In een pan met wat uitgesmolten varkensvet wordt de zuurkool halfgaar gekookt. De blikken worden thans voor de helft met zuurkool gevuld, waarna het vlees er op komt en dan weer zuurkool tot de blikken vol zijn. Het kooknat van de kool wordt gelijkmatig over de blikken verdeeld. Na te zijn dichtgefelst worden de blikken in open ketel gesteriliseerd en wel: 2 kg blikken: 85 minuten op 100 ° C; 1 kg blikken: 110 minuten op 100° C. SCHAPE- OF LAMSVLEES MET GROENTE ETC. SCHAPEVLEES MET KOOL De bouten en schouders van een schaap worden uitgebeend en met zout, uien, half boter, half vet gebraden. Van de beenderen trekt men een krachtige bouillon. Per blik wordt een portie van 90 g vlees afgewogen waarbij een goed samenhangend stuk kool wordt gevoegd. Tot slot voegt men saus toe. Op 20 kg vlees wordt gerekend op 30 kleine savoyekooltjes die worden schoongemaakt, in vieren gesneden en in water (waarin wat zout opgelost) licht geblancheerd. Na te zijn dichtgefelst steriliseren wij de blikken in open ketel en wel: 2 kg blikken: 80 minuten op 100 ° C; 1 kg blikken: 100 minuten op 100° C. IRISH STEW Dit is een variatie op schapevlees met kool, die vooral - de naam zegt het reeds - in Ierland en Engeland zeer gewild is. Wij gebruiken het vlees van de bouten, schouders enz. Het vlees wordt aangezouten met zout en salpeter (31- kg zout en 30 g salpeter voor 50 kg vlees) weggezet. De volgende dag wordt het vlees matig gaar gekookt in weinig water, waaraan enkele soepknollen en een zakje met peperkorrels is toegevoegd. In een andere ketel worden schoongemaakte en in vieren gedeelde witte kolen 20 tot 25 minuten in kokend water afgetrokken. Het water wordt nu weggegoten en met het kooknat van het vlees wordt de kool zachtjes gekookt. Gelijktijdig worden enkele geschilde en eveneens in vieren gesneden aardappelen en kleingesneden worteltjes gekookt, waarna de blikken kunnen worden gevuld. Hiertoe doen wij in de blikken eerst een dessertlepel boter, dan witte kool, aardappelen en worteltjes. Daarop het vlees, waarna weer wortels en aardappelen volgen en tot slot een weinig van het overgebleven kooknat. Kooktijden: 2 kg blikken : 85 minuten op 100 ° C; 1 kg blikken : 110 minuten op 100° C. SCHAPEVLEES MET WITTE BONEN Wij kunnen hiervoor het vlees van het gehele schaap nemen, dat wij geheel van de beenderen ontdoen. De beenderen worden gehakt en gelijktijdig met het in stukken van onge veer I! kg kg gesneden vlees in de ketel gedaan. Wij gieten er nu zoveel koud water op tot alles net onder staat en voegen er tevens aIle soorten soepkruiden en zout bij, waarna we het geheel aan de kook brengen. Ais het vlees gaar is wordt het uit de ketel genomen en in stukjes van elk 60 of 1zs g gesneden. De bouillon wordt door een zeer fijne zeef gegoten en zover ingekookt, tot ze voldoende is voor de voorraad te verwerken witte bonen. De witte bonen worden uitgezocht en een nacht in koud water geweekt. In fris water bijna gaar koken en dan Iaten uitlekken en afkoelen. In een pan doen wij een hoeveelheid boter en fruiten hierin enkele kleingesneden uien lichtgeeI, waarna wij wat tarwebloem door de saus roeren. Let weI, de saus mag niet bruin worden. Bij deze saus doen wij zoveel bouillon dat de saus toch gebonden blijft en hierin doen wij de afgekoelde witte bonen, die wij bij geregeld omroeren warm laten worden. Wij vullen nu de blikken voor de helft met bonen, Ieggen hierop het vlees en vullen het blik af met bonen. De blikken worden thans dichtgefelst en gesteriliseerd: ! kg blikken: 85 minuten op 100° C.; 1 kg blikken: 110 minuten op 100° C. SCHAPEVLEES MET PRINCESSEBONEN Niet al te vet schapevlees wordt met been en al in 2 tot 3 stukken verdeeld en in zwak gezouten water goed afgewassen. Wij doen het vlees nu met zoveel water in de kookketel dat het nauwelijks met water bedekt is. Langzaam wordt het water aan de kook gebracht. Ais het water helder is geworden, worden er zout, eventueel gesneden uien, enkele laurierbladeren en peperkorreis aan toegevoegd. De stukken moeten tamelijk, doch niet geheel gaar zijn. Na te zijn afgekoeld worden de beenderen uit het vlees verwijderd en het vlees in passende stukken gesneden. De princessebonen worden afgehaald, gebroken en gewassen en daarna kort voorgekookt. Wij vullen nu de blikken voor de helft met princessebonen, leggen hierop het vlees en vullen het blik tot de rand verder aan met princessebonen. Nadat het vleesaftreksel door een zeef is gegoten wordt het op smaak afgemaakt met kruiden en vleesextract, en over de blikken verdeeld. In open ketel steriliseren: ! kg blikken: 85 minuten op 100°C.; 1kg blikken: 110minuten op 100° C. KOOKWORSTSOOR TEN BOTERHAMWORST IN BLIK Wij gebruiken per 10 kg worstmassa: 4! kg graskalfsvlees; 2 kg mager varkensvlees; 3! kg taai kinnebakspek. Zomogelijkwordtslachtwarmvleesgebruikt,dat directdoor de 16 mm-plaat wordt gedraaid en aangezouten met 20 g kleurzout per kg. Wij zetten dit vlees tot de volgende dag in de koelcel evenals het kinnebakspek en de vetsnippers (in stukjes gesneden). De volgende dag beginnen wij met het vlees door de 3 mmplaat te draaien en vervolgens uit te cutteren met 16%ge koeld water of ijs en 4 % aardappelmeel, Tevens wordt tijdens het cutteren het resterende deel aan zout toegevoegd, aismede de kruiden. Per kg worstmassa wordt toegevoegd: 28 g zout, 2 g witte peper, 1 g foelie en! g cardamom. Ook gemengde boterhamworstkruiden zijn goed te gebruiken. Men neme hiervoor de hoeveelheid die steeds wordt aangegeven bij de geleverde gemengde kruiden. De massa wordt tot een mooie farce gecutterd en overgebracht in de mengbak waar het in kleine stukjes gesneden spek wordt toegevoegd en met de deegfarce vermengd. Deze massa brengen wij over in de cutter en Iaten die zo lang rond Iopen tot de gewenste fijnheid van spek is bereikt. Dit rondlopen mag niet onbeperkt geschieden, daar anders afscheiding van gelei en vet kan optreden. Worden spekblokjes in de boterhamworst verlangd, dan snijden wij kleine dobbeisteentjes spek, broeien deze in kokend water af, voegen deze na het cutteren aan de massa in de mengbak toe en mengen alles tot een geheel. De deegmassa wordt nu in de blikken overgebracht, waartoe wij eerst een rond perkament papiertje op de bodem leggen en daarna een passend stuk perkament om een houten rol wikkelen, zodat met de farce tevens het papier in het blik wordt gebracht als omlijsting van het worstdeeg. Is het blik gevuld dan strijken wij het hoI af en Ieggen er een rond perkamentpapiertje op, waarna het blik wordt dichtgefelst en gesteriliseerd. In open keteI: 1,8 kg blikken: 180 minuten op 100° C. In autoclaaf: 1,8 kg blikken: 10 minuten stijgen, 150 minuten houden op 112° C, 10 minuten dalen. Opmerking. Er zijn blikken in de handel verkrijgbaar, die door een speciale manier zonder feisen kunnen worden gesloten en die vele malen kunnen worden gebruikt als zij na het gebruik steeds behoorlijk schoon worden gemaakt en goed behandeld. Deze blikken zijn bijzonder goed geschikt voor de worstmaker, die niet over een felsmachine beschikt (Afb. 858-859-860). KEIZERSJACHTWORST Voor deze worstsoort, die veel gemeen heeft met de overbekende jachtworst, wordt imager varkensvlees en ! taai spek gebruikt. Op iedere 8 kg gebruiken wij 1 kg mager rundvlees, dat met reeds eerder gebruikte pekel zorgvuldig wordt gemengd. Het varkensvlees en spek worden in stukjes van! em in het vierkant gesneden en daarna met het rundvlees vermengd Tevens wordt per kg worstmassa (het rundvlees niet meegerekend, daar dit reeds met de pekel is gezouten) toegevoegd 24 g zout, 1 g salpeter, 1 g suiker, 3 g witte peper, 1 g foelie, ! g cardamom en ! g mosterdzaad. Ais een goed gebonden massa is verkregen wordt deze in de blikken gedaan zoals aangegeven bij boterhamworst in blik, waarna de blikken worden dichtgefelst en gesteriliseerd. Zie hiervoor eveneens Boterhamworst in blik. Het is ook mogelijk de massa in zodanige papieren darmen te stoppen, dat deze precies in de blikken passen. Eventueel kan een lichte rook worden gegeven. BRAADWORST Per 5 kg mager varkensvlees wordt I! kg varkensvet toegevoegd. Dit wordt met elkaar vermengd en gekruid met per kg 20 g zout en 3 g witte peper. Deze massa malen wij door de 5 mm-plaat, waarna alles nog eens met de hand wordt nagemengd en in nauwe varkensdarmen gestopt. Vervolgens maken wij er worstjes van die per stuk 100 tot 125 gram wegen. Het darmeinde wordt nog eens een slag gedraaid en nu blancheren wij de worstjes in heet water om het springen van de darm te voorkomen. In half boter, half gesmolten vet braden wij de worstjes vlug bruin. De worstjes worden nu in blikken van 1 liter gelegd en bij ieder blik wordt tot ongeveer op de helft vet gedaan. De blikken worden luchtdicht gesloten en in open ketel gesteriliseerd op 90 ° C gedurende 30 minuten. YELLED VEAL Hiervoor nemen wij nuchter kalfsvlees, dat wordt uitgebeend en een dag voor de bereiding in stukken wordt gesneden en voorgezouten met 10 g zout plus 1 g kleurzout per kg. De volgende dag koken wij het kalfsvlees halfgaar, draaien het vervolgens door de voorsnijder en een enkel mes en vermengen het verkregen vlees met 10 % fijngemalen zwoerd, 5 % gelatinepoeder en een weinig bouillon. De blikken worden goed volgedaan, dichtgefelst en gesteriliseerd en wel in autoclaaf bij 10 minuten stijgen, 150 minuten houden op 115 ° C en 10 minuten dalen. LUNCHEON MEAT Wij gebruiken hiervoor 3 kalfsvlees, 3 varkensvlees en kinnebakspek of andere vette snippers. Het kalfsvlees en varkensvlees wordt door de 14 mm-plaat gedraaid en voorgezouten met 20 g zout, 1 g salpeter en 1 g suiker per kg. Na een dag wordt het magere vlees uit de koelcel genomen en door de 3 mm-plaat gedraaid, waarna het wordt uitgecutterd met 16 % water (ijskoud gekoeld) en 4 % aardappelmeel. Wij voegen tevens de kruiden bij en wel per kg: 3 g witte peper, 1 g gember, 2 g foelie en 1-- g cardamom. Het resterende zout (4 g per kg) wordt eveneens bijgevoegd tijdens het cutteren. Als een gebonden farce is verkregen wordt het door de 3 mm-plaat gedraaide spek toegevoegd, waarna wij de cutter enkele malen laten rondlopen. In de mengbak wordt alles nog eens nagemengd en tot slot in blikken gestopt, waarbij de bovenzijde even hol wordt gemaakt. In open ketel steriliseren: 2 kg blikken: 75 minuten op 100 ° C, 1 kg blikken: 105 minuten op 100° C. Koken in de autoclaaf als boterhamworst. BLOEDWORSTSOORTEN TONGEWORST Als samenstelling wordt aangehouden : 25 kg rugspek (vers), 15 kg zwoerd, 10 liter bloed, 25 kg tongen. Aan zout en kruiden wordt per kg toegevoegd : 32 g zout, 3 g zwarte peper, 1 g piment, 2 g kruidnagelen en 2 g ma joraan. De tongen worden van te voren gezouten en daarna gekookt, waarna het vet wordt verwijderd. Het zwoerd wordt matig gaar gemaakt. Het rugspek snijden wij in verse toestand in kleine dobbelsteentjes, die wij in heet water afbroeien en laten afkoelen. Het bloed wordt op de voorgeschreven wijze voorgezouten, welk zout wij later bij de toevoeging van zout aftrekken. Bij de bereiding draaien wij het nog warme zwoerd met de afval van de tongen tweemaal door de 2 mm-plaat en doen het in de mengbak, waarna wij het handwarm gemaakte bloed en het zout en de kruiden er bij doen. Dit alles mengen wij goed door elkaar en voegen er dan het afgebroeide spek aan toe. De blikken worden goed ingevet en er wordt stevig perkament in gelegd, waarna de blikken met de verkregen farce en de tongen worden gevuld en dichtgefelst. De sterilisatie wordt gesteld op 3 uur in open ketel. BLOEDWORST Op 5 kg spek nemen wij tevens 12 kg mager varkensvlees en koken dit tezamen matig gaar. Het vlees wordt tot matig kleine stukjes gehakt; het spek in dobbelsteentjes van ca 4 cm gesneden. Hieraan wordt nu zoveel voorgezouten varkensbloed toegevoegd dat de gehele massa gekleurd is Per kg worstmassa wordt toegevoegd : 30 g zout, 3 g zwarte peper en 1 g majoraan. De worsten worden op maat van de blikken gestopt en daarna in de ketel goed afgekookt, waarna wij ze op een tafel koud laten worden. Desgewenst kunnen de koude worsten even in de rook worden gehangen. De worsten worden nu in de passende blikken gelegd en gesteriliseerd gedurende 80 minuten in open ketel. Dezelfde bloedworst kan ook los in het blik worden gedaan en wel zoals aangegeven bij tongeworst. LEVERWORSTSOORTEN LEVERPASTEI I Voor een massa van 10 kg wordt 5 kg varkensvlees grondig van de galgangen ontdaan en daarna enkele uren in koud water gelegd. Vervolgens laten wij de lever goed uitlekken om haar daarna door de 14 mm-plaat te draaien. Per kg lever voegen wij 20 g zout, 1 g salpeter en 1 g suiker toe en klutsen alles goed door elkaar, waarna de lever in de koelcel wordt geplaatst. 5 kg zacht spek brengen wij eveneens in de koelcel. De volgende dag gaat de lever door de 2 mm-plaat en zij wordt zo lang uitgecutterd tot de lever luchtbellen gaat vertonen. Het spek wordt eveneens door de 2 mm-plaat gedraaid en aan de lever in de cutter toegevoegd, waarbij wij bovendien het resterende zout (6 g per kg), en per kg: 3 g witte peper en 1 g nootmuskaat toevoegen. Dit alles wordt in de cutter goed door elkander gemengd in de mengbak nog eens met de hand nagewerkt en vervolgens wordt de leverpastei in de blikken gedaan, waarbij wij deze voor ongeveer ti vullen om de lever gelegenheid te geven uit te zetten. Na te zijn dichtgefelst steriliseren wij: In open ketel : á kg blikken : 60 minuten op 100° C; 4 kg blikken: 80 minuten op 100° C; 2 kg blikken: 100 minuten op 100° C. In autoclaaf: s blik : 100 minuten op 112° C. LEVERPASTEI II Als samenstelling nemen wij thans voor 20 kg worstmassa: 7 kg lever, 6 kg varkensmagen, varkenskoppen en varkensafvalstukjes, 7 kg broek- en schielvet. Per kg massa voegen wij toe : 24 g zout, 1 g foelie, 1 g majoraan en 2 gefruite uien. De lever wordt van de galgangen ontdaan, gewaterd en later op de bekende wijze voorgezouten met 20 g zout per kg. De varkensmagen, -koppen en -afvalstukjes worden vingergaar gekookt en alle beenderen worden verwijderd. Van de magen nemen wij de zwartachtige binnenwand weg. Ook het vet wordt gebroeid. Wij laten alles grondig afkoelen om vetafzetting tegen te gaan. De lever wordt goed gecutterd (met het resterende zout en de kruiden) en in de mengbak gedaan. Vooraf draaien wij de lever door de 2 mm-plaat. Varkenskoppen, -magen en -afvalstukjes worden fijngecutterd en met wat bouillon eveneens in de mengbak gedaan, waarna wij het vet door de 2 mm-plaat draaien en bij de andere grondstoffen in de mengbak doen. Alles wordt gemengd en nog heel kort nagecutterd; daarna in de mengbak nog even door elkaar gezet. Met deze pastei vullen wij de blikjes luchtvrij tot ongeveer s deel en felsen ze dicht. Wij steriliseren de blikjes zoals aangegeven bij Leverpastei I. GANZELEVER Deze methode wordt uitsluitend toegepast om later de ganzelever weer in verschillende producten en gerechten te kunnen verwerken. De ganzelevers worden hiertoe afgewassen in lauw water en daarna afgekoeld en in de blikken gelegd. De blikken worden vervolgens met warm varkensvet tot aan de rand bijgevuld en dichtgefelst. Naar gelang de grootte der blikken worden zij gesteriliseerd, waarbij wij stellen dat 1 kg blikken 22 uur op 80° C worden gehouden in open ketel. HAAGSE LEVERWORST Als samenstelling voor 25 kg worstmassa nemen wij : 15 kg halfgaar zwoerd, 6 kg lever, 12 kg spekblokjes en 22 kg gekookte afval. Per kg worstmassa worden toegevoegd: 30 g zout, 2 g peper, 1 g gember en 1 g tijm. De lever wordt van de galgangen ontdaan, in dunne plakken gesneden en even in koud water gezet om uit te trekken. De gekookte afval en de zwoerden worden door de 2 mmplaat gedraaid en daarna fijn gecutterd met een weinig kokende bouillon. De lever wordt door de 2 mm-plaat gedraaid en aan de massa toegevoegd, evenals het zout en de kruiden. Alles even nacutteren met wat hete bouillon, daarna de massa in de mengbak overbrengen en de spekblokjes (die zijn afgebroeid) toevoegen en doormengen. De worst kan nu Of los in de blikken af eerst in darm worden gestopt en dan in de blikken worden gedaan. De blikken worden dichtgefelst en gesteriliseerd : 2 kg blikken : 90 minuten bij 100° C; 1 kg blikken : 120 minuten bij 100° C. DROOGWORSTSOORTEN ETC. FRANKFURTER WORSTJES De op de gebruikelijke wijze bereide knakworstjes laten wij in de rook goed afkoelen waarna ze eenmaal met kokend water worden overgoten. De worstjes worden nu niet te stijf in daartoe passende blikken gedaan, waarna het blik verder wordt aangevuld met een pekel van 4 graden sterk. De blikken worden dichtgefelst en in open ketel gesteriliseerd op een temperatuur van circa 96 ° C gedurende 30 tot 60 minuten. Dit hangt af van het aantal worstjes, dat zich in de blikken bevindt. Bijvoorbeeld 2 worstjes 30 minuten en 16 tot 20 worstjes 90 minuten. WIENER WORSTJES Zie hiervoor bij Frankfurter worstjes. CERVELAATWORST (GEKOOKT) Op 7 kg mager varkensvlees, dat goed van de zenen is ontdaan, wordt 3 kg taai spek toegevoegd, dat tezamen door de 5 mm-plaat wordt gedraaid. Op iedere kg worstmassa wordt toegevoegd : 30 g zout; 5 g salpeter; 1 g suiker en 3 g witte peper. Op 10 kg massa wordt bovendien 4 g cardamomkorrels gedaan. Alles wordt goed gemengd en in middelwijde rechte runderdarmen opgestopt en wel zo, dat worsten worden verkregen die precies in het blik passen. De worsten worden voorgedroogd, matig gerookt en daarna in de blikken gedaan, die worden dichtgefelst. De sterilisatie vindt plaats in open ketel bij een temperatuur van 100° C gedurende 90 minuten. METWORST (GEKOOKT) Per 5 kg mager varkensvlees wordt 1 kg spek toegevoegd en dit wordt tezamen door de 4 mm-plaat gedraaid. Toevoeging van zout en kruiden als bij cervelaatworst, alleen geen cardamomkorrels, maar per kg 2 gram koriander. Verder als bij cervelaatworst. SOEPEN BOUILLONSOEP MET VLEES EN GROENTE Wij zagen een aantal runderpijpen en poten in stukken en hakken wat andere beenderen, welke wij tezamen in ruim koud water opzetten om alles circa 2 tot 3 uur te laten koken, waarbij het opkomende schuim steeds wordt weggenomen om de bouillon helder te krijgen. Na ongeveer twee uur voegen we er zout, soepgroente en wat worteltjes bij waarna wij alles nog een uur laten doorkoken. De bouillon wordt nu gezeefd en ontvet en daarna weer in de ketel teruggedaan en aan de kook gebracht. Zodra de bouillon kookt worden stukken rundvlees van elk 1 tot 312- L kg, waar de beenderen uit zijn verwijderd, er bij gedaan. De temperatuur wordt nu op 90 ° C gehouden en het vlees langzaam 1 tot 12 uur getrokken tot het van binnen niet meer rood ziet. Het vlees wordt er uit genomen en in kleine stukjes gesneden. Gelijkertijd koken wij in water, waarin een beetje zout, een hoeveelheid goed schoongemaakte worteltjes en half doorgesneden selderieknollen in 15 tot 20 minuten half gaar, waarna men ze in stukken snijdt. Voor fijne soepen voegen wij ook bloemkool, asperges en groene erwten toe. In 1 kg blik doen wij thans 300 g vlees, 12 plakken wor GEMIDDELDE STERILISATIETABEL OPEN KETEL GEMIDDELDE STERILISATIETABEL AUTOCLAAF In minuten uitgedrukt In minuten uitgedrukt. Blik-Koken Op temperatuur houden Stijgen Op temperatuur hou-Dalen Artikel inhoud in open in graden C minuten den in graden C minuten in kg ketel 2orned beef 0,5 100 10 70 op 120 10 Rundvlees in eigen sap 1 120 10 120 „ 120 10 Bouillonvlees Goulash 0,2 60 10 25 op 115 10 0,6 100 10 55 „ 115 10 1 120 10 70 „ 115 10 Rundertongen 1,8 120 10 100 op 116 10 Ossetong in Madeira 0,25 70 Tong-galantine 0,5 90 Runderpekelvlees 2,5 200 op 90 3 240 „ 90 Gehakt (balletjes) 0,25 60 10 40 op 105 10 0,5 80 10 65 „ 105 10 Kalfsfric. en rollades 0,25 45 10 40 op 102 10 Kalfscotelet 0,50 70 Kalfsborst 0,8 80 Kalfsragout, -goulash 0,5 80 10 60 op 102 10 en kalfsvlees 1 100 30 80 „ 102 15 Achterham of schou-3 20 160 op 80 30 120 op 103 15 der gespoten 4 20 200 „ 80 30 135 „ 103 15 Varkensvlees in sap 5 20 240 „ 80 35 160 „ 103 15 Gekruide ham 6 20 280 „ 80 40 190 „ 103 15 Ham en schouder ge-3 30 150 op 80 evacueerd 4 30 200 „ 80 Zoals aangegeven bij achterham en schouder in recept. 5 30 240 „ 80 6 30 280 „ 80 Corned Porc 0,5 70 10 60 op 110 10 1 110 10 80 „ 110 10 Schapenvlees, -cotelet, 0,5 90 10 65 op 105 10 -biefstuk en -ragout 1 120 10 90 „ 105 10 Rundvlees met groente 0,5 90 10 50 op 110 10 1 120 10 70 „ 110 10 Kalfsvlees met groente 0,5 75 10 45 op 105 10 1 100 10 70 „ 105 10 Varkens-en schapen-0,5 80 10 50 „ 110 10 vlees met groente 1 110 10 75 „ 110 10 Boterhamworst 1,8 180 10 120 op 112 10 Keizersjachtworst Yelled veal 0,5 75 10 45 op 112 10 Luncheon Meat 1 105 10 85 „ 112 10 Tongeworst 0,5 90 10 65 op 105 10 Bloedworst 1 120 10 90 „ 105 10 Haagse leverworst 1,8 180 10 150 „ 105 10 Leverpastei 1/8 60 10 80 op 112 10 1/4 80 10 90 „ 112 10 Knakworst 4 paar 10 50 op 96 10 30 op 103 10 8 paar 10 75 „ 96 10 40 „ 103 10 Soepen 0,5 75 10 45 op 110 10 1 90 10 60 „ 110 10 2 110 10 80 „ 110 10 HOOFDSTUK 15 GEBREKEN AAN VLEESWAREN Wanneer men vlees en spek rauw verwerkt voor rauwe of gekookte worstsoorten, is het een eerste vereiste het te malen vlees en spek dusdanig te koelen, dat smering ervan uitgesloten is. Deze smering is nl. in werkelijkheid vetafzetting die in de wolf ontstaat door de wrijving, veroorzaakt door het draaien van de worm. Hierdoor wordt het vlees tegen de plaat geperst en dan door het mesje afgesneden om daarna door de regelmatige toevoer van vlees door de plaatgaatjes naar buiten gedreven te worden. Het spreekt vanzelf, dat door het draaien van de worm en de mesjes, die tevens nog met een behoorlijke snelheid langs voorsnijder en plaat gewreven worden, enige warmte ontstaat, die zich ook aan het vlees meedeelt. Hierdoor wordt het vet in mindere of meerdere mate opgelost (gesmolten). Het gevolg hiervan is, dat droge worst hierdoor nooit snijvast wordt terwijl, wanneer men van op deze manier verknoeid vlees kookworstsoorten maakt, deze evenmin snijvast worden en soms zelfs bij het koken zo veel vet afscheiden, dat rondom de worst een laagje gesmolten vet gevormd wordt. Het is nu duidelijk, dat hoe kouder het vlees is, wanneer het gemalen wordt, des te minder kans op smering (smelten van het vet) men heeft. Een tweede voorname factor om smering te voorkomen ligt bij de behandeling van de wolf en de staat waarin deze verkeert, alsmede bij het onderhoud der platen en messen. Deze moeten tijdig door een goed vakman (slijper) geslepen worden. Vooral ten opzichte van dit laatste bedriegt de zuinigheid vaak de wijsheid. Wanneer door het gebruik van stompe platen en messen één partijtje worst onverkoopbaar wordt, is de financiële schadepost verscheidene malen groter dan de kosten van het slijpen van een stel platen en messen. Het is dan ook noodzakelijk, dat men steeds scherpe reserveplaten en -messen in voorraad heeft. Hetzelfde geldt voor cuttermessen. Wanneer men de wormhuls inwendig goed bekijkt, ziet men dat daarin enigszins gebogen verhogingen, van achteren naar voren, aanwezig zijn. Doet men nu de worm in de wormhuls, dan is er bijna geen speling tussen de verhogingen en de worm. Hierdoor wordt het vlees regelmatig naar voren gedrukt en krijgt geen gelegenheid terug te keren op zijn weg naar platen en messen. Wanneer de wolf ouder gaat worden, slijten de verhogingen in de wormhuls en ook de worm slijt, waardoor ruimte tussen beide ontstaat en de worm zeer ruim in de wormhuls past. Hierdoor kan het vlees tijdens het malen heen en weer schuiven, de wolf gaat z.g. herkauwen. Het vlees passeert hierdoor de wolf niet snel genoeg. Door het voor en achteruitgaan van het vlees in de wolf, wordt het vlees enigszins warm en het gevolg is smering met alle gevolgen vandien. Zo'n wolf dient dan ook door een nieuwe vervangen te worden. Als men de wolf in elkaar zet voor het gebruik, mag men vooral de afsluitring niet direct vast aandraaien. Doet men dit wel en men zet daarna de motor in beweging, dan wrijven de messen te sterk langs voorsnijder en plaat. Door de wrijving, die hierdoor ontstaat, worden platen en messen warm. Het gevolg hiervan is, dat deze gaan uitzetten, waardoor de wrijving nog groter wordt, nog meer warmte ontstaat met als gevolg zeer veel slijtage van het materiaal; het vlees komt dan zelfs lauw-warm uit de wolf. Soms ziet men de damp van de platen afslaan. De beste methode is als volgt; de sluitring zeer los aandraaien, daarna zet men de motor aan. Wanneer de wolf op toeren is, mag men de messen nog niet over de voorsnijder en plaat horen wrijven. Nu wordt de sluitring langzaam aangedraaid. Zodra men evenwel hoort, dat de messen regelmatig langs voorsnijder en plaat schuren, is de sluitring voldoende aangedraaid. Het warmlopen van het vlees in de wolf kan naast vetsmering nog het z.g. dooddraaien tot gevolg hebben. In dit geval heeft het vlees zijn bindkracht totaal verloren en daarmede zijn waarde voor de worstmakerij. Naast de nauwkeurige behandeling van de wolf, mag men ook die van de cuttermessen niet veronachtzamen. Stompe messen werken het doodcutteren van het deeg sterk in de hand. Het vlees, dat met stompe messen wordt gecutterd, wordt niet gesneden, doch kapot geslagen. Het wordt hierdoor eerder warm waardoor evenals bij het warmlopen in de wolf, smering ontstaat waarvan het gevolg is worst met ruime vetafzetting en daardoor niet snijvast. Vooral bij het mengen van droge worstsoorten is het noodzakelijk, dat men het deeg vooral niet langs de kant van de mengbak wrijft. Hierdoor smeert het er in aanwezige vet met als gevolg, dat het vet zich bij het stoppen direct onder de darm verspreidt waardoor dit de darm afsluit en de worst daardoor tijdens het droogproces niet voldoende vocht kan afscheiden. De worst wordt dan rimpelig met grote vouwen, gaat inwendig holle plekken vertonen — hierin komt vaak schimmelvorming voor — en bederft. Ook Gelderse rookworst, die onder de droge worstsoorten wordt gerekend, mag niet gewreven worden. Om vetafzetting bij het koken zo veel mogelijk te voorkomen, is het bij deze worst van belang uitsluitend kinnebakspek te verwerken. Bij het mengen nu van de droge worstsoorten stote men, onder regelmatig omzetten, het vlees met de vuisten rechtstandig naar beneden door elkaar en wel zo lang, dat de massa goede bindkracht heeft verkregen en een volkomen gelijkmatige verdeling van mager en vet te zien geeft. Gebeurt het mengen machinaal, dan gebruike men een machine met één arm om hierdoor de wrijving ook zo veel mogelijk te beperken. Na het mengen vormt men van het deeg stevige, luchtvrije ballen van 2 à 22 kg Deze plaatst men dan nog gedurende ongeveer 24 uur in de koelcel voor afkoeling, waardoor smering tijdens het afstoppen tot een minimum wordt beperkt. Deze gekoelde de stophoorn, dat soms door een weinig gelei van het overrige deel is gescheiden. Bij het snijden valt in vele gevallen deze kern uit het plakje, zodat een plak met een rond gat er in overblijft. Om vleeswaren te roken, gebruike men bij voorkeur eikenof beukenzaagsel of -mot. In geen geval sterk harshoudende houtsoorten als dennen, Amerikaans grenen enz. gebruiken. Niet alleen deze houtsoorten kunnen een onaangename smaak geven, ook eiken- en beukenzaagsel zal door verkeerde opslag, verontreiniging door huisdieren, een carbolsmaak aan de worst afstaan. Oud zaagsel, dat enigszins verbroeid is of geschimmeld, mag nooit gebruikt worden om te roken. Men kan door toevoeging van enige jeneverbessen aan het zaagsel, de rooksmaak verbeteren. Om een frisse kleur op de aansnit van gekookte worst te krijgen is het noodzakelijk de worst warm te roken op een temperatuur van 25 —30° C. Worst op deze temperatuur gerookt dient men, direct nadat ze voldoende kleur heeft, te koken om bederf te voorkomen. Het koken van kookworstsoorten moet op minimaal 75° C geschieden, terwijl een temperatuur van 80° C niet mag worden overschreden om springen van de darmen te voorkomen. Men koke de worst liever een half uur te lang dan vijf minuten te kort. De temperatuur van 75° C moet tot in de kern zijn doorgedrongen. Het groen worden is een teken dat deze worst niet houdbaar is. De kooktijd bepaalt men als volgt: Een worst met een middellijn van 3 cm moet een half uur gekookt worden op 75° C. Voor iedere centimeter, die de middellijn meer bedraagt dan drie centimeter, wordt de kooktijd met vijftien minuten verlengd. Wanneer men zich hieraan met het koken houdt, is groenverkleuring nadat de gekookte worst is aangesneden, uitgesloten. Inplaats van een mooie fris rose kleur op het snijvlak van Berliner leverworst, ziet men dikwijls een Berliner welke veel te donker is. Allereerst dient er op gewezen te worden, dat het gebruik van runderlever voor deze worst niet alleen de kleur zeer nadelig beïnvloedt, doch eveneens de smaak en zachtheid van de worst. Het gebruik van varkenslever verhoogt de smaak van de leverworst aanmerkelijk. Voor gewone leverworst en bakleverworst gebruike men de runderlever. Om een mooie frisse kleur op de betere leverworst te krijgen, speelt de voorbereiding van de lever een zeer voorname rol. Begin dus met de galgangen er uit te halen. Hiervoor behoeft men geen mes te gebruiken doch men begint daar waar het kliertje op de lever en de uitmonding van de galblaas samenkomen, met duim en vinger de galgangen los te stropen. Men ziet dan de vertakkingen van de galgangen in alle richtingen lopen en kan ze dan verwijderen als de rechte darmen uit een runderkrans nl. met duim en vinger. Op deze manier gaat practisch geen lever verloren. Wanneer deze bewerking is gebeurd, snijdt men de lever aan vingerdikke plakken (niet aan stukken) en wast er in een bak koud water het bloed af. Nu zet men deze plakken in schoon koud water, waarin men ze een paar uur laat staan. Het water een paar keren verversen is noodzakelijk. Nadat de lever voldoende is uitgewaterd, wordt deze in een vergiet gedaan en laat men ze goed uitdruipen. Nadat alle bovengenoemde handelingen zijn volbracht, draait men de lever door de veertien millimeter-plaat en zout deze voor met 20 g zout, 1 g salpeter en 1 g suiker. Nu wegzetten tot de volgende dag wanneer de lever wordt verwerkt. Wanneer lever aan dobbelsteentjes in de worst wordt verwerkt, lette men vooral op dat deze vooral niet te gaar wordt gemaakt. Is dit wel het geval, dan wordt ze te hard, waardoor de stukjes later, wanneer de worst gesneden wordt, meestal uit de plakjes vallen. Lever voor dit doel bestemd, snijdt men aan plakken (vingerdik) daarna afwassen en dan in heet water afbroeien. De lever moet evenwel zacht blijven, mag in het hart zelfs wel enigszins rauw zijn. Nu aan dobbelsteentjes snijden en in de worst verwerken. Door het koken van de worst worden ze gaar en blijven toch zacht. Smeerleverworst, welke vetafzetting vertoont door de gehele worst, soms zelfs zo, dat er een droge leverkern in zit met hier en daar onregelmatige vetafzetting, is eveneens een tamelijk veel voorkomende fout. Dit kan men voorkomen ten eerste door het te gebruiken zachte varkensvet slechts even aan te broeien ; d.w.z. wanneer het vet uit de kookketel wordt gehaald moet dit stevig en elastisch aanvoelen, mag dus in geen geval gaar en daardoor zacht zijn. Ten tweede mag men het vet niet zo uit de ketel door de wolf draaien, doch eerst volledig laten afkoelen. Hoe kouder men dit gebroeide vet koelt des te minder last heeft men van overtollige vetafzetting. Smeerleverworst waarvan het randje vet een meer of minder geelachtige kleur heeft, komt nog al eens voor. Wanneer de lever evenwel goed is voorbewerkt en even is afgebroeid, zal deze fout niet voorkomen. Uitsluitend onvoldoende uitwateren en afbroeien is de oorzaak. Het bloed dat in de lever zit, trekt tijdens het koken door het afgezette vet met bovengenoemd gevolg. Het overschrijden van het Federgetal bij gewone lever- worst komt ook nogal eens voor. Een der oorzaken is, dat men het met het verwerken van zwoerd in deze worstsoort in vele gevallen niet zo erg nauw neemt. Soms neemt men een zo hoog percentage zwoerd, dat eigenlijk niet meer van leverworst gesproken kan worden, doch van een mindere soort hoofdkaas, waaraan wat lever is toegevoegd om de smaak van leverworst enigszins te benaderen. Om deze worst dan toch nog genietbaar te maken voegt men er een zeer groot percentage z.g. bouillon aan toe. Bij mindere toevoeging van vocht zou de worst nog taaier en elastischer zijn. Om het Federgetal te bepalen, deelt men zoals velen zullen weten, het percentage vocht door het percentage eiwit. Bij analysering van een worst, die aan de eisen van de Warenwet voldoet, zien deze cijfers er ongeveer als volgt uit: vocht 45%, eiwit 12% ; dus is in dit geval het Federgetal 45 : 12 = 3,75. Het Federgetal mag 4 zijn. Wanneer men dus, om de taaiheid van de worst zo veel mogelijk weg te werken, steeds maar meer vocht toevoegt, dan gaat hierdoor het vochtpercentage naar verhouding stijgen terwijl het eiwitpercentage gaat dalen. Om een gewone leverworst te maken, neme men het volgende in acht om overtreding van het Federgetal zo veel mogelijk te voorkomen. De samenstelling neme men ongeveer als volgt: 20 à 25% lever, 55 à 60% afvallen (varkenskoppen enz.) en 20% zwoerd. De afvallen worden daags voor het koken met het zwoerd in ruim water gezet, dat enkele malen wordt ververst om ze blank te krijgen, terwijl de lever wordt behandeld als reeds eerder is vermeld. De afvallen en het zwoerd worden met zo weinig mogelijk bloed te leggen en daarna enigszins te laten opdrogen. Iedere slager gebruikt tegenwoordig nitriethoudend kleurzout zowel bij de wostbereiding als voor de zouterij, daar men met dit zout mooiere resultaten bereikt dan bij het gebruik van zout en salpeter. Gelderse rookworst zal door het kleurzout, bij rauwe aansnijding, niet doorgekleurd zijn, doch wanneer men deze worst kookt, komt de goede kleur toch tevoorschijn en juist hier schuilt een addertje onder het gras. Wat is nl. de oorzaak? Het nitriet werkt eerst kleurconserverend, als het vlees of de worst, waaraan het is toegevoegd, een temperatuur van ongeveer 25° C krijgt. Bij vleeswaren welke rauw worden verkocht, mag deze temperatuur in de rokerij niet bereikt worden, daar de vleeswaren dan gaan zweten met een grote kans op verstikken, terwijl spek, hammen enz. bij deze temperatuur week blijven en spoedig een ransige smaak krijgen. Om een rauwe worst op kleur te brengen is hiervoor geen andere oplossing, dan aan het kleurzout 1% salpeter en 1% dextrose toe te voegen. Vleeswaren, die in uitsluitend nitrietpekel gezouten zijn, kan men voor het roken twee à drie uur in handwarm water leggen, er voor zorgend, dat deze temperatuur van het water gedurende die tijd op handwarmte blijft. Beter is evenwel deze artikelen in pekel, gemaakt van bovengenoemde zoutsamenstelling te pekelen. Een ander voordeel is, dat pekel waaraan salpeter is toegevoegd, minder vlug omslaat (bederf) dan pekel gemaakt van alleen kleurzout. Bij het spuiten van hammen (snelpekelen) kunnen kleine foutjes gemaakt worden, die het eindproduct een minder smakelijk aanzien geven. Wij zullen trachten de meest voorkomende afwijkingen en de oorzaken ervan zo beknopt en duidelijk mogelijk weer te geven. Eerst willen wij er dan de nadruk op leggen, dat de spuitpekel absoluut gemaakt moet worden dan kleurzout met toevoeging van het bovengenoemde percentage dextrose en salpeter. Ook de pekel, waarin de hammen nog twee à drie dagen gepekeld worden voor deze gerookt en gekookt worden, moet van deze zoutsamenstelling gemaakt worden. Onvoldoende kleur op het snijvlak vindt in vele gevallen haar oorzaak in een verkeerde samenstelling van het gebruikte pekelzout. Voor spuitpekel is nl. nitrietpekel noodzakelijk om van een voldoende kleur op het snijvlak verzekerd te zijn. Pekel gemaakt van zout met salpeter geeft bij snelpekelen niet het gewenste resultaat. Ook een te lage temperatuur in de pekelcel kan de oorzaak zijn. Miskleurige plekken op het snijvlak zijn het gevolg van lucht meespuiten of door onregelmatige verdeling van de pekel, door het onvoldoende verplaatsen van de spuitnaald, waardoor op enkele plaatsen opeenhoping van pekel ontstaat, terwijl enkele andere delen geen pekel krijgen. Grijze plekken. De hammen zijn onoordeelkundig gespoten, waardoor de doorkleuring onregelmatig is verlopen. Men lette er bij het spuiten vooral op, dat alle delen voldoende pekel toegevoegd krijgen, Ook het toevoegen van te veel salpeter kan de oorzaak zijn. Dit heeft juist een tegengestelde werking. Gris groene plekken. Verontreinigde pekel of onvoldoende reiniging van de pekelspuit zijn hier doorgaans de oorzaak. Groene plekken in het hart van de ham welke eerst ontstaan door het inwerken van de lucht als de ham is aangesneden, zijn het gevolg van onvoldoende gaar zijn. Taaie ham krijgt men door hammen van oude varkens met grofdradig vlees en een donkere vleeskleur voor kookhammen te verwerken. Malse hammen leveren jonge, magere vleesvarkens met een slachtgewicht van 80 tot 90 kg. Droge ham bij het aansnijden, De oorzaak hiervan is, dat men de hamkokers te sterk aandrukt voor en na het koken. Tijdens het koken zet de ham uit. Als de deksel nu te stijf op de ham drukt, ontstaat door de uitzetting van de ham persing, waardoor de vleessappen er uit worden geperst en het vlees daardoor droog wordt. Ook als een te koken ham op de juiste manier in de hamkoker is gedaan en er gedurende het koken geen sappen verloren gingen, kan men door de hamkoker, direct nadat deze uit de kookketel komt, te stevig aan te drukken, de ham droog van smaak maken. Om dit te voorkomen wacht men na het koken ongeveer één uur voor de deksel wordt aangedrukt. Ook te stevig gewikkelde hammen kunnen hetzelfde euvel hebben. Ook als men gespoten hammen in een te warme rook te lang rookt en deze dan op een te hoge temperatuur kookt, gaan zeer veel sappen verloren, waardoor de ham droog wordt. De meest sappige hammen verkrijgt men door deze in een matig warme rook (28 tot 30° C) in ongeveer twee uur - tot een lichtgele kleur is verkregen - te roken, dan de hammen gedurende 15 tot 20 minuten op ongeveer 100° C te koken, nu de temperatuur tot 85-80° C laten dalen en ze dan op deze temperatuur gedurende 4 tot 5 uren - al naar gelang de dikte - te laten trekken. Door het voorkoken sluiten zich de buitenste poriën, waardoor de sappen niet gemakkelijk verloren gaan. Sponsachtige structuur van de spuithammen ontstaat veelal door het forceren van de bewerking. Men wil binnen te korte tijd een verse ham tot gekookte ham maken en meent dit te kunnen bereiken door de toe te voegen pekel maar met meerdere procenten te verhogen. Het vlees wordt hierdoor evenwel uit elkaar gespoten en de ham wordt sponsachtig en zeer vochtig. Men spuite een ham niet sterker dan nodig is en pekele hem liever 3 tot 4 dagen na, zodat de ingespoten pekel gelegenheid heeft zich regelmatig te verspreiden. Poreusheid van de ham. Door te sterke druk van de toegevoegde pekel is het spierweefsel van het vlees gescheurd. Het spuiten moet dan ook onder matige druk plaatsvinden. De naald wordt hierbij schuin in de ham gebracht en tijdens het spuiten langzaam terug getrokken. Onaangename smaak vindt hare oorzaken in het volgende : Bij enigszins scherpachtige smaak heeft de ham in scherpe pekel gelegen en is met scherpe pekel gespoten. Stikkerige smaak. De afkoeling van het vlees na de slachting is te langzaam geschiedt of de hammen zijn door te lang ongekoeld hangen enigszins verwarmd, zodat ze reeds in zekere mate tot bederf overgingen voor het spuiten. Ook oude pekel en te slappe pekel kan een onaangename, oude smaak aan de hammen geven. Voor de bereiding van een prima eindproduct is nauwkeurigheid in de behandeling van vlees en gereedschappen een eerste vereiste. P. VAN D R E C H T ROSBIEFSOORTEN Wrijf een kg rosbief in met zout en bestrooi deze met peper. Schroei in heet vet het vlees dicht en laat het gedurende plm. 30 minuten, zonder toevoeging van water, braden. Houd hierbij het deksel van de braadpan iets geopend. Neem het vlees uit de pan en maak de jus af met water. Is er veel jus nodig, dan aan het braadvet een paar lepels tomatenpurée toevoegen. Dit laten kleuren en vervolgens met scheutjes water afblussen. Een passend nevengerecht bij koude rosbief is sla met gebakken aardappelen. RUNDERROLLADE Braad de gezouten en gekruide rollade aan in heet vet. Blus daarna het vet een weinig af met water. Braad het vlees verder en sprenkel regelmatig van het braadvet over de rollade. Voeg tevens af en toe een scheutje water toe. Het deksel zoveel mogelijk gesloten houden en de rollade ongeveer 20 minuten per 500 g verder gaarbraden. Het is wenselijk de rollade een nacht over te laten staan, ze snijdt dan gemakkelijker en voordeliger. Bijpassende groenten : sperziebonen, bloemkool, andijvie. DOORREGEN RUNDERROLLADE De bereiding vindt geheel plaats zoals bij runderrollade aangegeven. Het enige onderscheid ligt in de braadtijd. Deze wordt ongeveer verdubbeld. GEHAKT (zie gemengd gehakt) GEBRADEN OSSENHAAS Neem bij voorkeur een met spek gelardeerde haas. Door het larderen wordt de oppervlakte van het vlees vet en blijft hierdoor zacht tijdens het braden. Zout en peper het vlees en braad het vlug aan in heet vet of boter. De braadtijd bedraagt plm. 15 min per 500 g. Neem vervolgens het vlees uit de pan en maak de jus af met een weinig water. Leg de haas op een schaal en garneer het vlees met doperwten of met verschillende soorten groenten. Serveer bij voorkeur bij dit vleesgerecht gebakken aardappelen of pommes frites. BIEFSTUK Zout en peper de biefstuk, vlak voor het bakken. Gebruik half vet en half boter en maak dit goed heet. Schroei de beide vlakken dicht en bak de biefstuk vlug om en om af. Zodra na inprikken een druppeltje helder vocht verschijnt, is de biefstuk gereed. Heeft het druppeltje een witte kleur dan is de biefstuk te ver doorgebakken, hetgeen betekent dat hij te droog is geworden. BIEFSTUK A L'AMERICAIN Neem 100 g gehakte biefstuk, zout en peper deze en bak hem, zoals hierboven voor biefstuk werd aangegeven. Leg de biefstuk op een schaal. Bak vervolgens een plak ham in het hete vet. Spreid de ham uit over de biefstuk en giet de jus hierover uit. Vlij hierover uit een spiegelei en bedek dit met schijfjes tomaat en ketchup-saus. Opgediend met sla, sperziebonen en soortgelijke groenten vormt dit vleesgerecht een ware delicatesse. DUITSE BIEFSTUK Zout en peper de gehakte biefstuk. Bak deze vlug om en om en leg hem op een schaal. In de boter flink wat gesnipperde uien zacht bruin bakken en de uien over de biefstuk uitspreiden. BIEFSTUK TARTAAR Zout en peper de gehakte biefstuk en leg deze rauw op een schaal. Maak een kuiltje in het midden van de biefstuk en vul dit met een rauw eierdooiertje. Garneer de biefstuk met kleine hoopjes gehakte uien en gehakte augurken. Als avondschoteltje voldoet Biefstuk Tartaar uitstekend. BIEFSTUK WESTMORELAND Neem 100 g gewone biefstuk, zout en peper deze en bak hem op de normale wijze. Leg de biefstuk op een schaal en roer door het hete vet een weinig piccalilly (mosterdzuur). Leg de piccalilly op de biefstuk en serveer bij dit vleesschoteltje sla of andere groene groenten. ENTREC ÓTES De entrecotes van plm. 250 g zouten, peperen en bakken als biefstuk. Indien gewenst, in het hete braadvet champignons bakken en deze rangschikken op de entrecotes. Bijpassende groenten : alle soorten groene groenten en bloemkool. WIENER ROSTBRATEN Bak entrecotes van 250 g op de manier zoals hierboven werd aangegeven. Voeg aan het hete braadvet 25 g kleine spek blokjes toe, evenals een weinig gesnipperde uien, een snuifje paprika en 4 liter room. Breng alles net even aan de kook en bedenk dat bij iets te lang koken de room gaat schiften. Giet de massa uit over de entrecotes. RUMPSTEAK A LA PORTUGAISE Neem entrecotes met een gewicht van plm. 250 gram. Zout en peper ze en bak ze op de gewone wijze. Haal het vlees uit de pan en bak in het hete vet enige plakken bacon of gerookt doorregen spek. Leg deze plakken op de entrecotes en bedek ze met schijfjes tomaat. Giet hierover het braadvet. CHATEAUBRIANDS Zout en peper deze dubbele biefstuk van de haas en bak het vlees vlug om en om in half vet en half boter. Serveer bij voorkeur hierbij gebakken aardappelen met sla. GEMENGD GEHAKT Vermeng een halve kg gemengd gehakt met 150 g, in water geweekt en goed uitgeknepen, oud brood. Voeg een rauw ei, zout, peper en nootmuskaat toe, kneed het deeg link en proef het af. Verdeel het gehakt in 8 porties, vorm hiervan ballen en druk deze iets plat. Maak plm. 200 g vet goed heet in de braadpan en kleur het gehakt hierin aan. Breng vervolgens het gehakt over in de stoofpan. Voeg aan het hete vet in de braadpan een eetlepel tomatenpurée toe, kleur dit en blus de jus af met water. Giet de jus over de gehaktballen uit en laat het gehakt hoogstens 5 minuten gaarsmoren. Wanneer bij iets aandrukken het gehakt nog sappig aanvoelt, is het precies goed en niet te droog geworden. Groenten : alle soorten groenten en kool. KALKOENSTUK Zout en peper het vlees en braad het rondom bruin in half vet, half boter. Blus het vet af met water en laat het onder gesloten deksel verder gaarbraden. Voeg, wanneer het vocht uit het vet is verdampt, een scheutje water toe en begiet af en toe het vlees met braadvet. Neem een braadtijd van plm. 25 minuten per 500 g en voorkom vooral dat het vlees te gaar wordt. Maak op de gewone wijze de jus met water af. Bijpassende groenten : doperwten, asperges en compote. GEVULDE KALFSBORST Kleur de geheel gereedgemaakte en opgebonden kalfsborst in heet vet en boter. Begiet het vlees voortdurend met braad vet en voeg af en toe een scheutje water toe. Maak bij voorkeur het vlees gaar in de oven en reken hiervoor 15 minuten per 500 gram. Zet, ter verkrijging van een goed snijvlak de gaar geworden borst onder een lichte pers en laat deze zo afkoelen. Serveer als groenten doperwten en worteltjes. KALFSPOULET Zet een halve kg poulet op met ruim een liter water. Breng dit aan de kook en schuim het water af. Voeg een stukje wortel, prei, ui, laurier en foelie aan het kooknat toe en trek de bouillon gedurende 20 minuten. Zeef de bouillon, verzamel het poulet, was dit af met koud water en laat het uitlekken in een vergiet. Smelt 100 g boter in een pan, voeg hieraan toe 120 g bloem en laat dit samen gaar worden. Koel dit mengsel af en giet er vervolgens plm. 1 liter bouillon bij. Roer alles glad en laat het eventjes doorkoken. Breng de saus op smaak met zout, peper, Worchestersaus en aroma. Voeg ten slotte nog toe een mengsel van een rauw eierdooier en een scheut koffieroom. Roer dit door de schotel en laat deze niet verder doorkoken. Breng het gewassen kalfsvlees over in de pan. Met rijst vormt deze schotel een voortreffelijk gerecht. KALFSPOULET MET KERRYSAUS Zout 1 kg poulet en wrijf het flink in met kerry. Maak in een platte pan een weinig vet heet en kleur het vlees hierin aan. Voeg een fijngesnipperd uitje toe en laat dit meekleuren. Meng een lepel bloem door het vlees en giet een halve liter water toe. Laat alles in een stoofpan gaar worden. Voeg, kort voor het opdienen, een aan kleine blokjes gesneden en eventjes aangebakken zure appel toe. Serveer met rijst. CROQUETTEN Breng 100 g kalfsvlees aan de kook in plm. 6 dl water. Schuim het kooknat af en voeg een boeketje toe van wortel, prei, ui, laurierblad en foelie. Laat het vlees gaar worden, neem het uit de bouillon, laat het afkoelen en snijd het aan zeer kleine dobbelsteentjes. Smelt 50 g boter in een pannetje, voeg er 60 g meel aan toe en laat dit in 3 à 4 minuten gaar worden. Zeef de bouillon en giet hiervan plm. 400 g toe aan de saus. Breng alles op smaak met zout, peper, Worchester en aroma. Voeg het vlees toe en laat het geheel nog een ogenblik goed doorkoken. Laat de massa geheel afkoelen en rol van deze hoeveelheid 6 croquetten. Wentel deze door ge klopt ei en paneermeel en bak ze in dampend frituurvet. Ook de bouillon van een geurige dunne soep kan in gezeefde toestand uitstekend dienen voor croquetten. In dat geval kan het kalfsvlees in de soep worden meegekookt. KALFSLAPPEN Zout en peper de lappen en bak ze in half vet, half boter lichtbruin. Breng het vlees over in de stoofpan en blus de jus af met een weinig water. Voeg de jus toe aan het vlees in de stoofpan en leg enkele plakjes geschilde citroen op het vlees. Bestrooi alles met paneermeel en stoof het kalfsvlees nog gedurende ongeveer 45 minuten na, bij voorkeur in de oven. Bijpassende groenten : spinazie en andijvie. KALFSBIEFSTUK Zout en peper het vlees en haal het door de bloem. Maak roomboter heet in de koekenpan, bak hierin het vlees aan weerskanten mooi bruin en schuif het tijdens dit proces gedurig heen en weer. Neem een baktijd van hoogstens 5 à 6 minuten voor biefstukjes van plm. 125 gram. Haal het vlees uit de pan en blus de jus af met water. KALFSTONG Reinig de tong met ruim water en laat ze vervolgens enige uren in koud water uittrekken. Zet ze op met ruim kokend water, waaraan per liter plm. 12 lepel zout is toegevoegd. Laat de tong gaar trekken in plm. 12 à 2 uur. De tong is gaar wanneer de tonghuid gemakkelijk afgetrokken kan worden. Verwijder deze huid en neem ook de tongbeentjes weg. Laat de tong afkoelen in eigen kookwater en serveer dit vlees met sperziebonen of witte bonen en presenteer er zure saus bij. KALFSHERSENS Zet de hersens in koud water en verwijder het vlies. Breng water aan de kook met een snufje zout, azijn naar smaak, een blaadje laurier en een stukje ui. Voeg hieraan toe de gewassen hersens en laat deze in plm. 10 minuten gaartrekken. Neem vervolgens de hersens uit het kooknat en laat ze afkoelen. Breng ze daarna op smaak met zout en peper en haal ze door de bloem. Bak de hersens in niet te hete boter langzaam bruin. Voeg aan het braadvet enige druppels citroensap toe en giet de jus uit over de op een schaal gedeponeerde hersens. Serveer de hersens bij purée en doperwten. KALFSZWEZERIKEN Zet de zwezeriken in koud water en laat ze goed uittrekken. Breng ze in water aan de kook en ververs daarna het kook- water (blancheren). Laat de zwezeriken gaar worden met een weinig boeket - wortel, prei, laurier, foelie - en haal ze uit het water. Zout en peper de zwezeriken en kleur ze aan in vrij hete boter. Blus met een weinig water de boter af en laat in de jus de zwezeriken langzaam gaarsmoren. Dien ze op met puntasperges, doperwten en purée. GEBAKKEN KALFS- OF VARKENSLEVER Snijd de lever aan niet te dunne plakken. Zout en peper deze en haal ze door de bloem. Bak de plakken in vet of boter tot ze gaar zijn. Neem de baktijd niet te lang, want hierdoor wordt de lever taai en droog. Breng de lever over op een vleesschaal en bak in de boter enige plakken bacon of gerookt doorregen spek. Spreid deze plakken over de lever uit en overgiet alles met het braadvet. Als nevengerecht zijn aardappelpurée en appelmoes zeer geschikt. LAPPEN VAN DE LAMSBOUT Vraag dikke lappen van de bout met been. Zout en peper ze en kleur het vlees in heet braadvet mooi bruin. Gebruik hiervoor een platte braadpan. Vervolgens in een stoofpan het vlees met enige kruiden laten gaarsmoren. Met witte bonen in tomatensaus een voortreffelijke combinatie. SPINNEKOP Zout en peper het vlees en braad het aan in een hete oven. Smoor het vlees verder gaar in een pan met gesloten deksel. Dompel de ragout-saucijsjes in heet water en braad ze vlug in vet of boter. Zet de spinnekop op een schotel en garneer het vlees met saucijsjes, wortel, pommes frites, doperwten, sla, enz. Plaats op de ribbetjes papieren manchetjes. MUTTON-CHOPS Dit zijn karbonaden van de beide lende-helften aan elkaar. Zout en peper het vlees en bak het in heet braadvet vlug bruin. Neem vóór het afblussen van de jus de karbonaden uit de pan. Serveer bij mutton-chops snijbonen of sla. GESCHRAAPTE LAMSCOTELETTEN Zout en peper de coteletten en bak ze vlug bruin in heet vet. Neem vervolgens de coteletten uit de pan en maak de jus af met een weinig water. Plaats bij het opdienen een manchetje op het kale einde van het ribbetje. LAMSPOULET MET KERRY-SAUS Zout 1 kg lamspoulet en wrijf het flink in met kerry. Maak in een platte braadpan het vet goed heet en kleur hierin het vlees mooi bruin. Voeg een gesnipperd uitje toe en laat dit meekleuren. Doe vervolgens een lepel bloem en een halve liter water in de pari en laat alles gaarsmoren. Gebruik voor dit laatste een stoofpan. Snijd enkele zure appels tot kleine blokjes en werk deze, even voor het opdienen door de massa, na ze een ogenblik aangebakken te hebben. Serveer bij deze vleesschotel rijst. LAMSZADEL Zout en peper het vlees en braad het aan in vet of boter. Braad het zonder afblussen langzaam gaar in plm. 15 minuten per 500 gram. Maak voorzichtig de rugappels (filets) los van het zadel. Snijd dit vlees in dunne plakken, leg het terug op zijn plaats en giet hierover uit de afgebluste jus. LAMSPOULET MET TOMATENSAUS Zout en peper 1 kg lamspoulet en kleur het aan in heet vet en in een platte pan. Voeg een lepel bloem toe en een halve liter water en voorts tomatenpurée naar kleur en smaak. Serveer de poulet bij aardappelpurée of rijst. LAMSROLLADE Gewoonlijk wordt dit vlees door de slager gezouten en gepeperd afgeleverd. Gebruik vet of half vet, half boter en maak dit in de braadpan goed heet. Braad de rollade rondom mooi bruin en voeg tijdens het braden een ui en een wortel toe. Blus de jus een weinig af en laat de rollade, afhankelijk van het gewicht nog 30 à 60 minuten braden. Neem het vlees uit de pan en maak de jus met water af. Zeef de jus en bind ze met een weinig aardappelmeel. LAMSHACHÉ Snijd 1 kg lamsvlees aan kleine stukjes, zout en peper het vlees en braad het mooi bruin in heet vet. Breng vervolgens het vlees over in de stoofpan. Snipper een vijftal uien en fruit deze in het braadvet lichtbruin. Voeg de uien bij het vlees en eveneens een paar blaadjes laurier. Maak met water het baksel in de koekenpan los en giet dit bij het vlees. Voeg plm. 1 dl azijn toe en laat alles plm. 2 uur zachtjes sudderen. SOEPEN De soepen worden onderscheiden in heldere en gebonden soorten. Zeer belangrijk is het trekken van de bouillon. Hiervoor worden bij voorkeur vette beenderen gebruikt, zoals knieën, knoppen van pijpen, enz. De beenderen worden opgezet met koud water. Het water wordt aan de kook gebracht en even later afgeschuimd. Vervolgens worden verschillende aromaten toegevoegd, zoals stukjes wortel, prei, foelie en een blaadje laurier. Een ui wordt op een hete plaat zwartgeschroeid en in de bouillon meegetrokken. De bouillon moet op een zacht pitje 12 uren trekken. Deze lange tijd is noodzakelijk, omdat de beenderen eerst na 8 uren hun "kracht" afgeven. Vervolgens worden de beenderen uit het nat gevist, waarna aan de bouillon een garnituur naar verkiezing wordt toegevoegd. Dit garnituur bestaat veelal uit vermicelli, soepgroenten, rijst, etc. KALFSSOEP Maak bouillon - maar nu van kalfsbeenderen - zoals hierboven werd aangegeven. Smelt voor ongeveer 2 liter soep een ons boter, roer hierdoor plm 120 g bloem, voeg een stukje foelie toe en laat alles samen gaar worden. Laat de massa koud worden en doe daarna de twee liter bouillon er bij. Zeef de soep nadat ze ongeveer 15 minuten heeft gekookt. Gebruik voor garnituur gekookte rijst en kalfspoulet. Maak de soep ten slotte af met een mengsel van een rauwe eierdooier en een scheut koffie-room. LAMSSOEP Trek de bouillon van lamsbeenderen naar het gewone recept. Voor garnituur gort, soepgroenten en lamspoulet mee laten koken tot alles goed gaar is. GEBAKKEN WORSTSOORTEN GEBAKKEN BLOEDWORST Neem plakken van plm. 1 cm dikte en bak deze in niet te hete boter mooi bruin. Snijd van een geschilde zure appel plakken en bak deze in de boter mee. Leg de schijfjes appel op de bloedworst en serveer de worst op deze wijze. GEBAKKEN ROLPENS Haal plakken van plm. 1 cm dikte door de bloem en bak ze in boter mooi bruin. Snijd een zure appel aan schijfjes en bak deze mee. Leg op iedere plak rolpens een schijfje appel. GEBAKKEN BOTERHAMWORST Bak plakken van plm. 1 cm dikte mooi bruin in boter en bak naar verkiezing een schijfje gesneden zure appel mee. J. HUIZENGA DEEL V HET MODERNE SLAGERSBEDRIJF HOOFDSTUK 1 VESTIGING VAN EEN BEDRIJF PLAATS VAN VESTIGING DE GEMEENTE DER VESTIGING Waar zal de beginnende slager zich vestigen? In de eerste plaats is daar het probleem van de gemeente der vestiging. Maar al te zelden wordt hiervan echter een serieuze studie gemaakt. Men zoekt in de plaats waar men woont en de beginnende slager zonder ervaring hapt snel toe als hij iets krijgt aangeboden. Het is veel juister zich te realiseren of het wel wenselijk is, zich in de eigen plaats van inwoning te vestigen. Iedere gemeente, hetzij stad, dorp of grote stadswijk, moet worden bestudeerd op de vestigingsmogelijkheden. Deze studie behoeft niet ingewikkeld te zijn, maar dient toch de volgende punten te onderzoeken en wel: a. het aantal slagers in verhouding tot het inwonertal; b. de plaats van vestiging in de gemeente. Eén slager op 1000 inwoners is voor Nederland ten naaste bij het gemiddelde. Dit is ook zo ongeveer de minimum eis die de zich vestigende slager moet stellen aan de gemeente zijner keuze. Er zijn tal van plaatsen waar per slager gemiddeld slecht 500 tot 800 inwoners zijn. Over het algemeen is vestiging in zulke gemeenten met klem te ontraden, tenzij de bevolking uit grote vleeseters bestaat, of de plaats nog in volle ontwikkeling is. Een plaats in volle groei is bijna altijd een opkomende industriegemeente. De slager die zich vestigt, dient zich dus allereerst op de hoogte te stellen van de plannen die de gemeentelijke autoriteiten koesteren t.a.v. industrievestigingen. In vele plaatsen wordt de vestiging van industrie aangemoedigd en wordt er zelfs alle mogelijke service aan verleend. In andere plaatsen d aarentegen wordt industrie hardnekking geweerd. Hoe mooi en verstandig de motieven ook kunnen zijn die zulke gemeenten tot dit standpunt brengen, de „nieuwe" slager doet verstandig zulke gemeenten te mijden. Hier moet echter een voorbehoud worden gemaakt voor de randgemeenten van grote industriesteden. In deze randrandgemeenten zelf wordt geen industrie gevestigd, maar er vestigen zich daarentegen dikwijls veel forensen. De plaatsen rondom steden als Eindhoven, Amsterdam, Rotterdam, Utrecht enz. ondervinden de resultaten van deze forensvestigingen terdege. Een speciaal woord van waarschuwing is op zijn plaats voor vele oude steden en stadjes in Nederland. Vooral als deze plaatsen zich niet hebben „verjongd" door industrie aan te trekken, verkeren deze gemeenten in min of meer kwijnende toestand. Over het algemeen zijn er naar verhouding veel te veel slagers gevestigd, die vrijwel allen met een kleine omzet de kost moeten verdienen. Zulke slagers beschermen hun klanten gelijk een kloek haar kuikens, zodat nieuwe slagerijen weinig kansen krijgen om tot een werkelijk flink bedrijf uit te groeien. Is naar dit alles terdege en op de juiste plaats geïnformeerd en rijpelijk overwogen, dan komt het volgende punt ter bestudering, nl. de plaats van vestiging in de gemeente. De slager die een nieuw bedrijf wil vestigen of een bestaand bedrijf wil overnemen, gaat doorgaans ook in dit opzicht niet voldoende weloverwogen te werk. Hij hoort dat er ergens een paar winkels gebouwd zullen worden, of een bedrijf ter overname komt en gaat er eens kijken. Als hij dan ziet, dat er wel wat mensen wonen dan is hij spoedig tevredengesteld en denkt dat het probleem van de vestigingsplaats daarmede bekeken is. Hoe gevaarlijk deze oppervlakkigheid nawerkt merkt hij eerst later, als hij ondanks zijn harde werken de winkelomzet maar niet omhoog kan krijgen. Hij moet dan de noodzakelijke omzet binnenhalen door het kweken van een grote uitbreng. Het werk, de zorg en het extra-personeel die de uitbreng vereist, bezorgt menige slager en zijn vrouw een 70 à 80-urige werkweek en vroegtijdige ouderdom, of een matige winst door te hoge loonkosten voor de uitbreng. In deze tijden neemt bij de huisvrouw geleidelijk de drang tot zelf winkelen toe. De redenen waarom en waardoor doen in dit hoofdstuk niet ter zake — het feit is bekend. Daarom is het zo verstandig, om de plaats van vestiging te kiezen in een omgeving waar : a. zoveel mogelijk gezinnen per slager wonen, dus in grote woonwijken, b. waar dagelijks veel mensen gaan winkelen, dus in centrum van stad, dorp of grote stadswijk. Tekening 6. Schematische plattegrond van een stad. Daarmede is de zaak nog lang niet bekeken. Juist in de woonwijken en winkelcentra kan de waarde van de stand onderling geweldig uiteenlopen. De beste vestigingsplaats in een woonwijk is de naar het centrum gerichte punt. Denkt men zich de plattegrond van een plaats eenvoudig BENODIGDE VERGUNNINGEN VOOR VESTIGING EN EXPLOITATIE De vergunningen, die de slager voor vestiging en exploitatie van zijn bedrijf nodig heeft, beperken zich tot die, voorgeschreven door de Hinderwet en door de Vestigingswet Kleinbedrijf. Hoe en waar de vergunning krachtens eerstgenoemde wet moet worden aangevraagd is vermeld in het hoofdstuk „Hinderwet", terwijl in het hoofdstuk „Vestigingswet" reeds e.e.a. wordt gezegd over het aanvragen en verlenen van de benodigde vestigingsvergunning. Deze vestigingsvergunning dient te worden aangevraagd bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, die hiertoe over formulieren beschikt. (Per aanvrage kan door de Kamer een bedrag van ten hoogste f 10.— worden geheven.) Bij deze aanvraag dienen de nodige bescheiden te worden overgelegd, waaruit blijkt, dat men aan de eisen van handelskennis, vakbekwaamheid en credietwaardigheid voldoet. Deze eisen zijn, voor wat handelskennis en vakbekwaamheid betreft, opgenomen onder het hoofdstuk „Middenstands- en vakbekwaamheidsdiploma". De minimum-eisen van credietwaardigheid bestaan voor het runder-, het varkens-, het paarden- en het lamsslagersbedrijf in: a. het beschikken over voldoende geldmiddelen om: 1. gedurende een jaar de inrichting te kunnen exploiteren, zulks te beoordelen in verband met plaatselijke toestanden en verhoudingen; 2. daarenboven van de totale kosten van het installeren der inrichting tenminste de helft contant te kunnen betalen; b. indien het bedrijfskapitaal geheel of gedeeltelijk uit geleende gelden bestaat, het beschikken over een bewijs, dat deze niet binnen twee jaar na dagtekening van de te verlenen vestigingsvergunning opeisbaar zijn. Is dit alles met bij de aanvraag ter verkrijging van de vestigingsvergunning over te leggen bewijsstukken aan te tonen en legt men daarbij tevens de diploma's van vakbekwaamheid en handelskennis, of de die diploma's vervangende ministeriële verklaringen over, dan zal de Kamer van Koophandel en Fabrieken de vestigingsvergunning aan de aanvrager of, indien er twee of meer aanvragers zijn, aan hen gezamenlijk, verlenen. Deze vergunning vermeldt: a. de naam van de ondernemer of de namen van de ondernemers en, in voorkomende gevallen, ook die van de beheerder of beheerders; b. de tak van detailhandel, ambacht of kleine nijverheid, die in de inrichting zal worden uitgeoefend; c. de gemeente en het perceel, waarin de inrichting zal worden gevestigd. Mocht de Kamer van Koophandel en Fabrieken het verlenen van de vergunning weigeren, dan wordt hiervan onder opgaaf van redenen aan de aanvrager of aanvragers per aangetekende brief mededeling gedaan. De Kamer beslist op de aanvraag uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst daarvan. Van een dergelijke afwijzende beslissing van de Kamer van Koophandel en Fabrieken kan de aanvrager of kunnen de aanvragers gezamenlijk in beroep komen bij de minister van Economische Zaken en wel door indiening binnen twee weken na dagtekening van de beslissing van een met redenen omkleed beroepschrift en gelijktijdige inzending van een bedrag van f 5,—. Zonodig wordt de aanvrager of worden de aanvragers gehoord, waarna de minister binnen vier weken na de dag van indiening van het beroep zijn beslissing neemt. Wordt de beslissing van de Kamer van Koophandel en Fabrieken bekrachtigd, dan ontvangt de aanvrager binnen een week hiervan bericht. Wordt de beslissing van de Kamer vernietigd, dan moet de Kamer binnen twee weken na ontvangst van de desbetreffende mededeling van de minister een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van de beslissing van de minister. In het laatste geval ontvangt de aanvrager het door hem betaalde bedrag van f 5,— terug. Indien men zich binnen drie maanden na de dagtekening van de vergunning niet heeft gevestigd, vervalt de vergunning. Ook wanneer men een reeds gevestigde onderneming wil uitbreiden met een andere tak van bedrijf, b.v. wanneer men een runder-, varkens- en lamsslagersbedrijf wil uitbreiden met het paardenslagersbedrijf of omgekeerd, heeft men een vestigingsvergunning nodig. Ook is dit het geval bij wijziging in de personen van ondernemers of beheerders, dus bij uittreding of toetreding van een vennoot, omzetting van een eenmanszaak in een vennootschap, opvolging van vader door zoon, enz. Géén vergunning is echter vereist, wanneer bij overlijden van een ondernemer diens eigendom op zijn weduwe en/of wettige minderjarige kinderen overgaat, wanneer ingeval van faillissement het bedrijf in opdracht van de curator wordt voortgezet en wanneer dit geschiedt door een of meer bewindvoerders in geval van voorlopige verlenging van surséance van betaling. Een voorlopige vergunning kan door de Kamer van Koophandel en Fabrieken worden verleend, wanneer de omstandigheden — zulks ter beoordeling van de Kamer — meebrengen, dat reeds wijziging in de personen van ondernemers of beheerders plaats heeft vóórdat op een reeds ingediende aanvraag tot voortzetting van de bedrijfsuitoefening is beslist of vóórdat een aanvrage om vergunning tot voortzetting van de bedrijfsuitoefening is ingediend. Met een dergelijke vergunning is het slechts mogelijk het betreffende bedrijf in stand te houden tot twee maanden nadat een afwijzende beslissing onherroepelijk is geworden of — in het tweede hiervoor genoemde geval — tot twee maanden nadat de wijziging in de personen der ondernemers heeft plaatsgevonden indien de vergunning tot voortzetting niet werd aangevraagd en zo dit wel het geval is geweest, tot twee maanden nadat een afwijzende beslissing onherroepelijk is geworden. In bijzondere omstandigheden kan de Kamer van Koophandel deze termijn met ten hoogste een maand verlengen. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden kan de Kamer van Koophandel zowel bij opkomst in werkelijke militaire dienst als bij terugkeer uit werkelijke dienst van de ondernemer een bijzondere vergunning verlenen. J. P. BEUN Middelbaar-onderwijswet aangewezen bijzondere handelsavondschool met 3- of 5-jarige cursus, hetwelk is afgenomen volgens het voor deze scholen bij Koninklijk besluit van 27 Februari 1951 (Stbl. 61) vastgestelde examenreglement, voor zover het de onder I en II genoemde vakken van het eveneens bij dat besluit vastgesteld programma omvat; de diploma's en getuigschriften van 3-, 4- of 5-jarige handelsavondscholen, waarvan de eindexamens op andere wijze dan volgens bovengenoemd reglement zijn afgenomen; doch die hetzij bij vroegere beschikkingen waren aangewezen en tot en met het jaar 1952 zijn afgegeven, hetzij voor zover uitgereikt in het jaar 1953, mede ondertekend zijn door een door de Minister van Economische Zaken aangewezen vertegenwoordiger van de Stichting Middenstandsexamen Algemene Handelskennis ; het diploma Algemene Handelskennis, uitgereikt namens de Stichting Middenstandsexamen Algemene Handelskennis aan candidaten, die met goed gevolg het examen hebben afgelegd na gedurende drie jaren handelsonderwijs in schoolverband te hebben genoten, mits dit de handtekening draagt van een door de Minister van Economische Zaken aangewezen vertegenwoordiger van de Stichting Middenstandsexamen Algemene Handelskennis. De minimum-eisen van vakbekwaamheid omvatten voor het runderslagersbedrijf, resp. het varkensslagersbedrijf, resp. het paardenslagersbedrijf: a. vee- en vleeskennis: 1. kennis van de inkoop van slachtrunderen en kalveren (resp. varkens, resp. slachtpaarden) ; 2. het bepalen van de kwaliteiten van een levend en van een geslacht rund en kalf (resp. varken, resp. slachtpaard) ; voor het runderslagersbedrijf: 3. kennis van het verliespercentage aan beenderen van verschillende soorten runderen, zoals ossen, koeien, vaarzen, stieren, vette en nuchtere kalveren, alsook het op het eerste gezicht kunnen vaststellen of een achtervierendeel afkomstig is van een stier, os, koe of vaars, met vaststelling van kwaliteit en schatting van het gewicht; voor het varkensslagersbedrijf: 4. kennis van het verliespercentage aan beenderen bij het slachten van een varken, alsook van het vaststellen van kwaliteit en het schatten van het gewicht ; voor het paardenslagersbdriff : 5. kennis van het verliespercentage aan beenderen van slachtpaarden en van het schatten van het gewicht; 6. kennis van de meest voorkomende ziekten bij runderen (resp. varkens, resp. slachtpaarden) ; 7. kennis van de behandeling van runderen (resp. varkens, resp. slachtpaarden) vóór en van rundvlees (resp. varkens- resp. paardevlees) na het slachten ; 8. kennis van de aanwendingsmogelijkheden en van de voedingswaarde van rundvlees (resp. varkens-, resp. paardevlees) ; voor het paardenslagersbedriff: 9. het kunnen bepalen van de leeftijd van een slachtpaard beneden de zes jaren ; b. slachten en verwerken: 1. het volledig slachten van een rund en kalf (resp. varken, resp. slachtpaard) ; 2. het verdelen en uitbenen van een rund en kalf (resp. varken, resp. slachtpaard) ; 3. het volledig klaarmaken van bestellingen en daarbij op zo voordelig mogelijke wijze aanwenden van de verschillende delen van rund en kalf (resp. varken, resp. slachtpaard) ; 4. enige kennis omtrent de verwerking van slachtafvallen in het runderslagersbedrijf (resp . varkens- resp. paardenslagersbedrijf) ; voor het paardenslagersbedrijf: 5. het kunnen afsnijden van een paard en de delen behoorlijk kunnen klaarmaken voor de zouterij ; voor het varkensslagersbedrijf: 6. het afsnijden van een varken en het klaarmaken van het spek voor de zouterij ; c. vet- en vleeswarenbereiding: 1. het bereiden van de meest gangbare worstsoorten en gang- bare vleeswaren (voor het runder- en varkensslagersbedrijf); het bereiden van rook- en kookworst van paardevlees (voor het paardenslagersbedrijf); 2. kennis van de zouterij en de rokerij (voor het runder-, resp. varkens-, resp. paardenslagersbedrijf); voor het runderslagersbedrijf):: 3. het smelten van rundvet; voor het varkensslagersbedrijf:: 4. het smelten van reuzel; 5. enige kennis omtrent de bij de vleeswarenbereiding benodigde ingrediënten (voor het runder-, resp. varkens-, resp. paardenslagersbedrijf); d . algemeen: 1. kennis van het etaleren in het runderslagersbedrijf (resp. varkens-, resp. paardenslagersbedrijf); 2. kennis van de meest voorkomende gereedschappen en machines in het runderslagersbedrijf (resp. het varkens-, resp. paardenslagersbedrijf); 3. enige kennis omtrent eenvoudige koeltechniek (voor het runder-, varkens- en paardenslagersbedrijf); 4 . kennis van de gebruiken bij de slachtveeverzekering (voor het runder-, varkens- en paardenslagersbedrijf); 5. kennis van de Vleeskeuringswet, Stbl. 1919, No. 524 en van de werking van de keuringsdiensten (voor het runder-, varkens- en paardenslagersbedrijf) ; De minimum eisen van vakbekwaamheid voor het lamsslagersbedriff omvatten: a. vee en vleeskennis: 1. kennis van inkoop van schapen, lammeren en geiten; 2. het bepalen van de kwaliteit van een levend en van een geslacht lam, schaap of geit ; b. slachten en verwerken: het slachten en uitsnijden van schapen, lammeren en geiten en het kunnen gereed maken van lamsbout, lamsrug en lamscoteletten. c . algemeen: als bij het runder-, varkens- en paardenslagersbedrijf. Het voldoen aan deze eisen kan blijken uit het bezit van het einddiploma afgegeven door de Slagersvakschool te Utrecht, uitgaande van de Vereniging tot Bevordering van het Slagersvakonderwijs en het diploma vakbekwaamheid van de Centrale Vereniging tot behartiging van de belangen van de Vlees- en Veehandel en aanverwante branches te Utrecht , beide diploma 's voor zover zij de handtekening dragen van de gecommitteerde van de minister van Economische Zaken . J. P. BEUN FINANCIERING Wanneer een i onge middenstander de vereiste vakbekwaamheid heeft verkregen en hij de wens heeft zich als zelfstandig ondernemer te vestigen, zal hij vooraf aandacht moeten besteden aan velerlei onderwerpen. Een daarvan is de financiering van zijn onderneming ; een gewichtig probleem. Wat onze jonge slager nu te doen heeft, is het opstellen van een begroting van het bedrag, dat op zijn minst nodig zal zijn èn voor de inrichting van het bedrijf en voor alles wat daarmede verband houdt èn tot dekking van het exploitatietekort, dat waarschijnlijk in de aanloopperiode zal ontstaan. Wanneer wij ons eerst tot de inrichting bepalen, zullen de volgende onderdelen attentie vereisen. 1. Aannemende, dat hij in staat zal zijn een winkelpand te huren, zullen wettelijke bepalingen hem dwingen de „kale" winkelruimte op een voorgeschreven wijze in te richten. Met behulp van een vertrouwd en kundig aannemer zal hij in de gelegenheid zijn het daarvoor vereiste bedrag vast te stellen. Aangezien bij de uitvoering van een dergelijk werk dikwijls enige tegenslag optreedt, zal hij er verstandig aan doen de som, waarvoor de aannemer het werk zal accepteren, te verhogen met 5 tot 10%. 2. Door een overleg met de speciale zaken op het gebied van de slagerij-inventaris en door het raadplegen van prijscouranten, zal hij het bedrag kunnen begroten, dat nodig is voor de aanschaffing van hakblokken, toonbank, haken, messen en ander gereedschap, gehaktmolen, snijmachine, étalage-materiaal, enz. Tevens zal hij op dezelfde wijze aan de weet komen, welk bedrag hij moet reserveren voor de aankoop van een koelkast en eventueel van een koelvitrine. 3. De jonge ondernemer heeft zich uiteraard van tevoren een beeld gevormd van de vermoedelijke omzet, welke hij denkt mettertijd te kunnen bereiken en daarmede is dan tevens bepaald, welk bedrag er ten minste aanwezig moet zijn ter financiering van de voorraad vlees en eventueel van vleeswaren. De practijk heeft geleerd, dat pas bij een omzet van ten minste f 40.000,— per jaar er, in het algemeen, aanleiding kan zijn een hoogst matig ondernemersloon te verwachten ; alleen reeds voor voorraad-financiering zal er dus voortdurend, roulerend, 800 à 1000 gulden voorhanden dienen te zijn. In nauw verband met de omzet staat de voorraad verpakkingsmateriaal. 4. Is de winkel voorbestemd een „loop-zaak" te worden, dan is er vrijwel geen sprake van „geld onder de mensen" ; een zorg minder. Wanneer de ondernemer echter voorziet, dat hij een uitbreng-zaak zal drijven, dan zal wel degelijk moeten worden begroot, welk bedrag aan debiteuren gemiddeld zal uitstaan. Bezie dit niet te lichtvaardig, want in het algemeen wordt een deel van de week- en maandnota's nog wel eens een weekje of langer uitgesteld; vooral in de vacantie-periode. 5. Ten slotte zal hij in de begroting bedragen dienen op te nemen voor . tal van kleinere posten zoals : transport(bezorg) fiets 1), eventueel een zonnescherm, aanleg telefoon, waarborgsommen voor huur, gas, electriciteit en water, verder voor drukwerk en dergelijke. Bij elkander vormen HS 31 deze posten nog een bedrag, dat zeker niet mag worden onderschat. Thans de raming van het bedrag, dat nodig kan zijn tot dekking van de te lijden verliezen in de aanloop-periode. Het is immers niet waarschijnlijk, dat terstond de getaxeerde, noodzakelijke omzet wordt bereikt ; dat betekent, dat aanvankelijk de winst ontoereikend is. Met andere woorden : de eerste tijd zal hij op de exploitatie geld toeleggen, welke tekorten bij een verwachte normale ontwikkeling van het debiet geleidelijk afnemen. Aan de hand van de geschatte weekomzet, welke op den duur zal worden verkregen en door middel van het bekende calculatie-schema volgens de Verordening Prijsvorming Slagersbedrijven 1951 is de toekomstige brutowinst, op basis van de getaxeerde omzet, te bepalen. Ook de lasten, constante en variabele, zijn bekend alsmede de privé-behoeften. Uit de ervaringen van reeds gevestigde collega's zal onze beginneling wel een indruk kunnen verkrijgen op welke wijze en in welk tempo zich een groei in de wekelijkse omzetcijfers kan voltrekken. Door al deze gegevens zal hij ruwweg kunnen begroten hoeveel er in de aanvangsperiode zal worden verloren ; uiteraard, als alles naar wens verloopt, een met het verstrijken van de maanden dalend verlies, dat op een gegeven moment in een aanvankelijk kleine en laten wij hopen in een toenemende winst zal worden omgezet. Op de hier, in grove trekken, aangegeven wijze is er dus een mogelijkheid het verlies van, laat ons zeggen, het eerste jaar, ruwweg te begroten. Wanneer wij nu alle begrote posten totaliseren, verkrijgt men het bedrag, dat als aanvangskapitaal aanwezig behoort te zijn; zo mogelijk geheel als eigen vermogen. In de meeste gevallen zal dat niet te verwerkelijken zijn, want voor de inrichting van een slagerij-bedrijf is tegenwoordig een aanzienlijke som nodig. Het zal daarom veelal nodig zijn, dat het eigen ontoereikend vermogen wordt aangevuld door vreemde middelen ; daarvoor kan uit allerlei bronnen worden geput. Te dezer plaatse kunnen wij bezwaarlijk ingaan op de balans-techniek ; accountants en oudere vakgenoten kunnen als raadsman optreden. Uit welke bronnen kunnen nu aanvullende middelen worden verkregen? a. De geldlening van familie of vrienden. Een eerste vereiste is een zeer matige rente, althans het eerste jaar. Een tweede belangrijke voorwaarde is, dat de lening voor lange tijd onopzegbaar dient te zijn, want de ondernemer moet niet de kans lopen, dat hij plotseling komt te staan voor een opvraging, welke de continuïteit van het jonge bedrijf in groot gevaar kan brengen. En ten slotte, de aflossingen -zo deze worden bedongen - dienen pas in het tweede, beter nog derde jaar aan te vangen. Het handhaven van een goede liquiditeit is, in deze branche vooral, een besliste noodzaak. b. De koop op afbetaling van een of meer van de „grote" aanschaffingen, bijv. de koelkast. Zonder deze methode nu terstond te verwerpen, moeten wij toch wel wijzen op 1) Wij nemen maar aan, dat hij zich niet waagt aan een bestelauto, waarvan de rentabiliteit meestal twijfelachtig is. het feit, dat de ondernemer niet onaanzienlijke financieringskosten heeft te voldoen, terwijl de verplichtingen tot afbetaling meestal zwaar zijn ; vooral in het eerste jaar, waarin meestal nog geen of slechts een gering winstoverscho t mag worden verwacht. c. Het normale crediet, dat, in theorie, door elke handelsbank wordt verstrekt, mits het gevraagde bedrag in een goede verhouding staat tot het eigen vermogen, de dekking aanvaardbaar is, terwijl de rentabiliteit voldoende moet vaststaan. Aangezien echter de grote banken veelal geen belangstelling hebben voor de kleine credieten, zal men zich bij voorkeur moeten wenden tot de Nederlandsche Middenstandsbank, welke instelling in alle belangrijke plaatsen van Nederland bijkantoren of correspondenten heeft. Om teleurstelling te voorkomen zij hier opgemerkt, dat voor een beginnend bedrijf de rentabiliteit bezwaarlijk met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. Aangezien bovendien het normale handelscrediet in hoofdzaak moet dienen ter financiering van de vlottende activa en deze juist bij de slagerij relatief onbelangrijk zijn, heeft het nor- male bankcrediet voor de eenvoudige slagerij niet zo veel betekenis. d. Het bedriffsuitrustingscrediet, dat uitsluitend door de Nederlandsche Middenstandsbank wordt verstrekt ter financiering van de inrichting en van de aanschaffingen. Een voordeel van deze credietvorm is gelegen in de matige rente, welke wordt berekend, zeker zeer matig in vergelijking met de rente-voet, welke bij de koop op afbetaling wordt toegepast. Een ander voordeel is, dat de aflossingen kunnen worden verdeeld over een reeks van jaren. Voldoet men behoorlijk aan zijn rente- en aflossingsverplichtingen en vertoont het bedrijf een behoorlijke rentabiliteit, dan behoeft men niet bevreesd te zijn, dat het crediet op een ongelegen moment wordt opgeëist. In eerste aanleg hebben wij bepleit, dat de ondernemer het gehele bedrijfskapitaal als eigen vermogen dient te fourneren. Dat is, het ligt voor de hand, de gezondste financieringsmethode. Als tegengesteld uiterste staat de financiering met uitsluitend opgenomen leningen en/of koop op afbetaling. Is de eerste vorm dikwijls niet mogelijk, dan dient deze toch zoveel mogelijk te worden benaderd, terwijl niet genoeg kan worden gewaarschuwd tegen een opzet, welke geheel steunt op vreemde middelen. Hierbij zij nog vermeld, dat men zonder enig eigen vermogen geen normaal crediet of Bedrijfsuitrustingscrediet als aanvulling, kan verkrijgen. En dat de bank deze voorwaarde stelt, is begrijpelijk, want zij heeft een jarenlange ervaring op het gebied van de bedrijfsfinanciering en weet beter dan wie ook wanneer men de gevaren-grens overschrijdt. In het voorafgaande hebben wij vrijwel niet met concreet cijfermateriaal gewerkt en wij deden zulks met opzet. Immers, geen geval is gelijk aan het andere ; er zijn steeds andere omstandigheden. Wat wij gaven, is dan ook een globale theoretische beschouwing, welke zal moeten worden gevolgd door becijferingen en besprekingen met adviseurs, welke op dit terrein thuis zijn. Wij noemden reeds de accountant en de oudere vakgenoot. Behalve deze mogen, moeten wij zelfs, noemen het Bedrijfseconomisch en Boekhoudkundig Bureau, gevestigd in het „Huis der Slagerij", Anna Paulownastraat 58B te 's-Gravenhage en de directeuren van de kantoren van de Nederlandsche Middenstandsbank. Hiermede zouden wij ons betoog kunnen besluiten, ware het niet, dat de financierings-opzet gevolgd wordt door de latere normale bedrijfsfinanciering. Het is in dit bestek bezwaarlijk een alles omvattende beschrijving daarvan te geven. Wel kunnen wij enige regelen geven, welker naleving een gezond beleid en beheer bevordert. 1. Bewaart altijd een ruime liquiditeit. U komt dan nooit in geldverlegenheid bij een tegenslag van niet te grote omvang ; zijn er eens koopjes te halen dan bent u daartoe in staat ; doet zich een gelegenheid voor het huurpand in eigendom te verkrijgen of kunt u een filiaal stichten of een reeds bestaande zaak overnemen, dan zijn de contanten daarvoor geheel of althans voor een deel aanwezig. 2. Reserveert uw afschrijvingen. In uw calculatie-schema is een post opgenomen voor afschrijvingen op de immobilia en andere investeringen. Houdt de door afschrijvingen vrijkomende bedragen terdege apart, bijv. op een spaarbankboekje. Zoudt u dit niet doen, dan bestaat het grote gevaar, dat zij als privé-opnamen worden „opgegeten" of dat zij worden besteed aan zaken, welke misschien wel plezierig, doch niet bepaald nodig zijn. Onherroepelijk komt immers de dag waarop u moet vernieuwen en dan dienen de uit afschrijvingen voortgesproten middelen in contanten aanwezig te zijn. 3. Verzekert u tegen onheilen. Verzekert u tegen risico's, welker gevolgen voor uw gezin en uw bedrijf fataal kunnen zijn. Een deskundig verzekeringsagent of uw bank zullen u gaarne adviseren tegen welke gevaren u zich dient te assureren en tot welke bedragen. Al is uw financieel beleid nog zo gezond, zonder goede verzekeringen hebt u op slappe grond gebouwd. 4. Houdt een doeltreffende administratie. Deze alleen immers stelt u in staat de gang van zaken nauwlettend van week tot week en van maand tot maand te volgen. Door vergelijkend cijfermateriaal te gebruiken, dienen afwijkingen terstond aan het licht te treden. Slechts dan kunt u ogenblikkelijk — dus tijdig — ingrijpen en daardoor voorkomen, dat bedrijfsgebreken te lang een schadelijke invloed kunnen uitoefenen. Bovendien met een doelmatige, dus overzichtelijke, boekhouding staat u op goede voet met de fiscus en zoudt u ooit een bankcrediet behoeven, dan is de eerste vraag naar uw balans en verlies- en winstrekening ; liefst over een aantal jaren. 5. Past bedriffsvergelijking toe. Ten slotte, werkt mede aan de bedrijfs-economische onderzoeken van het Economisch Instituut voor den Midden- stand te 's-Gravenhage. Daardoor arbeidt u aan de verheffing van uw branche en verkrijgt u een schat van gegevens ter vergelijking met de omzetten, loonfactor, kosten, bruto-winst percentage en netto-resultaten in uw eigen bedrijf. Ook deze stellen u in staat gebreken op te sporen en te verbeteren ten bate van de financiële uitkomsten. In de hoop u in korte trekken iets te hebben gegeven, waarmede u uw voordeel kunt doen, moet mij een laatste raad uit de pen : luistert naar anderen, die kunnen bogen op een gedegen ervaring, opdat u veel teleurstelling worde bespaard. K. FRIELINK Kzn. WETTELIJKE EISEN, WAARAAN DE VERSCHILLENDE BEDRIJFSLOKALEN MOETEN VOLDOEN. Artikel 19 van de Vleeskeuringswet bepaalt, dat bij algemene maatregel van bestuur, ter wering van voor de volksgezondheid schadelijke producten, eisen zullen worden gesteld, waaraan slachterijen, vleeswinkels, bewaarplaatsen van vlees, vleeswarenfabrieken, vilderijen, penserijen, drogerijen, rokerijen, zouterijen van dierlijke stoffen, vetsmelterijen en inrichtingen, bestemd tot bewaring of verwerking van bloed of dierlijke afval moeten voldoen. Deze eisen zijn vastgelegd in het Koninklijk Besluit van 10 Juli 1926, Stbld No. 233, welk besluit diende ter vervanging van dat van 6 Juni 1921. Voor alle hiervoren genoemde inrichtingen gelden de navolgende eisen, tenzij hierbij uitdrukkelijk anders is vermeld. Daglicht Het daglicht moet in voldoende mate toetreden door het dak, door de wand of door beide. Minstens één van de wanden moet over de volle afmeting, die het lokaal aan de zijde van die wand heeft, buitenwand zijn met één of meer ramen van ongekleurd glas. Ongerekend glas in deuren, moet in ieder lokaal de gezamenlijke oppervlakte van het glas ten minste 1/6 deel van het vloeroppervlak van het lokaal omvatten. Ventilatie Door roosters, ventilatoren of beweegbare ramen moet voldoende buitenlucht kunnen worden binnengelaten. Tenzij de luchtverversing door electrische ventilatoren van voldoende capaciteit geschiedt, moet de gezamenlijke doorlaatruimte van ventilatie-openingen minstens 1/20 (voor pekelkelders 1/100) van het vloeroppervlak bedragen. Op koel- en vriesruimten is het bovenstaande niet van toe- passing indien op andere wijze in de luchtverversing wordt voorzien. Vloeren Behalve bij vries- en koelruimten moeten de vloeren vervaardigd zijn van een materiaal dat geen vocht doorlaat of opneemt. Er mogen geen scheuren en onnodige verdiepingen in zijn en ze moeten zoveel hellen, dat het spoelen schrobwater rechtstreeks of door een open goot gemakkelijk kan wegvloeien naar met een afneembaar rooster gedekte en van stankafsluiting voorziene kolken ; daarna moet het door een goed gesloten waterdicht rioolstelsel worden afgevoerd naar een buiten de inrichting gelegen waterdichte put. Het bovenstaande is niet van toepassing voor vries- en koelruimten, pekelkelders en vleeswinkels, wanneer het schrobwater niet weg kan vloeien. Hoogte Vanaf de vloer gemeten mag,behalve voor lokalen waarin uitsluitend vlees gezouten of gepekeld wordt, de hoogte op geen enkele plaats minder dan 21 m bedragen. Een opgehangen slachtdier mag met geen enkel deel de vloer kunnen raken. Wanden Met uitzondering van die van vries- en koelruimten, moeten de wanden, behalve het deel dat door deuren en vensters wordt ingenomen, aan de binnenzijde van steen zijn. Tot een hoogte van minstens 22 m moeten zij glad, waterdicht en licht van kleur zijn en niet bekleed of bestreken met enig materiaal, dat niet bestand is tegen reiniging met warm zeepwater. Hoeken De overgangen van vloer naar wanden en van wanden onderling moeten rond zijn afgewerkt. Zoldering Deze moet stofdicht zijn. Ruimte Deze moet zodanig zijn, dat de voor het bedrijf nodige handelingen en de controle naar behoren kunnen geschieden. Reiniging Alle lokalen en de zich daarin bevindende voorwerpen, het terrein en de kolken moeten geregeld schoongehouden worden. Iedere dag moeten onmiddellijk na het beëindigen van de werkzaamheden de lokalen en de voorwerpen en gereedschappen waarmee gewerkt is, gereinigd worden. Watervoorziening Wanneer in de gemeente een drinkwaterleiding aanwezig is, moeten alle bedrijfslocaliteiten daarop aangesloten zijn, tenzij Burgemeester en Wethouders geheel of gedeeltelijk ontheffing hiervan verlenen. Er mag, tenzij met vergunning van B. en W., geen ander water worden gebruikt. Terrein Het terrein voor de ingangen moet tot tenminste 1 m regelmatig bestraat zijn, zodat dit gedeelte afdoende gereinigd kan worden. Honden en katten Deze mogen niet aanwezig zijn. SLACHTERIJEN Daglicht Dit moet zodanig zijn, dat de keuring bij dag overal zonder kunstlicht en met gesloten deuren kan plaatsvinden. Afmetingen De afmeting en de inrichting van de slachtplaats moeten zodanig zijn, dat de slachting en de keuring zowel van het geslachte dier als van de organen behoorlijk kan plaatsvinden. Is er geen afzonderlijke hangruimte, dan moeten de geslachte dieren op minstens 2 m afstand van de slachtruimte (d.i. het gedeelte van de vloer van minstens 2 x 2 m waarop het dier wordt geslacht en waarop of waarboven het wordt afgeslacht) kunnen worden gebracht. Worden in de slachtplaats runderen (met uitzondering van nuchtere kalveren) of eenhoevige dieren geslacht, dan moet het lokaal minstens 5 x 3 2 m zijn, indien het geslachte dier niet onmiddellijk na de slachting daaruit verwijderd wordt. Is dit laatste wel het geval, dan kan worden volstaan met een lokaal van minstens 31-- x 31- m. Deze laatste mate n gelden ook voor lokalen waarin nuchtere kalveren, varkens, schapen of geiten (mits niet meer dan één tegelijk) worden geslacht. Gereedschappen Ter beoordeling van de keuringsveearts moeten voldoende tafels en haken voor de keuring aanwezig zijn. De tafels moeten een vlak, glad blad hebben en van hard materiaal zijn vervaardigd. Er moet in het lokaal wasgelegenheid zijn. De haken moeten zindelijk en vrij van roest zijn. Ligging en inrichting Deze moeten zo zijn, dat de slachtingen vanaf de openbare weg niet zichtbaar zijn. Verboden handelingen Noch in het slachtlokaal, noch in de hangruimte mogen kledingstukken en afvalproducten van dierlijke oorsprong of andere voorwerpen en stoffen, naar het oordeel van de keuringsveearts, aanwezig zijn. Gedurende het slachten en zolang vlees aanwezig is, mogen er geen andere werkzaamheden worden verricht, dan die tot de bedrijfsuitoefening en de keuring behoren. Na het slachten en de reiniging van het lokaal mogen daarin slechts werkzaamheden met vlees worden verricht. Evenwel mag verduurzamen of toebereiden van vlees niet gelijktijdig met andere werkzaamheden plaatsvinden. Maag en darmen mogen niet geopend en gereinigd worden in het slachtlokaal of het lokaal waarin het vlees zich bevindt. Slachtdieren mogen alleen ter onmiddellijke slachting in het slachtlokaal aanwezig zijn. In dit lokaal mogen niet tegelijkertijd varkens en andere dieren worden geslacht. Verbinding met andere ruimten De slachtplaats mag niet in rechtstreekse open verbinding staan met privaten, woningen, e.d. Afval Vaste afval, die niet onmiddellijk na iedere slachting van het terrein wordt verwijderd, moet in een afgedekte waterdichte bak worden verzameld en met kalk worden bestrooid. Stallen Indien bij de slachtplaats een stal aanwezig is, moet de vloer hiervan waterdicht zijn. Confiscaatemmer In iedere particuliere slachtplaats moet een metalen confiscaatemmer aanwezig zijn, voorzien van een goed sluitend deksel, waarin het na de keuring ondeugdelijk geworden vlees en ondeugdelijke vleeswaren moeten worden bewaard. Is in de gemeente geen plaats aangewezen waar afgekeurd vlees onder toezicht van de keuringsdienst wordt bewaard totdat dit wordt opgehaald om naar de destructor te worden gebracht, dan moet ook een door middel van een slot afsluitbare confiscaatemmer aanwezig zijn. VLEESWINKELS Verbinding met andere ruimten De winkel mag niet in rechtstreekse open verbinding staan met woonvertrekken, slachterijen, schaftlokalen, werkplaatsen ter bereiding van vleeswaren of ter bewerking van darmen en andere producten van dierlijke oorsprong, bewaarplaatsen van afvalproducten van dierlijke oorsprong en stallen. Aanwezigheid van andere stoffen Zelfstandigheden, die aan het vlees een bijsmaak kunnen geven of bederf er van kunnen bevorderen mogen niet aanwezig zijn. Aanwezig mogen slechts zijn : vlees en vleeswaren, in luchtdicht gesloten voorwerpen geconserveerde levensmiddelen, eieren, boter en margarine in een verpakking waarin het aan de verbruiker wordt afgeleverd en voorwerpen en inrichtingen, verband houdende met het bewaren en verkopen van vlees. Reiniging Alle gereedschappen, machines en andere inventarisstukken moeten in zindelijke toestand gehouden worden. In de winkel of in de onmiddellijke nabijheid moet een wasgelegenheid zijn met zeep en een zindelijke handdoek. De haken moeten zindelijk en vrij van roest worden gehouden. BEWAARPLAATSEN VAN VLEES Deze moeten droog en koel zijn. Ze mogen niet in rechtstreekse open verbinding staan met woonvertrekken, schaftlokalen, werkplaatsen ter verwerking van darmen en andere producten van dierlijke oorsprong of bewaarplaatsen van afvalproducten van dierlijke oorsprong en stallen. VLEESWARENFABRIEKEN Deze mogen niet in rechtstreekse open verbinding staan met woonvertrekken, vleeswinkels, werkplaatsen ter verwerking van darmen en andere producten van dierlijke oorsprong, bewaarplaatsen van afvalproducten van dierlijke oorsprong en stallen. Zelfstandigheden, die aan het vlees een bijsmaak kunnen geven of bederf ervan kunnen bevorderen mogen niet aan zijn. zijn.zijn. Haken, toestellen en gereedschappen moeten zindelijk en vrij van roest worden gehouden. Het personeel, werkzaam bij de bereiding van vleeswaren, moet zindelijke kleding en handen hebben. Er moet een wasgelegenheid met zeep en zindelijke handdoek aanwezig zijn. Tijdens de bedrijfsuitoefening mogen geen andere werkzaamheden dan die tot de bedrijfsuitoefening behoren, worden verricht, daaronder begrepen : slachten van vee en het reinigen en slijmen van darmen. Privaten en urinoirs Deze mogen in slachterijen, vleeswinkels, bewaarplaatsen van vlees, rokerijen, zouterijen van dierlijke stoffen en vetsmelterijen niet aanwezig zijn. Deuren, vensters en ventilatie- openingen er van mogen niet in de genoemde inrichtingen uitkomen. In vleeswarenfabrieken mogen deze deuren, vensters en ventilatie-openingen niet uitkomen in de bedrijfslokalen. Ook voor de inrichtingen tot bewaring van bloed en bloedplasma en tot verwerking van bloed tot bloedplasma of bloedplasmapoeder zijn nadere voorschriften gegeven. Dit Kon. Besluit is in werking getreden op 24 September 1926 en daarmee kwam het besluit van 6 Juni 1921 te vervallen. De inrichtingen die op eerstgenoemde datum voldeden aan de eisen van laatstgenoemd besluit, behoefden zolang ze aan die eisen voldeden niet aan de nieuwe eisen te voldoen. Voor de andere op 24 September 1926 reeds bestaande inrichtingen werden enkele eisen niet van toe- passing verklaard tot op de dag waarop het bedrijf in andere handen dan van de echtgenote of van de kinderen zou overgaan, de inrichting zou worden verbouwd of het bedrijf zou ophouden te bestaan. Gezien echter de tijd, die na de inwerkingtreding van het bedoelde Kon. Besluit is verstreken, mag worden aangenomen, dat thans alle inrichtingen aan de bij dit Kon. Besluit genoemde eisen behoren te voldoen. Overtredingen van deze voorschriften worden berecht en bestraft volgens de bepalingen van de Wet op de economische delicten. J. P. BEUN nogal groot. Ten eerste sluiten deze vitrines in de meeste gevallen de inkijk in de slagerij af, hetgeen tegen de moderne principes is. De gehele winkel „moet op straat liggen". Ten tweede wordt overdag de inkijk in deze vitrines belemmerd door overmatige weerspiegeling. De open gekoelde etalage. Reeds omstreeks 1930 werden hier en daar in ons land open gekoelde etalages geconstrueerd. Daarbij wordt van de etalagevloer een bak gemaakt. Deze bak wordt aan de voorkant en aan de zijkanten met een lage glasruit afgeschermd, welke even hoog of iets hoger is, dan de verdamper, die de etalagebak aan de achterzijde afsluit. De z.g. stille verdamper vult de etalagebak met koude lucht volgens het principe van stapelkoude, waardoor een beperkte trage circulatie ontstaat. Het voordeel van deze open gekoelde etalage is ongetwijfeld een goede inkijk, welke niet zo door allerlei glaslagen belemmerd wordt, terwijl ook de doorkijk in de slagerij geheel mogelijk blijft. Met deze etalage is men echter gebonden aan etalering uitsluitend op de bodem. Zodra men hoger gaat etaleren, komt men boven de koeling uit. Daarom is het effect van deze platte opengekoelde etalages niet zo bijster groot en blijft dit meestal beneden de verwachtingen. Open gekoelde etalage-toonbank. In dit geval loopt de open koeltoonbank met een bocht of hoek door de etalage, waardoor deze dus deels de etalage vervangt. Het koelgedeelte, dat achter de etalage — die ter plaatse veel smaller is — langs loopt, heeft een effect dat verkooppsychologisch tussen etalage en toonbank in ligt. Deze etalage heeft overdag dezelfde inkijkbezwaren als de gesloten vitrine, welke wij bespraken, nl. de grote weerspiegelingen van al die ruiten. Doordat dit etalagedeel één geheel vormt met de open gekoelde toonbank, ontstaat echter een machtig effect dat de inkijkbezwaren opheft. Men moet hierbij ook vooral niet uit het oog verliezen, dat het in een toonbank geëtaleerde meer vertrouwen wekt dan iets dat in de etalage ligt. Dat mag even vreemd klinken, maar op zijn eenvoudigst gezegd ziet het publiek het in de etalage geëtaleerde als „show" en het in de toonbank geëtaleerde als bestemd voor de directe verkoop. Dit laatste heeft dus een sterkere verkoopwerking. Om al deze redenen geven wij aan de open gekoelde etalagetoonbank de voorkeur. ETALAGE-MATERIALEN Vooral grote etalages zijn moeilijk geheel met vlees en worst te vullen. Naarmate de zon hoger aan de hemel staat, wordt dit probleem steeds nijpender. Vandaar dat men altijd gezocht heeft naar geschikte materialen, welke het etaleren met vlees en vleeswaren gedeeltelijk vervangen kunnen. Als een der eerste noemen wij daarvoor de imitatieworsten en vleeswaren (afb. 964). Er zijn industrieën in ons land, welke een lofwaardige graad van perfectie hebben bereikt in het imiteren van worst en vleeswaren. De goede imitatie heeft stellig het voordeel dat deze door het publiek niet als imitatie wordt herkend. De vakman herkent ze reeds van verre en zelfs op afb. 964 is duidelijk te zien, dat hier imitatieproducten zijn afgebeeld. Vooral voor het vormen van achtergronden en ondergronden zijn de imitatieproducten zeer geschikt. We zouden het anders kunnen zeggen. Overal waar de imitatieproducten uitsluitend dienen om een volheidseffect te verwezen lijken, is het gebruik aan te bevelen. Te allen tijde dient er echter tegen te worden gewaakt dat het publiek vraagt: „Slager, geef mij een stuk van die worst," waarbij de klant dan op de imitatieworst wijst. De slager zal dan moeten bekennen dat het een imitatie is. Hierdoor ontstaat teleurstelling bij de klant en wordt het vertrouwen in de geëtaleerde producten ondermijnd. Als men dus imitatieworsten etaleert, is het raadzaam steeds hierop een of meer echte worsten te leggen, zodat de imitatie min of meer wordt verstopt. Deze doet dan toch nuttig werk, omdat op deze wijze massale etalering mogelijk wordt zonder veel van het echte product te gebruiken. IMITATIE-PRODUCTEN VERGEN OOK ONDERHOUD Men ziet dikwijls in etalages of aan worstrekken imitatieworsten hangen die de leeftijd van Methusalem benaderen. Andere imitaties zijn soms hier en daar lek, ernstig verkleurd of zitten dik onder het stof. Stel dus aan de imitaties dezelfde eisen als aan het echte product. ETALAGE-FIGUREN Als vulmateriaal voor de etalage wordt ook wel gebruik gemaakt van stenen of gipsen dieren en slagers, al of niet humoristisch uitgebeeld. Sommige hiervan dienen tevens als draagplateau voor vleeswaren. Het nut van zulke figuren staat of valt met hun aanvaardbare vorm en functie. De aardige figuur van de kerstman met tekstkaart zal het zeker goed doen temidden van een aanlokkelijke kerstuitstalling (afb. 965). Ook de als slager afgebeelde big doet het niet kwaad, daar hij als nuttige taak het tonen van enkele sappige worsten verricht (afb. 965). Bepaald fraai maar ook kostbaar in dit opzicht is het berenpaar, dat tussen zich in een schat van uitgelezen vleeswaren toont (afb. 963). Echt iets om bij speciale gelegenheden te gebruiken, in een grote etalage. Zo moet men het gebruik van etalagefiguren trouwens toch zien. Van tijd tot tijd eens gebruiken en dan weer „op stal zetten". Zo blijft de werking tot in lengte van jaren behouden. Niets werkt voor een etalage zo dodend als altijd hetzelfde. Zeker moet men ook oppassen geen ordinaire etalagefiguren te gebruiken. BLOEMEN IN DE SLAGERSETALAGE Ook deze hebben enerzijds tot taak de etalering met vleesproducten te beperken. Belangrijker is echter het feestelijke accent dat zij aan de etalage geven. De bloemen behoren bij de „finishing touch" die van de etalage iets heel aparts maakt. Belangrijk is de juiste keuze der bloemen en planten. Een grote hoge etalage vergt langstelige forse bloemen of planten. Vooral bij hoeketalering is bijvoorbeeld een bos grote witte seringen achter een mooie vleesschotel een vorstelijk gezicht. Ook hierbij dient te worden bedacht, dat de verzorging van pant en bloem eerste klas moet zijn. Alle goede effecten in een etalage slaan spoedig in hun tegendeel om. Verlepte bloemen, onfris bloemwater, planten met verdorde en gele bladeren, bezorgen het bedrijf een minder goede naam. BIJ-ARTIKEL ALS ETALAGEVULLING Conserven, soepen e.d. zijn kleurig bedrukt en daarom geliefd en gewild als opvulling van de etalage. Daar zij niet verkleuren en niet bederven is het gebruik opdrukken af. Deze slijtage kan echter aanzienlijk worden beperkt door een slechte slagerskwaal af te schaffen nl. het in heet zeep- en sodawater afwassen. Daar kan celluloid beslist niet tegen en van de aldus mishandelde prijskaarten is dan ook de lak snel afgesleten. De beste schoonheidskuur voor celluloid prijskaartjes is een behandeling met spiritus. Nu worden celluloidkaartjes ook reeds bedrukt volgens het zeefdruksysteem. Hierdoor wordt de variatie in decoratiemogelijkheid van deze kaartjes aanzienlijk vergroot. Grotere kaarten voor het bekendmaken van speciale reclames worden ook reeds in celluloid geleverd. Daar dit nog in de kinderschoenen staat volstaan wij met vermelding der mogelijkheid. Prijskaarten moeten natuurlijk ergens mee, op of bij het geëtaleerde artikel worden geplaatst. Daarvoor zijn er prachtige celluloid prijspennen, waarin men de prijskaarten schuift. Deze pennen kunnen in het product worden gestoken, maar ze kunnen evenzeer worden benut als standaard waarmede het kaartje rechtop kan worden gezet naast of op het te etaleren artikel. Een nadeel van deze pennen is dat ze niet overmatig sterk zijn. Daarom wordt ook veel gebruik gemaakt van roestvrij metalen prijskaartpennen. Hierbij worden de prijskaarten tussen de dubbele omkrulling aan het boveneinde gestoken, terwijl . de punt in het product wordt gestoken. DRIE ETALAGETYPES Naar het doel waarvoor wordt geëtaleerd kennen wij drie types die hier besproken zullen worden. 1. dagelijkse presentering (reeds besproken) 2. speciale verkoopetalage 3. gelegenheidsetalage SPECIALE VERKOOPETALAGE Waar bij de gewone dagelijkse etalage het voornaamste doel is een overzicht of een indruk te geven van de sortering, daar speelt bij de speciale verkoopetalage meestal een enkel product de hoofdrol. BRAADVLEES-ETALAGE In het najaar wil de slager graag de gewone rundvleesverkoop krachtig stimuleren. Het is dan goedkoop en waarom zouden de klant en de slager daar niet extra van profiteren? Nu kan men de weg volgen om door middel van schreeuwende afslagbiljetten het publiek op een prijsverlaging te attenderen. Het is voor een echte volkszaak wellicht de aangewezen weg. Maar een kwaliteitszaak denkt hier anders over. Men geeft een goed etaleur opdracht iets bijzonder attractiefs te maken (af b. 967). Met de afgebeelde schouw en poppen in klederdracht plaatste de etaleur het artikel braadstuk in het brandpunt van de belangstelling der fijnproevers. Het geheel werd in de rechter etalagehoek geplaatst daar de linkerhoek hiervoor niet geschikt was, maar ook omdat de hoofdverkeersstroom in deze straat de rechterhoek het eerste ziet. BLOEMKOOL MET SAUCIJZEN Bij dit oer-Hollands gerecht hoort de even Hollandse molen als achtergrond (af b. 968). Tussen een zestal sneeuwwitte, gekapte bloemkolen slingeren zich de saucijzen in lange kettingen. Daar gehakt bij bloemkool even uitstekend smaakt werd er ook een keurig opgemaakte bal gehakt op een schotel tussen geplaatst. Om een rustgevende achtergrond te vormen is gebruik gemaakt van pakken vet op conservenblikken. Hierdoor dwaalt de blik niet rusteloos rond, maar stuit af op de rustige achtergrond en keert terug tot het etalagestuk. DE SHOWKIST Eenmaal etaleren, tweemaal effect. Dat is in het kort het nut van een showkist. Deze leent zich allereerst voor vulling met kleinvleesartikelen en vlug-klaar-variaties. De afgebeelde showkist (af b. 969) heeft een vulling met v.l.n.r. schouderkarbonaden, gehakte biefstuk, fricadellen, slavinken, gebraden biefstuk, fricadellen-gehaktballen, schoudermuis en een soepcomplet van mergstaven, ballen en soepvlees. Het geheel is in de rechterhoek met een fraaie orchidee bekroond. De showkist dient typisch voor speciale gelegenheden. GELEGENHEIDSETALAGES Wij kennen etalages voor de volgende speciale gelegenheden: a. Opening en heropening, b. Jubileum, c. Etalagewedstrijd, d. Pasen, e. Kerstmis, f. St. Nicolaas, g. Tentoonstellingen. MODERNE OPENINGSETALAGES Bij de opening of heropening van een modern slagersbedrijf worden er aan de etalering zeer speciale eisen gesteld. Op zijn eenvoudigst uitgedrukt zou men kunnen zeggen, dat niet alleen de etalage, maar het gehele bedrijf aan het publiek gepresenteerd moet worden. In dit opzicht is de heropeningsetalage van af b. 958 een geslaagd voorbeeld. Dit bedrijf was verbouwd, waarbij een open gekoelde toonbank werd geinstalleerd. De toonbank sluit direct aan op een ongekoelde etalage en „loopt" er zelfs als het ware in door. Hierdoor ontstaat van de straat af gezien een laag en ondiep linkergedeelte, dat met lage glaspanelen is afgesloten. Aan de rechterzijde is een hoeketalage trapsgewijs omhoog gebouwd. Zowel het linker- en rechter-etalagedeelte als de toonbank is met enige overdaad opgevuld. Dit is bewust geschied. Het doel is het publiek te overbluffen met een weelde aan vleessoorten en vleeswaren. Juist die overdaad, waaraan het publiek zich in drommen vergaapt, heeft een zeer grote lustwerking. In het linkergedeelte is een speciaal winter- kost-geheel opgebouwd. Als centrum hiervan een toren van verse worst, gewikkeld om een aluminium worststandaard. Daaromheen een weelde aan winterkost-artikelen, zoals mager spek, kluiven, varkenspoten, krabbetjes, nieren enz. Een en ander werd gedrapeerd op een zwart fluwelen lap en kleurig afgewerkt met tomaten en bloemistgroen. Een dergelijk geheel moge voor een gewone etalage niet aanvaardbaar zijn, voor een opening voldoet dit uitstekend. Overigens is dit deel der etalage rustig gehouden met enkele vlakke vleesschotels en worsten. Hierdoor blijft het winterkost-tableau de hoofdrol spelen. In de rechterhoek heeft de etaleur zich beijverd om een fraaie aansluiting van de etalage aan de toonbank te krijgen. De etalagehoek is hoog opgestapeld. Van onderen naar boven noteren we BEDIENEN EN VERKOPEN Laten wij aannemen, dat de slager erin geslaagd is, zijn bedrijf op gunstige stand te vestigen. Hij beschikt over een doeltreffende inrichting en brengt een prima artikel. Nu rest hem nog de edele kunst om het product aan de vrouw te brengen. Dit onderdeel — de verkoop — dat zeker tot het allerbelangrijkste van het gehele slagerambacht behoort, wordt nog veel te stiefmoederlijk behandeld. Men meent, dat als er maar iemand achter de toonbank staat, de zaak wel voor elkaar is. De slager die zich echter in de problemen van de verkoop verdiept en in gedachten zijn buurtgenotenwinkeliers de revue laat passeren, zal stellig goede en slechte verkopers noteren. Hij zal zich wellicht met enige verbazing realiseren, dat winkelier Jansen het met zijn mooier bedrijf en beter product aflegt tegen zijn collega Pieterse. Hij voelt, dat laatstgenoemde veel meer „vat" op de mensen heeft. Dat is een aangeboren, maar ook verder ontwikkelde „trek" van winkelier Pieterse en de vraag rijst, hoe een minder bedeelde ook deze vat op de klanten kan verwerven. Als antwoord op deze vraag komen wij eerst tot een aantal vereisten, waaraan een goede verkoper of verkoopster in een slagerij met persoonlijke bediening moet voldoen. 1. Een sympathiek uiterlijk. Hiermede wordt geenszins „knap" of mooi bedoeld. Wij zouden haast zeggen — integendeel, maar dat zou weer naar de andere kant overdreven zijn. Niettemin is van vele z.g. „lelijke" mensen bekend, dat zij uitstekende verkopers zijn. Zij oefenen door de uitstraling van sympathie en begrip een grote aantrekkingskracht uit. Bedienend personeel mag dus nimmer een afstotend uiterlijk hebben. 2. Een vriendelijke houding. Bedienend personeel moet zich beschouwen als hulp voor de huisvrouw. De verkoper moet dus a.h.w. naast de klant gaan staan. De klant moet het gevoel hebben, dat juist zij erg welkom is en dat de verkoper aan haar kant staat en haar niet als een „vijandige macht" tegenover haar, iets wil aansmeren. 3. De verkoper moet er verzorgd uitzien. Dus gestoken in een, dagelijks schoon, wit uniform. De verkoopsters een kapje op 't haar, geen gelakte nagels en fel geverfde lippen, doch wel verzorgd en fris. Verkoopsters kunnen ook in groene of zwarte japon met witte schort gekleed gaan. Vooral in betere bedrijven doet deze aparte verzorging zeer goed aan. 4. De verkoper moet de nodige vakkennis bezitten. Dat wil zeggen de vakkennis die nodig is voor het verkopen, dus niet de vakkennis welke nodig is voor het uitsnijden van vlees. Wie hier wil protesteren, moet even bedenken dat we het hier over een verkoper of verkoopster hebben en niet over een slagersbediende. Onder de nodige vakkennis moet worden verstaan de herkenning en benaming der stukken vlees, hun braadwijze en de groenten waarbij deze behoren te worden geserveerd. Daarnaast is ook veel kennis nodig van de worstsoorten en vleeswaren. In grote trekken moeten verkopers de samenstelling en bereiding kennen. Door hun grotere kennis kunnen verkopers deze producten daardoor met des te meer overtuiging aan de klant presenteren. Het moet worden geconstateerd, dat de slagerspatroons zelf meestentijds evenzeer te kort schieten. De slagersvrouwen maken door hun huishoudelijke kennis een veel betere beurt met de advisering van de huisvrouw-klant. Trouwens — vrouwelijk winkelpersoneel wint, mits het niet te jong is, sneller het vertrouwen van de klant dan mannelijk personeel. Daarom is er in vele slagerijen een streven om meer verkoopsters in het spel te betrekken. Wel moet wor= den gezegd, dat als verkopers zelf vlees af moeten snijden en tegelijk afleveren, de mannelijke verkoper beslist noodzakelijk is. Verkoopsters kunnen dus gebruikt worden voor de vleeswarenafdeling en voor de vers-vleesafdeling als er wordt verkocht van een kijk-wijs-toonbank, waarop het vlees kant en klaar uitgesneden ligt. De mannelijke vakman- verkoper is in dat geval nog slechts nodig voor de stukken vlees die een aparte bewerking nodig hebben, nadat de klant het heeft besteld. Bij het aannemen van verkooppersoneel zullen de candidaten dus aan bovengenoemde 4 eisen moeten worden getoetst. Vooral als men een slagerverkoper zoekt, moet men niet alleen op zijn vakmanschap letten, maar 66k op aantrekkelijkheid, vriendelijkheid, netheid en kennis van de keuken. In een modern slagersbedrijf met gekoelde kijk-wijs-toonbank zal, zelfs als het bedrijf vrij groot is, in de winkel slechts één slager-verkoper nodig zijn, aangevuld met verkoopsters. VORMING VAN PERSONEEL Volledig deskundig winkelpersoneel bestaat practisch niet. Daarom zal in de toekomst aan de vorming van verkooppersoneel veel zorg moeten worden besteed. Wij bedoelen hier dus zeer beslist niet de ambachtelijke vorming; deze bestaat reeds in ruime en afdoende mate in het instituut voor Slagers Vak Onderwijs. Alhoewel daar ook aan de verkoopvorming aandacht wordt besteed, dient dit in de practijk nog te worden aangevuld en uitgebreid. Veelal zullen de patroon en zijn vrouw deze verdere vorming ter hand moeten nemen. Zij kunnen zich voor deze vorming bekwamen door literatuur over verkoopkunde te raadplegen of door zich aan te sluiten bij een organisatie, die zich op het gebied van de verkoop in de slagerij specialiseert. UITBRENGPERSONEEL Een afzonderlijke bespreking verdient stellig het aan huis bezorgend personeel. Terwijl het winkelpersoneel voortdurend onder toezicht staat van de patroon, werkt de uitbreng- bediende geheel buiten diens gezichtsveld. Het is dan ook niet te verwonderen, dat bij vele slagers de uitbreng „uitsterft" ten gevolge van ondeskundig personeel. Terwille van de kostenfactor worden veelal loopjongens langs de deur gestuurd. Deze ongevormde, dikwijls nog brutale knapen, verspelen menige klant voor de baas. Zo wordt de goodwill ondermijnd. Men moet vooral voor de wijkbediening uitzien naar het betrouwbare, degelijke type, dat men met een gerust hart op pad kan sturen, wetend dat het in orde komt. Zulk personeel, dat dikwijls al wat ouder is en dus veelal getrouwd zal zijn, kost natuurlijk veel en veel meer dan een loopjongen. Daarom dient de slagerspatroon te streven naar een geconcentreerde wijk. Dit wil dus zeggen, een wijk, waarin veel klanten dicht op elkaar wonen, zodat per bediende een uitbreng van f 700.— tot f 1200.—, of wel van 175 tot 300 kg per week mogelijk is. Natuurlijk kan de omzetgrens van een wijkbediende, die enkel des ochtends wijkwerk verricht en des middags bijvoorbeeld uitbeent of worst maakt, lager liggen. Zo ziet men, dat voor de mogelijkheid van een goede wijkbediening de eis van een VLEESWAREN-VERKOOP EN BIJVERKOOP Het lijkt vreemd om vleeswaren ook als bijverkoop-artikel te noemen. In feite is het immers in vele bedrijven een hoofdartikel en zelfs het belangrijkste winstartikel. Het is dan ook allerminst een bijverkoop-artikel voor de vele vaste vleeswarenklanten, die enkele malen per week hun portie komen uitzoeken. Helaas zijn er altijd nog vele — zeer vele — klanten, die wel vlees halen bij de slager maar de vleeswaren bij de kruidenier of in een zuivelzaak kopen. Voor deze ontrouwe klanten moet de slager de vleeswaren zien als een bijverkoop, die hij ernstig moet nastreven. Wat hier dan ook verder over de vleeswarenverkoop wordt gezegd geschiedt speciaal met het oog op het winnen van vleeswarenklanten. De verkoop van vleeswaren bij de kruidenier is ontstaan door verschillende oorzaken. Enkele van deze oorzaken zijn: 1. de slager is slechts een matige afnemer van fabrieken, dus zoeken fabrikanten betere afnemers; 2. huisvrouwen bezoeken vaker de kruidenier dan de slager ; daardoor heeft de kruidenier grotere kansen om vleeswaren als „bijverkoop" te plaatsen; 3. de kruidenier brengt een weliswaar soms minder persoonlijk doch veelal constanter fabrieksproduct; 4. de slager beschouwt de vleeswaren en vooral de worstfabricage nog te veel als opruiming van incourante en overgeschoten vleesdelen. Punt drie is interessant en belangrijk. In Nederland staat de vleeshouwerij op hoog peil. Het is echter merkwaardig te zien, dat in streken waar dit peil het hoogst is de worstfabricage vaak zo veel te wensen overlaat. Vooral de vroegere „runderslagers" zijn veelal nog geen echte worst- makers. De beste vleesdelen zijn in Nederland dan ook nog altijd bestemd voor de vers-vleesverkoop. Ze blijven buiten de w orstkeuken. Hoe natuurlijk dit ook schijnt, is dit altijd een ernstige belemmering geweest voor de ontwikkeling van een goede vleeswarenproductie. Zolang men de vleeswarenproductie blijft zien als een restverwerking, zijn ongelijke eindproducten te verwachten. Er wordt niet altijd met vers vlees en volgens vaste receptuur en methode gewerkt. Deze opvatting vindt haar directe neerslag in de verkoop. Klanten die telkens een ander product voorgezet krijgen, dat nu weer eens smakelijk dan weer eens dor en droog is, zullen spoedig vatbaar zijn voor de lokstem van de kruidenier en comestibleszaak met hun constante product. Het moet gezegd worden, dat vele slagers in Zuid-Nederland, met name in Noord-Brabant en Limburg een beter begrip hebben voor het belang van een constant vleeswarenproduct. Zij aarzelen niet ook de beste vleesdelen (en deze vooral vers) te verwerken. Geen wonder, dat zij veel meer vleeswaren verkopen. De zwakkere positie die de slagersvleeswaar dus bij vele klanten heeft, maakt het nodig de bijverkoop aan klanten die uitsluitend vlees kopen sterk te stimuleren. De slager moet dit niet te licht opvatten. De vleeswarenomzet bij de kruidenier bedraagt vele millioenen guldens per jaar. Die gaan aan des slagers neus voorbij. HYGIËNE, ORDE EN AANTREKKELIJKHEID Dat zijn drie zeer belangrijke punten in de verkoop van vleeswaren. Het is nodig, dat de producten door hun voorkomen zichzelf als het ware reeds verkopen. Daarvoor is het noodzakelijk, dat aan de uitwendige verzorging der producten veel aandacht wordt besteed. Wij noemen hier een aantal punten op, die stuk voor stuk van nietig belang schijnen. Gezamenlijk echter vormen zij een belang van de eerste rang nl. de „attractive eye-catching" de „aantrekkelijke blikvanger" zoals de Engelsman en Amerikaan het noemen. Zodra een zending worst en vleeswaren uit de worstmakerij of van de fabriek komt, is het de eerste taak van de verkoper om ze op te knappen en op te bergen. De vleeswaren welke in de winkel blijven worden glimmend gewreven. Bij gerookte worsten en vleeswaren doet men dat met een weinig slaolie in de holte van de hand. Eventueel worden de eindjes netjes bijgesneden. Als worsten aan rekken worden gehangen doet men dit naar aflopende grootte van links naar rechts. Als worsten en vleeswaren op schotels worden gelegd, wordt er ter versiering een taartonderlegger opgelegd waarvan een slip buiten de schotel steekt. Op de vleeswaren of de worsten wordt een takje bloemistgroen gelegd, met een tomaat. Dit geeft contrastrijke effecten. Als er geen tomaten zijn worden ook wel fel rode Spaanse pepers gebruikt. In de kijk-wijs-toonbank behoren de daarin geëtaleerde vleeswaren te allen tijde aangesneden te zijn. Worstsoorten welke in doorsnede smaller zijn dan 10 cm worden schuin aangesneden. Zij tonen zo een veel groter en daardoor aantrekkelijker snijvlak. Alle vleeswaren moeten regelmatig worden nagekeken op verkleurde snijvlakken. Een grijs snijvlak „verkoopt" niet meer. Men moet niet verkeerd zuinig zijn doch in tegendeel royaal zijn met het bijhouden der snijvlakken. De afsnijdsels zijn immers nimmer verloren. Als afgesneden plakken en punten in blokjes worden gesneden gaan zij grif weg, als „macaroni-potpourri". Wie een schaal gevuld met macaronipotpourri - geprijsd op de betaalplaat van de toonbank plaatst, zal merken dat hij steeds te kort komt. Voorts kunnen puntjes en afsnijdingen in vleessalades worden verwerkt. Al met al behoeft men niet zuinig te zijn om de vleeswaren in prima verkoopconditie te houden. Na het verkopend uiterlijk te hebben behandeld gaan wij nu over tot een korte beschouwing over de aflevering. DE AFLEVERING VAN VLEESWAREN Het is vanzelfsprekend belangrijk voor de goede naam van het bedrijf, dat de plakjes vleeswaren op tafel gemakkelijk van elkaar te scheiden zijn en dat ze ook keurig, dus zonder flinters en dikke stukken, afgesneden zijn. Om dit te bereiken is het in de eerste plaats noodzakelijk dat de vleeswaren steeds in goede snijconditie zijn. Weke soorten als Berliner, leverkaas, tongeworst en ham behoren in warmere jaargetijden onder koeling te worden bewaard. In dat opzicht is een gekoelde kijk-wijs-toonbank natuurlijk ideaal. Wie deze niet heeft, zal op stille uren de kwetsbare soorten in de koelcel moeten plaatsen en deze alleen in de spitsuren op de toonbank brengen. Wie een wat grotere omzet heeft, zorgt, dat hij van iedere VERPAKKING DE VERPAKKING VOOR DE SLAGERIJ Enkele uitzonderingen daargelaten is het begrip Verpakking in het slagerijbedrijf tot nu toe beheerst gebleven door het absoluut noodzakelijke. Men moet op de een of andere manier een bestelling zodanig verpakken, dat deze zonder ongelukken thuis kan worden afgeleverd. Over het algemeen heeft de slager voor dat doel een hoeveelheid perkament en/of vetdicht papier in voorraad, alsmede vleeswarenzakjes, bruin of wit pakpapier en soms ook wel pakpapieren zakken. Het perkament of vetdicht papier dient voor het inwikkelen van het vlees. Een enkele keer wordt het ook gebruikt voor de verpakking van vleeswaren. Over het algemeen gaan de vleeswaren echter in een vleeswarenzakje. De zakjes zijn van perkament gemaakt en al of niet geparaffineerd. Geheel in de geest van het „noodzaak"-idee wordt veel van het verpakkingsmateriaal blanco gebruikt. Alleen de vleeswarenzakjes laat men over het algemeen met zijn eigen naam etc. bedrukken. In sommige gevallen geldt dit ook voor de pakpapieren zakken en/of het pakpapier. Dat is in het kort de toestand, zoals die op het ogenblik is. Natuurlijk is hij niet overal precies gelijk. De ene slager is tevreden met perkament-ersatz, terwijl zijn collega vetdicht papier beslist noodzakelijk acht. De ene slager vindt blanco verpakkingsmateriaal goed genoeg, waar de ander zijn verpakking zeer smaakvol en met naam bedrukt bestelt. De vraag, die in dit verband rijst, is er één naar de doelmatigheid van deze verpakking. Een vraag die maar al te veel buiten beschouwing is gebleven en waar toch alles om draait. IS UW VERPAKKING DOELMATIG? Nog al te veel staat de verpakking in het slagerijbedrijf in het teken van „de bittere noodzaak". Onverpakt valt er nu eenmaal geen vlees mee te geven. Dus moet er wat omheen. Een inzicht in de werkelijke doelmatigheid van hetgeen „er omheen" gaat, ontbreekt meestal. Wanneer is nu een vlees- of vleeswarenverpakking werkelijk doelmatig? In feite alleen dan, wanneer het vlees of de vleeswaren dank zij de manier waarop men een en ander verpakt, zonder kwaliteitsverlies, maar óók zonder verlies van de uiterlijke aantrekkelijkheid bij de klant thuis aankomt. Wat de klant smakelijk in de etalage of op de toonbank heeft gezien, dat verwacht hij ook smakelijk thuis te ontvangen. Blijkt dat niet zo te zijn, dan zal hij zich bedrogen voelen. De meeste slagers voelen dit ook wel aan. Zij trachten er rekening mee te houden. Zij beschikken echter zelden over de middelen waardoor zij tot een juist inzicht kunnen komen. Hoe verschaft men zich zulk een inzicht? Allereerst moet men zich bij het bekijken van de verpakking op het standpunt van de klant stellen. Gaat u eens in de practijk na hoe uw nette pakje de slagerij uitgaat en hoe het bij de klant thuis aankomt. Het is dan niet zo moeilijk meer om vast te stellen, wat u beslist niet meer moet doen. Mogelijkerwijze ziet u meteen ook al, wat u in uw verpakking kunt verbeteren. Hieronder volgt een overzicht van de verschillende papiersoorten die u bij de verpakking van uw producten kunt gebruiken. DE KOSTPRIJS-TECHNISCHE KANT Wanneer het over de kosten van de verpakking gaat, dan wordt er over het algemeen uitsluitend gelet op de prijs per 100 kg of per 1000 stuks. Met een loffelijke zin voor koopmanschap - de ware slager eigen - wordt er nauwlettend op toegezien, dat het verpakkingsmateriaal tegen de voordeligste prijs gekocht wordt. Beter is het de prijs eens kostprijs-technisch te bezien. Daarmee wordt bedoeld, dat u zich een beeld gaat vormen omtrent de vraag, hoe in uw zaak de verpakkingskosten nu eigenlijk per week liggen, want dan kunt u deze kosten ook eens gaan vergelijken met uw andere kosten per week (huur - licht - personeel - schoonhouden - reclame klantenwerving - bezorging - enz.). Vervolgens kunt u deze weekkosten gaan bekijken in het licht van uw bruto-omzet, bruto- en netto-winst. Pas op deze manier krijgt u antwoord op de vraag of u inderdaad aan uw goede werk bezig bent. Want al hebt u voor u zelf vastgesteld, dat er iets met uw verpakking gebeuren moet, dan moet toch altijd nog de vraag beantwoord worden of u dat financieel genomen kunt doen en in welke mate u het kunt doen. Vandaar dat het zo belangrijk is, dat u de verpakking kostprijs-technisch beziet. Dat wil dus zeggen, dat u de eigen verpakkingskosten per week, vergelijkt met uw andere kosten per week, en dat u de totale kosten per week vergelijkt met uw bruto-omzet en uw bruto- en netto-winst. TOEPASSING VAN DE VERSCHILLENDE PAPIERSOORTEN VERS VLEES VOOR DE UITBRENG kan worden verpakt in een goede kwaliteit (40 a 42 grs.) vetdicht. Een zwaardere uitvoering (ca. 56 grs.) is echter aan te bevelen, om elk risico uit te sluiten. Geparaffineerd papier is uiteraard eveneens zeer geschikt. VERS VLEES IN DE WINKELVERKOOP vraagt strikt genomen Om niet meer dan perkament-ersatz. Vetdicht papier heeft echter een veel geslotener oppervlak en verdient daarom de voorkeur. Geparaffineerd perkament of vetdicht is in dit opzicht ideaal, maar niet beslist noodzakelijk. GEHAKT Voor dit artikel is er maar één verpakking geschikt. Dat is geparaffineerd vetdicht, of ander geparaffineerd pa- pier. VLEESWAREN Ondergrond Voor het meegeven of bezorgen van uitgesneden vleeswaren is een „ondergrond" nodig waarop de schijven of plakjes kunnen worden uitgelegd. Voor dit doel worden wel stukjes golfcarton gebruikt. De bekende wit cartonnen schaaltjes voldoen echter beter. Deze geven aan het geheel een grotere vormvastheid, die belangrijk is tijdens de „vervoerperioden". Wel is aan te bevelen gevoerde schaaltjes te gebruiken of onder op het schaaltje een velletje perkament te leggen. Tussenleggers Voor tussenlegvelletjes tussen de vleeswaren worden nog dikwijls klein gesneden perkamentvelletjes gebruikt. Dit is niet juist. Ter bescherming van de goede kwaliteit verdient goed geparaffineerd perkament de voorkeur. De eigenlijke verpakking Perkament-ersatz van de rol of in de vorm van velletjes, zoals die nog in verschillende slagerijbedrijven worden gebruikt voor vleeswarenverpakking is niet aan te bevelen. Het perkament-ersatz trekt de sappen al te snel uit de vleeswaren. Vetdicht papier (gesloten oppervlak) voldoet in dit opzicht beter. De beste oplossing is echter het gebruik van geparaffineerd papier. Het vochtverlies is dan bijna nihil, ongeacht of het nu geparaffineerd ersatzpapier of geparaffineerd vetdicht is. Vleeswarenzakjes Inplaats van papier van de rol of aan vellen, komen de speciale vleeswarenzakjes steeds meer in gebruik en terecht. Met zakjes is het sneller en zekerder werken. Deze vleeswarenzakjes zijn veelal geparaffineerd. Hierdoor blijven de vleeswaren inderdaad iets langer vers. Vleeswarenzakjes worden ook gebruikt met een venster van cellophaan, met de gehele voorzijde van cellophaan, ofwel het zakje wordt geheel van dit transparante materiaal gemaakt. Zoals in de slagerijen reeds algemeen bekend, zijn er twee kwaliteiten cellophaan voor het slagerijbedrijf in gebruik. Zakjes gemaakt van P.T. en M.S.T. De P.T. (Plain-Transparant) kwaliteit heeft uitsluitend tot taak de vleeswaren in de verpakking te laten zien. De vensters kunnen echter ook gemaakt worden van de M.S.T. kwaliteit. (Moistureproof, Sealable, Transparant.) • Deze kwaliteit is vochtwerend (Moistureproof), zodat zij allereerst een beschermende, afsluitende en daardoor vershoudende taak verricht. Vervolgens kunnen zakjes van deze kwaliteit door middel van warmte worden gesloten (Sealable) terwijl zij evenals zakjes van de P.T. kwaliteit helder doorzichtig zijn (Transparant). Voor wat betreft de papiersoort kan voor vleeswarenzakjes worden volstaan met prima perkament-ersatz, bij voorkeur geparaffineerd. Toch worden er veel zakjes gemaakt van vetdicht en vooral van gebleekt vetdicht. Deze papiersoorten zijn nl. beter en aantrekkelijker te bedrukken. Het effect van de bedrukking is veel frisser. BEENDEREN Voor beenderen wordt dikwijls een beenderenzak gebruikt inplaats van pakpapier. VE T Vetzakjes behoren van gebleekt perkament-ersatz te zijn gemaakt. Bij de vervaardiging worden speciale lijmen gebruikt, die de smaak van het vet niet beïnvloeden en die bestand zijn tegen de hitte van vloeibaar in te gieten vet. OM-VERPAKKING (het pakje maken) Voor om-verpakking wordt deels gebruik gemaakt van papier op rollen (rollenstandaard) deels van op diverse maten gesneden vellen (deze laatste zijn meestal van per k ament-ersatz of vetdicht). Elke fatsoenlijkepapiersoort kan voor om-verpakking dienen. Sinds de beenderenzak haar intrede deed, ging men die ook gebruiken voor de om-verpakking (dus het pakje maken). De pakpapieren zak is inderdaad een zeer nuttige om-verpakking. Vooral geldt dit voor drukke zaken. Zij beperkt de verpakkingsduur en zij is een veilig middel om de onderdelen van een bestelling bij elkaar te verpakken. DE KLEUR VAN HET PAPIER De witgekleurde of daarmede gelijk te stellen lichtgekleurde papiersoorten passen door hun tint uitstekend bij de slagerij, ofschoon prima kraftpapier door zijn grotere sterkte zonder cachetverlies in vele goede zaken met succes en plezier gebruikt wordt. DE BEDRUKKING Het bedrukken van vlees- en vleeswarenverpakking komt steeds meer in gebruik. Voor vleeswarenzakjes is zij vrijwel algemeen. Het aantal kleuren blijft beperkt tot 1 à 2 kleuren, al of niet in combinatie met een wit dessin, waarmee de druk bedoeld wordt van een witte ondergrond, die de enigszins grauwe tint van het papier doet opleven. Naast de naam en het adres ziet men speciaal op vleeswarenzakjes aanvullende teksten, die recepten weergeven of adviezen over het goed houden van de vleeswaren. Het aanvullend gebruik van illustraties heeft de laatste jaren een sterke verandering ondergaan. Varkensberijdende slagers-mannetjes ; zich zelf aanprijzende koeien e.d. komen minder vaak als afbeeldingen op slagerijverpakkingen voor. De tendenz van de illustraties gaat nu meer in de richting van het service-idee, van verantwoorde ontwerpen, die een sfeer van hygiëne en smakelijke kwaliteit ademen. AFDEKKEN VAN KLAARGEMAAKTE SCHOTELS Voor dit doel wordt veel gebruikt gemaakt van vellen cellophaan (P.T. of M.S.T.). De schotels worden op deze wijze afdoende beveiligd tegen insecten en grijpgrage vingers zonder dat het gezicht op de vleeswaren wordt belemmerd. HET GRAMGEWICHT VAN PAPIER geeft het gewicht aan van een vierkante meter van het papier. Het gramgewicht is één van de factoren (niet de uitsluitende factor) die de kracht van het papier in verschillende opzichten (veelal ook de bruikbaarheid) bepaalt. Het gramgewicht is ook van invloed op de prijs. Hoe zwaarder het papier, hoe hoger de prijs. GRAMGEWICHTEN DER DIVERSE PAPIERSOORTEN Sulfaatsoorten Algemeen Meest voorkomende verkrijgbaar gewichten Natronkraft 45 tot 90 g 45 g Imitatiekraft 45 tot 90 „ Bruinpak 40 tot 50 „ 40 „ Sulfietsoorten Gebleekt vetdicht 40 tot 50 „ 40 „ Vetdicht 40 tot 50 „ 40 „ Ersatz perkament 40 tot 60 „ 40 „ Gebl. ersatz 40 tot 60 „ 50 „ Sulfiet 40 tot 80 „ 40 „ Wit perkament 40 tot 60 „ 50 „ J. W. BOON BOEKHOUDING INLEIDING Bij het inrichten en bijhouden van een boekhouding dient men zich allereerst af te vragen over welke gegevens men wil en moet beschikken om een bedrijf naar behoren te kunnen voeren en om voortdurend controle te kunnen uitoefenen over de handelingen, welke in het bedrijf zijn verricht. Men komt bij de beantwoording van deze vragen tot minimumeisen, waaraan de boekhouding zal hebben te voldoen. In de hiernavolgende beschrijving is een voorbeeld gegeven, op welke wijze een dergelijke boekhouding is ingericht en hoe men de gegevens uit deze boekhouding kan gebruiken. DE BALANS Op de eerste plaats is het gewenst periodiek een overzicht te hebben van de bezittingen en schulden. Uit dit overzicht is af te leiden hoe groot het kapitaal is, dat men in het bedrijf heeft gestoken. Immers het verschil tussen de totale geldswaarde van de bezittingen en het totaal van de schulden geeft de grootte van het eigen kapitaal aan. In een bepaalde vorm gegoten noemt men deze staat van bezittingen en schulden de balans. In voorbeeld 1 is zulk een balans opgenomen. Op de linkerzijde, ook wel debetzijde genoemd, zijn de bezittingen onder elkaar opgesomd en op de rechterzijde (creditzijde) de schulden. Op de creditzijde wordt dan ook nog het kapitaal opgenomen, dat we hebben gevonden door het totaalbedrag van de bezittingen te verminderen met het totaalbedrag van de schulden. Wanneer nu de bedragen op de debetzijde en op de creditzijde worden opgeteld, zijn de uitkomsten dezelfde. In ons voorbeeld is het totaal van de bezittingenf 24.000,— en dat der schulden f 11.400,—. Het verschil hiertussen is f 12.600,— en is daarom met de omschrijving Kapitaal op de creditzijde van de balans opgenomen. Op 1 Januari 1953 was het kasgeld geteld en werd bevonden, dat f 1.500,op die dag aanwezig was. — Van de Postcheque- en girodienst was bericht ontvangen, dat bij die dienst bij de aanvang van het jaar nog een tegoed stond van f 300,—. Ook de bank deed mededeling van een tegoed van f 1.000,—. Een opgemaakte lijst van klanten, van wie nog iets te vor deren was, geeft als totaal van alle vorderingen te zien een bedrag van f300,—. 300,—. Voorbeeld 1. De voorraden vlees en vleeswaren waren gewogen en de waarde daarvan werd uitgerekend. Aanwezig was voor een bedrag van f 500,—. Ook de voorraad papier, kantoorbehoeften en dergelijke was opgenomen. De waarde van deze artikelen bedroeg f 100,. — Bij de Bedrijfsvereniging "De Samenwerking" werd een voorschot gestort, waarmede de premiën voor sociale lasten verrekend zullen worden. Aangezien verrekening nog niet had plaatsgevonden op 1 Januari 1953, werd het voorschot op de balans opgenomen. De nog verschuldigde premiën werden derhalve credit op de balans onder het hoofd nog te betalen posten meegerekend. Alle inventarisstukken werden volgens een bepaalde methode gewaardeerd en vertegenwoordigen voor het onderhavige bedrijf een waarde van f 5.000,—. Wanneer het pand, waarin het bedrijf wordt uitgeoefend, eigendom is, wordt de waarde eveneens op de balans opgenomen. Op 1 Januari 1953 waren nog niet alle rekeningen van reeds ontvangen vlees en vleeswaren betaald. In totaal was op die rekeningen nog te betalenf 800,—. Ook waren op 1 Januari 1953 nog niet alle rekeningen van onkosten, nog betrekking hebbende op het voorafgaande jaar, betaald. Dit kunnen zijn rekeningen voor reeds geleverd papier, voor verbruikte electriciteit, onderhoud van het pand en dergelijke. Onder de verzamelnaam "nog te betalen posten" werd het bedrag van die rekeningen tezamen opgenomen met f 600,—. Destijds werd het bedrijfspand gekocht gedeeltelijk met geld, dat geleend werd. Deze schuld, waarop regelmatig wordt afgelost, bedroeg op 1 Januari 1953 nog f 10.000,—. HET KASBOEK Een vraag die zich voordoet, zodra na 1 Januari het zakendoen is aangevangen, luidt : Hoe is een overzicht te krijgen van alle handelingen, die in het bedrijf gebeuren? Ook daaraan is te voldoen, wanneer men maar een kasboek gaat bijhouden. Richt men dit boek dan nog op een bepaalde manier in, dan kunnen daaruit allerlei gegevens geput worden, die van dienst moeten zijn bij de bedrijfsvoering en die het mogelijk zullen maken controle uit te oefenen. De toelichting op het voorbeeld van het hiernavolgende (gedeeltelijk bijgehouden) kasboek zal dit duidelijk maken (voorbeeld 2, zie pagina 538-39). BALANS PER 1 JANUARI 195 Bezittingen (Debet) Kasgeld .. Giro . . . . . . . . f „ 1.500 300 Nog te betalen vlees en vleeswaren Nog te betalen posten Bank „ 1.000 Geldlening Vorderingen Voorraad vlees en vleeswaren „ „ 300 500 Kapitaal Voorraad papier e d „ 100 Vast voorschot sociale voorzieningen . „ 300 Bedrijfsinventaris „ 5.000 Pand „ 15.000 f 24.000 Schulden (Credit) f 800 9, 600 „ 10.000 „ 12.600 f 24.000 — Het boek bestaat uit een linkerhelft, waarop de ontvangsten en een rechterhelft, waarop de uitgaven genoteerd worden. Op beide helften is een kolom aangebracht, waarin de datum geschreven wordt, waarop de ontvangst of uitgaaf plaatsvond. Voorts zijn er een omschrijvingskolom, waarin beknopt wordt medegedeeld, waarop de ontvangst of uitgaaf be- trekking heeft en een totaalkolom, waarin het bedrag geplaatst wordt, dat is ontvangen of uitgegeven. Zo werd blijkens het voorbeeld op 3 Januari 1953 over de toonbank een bedrag van f 130,— ontvangen en van bezorgklanten f 35,—. Op 3 Januari 1953 werd aan loon uitbetaald een bedrag van f 55,— en op die datum nog een rekening betaald voor geleverde vleeswaren ten bedrage van f 65,—. Omdat het van belang is te weten, hoe de samenstelling van de omzet is, dat wil zeggen hoeveel gedurende een zekere periode over de toonbank is ontvangen en hoeveel van bezorgklanten en instellingen, wordt in het kasboek daarmede reeds rekening gehouden. De bedragen, die in de totaalkolom zijn ingevuld, worden daarom nog eens opnieuw geboekt onder de rubriek waar zij thuishoren. De nodige hulpkolommen zijn voor dit doel in het kasboek aangebracht. Kan nu een bedrag niet in één van deze rubrieken worden ondergebracht, dan wordt het in de kolom Diversen geplaatst. Door optelling van de bedragen in de respectieve hulpkolommen verkrijgt men op elk gewenst tijdstip het cijfermateriaal, dat men beoordelen wil. Bij de uitgaven gaat men op dezelfde wijze te werk. Zij kunnen gesplitst worden in de volgende rubrieken : vlees, vleeswaren, onkosten, privé-uitgaven en ook weer een rubriek Diversen voor die posten, die niet in een andere rubriek ondergebracht kunnen worden. In deze rubriek Diversen komen o.a. de uitgaven voor aanschaffing van bedrijfsmiddelen en de aflossing van schulden. Het kasboek dient dagelijks bijgehouden te worden. Het geeft dan het middel om controle uit te oefenen op het kasgeld, dat op een bepaald moment aanwezig moet zijn en op de juistheid van de in het boek ingeschreven handelingen. Als eerste post is in het kasboek ingeschreven het kasgeld, dat aanwezig was op 1 Januari met als gebruikelijke omschrijving "beginsaldo". Daaronder zijn vervolgens alle ontvangsten genoteerd. De uitkomst, die door optelling van alle bedragen in de totaalkolom wordt verkregen, is dus de som van het kasgeld, waarmee de zaken zijn begonnen en alle ontvangsten, die daarna zijn gebeurd. Trekken we van het gevonden bedrag nu af de som van alle uitgaven, dan blijft er een bedrag over, dat gelijk moet zijn aan het aanwezige kasgeld. Dit bedrag wordt eindsaldo genoemd. Wanneer er een verschil is tussen het eindsaldo en het werkelijk aanwezige saldo aan kasgeld, dan is er een fout gemaakt. Juist door het regelmatig bijhouden van het kasboek en het controleren van het eindsaldo met het aanwezige kasgeld, kunnen tijdig fouten worden opgespoord; fouten, die ontstaan zijn, omdat men vergeten heeft ontvangsten of uitgaven in het kasboek te schrijven of wel fouten, die hun oorsprong vinden in verkeerde afrekeningen met klanten of leveranciers. Wanneer bij een opgetreden verschil de fout niet wordt gevonden, moet dit verschil in het kasboek worden afge boekt. Met andere woorden : het eindsaldo in het kasboek moet in overeenstemming gebracht worden met het werkelijk aanwezige kasgeld. Daarbij gaat men als volgt te werk. Is er meer kasgeld dan het eindsaldo, dan wordt het verschil tussen deze twee bedragen aan de ontvangstzijde van het kasboek zowel in de totaalkolom als in de diversenkolom genoteerd met de omschrijving "kasverschil". In het tegenovergestelde geval, dat is wanneer er minder kasgeld aanwezig is dan het eindsaldo aangeeft, dan wordt het verschil bij de uitgaven geboekt, eveneens met de omschrijving "kasverschil". Bij het verder inboeken van het kasboek weten we nu, dat met het juiste saldo weer begonnen is. HET INKOOPBOEK Wanneer men er nu nog prijs op stelt te weten welke hoeveelheid in kilogrammen van elke soort vlees in een periode is gekocht, dan richten we daarvoor een apart boek in, dat we Inkoopboek noemen (voorbeeld 3, pagina 538/39). In dit boek warden van elke soort vlees naast het geldbedrag ook nog de hoeveelheden, eventueel omgerekend tot vlees met been, genoteerd, die gekocht en betaald zijn. In het voorbeeld zijn als soorten vermeld : rundvlees, varkensvlees, kalfsvlees, diverse vlees, rundvet en vleeswaren. Alle posten in de kolommen vlees en vleeswaren van het kasboek komen dus nog eens voor in het Inkoopboek. Om zekerheid te hebben, dat dit ook inderdaad het geval is, kunnen we de totalen van de geldbedragen uit beide boeken met elkaar vergelijken. Die totalen moeten namelijk aan elkaar gelijk zijn. Wil men nu over een bepaalde periode de gemiddelde inkoopprijs van het rundvlees weten, dan delen we het totaal aantal kilogrammen op het daarmede corresponderende geldbedrag. Voor een zelfslachtende slager zal de werkwijze om tot een gemiddelde inkoopprijs van één kilogram vlees te komen iets anders zijn. Deze slager koopt het vee levend en zal evengoed dezelfde inrichting van het kasboek en inkoopboek kunnen gebruiken. In de kolom vlees van het kasboek worden dan de inkoopbedragen van het levende vee ingevuld. In het inkoopboek zal deze slager moeten invullen het koudgeslachte gewicht van het betreffende vee. Om nu bijvoorbeeld van het rundvlees de gemiddelde kostprijs per kilogram te berekenen, wordt het totaal van de inkoopprijzen d.i. het totaalbedrag uit de kolom rundvlees, verminderd met het bedrag, dat tot dat tijdstip ontvangen en nog te ontvangen is voor de huiden en eventueel andere afvallen. Die bedragen zijn als ontvangst genoteerd in de kolom Diversen in het kasboek, of, wanneer er ruimte voor is, in een aparte kolom. Het aldus verkregen bedrag deelt men dan door het totale koudgeslachte gewicht. Het is dus wel zaak, dat men na iedere slachting het koude gewicht vaststelt en onmiddellijk noteert. Geschatte gewichten kunnen tot onaangename verrassingen leiden en het gebruik daarvan moet ten stelligste worden afgeraden. DE BRUTOWINST Het cijfermateriaal, dat tot nu toe besproken werd, leverde reeds belangrijke gegevens op. Een eveneens belangrijk gegeven, namelijk de brutowinst, is er verder uit op te ma ken. Daarbij is alleen nog nodig, dat de waarde van de voorraad vlees bepaald wordt op het moment, dat het kasboek geheel is bijgewerkt. Het volgende voorbeeld zal dit duidelijk maken: Tot het tijdstip, waarop het kasboek is bijge werkt, bedroegen de verkopen f 25.000,— bij : nog te vorderen van klanten „ 250,— f 25.250,— af : per 1 Januari was te vorderen van klanten . • 39 , f 24.950,— Op 1 Januari bedroeg de waarde van de voorraad vlees f 500,— Er is ingekocht volgens kolommen vlees en vleeswaren „ 18.600,— f 19.100,— af : waarde van de eindvoorraad . . „ 600,— inkoopwaarde van het verkochte vlees „ 18.500,— Brutowinst . f 6.450,— Wanneer men dan nog berekent, hoeveel procent de brutowinst van de omzet bedraagt en men herhaalt deze berekeningen bijvoorbeeld maandelijks (nog liever wekelijks) dan is onmiddellijk te constateren of de brutowinst procentueel groter of kleiner wordt. HET ONKOSTENBOEK Dagelijks worden er uitgaven voor onkosten gedaan. In het kasboek is er een speciale kolom voor bestemd. Door optelling van de bedragen in deze kolom heeft men voortdurend voor ogen hoeveel er in totaal aan onkosten is uitgegeven. Op zichzelf is het al zeer belangrijk dit totaal te kennen. Wat men nog niet weet is : aan welke soort van kosten de gelden worden uitgegeven. Om dit te bereiken, schiet het kasboek te kort. Het is daarom noodzakelijk, dat naast het kasboek nog een Onkostenboek in gebruik genomen wordt. In dit boek zijn de onkosten gerubriceerd naar de meest voorkomende soorten. Ook is er een totaalkolom in opgenomen (zie voorbeeld 4). Elke post voor onkosten, die in het kasboek voorkomt, plaatsen we ook nog eens in het onkostenboek, zowel in de totaalkolom als in de rubriek, waaronder deze post thuishoort. In de totaalkolom van het onkostenboek moeten dan ten slotte alle posten in dezelfde volgorde staan als in de kolom onkosten van het kasboek. Tellen we dit onkostenboek nu maand voor maand op en noteren we de totalen op een apart vel (voorbeeld 4a), dan kunnen de uitgaven van dezelfde soort in de verschillende maanden vergeleken en beoordeeld worden. Het valt dan onmiddellijk op, wanneer voor een bepaalde soort van onkosten steeds meer wordt uitgegeven, zodat tijdig kan worden ingegrepen, indien die meerdere uitgaven niet verantwoord zijn. Vergelijking van de totalen uit verschillende jaren kan in dit opzicht leerzaam zijn. HET GIROBOEK EN HET BANKBOEK Nog niet besproken werd, hoe gehandeld dient te worden met de ontvangsten en uitgaven, welke per postgiro en per bank geschieden. De eenvoudigste manier is, om voor de handelingen per postgiro en per bank afzonderlijke boeken aan te leggen en deze boeken op dezelfde wijze in te richten als het kasboek. De eerste post, die wordt ingeschreven, is ook weer het beginsaldo aan de ontvangstzijde. Dit is het saldo, dat op 1 Januari van de postgiro of van de bank te vorderen is. We kunnen dit aflezen van de saldobiljetten, die van genoemde instellingen ontvangen worden. Het bijhouden van het giroboek en het bankboek doen we met behulp van de ontvangen dagafschriften. De daarop voorkomende posten worden op dezelfde manier geboekt als in het kasboek. Wanneer deze boeken in gebruik genomen worden, moeten we er wel aan denken, dat ook de hierin voorkomende posten betreffende de inkopen van vlees en vleeswaren in het inkoopboek en de onkosten in het onkostenboek geboekt worden. Willen we na verloop van tijd controleren, of we alle posten goed hebben ingeschreven, dan maken we uit deze boeken het saldo op en vergelijken het met de opgaven, die we van de postgiro of van de bank hebben ontvangen. Uiteraard dient er overeenstemming te zijn. Is er toch een verschil, dan moeten we alle posten, die we hebben ingeschreven, nog eens nagaan teneinde te zien, welke post foutief overgenomen of wellicht vergeten werd. HET AFSLUITEN VAN DE BOEKEN Ten slotte gaat men de boeken aan het eind van de boekingsperiode (dat is meestal op 31 December) afsluiten. Alle ontvangsten en uitgaven zijn dan ingeschreven en het eindsaldo is vastgesteld. Als laatste post wordt nu dit eindsaldo geboekt bij de uitgaven met als omschrijving "Eindsaldo". Het bedrag komt in de totaalkolom en in de diversenkolom. De tellingen van de totaalkolom ontvangsten en van de totaalkolom uitgaven zijn nu aan elkaar gelijk. Tellen we vervolgens de totalen van de hulpkolommen bij elkaar, dan moet die som gelijk zijn aan het bedrag van de totaalkolom; immers, alle in de totaalkolom voorkomende bedragen werden stuk voor stuk nog eens in één van de hulpkolommen geschreven. Wanneer het boekjaar is afgelopen, gaan we de Balans opmaken. Daarvoor hebben we nodig een Inventarislijst. Indien het boekjaar op 31 December is geëindigd, dan noteren we per die datum op de inventarislijst, gespecificeerd met naam, toenaam en hoeveelheden, al onze bezittingen, voorraden en uitstaande vorderingen benevens al onze schulden. Met behulp van de gegevens van deze inventarislijst wordt vervolgens de balans per 31 December opgemaakt. Op deze balans komen de vorderingen op cliënten niet met naam en toenaam voor zoals op de inventarislijst, maar in één bedrag onder de verzamelnaam "vorderingen". Ook de andere bezittingen, alsmede de schulden, worden zoveel mogelijk samengevoegd indien ze gelijksoortig zijn en onder een verzamelnaam op de balans vermeld. Zijn nu alle posten vastgesteld, dan wordt de grootte van het kapitaal bepaald en ingevuld, waarna nu de tellingen links en rechts weer aan elkaar gelijk moeten zijn. Rest ons nu te beantwoorden de vraag, voor welke Voorbeeld 2. KASBOEK Ontvangsten Winkel-Bezorg-Instel- Datum Omschrijving Totaal Diversen verkoop klanten lingen Jan. 1 Beginsaldo 1500 1500 ,, 2 Ontvangsten 150 100 50 dito 165 130 35 99 Ingehouden loonbelasting 1 50 1 50 /5 Ingehouden sociale lasten 2 47 2 47 Van de giro gehaald 250 250 15 55 Ontvangsten 105 80 25 5 Ontvangen van het Rusthuis . 75 75 95 Voorbeeld 3. INKOOPBOEK Datum Omschrijving Rundvlees Varkensvlees Bedrag kg Bedrag kg Jan. 2 De drie hammen 5 Hogendijk 55 360 — 180 5 Hendriks 95 210— 95 6 Grossierscombinatie enz. Voorbeeld 4. ONKOSTENBOEK Huur Electra Schoon-Onder- Sociale Datum Omschrijving Totaal Lonen en gas en maak-houd lasten water brandstof artikelen inventaris - Jan. 3 Loon knecht 55 — 55 6 Electriciteit 12 50 12 50 ,,6 Vracht 2 50 55 6 Contributie 12 50 Papierfabriek . . . . . 75 — PTT 1890 „ „ — 8 Reparatie koelcel . . . 26 26 — Voorbeeld 4a.VERZAMELSTAAT Huur Electra Schoon-Onder- Sociale Maanden Totaal Lonen en gas en maak-houd lasten water brandstof artikelen inventaris Januari Februari Maart April Mei Juni Juli Augustus September October November December 538 195 . Uitgaven Datum Omschrijving Jan. 2 Vleeswarenfabriek „De drie hammen" 1 „ 3 Loonknecht „ 3 Huishouding „ 3 Vleeswarenfabriek Hogendijk . . . 2 ,, 5 Vleesgrossier Hendriks 3 ,, 6 Aflossing geldlening 4 ,, 6 Electriciteit 5 55 Vracht 6 „ 6 Contributie 7 Januari 195 . Kalfsvlees Diverse vlees Bedrag kg Bedrag kg Januari 195 . Onder-Admini-Bedrijfs Contra-Ver houd stratie en ver buties pakking vervoer telefoon zorging 12 50 75 — 18 90 ONKOSTEN Onder-Admini-Bedrijfs- Contri-Verpak houd stratie ver buties king vervoer telefoon zorging Totaal 45 55 75 65 360 200 12 50 2 50 12 50 Reclame Reclame Vlees-On- Vlees Privé waren kosten 45 55 75 65 360 12 50 2 50 12 50 Rundvet Vleeswaren Bedrag kg Bedrag 45 — 65 — Vlees-Omzet- Verzeke waren belas-Vracht ringen bereiding tang 2 50 Vlees Verzeke-Omzet warenbe-Vracht ringen belasting reading Diversen 200 kg 12 25 Diversen Diversen waarden de bezittingen op de balans dienen te worden opgenomen. Het kasgeld, de saldi bij de postgiro en bank leveren geen moeilijkheden op. Onder de vorderingen nemen we alleen de bedragen op, waarvan te verwachten is, dat ze geïnd kunnen worden. De voorraden vlees, vleeswaren, kruiden e.d. kunnen we waarderen tegen de prijs, waarvoor ze gekocht zijn. Voor de bepaling van de waarde van de bedrijfsinventaris bestaan verschillende methoden. Bij alle methoden zoeken we naar een bedrag, waarmede de waardevermindering van de bedrijfsmiddelen door het gebruik tot uitdrukking wordt gebracht. In de practijk spreekt men dan van "afschrijven". Het bedrag, waarmede we gaan afschrijven, drukken we dan in de meeste gevallen uit in een percentage van de aanschaffingswaarde van het betreffende bedrijfsmiddel. Als voorbeeld nemen we een gehaktmachine met een aanschaffingswaarde van f 600,—. Stellen we, dat de machine in tien jaar versleten is, dan is er een waardevermindering in die tien jaren van f 600,— of gemiddeld per jaar f 60,— of uitgedrukt in procenten van de aanschaffingswaarde 10 % per jaar. Op de achtereenvolgende balansen nemen we dan onder de bedrijfsinventaris de gehaktmachine op voor f 540,—, f 480,—, f 420,— enz. Voor alle inventarisstukken bepalen we op deze wijze ieder jaar opnieuw de waarde, waarvoor ze op de balans zullen worden opgenomen. Indien er in een jaar geen nieuwe inventarisstukken zijn aangeschaft, dan zal de bedrijfsinventaris op de eindbalans met een lager bedrag staan dan op de beginbalans. Het verschil tussen die twee bedragen stelt dan de afschrijving op de bedrijfsinventaris voor in het betreffende jaar. Ook op het bedrijfspand kan worden afgeschreven, zij het dan dat het afschrijvingspercentage veel geringer is, bijv. 1à3%. BEREKENING VAN DE WINST Besproken is nu de beginbalans, het bijhouden van de boekhouding gedurende het boekingsjaar en het opmaken van de eindbalans. Met de verkregen gegevens is het mogelijk de winst te bepalen en wel op de volgende manier : Volgens de balans per 31 December bedraagt het kapitaal f 13.160,-bij : Blijkens het kasboek (eventueel ook het giroboek en het bankboek) is in de loop van het jaar aan geld opgenomen voor privédoeleinden f 5.600,— Aan het bedrijf werden goederen onttrokken voor privé-gebruik ter waarde van . . . „ 350,— Totaal privé „ 5.950,- Zonder privé-opnamen zou het kapitaal geweest zijn f 19.110, Het bedrijf is volgens de beginbalans begonnen met een kapitaal van „ 12.600,Er is dus een winst gemaakt van het verschil of f 6.510,— In bovenstaand voorbeeld is er sprake van winst, omdat het beginkapitaal kleiner was dan het eindkapitaal vermeerderd met de privé-opnamen. Indien het beginkapitaal groter is. dan is er verlies geleden. In het algemeen nu nemen we geen genoegen met het bepalen van alleen de grootte van de winst. We willen graag weten, hoe het winstbedrag ontstaan is. Ook alweer met behulp van de cijfers uit de boekhouding is het mogelijk een gespecificeerde winstberekening te maken. Samengevat ziet deze berekening er als volgt uit : Omzet f 88.000,— 100% af: Inkoopwaarde . „ 72.790,— 82,7% van de omzet Brutowinst f 15.210,— 17,3% van de omzet af: Onkosten . f 7.600,— Afschrijving bedrijfsinventaris . . „ 800,— Afschrijving pand . • • „ 300,— „ 8.700,— 9,9% van de omzet Netto winst f 6.510,— 7,4% van de omzet Hoe we aan deze cijfers komen volgt uit onderstaande nadere uitwerking : Omzet Blijkens het kasboek (en eventueel bank- en giroboek) werd in de loop van het boekjaar ontvangen van winkelverkoop f 70.550,— van bezorgklanten „ 12.900,— van instellingen e d „ 4.500, f 87.950,— Afgetrokken moeten worden de hierin begrepen ontvangsten van de uitstaande vorderingen op 1 Januari . „300, f 87.650,— Er komen bij de nog te vorderen posten van klanten per 31 December 99 zodat de omzet over het jaar is geweest f 88.000,— Inkoopwaarde van de omzet Op 1 Januari werd begonnen met een voorraad vlees en vleeswaren ter waarde van , f 500,— Betaald werd aan leveranciers . . . f 73.540,— Afgetrokken moeten worden de hierin begrepen posten, welke per 1 Januari verschuldigd waren . . . „ 800,— f 72.740,— Erbij komen de nog onbetaald gebleven leveranties per 31 December „ 750,— Er werd in de loop van het jaar dus gekocht voor „ 73.490,— De beginvoorraad plus de inkopen bedroegen dan f 73.990,— Hiervan werd voor privé gebruikt ter waarde van „ 350,— f 73.640,— De waarde van de voorraad, die per 31 December aanwezig was, bedroeg 850,— „ Resteert de inkoopwaarde van het verkochte vlees en de verkochte vleeswaren f 72.790,— Onkosten Volgens het kasboek (en eventueel bank- en giroboek) is betaald aan onkosten f 7.610,— In deze betalingen is begrepen hetgeen verschuldigd was per 1 Januari 99 f 7.010,— Per 31 December is nog onbetaald gebleven. . „ 680,— f 7.690,— De voorraad papier e.d. van 1 Januari is opgebruikt „ 100,— 7.790, f Op 31 December is een nog ongebruikte voorraad overgebleven van f! 190,— Over het jaar werd dus aan onkosten uitgegeven f 7.600,— Afschrijvingen De bedrijfsinventaris had per 1 Januari een waarde van f 5.000,— Op 31 December is deze waarde nog „ 4.200,— Afgeschreven is f 800,— Het telkenjare op het pand af te schrijven bedrag is 300,— (2% van f f15.000,—) HET KOSTENCIJFER PER KILOGRAM Uit het inkoopboek is bekend, hoeveel kilogrammen vlees en vleeswaren in een boekjaar zijn ingekocht. Deze hoeveelheden, vermeerderd met de beginvoorraad en verminderd met de eindvoorraad geven aan hoeveel vlees en vleeswaren voor de verkoop zijn gebruikt. Voor inwegen en indrogen moeten we dan van de verkregen uitkomst nog een percentage aftrekken om tot de hoeveelheid te komen, die uiteindelijk verkocht is. Dit percentage stellen we vast op bijv. 8 %. De berekening ziet er als volgt uit: Voorbeeld 5. Volgens het inkoopboek bedroegen de inkopen . . 26.400 kg bij : de beginvoorraad 120 „ 26.520 kg af de eindvoorraad 220 „ . 26.300 kg af: 8% voor inwegen en indrogen 2.104 „ Verkocht 24.196 kg Volgens het gespecificeerde winstoverzicht bedroegen de onkosten en afschrijvingen samen f 8.700,—. Delen we dit bedrag nu door de hierboven gevonden hoeveelheid verkochte kilogrammen, dan verkrijgen we het kostencijfer per kilogram. Het is vooral bij het vaststellen van de verkoopprijzen belangrijk om dit kostencijfer te kennen. Wil men nu in dit kostencijfer ook nog een vergoeding voor de eigen arbeid meerekenen, dan moeten de onkosten vermeerderd worden met het bedrag van het „gewaardeerde loon", alvorens de deling door het aantal verkochte kilogrammen wordt uitgevoerd. Is het gewaardeerde loon bijv. f 6.500,— dan moet dus f 15.200,— ( f 8.700,— + f 6.500,—) gedeeld worden door 24196. In dit geval bedraagt het kostencijfer met inbegrip van de vergoeding voor de eigen arbeid 62,8 cent per kilogram. BESLUIT In het vorenstaande menen wij een boekhouding te hebben beschreven, die voldoet aan minimum-eisen. Daarbij zijn wij van de gedachte uitgegaan, dat de boeken éénmaal per jaar worden afgesloten. Men kan echter ook de boeken per kwartaal afsluiten en een daarop aansluitende balans samenstellen. In plaats van éénmaal per jaar voeren we de omschreven werkzaamheden dan viermaal per jaar uit, zodat we de gang van zaken in het bedrijf op de voet kunnen volgen. Deze mogelijkheid, die de boekhouding ons biedt, mogen we niet voorbij laten gaan. BALANS PER 31 DECEMBER 195 . Bezittingen (Debet) Kasgeld Giro Bank Vorderingen Voorraad vlees en vleeswaren Voorraad papier e d Vast voorschot sociale voorzieBedrijfsinventaris Pand ningen . f „ „ „ „ „ „ „ „ 1.550 450 1.800 350 850 190 300 4.200 14.70C Nog te betalen vlees en vleeswaren Nog te betalen posten Geldlening Kapitaal f 24.390 — Schulden (Credit) 750 f 680 f! 9.800 ff 13.160 95 f 24.39C L. C. SLECHTE CALCULATIE INLEIDING Iedere oudere slager kent de typische grondvorm van de berekening voor inkoop en verkoop welke van vader op zoon overgeleverd werd : men weet dat van het geslacht gewicht zo veel been afgaat, dus kost een pond vlees : „zoveel naar boven en zoveel naar beneden en de rekening is gemaakt". Men weet dat deze „schattingen", anders kan men ze niet noemen, berusten op „het gevoel" van de vakman. Ze zijn moeilijk in juiste cijfers uit te drukken en in feite steunen ze op de practijk van een reeds bestaande verkoopprijzenreeks. Ze worden dan ook aanvaard met de gedachte „mijn buurman doet hetzelfde, dus zal het wel goed zijn", of „daarom moet ik het ook doen". Slechts enkelen kwamen tot een feitelijke berekening, maar meestal werd deze kunde als zaakgeheim beschouwd. Als we ons even verdiepen in de speciale moeilijkheden van de kostprijsberekening voor de slagerij, dan valt het volgende op. In vele andere vakken kan men een kostprijs en verkoopprijscalculatie maken welke geheel verantwoord is, omdat de dosering van grondstoffen en hulpmiddelen vaststaat. Men heeft daar tamelijk vastliggende marktprijzen en het productieproces verloopt haast wetmatig (brooden banketbakkerij, zuivelverkoop, chocolaterie enz.). „LEVEND" MATERIAAL Maar in de slagerij heeft men steeds wisselende marktprijzen van levende dieren en het werkmateriaal hieruit wordt in steeds wisselende hoeveelheden uit de geslachte dieren gewonnen. Een kostprijs staat dus nooit geheel vast. Houdt men verder in het oog, dat nog regionaal in de verwerking van onderdelen grote verschillen bestaan, b.v. in Limburg en in een deel van Noord-Brabant verkoop van vlees met been, in Groningen en elders op het platteland zware varkens, in de grote steden ruime verkoop van paardevlees en nuchter-kalfsvlees enz., dan begrijpt men waarom in het slagersambacht een uniforme standaardcalculatie niet zo gemakkelijk tot stand kon komen. Door de ontwikkeling van de grossierderij, die het vroegere zelfslachten ten dele vervangen heeft, is de kostprijsberekening wel wat vereenvoudigd, veel grondprijzen zijn al bij aankoop bekend en vergemakkelijken in ieder geval de vergelijking met de kostprijzen der onderdelen van eigen slachting. ONTSTAAN VAN DE BEREKENINGEN Men zou de vraag willen stellen, wanneer is de nauwkeurige, vakkundig verantwoorde calculatie ongeveer ontstaan? In de vakbladen heeft men vroeger hierover nooit veel gepubliceerd; eerst na de distributie-periode is dit anders geworden. Allereerst is wel de behoefte ontstaan aan schema's, waarin op duidelijke wijze en in logische volgorde de grote variatie van onderdelen uit het geslachte dier werd vastgelegd. De schrijver van deze beschouwing, betrokken bij de calculatiecursussen door de Federatie van Slagersbonden ingesteld, kan hier slechts zijn eigen persoonlijke herinneringen geven over zijn kennismaking met deze materie. Er zij dus bij voorbaat een verontschuldiging ge maakt, indien het aangevoerde onvolledig of eenzijdig is. Wat verder in dit overzicht van de calculatie vermeld wordt is in zoverre beperkt, dat het verband tussen calculatie en boekhouding, statistiek, bedrijfsbeheer enz. slechts terloops besproken zal worden. VOORBEELDEN Reeds voor de eerste wereldoorlog stelde het Bestuur van de Amsterdamse (uitbreng) Slagersvereniging „De Voorzorg" de verkoopprijzen vast aan de hand van uitgewerkte berekeningen voor het rund en het vette kalf. Voor eventuele verlagingen hoefde men geen propaganda te maken, deze waren feitelijk al door de concurrentiezucht tot stand gekomen wanneer het Bestuur zijn prijzen officieel bekend maakte. Men leefde destijds, nog bijna geheel in de periode van de gescheiden bedrijfsvoering, dus van de spekslagerij en de vleeshouwerij. Vooral uit de spekslagerijen zijn meerdere malen de vleeswarenfabrieken ontstaan, en zoals bij alle industrieën, zijn bij deze de behoefte aan kostprijs-calculatie voor het vaststellen van lonende verkoopprijzen ontstaan. In dit opzicht heeft de heer J. P. Nije uit Rotterdam bekendheid verworven. Zijn naam zij hier vermeld, omdat hij als lid van de Commissie van Toezicht van de toen pas opgerichte Slagersvakschool aan de heer Th. Cuiper zijn calculaties voor de slagerij beschikbaar stelde voor het Vakonderwijs. Door de betrekkelijk korte leertijd op deze cursussen en het toch al overladen programma is hiervan weinig gebruik gemaakt. Zijn wij goed ingelicht, dan ligt het in de bedoeling dat ook het vak calculatie toegevoegd zal worden aan het leerprogram, wanneer in de nabije toekomst de cursusduur verlengd kan worden. In bovenvermeld Rotterdams bedrijf, een vleeswarenfabriek die het eerste (volgens Nederlandse maatstaf) grote filiaalbedrijven exploiteerde, werden voor fabriek, filialen, varkensgrossierderij en leveranties aan instellingen (o.m. scheepvaartmaatschappijen) uitgebreide en stelselmatige calculaties gemaakt, en er werd verband gelegd tussen boekhouding en calculatie-afdeling, resulterend in bruikbare statistieken. Het voorbeeld hierboven aangehaald was echter een uitzondering. Deze wijze van bedrijfscontrole was beperkt tot enkele zaken, publiciteit werd er niet aan gegeven en in de doelmatige toepassing bleef ze meestal zaakgeheim. Ondertussen profiteerden ook de Rotterdamse „bezorgslagers" van deze voorlichting, daar de stamzaak der filialen hiervoor vermeld, een der deelnemers was van deze groep, in de wandeling „Het gouden klompje" genoemd. Het waren alle vleeshouwerijen, zaken van naam, voor de vakbroeders het summum van degelijkheid en soliditeit. CALCULATIE EEN BEGRIP Gedurende de jaren na de tweede wereldoorlog heeft de term calculatie in het aloude slagersambacht meer algemene bekendheid verworven. Toen tijdens de distributie, gevolg van de oorlog, onder de „ordenende" invloed van de Duitse overheersing, voor het gehele slagersbedrijf de gelijkgeschakelde inkoop- en verkoopprijzen vastgesteld werden was dit slechts mogelijk door voorcalculatie. Het Bedrijfschap voor Vee en Vlees werd hiermede belast en heeft zodoende tot aan het einde van de distributie deze taak uitstekend vervuld. HET „BLAUWE BOEKJE" Toen in November 1949 de slager weer als vanouds zelfstandig mocht inkopen en verkopen, hebben de Vakgroep Slagerij en de Nederlandse Slagerscentrale zich in het bijzonder beijverd de vakgenoten voor te lichten op het gebied der prijsberekening door de uitgave van het bekende „Blauwe Boekje". Hierin werd voor het eerst verband gelegd tussen boekhouding en prijsberekening en het begrip toegelicht van verband tussen kg-omzet en het totaal be- drag aan bedrijfskosten en wel van de gewone bedrijfskosten (de zogenaamde „uitgaven") verhoogd met de gewaardeerde kosten. SANERINGEN Ondanks de uitnemende voorlichting voor de verkoopprijsberekening werd het toch noodzakelijk om plaatselijk leiding te geven in dit opzicht, toen het vrije bedrijf zich als vanouds bedreigd zag door de ongebreidelde concurrentiewoede van enkele vakgenoten. De weerstand hiertegen diende versterkt te worden en de bekende „saneringen" hebben menig stevig bastion opgeworpen tegen de funeste prij sonderbiedingen. Ook hierbij waren verantwoorde calculaties een betrouwbare maatstaf, zowel voor de deelnemende slagers als voor het kopend publiek. VERORDENING Toen door de opvatting van onze regering deze saneringen beschouwd werden als in strijd te zijn met het „Kartelbesluit" en dus opgeheven moesten worden, kregen de slagers er toch iets anders voor in de plaats : de „Verordening Prijsvorming Slagersbedrijven 1951" trad in werking. Een grote algemene slagersvergadering uitgeschreven door de Vakgroep Slagerij werd in Utrecht gehouden. Aan de slagers opgekomen uit alle hoeken des lands werd een theoretische toelichting gegeven over deze speciale economische Verordening waaronder de slagers voortaan zouden moeten leven; daarna werden de vermoedelijke practijkgevolgen nagegaan en opgewekt tot nauwkeurig calculeren in nabije toekomst om te voldoen aan de nieuwe eisen door de Verordening aan de Nederlandse slager gesteld. Het gevleugelde woord, de vakgenoten toch vooral meer „calculatie-minded" te maken, heeft feitelijk zijn practische uitwerking gekregen toen het Federatiebestuur overging tot het geven van speciale calculatiecursussen, te houden over het gehele land, aan te vragen door de plaatselijke of provinciale besturen. Van de boven reeds vermelde berekeningen, samengesteld door het B.V.V. voor de Distributie, worden nu nog steeds, behoudens enkele wijzigingen, de zogenaamde 100 kgreeksen gepubliceerd. Ook bij het materiaal, gebruikt voor de calculatie-cursussen, worden deze verstrekt, om nog eens te laten zien hoe de berekening van de aanbevolen verkoopprijzen tot stand komt. CALCULATIE EN BOEKHOUDING Een van de ingrijpendste gevolgen van de „Prijzenverordening" is wel, dat feitelijk elke slager genoodzaakt wordt veel meer aandacht te schenken aan de boekhouding van zijn zaak dan voorheen. Hij moet wel het verband tussen boekhouding en prijscalculatie gaan beseffen, wil hij enigszins rekening houden met de oude spreuk: „Iedere Nederlander wordt geacht de Wet te kennen". De opzet van dit artikel laat niet toe verder de gevolgen te schetsen van deze, in de wandeling genoemde „Calculatie Verordening" voor de slagerij. Maar de slager moet wel meer aandacht dan voorheen gaan schenken aan de prijsbepaling van zijn artikelen, omdat de uitwerking hiervan op zijn bedrijfsresultaten bij de toepassing van deze Verordening aan een critisch onderzoek wordt onderworpen. CALCULATIE - CURSUSSEN Omdat de calculatie-cursussen vooral door de Federatie zijn ingericht om tegen de achtergrond van de economische Verordening voorbeelden te geven hoe men over het gehele slagersbedrijf verantwoorde berekeningen kan uitvoeren, is het te verklaren, waarom hierna een gedeeltelijk overzicht van het gebruikte materiaal wordt verstrekt met enige toelichtingen. Erkend dient te worden dat dit onderricht vooral staat in het teken van het vakgesprek. Gedurende 2 jaar onderricht is de stof verrijkt door de gedachtenwisseling van de cursisten en de cursusleider (zelf een slager). Een speciale avond wordt gewijd aan de bedrijfskostenboekhouding, waarbij geschatte bedragen uit de cursusplaats zelf vergeleken worden met echte practijkgemiddelden door het B.B.B. (Boekhoudkundig en Bedrijfseconomisch Bureau) van de Federatie verzameld. Dit werkt wel uitermate instructief. Aan elke calculatie is een percentagekolom toegevoegd achter de gewichtskolom, om (tenminste voor rund- en varkensvlees) vergelijkingen te kunnen maken met de 100 kg-gegevens, die dan als betrouwbare gemiddelden kunnen gelden. VAN THEORIE TOT PRACTIJK Ten slotte mag dit wel worden geconstateerd. In de ontwikkeling van ons oude ambacht neemt ook de theoretische kennis steeds meer haar rechtmatige plaats in. Het is een geestelijke ontwikkeling, volgend op de mechanische vooruitgang. Er is een tijd geweest dat snelweger en snijmachine en weer later de mechanische koeling als „nieuwe snufjes" werden beschouwd, wel merkwaardig, maar nu niet bepaald noodzakelijk. Zo zal het ook nog eens gaan met de nu voor menigeen als „nieuwe snufjes" geldende calculatiemethoden en kostprijsberekening voor de slagerij. Laten wij dus hopen, dat eens elke slager zal beseffen, dat de kostprijsberekening onmisbaar is voor zijn zaak, en wel: 1. voor de verkoopprijsbepaling; 2. voor de controle op bedrijfszuinigheid; 3. voor een juiste voorraadwaardering t.d.v. de balans; 4. voor zijn positie tegenover de „Calculatie Verordening". Een tiental calculaties zijn als voorbeelden bijgevoegd. Men beschouwe ze als zodanig, maar met het besef, dat er zéér veel variaties mogelijk zijn. H. S. HOUTMAN TWEE VOORBEELDEN VAN VEEL VOORKOMENDE FOUTEN BIJ DE BEPALING VAN DE VERKOOPPRIJS 1. Een slager heeft een laag kostencijfer per kg; zijn jaargemiddelde is f 0.60 per kg met been, er zijn zelfs enkele maanden geweest van f 0.50 per kg met been, omdat dit gemiddelde ontstaat uit hogere en lagere maandcijfers. Nu moet hij de verkoopprijs van schouderkarbonaden bepalen en rekent f 2.80 + f0.50 = f3.30 per kg en meent wel voor f 1.65 per pond te kunnen verkopen. Toch is dit fout. Want hij had moeten rekenen : f 2.80 inkoop, verhoogd met 6% indroog- en snijverlies is f 2.98 per kg + f 0.60 = f3.58 per kg. De verantwoorde verkoopprijs was in dit geval f 1.80 per pond; een tekort in de berekening van liefst f 0.15 per pond. 2. Een andere slager wil bepalen wat zijn rundvlees zonder been kost, om aan de hand daarvan zijn verkoopprijzen vast te stellen. Deze rekent nu als volgt: Beenverlies bedraagt 15 à 16% + 4% voor indrogen enz. is totaal een verlies van 20%. Deze 20% is een vijfde van de inkoopprijs van f 2.20 per kg, is dus f 0.44 per kg, dus mijn rundvlees kost zonder been f 2.64 per kg. (Had dan moeten zijn 100 kg à f 2.20 = f220.-: 80 = f 2.75 per kg zonder been!). In dit geval was het been (+ vellen!) verlies waarschijnlijk meer dan 15 à 16% omdat het hier zeker geen A-kwaliteit betrof. Maar nemen we 16% aan dan moet hier zeker 8% bijgerekend worden voor verlies van indrogen, inwegen en snijverlies. De juiste berekening is nu: f 2.20 inkoop per kg met been, af 16% been, dan kost elke 100 kg f 220.- en dus 84 kg zonder been f 2.62 per kg zonder been (gemakshalve wordt de geringe waarde van de benen even verwaarloosd). Deze f 2.62 per kg met aftrek van 8% voor totaal verkoopverlies wordt f 2.85 per kg zonder been, als uitgangspunt. Dus f 0.20 per kg meer, of 10 cts per pond te weinig berekend. In beide zaken werd zonder voldoende winst gewerkt, wat gezien de gebruikte rekenmethoden van zelf spreekt. VOORBEELD VAN VERANTWOORDE VERKOOPPRIJSBEREKENING RUNDVLEES TABEL van bruto inkoopprijzen, door aftrek van 8% inwegen, indrogen en snijverlies herleid tot netto inkoop prijzen. Bruto Netto Bruto Netto Bruto Netto f 2.- -f 2.17 f 2.35 -f 2.56 f 2.70 -f 2.94 „2.05 f-- „2.23 „2.40 - „2.61 „2.75 - „2.99 „2.10 - „2.28 „2.45 - „2.67 „2.80 - „3.05 „2.15 - „2.34 „2.50 - „2.72 „2.85 - „3.10 „2.20 - „2.39 „2.55 - „2.78 „2.90 - „3.15 „2.25 - „2.45 „2.60 - „2.83 „2.95 -- „3.21 „2.30 - „2.50 „2.65 - „2.88 „3.00 - „3.26 Uitsnijding van diverse kwaliteiten in percentages. Deze zijn een gemiddelde, genomen uit tientallen runderen. Kwaliteit Biefstuk en haas Rosbief - lende Rib Lappen - mager Lappen - doorregen Soepvlees Gehakt Vet Vellen Beenderen A B C 8 7 6 steeds 14 12 11 7 7 6 100% 16 16 15 15 15 15 of 4 4 4 12 14 17 100 kg 6 5 3 2 2 3 16 18 20 Calculatie van 100 kg rundvlees kwaliteit B. (Deze verkoopprijzen zijn willekeurig genomen). Biefstuk en haas Rosbief en lende Rib Lappen - mager Lappen - doorregen Soepvlees Gehakt Vet Vellen en mergbenen Platte benen 7kgàf6.- = f42.-12kgà f5.- = f60.7 kg à f 4.60 = f 32.20 16kg à f 4.20 = f 67.20 15 kgà f 3.80 = f57.4 kgà f 4.- = f 16.14 kg à f 3.60 = f 50.40 5 kg à f 2.- = f 10.11 kg àf 0.50 = f 5.50 9kgà f 0.07 = f 0.63 Opbrengst 100 kg rundvlees m/been = f 340.93 Bruto inkoop f 2.50 = Netto inkoop af 2.72 = f 272.- Zodat voor bestrijding der kosten overblijft f 68.93 f 0.69 per kg m/b. SLACHTING RUND Opbrengst 1. Lever 2. Hart 3. Kop (+ hersens) 4. Tong 5. Zwezerik 6. Longen 7. Uiers 8. Milt 9. Bloed 10. Nieren 11. Darmen 12. Maag 13. Pensen 14. Onderpoten 15. Pluim 16. Klieren 17. Diversen Totaal van afval Bij : Huid 26 kg ca. f 1.40 Bij : Slachtvet 15 kg à f 1.20 A. Algeheel totaal Bedrag I f 11 50 2 50 6 00 6 00 2 50 1 2 f 31 50 f 3640 18 f 85 90 Kosten 1. Reis en vertering 2. Commissie 3. Levend wegen 4. Vracht naar slachtplaats 5. Stalgeld 6. Slachtloon 7. Slachtrecht en keurloon 8. Weegloon koud 9. Diversen 10. Vracht naar zaak B. Totaal onkosten C. Voordelig verschil A -B Inkoop koe Af: bedrag C D. Inkoop geslacht E. Koud gewicht 271 kg Kostprijs per kg D gedeeld door E Af: 8% indrogen en inwegen is kostprijs Bedrag f 2 0 15 7 50 10 50 0 20 327 35 58 55 800 58 55 f 741 45 f 2 74 f 2 98 ETALAGE-SCHOTELS (vers vlees) 1. Opgemaakte varkensrib. 2. Opgemaakt liesstuk (ezeltje). 3. Gegarneerde varkens- en runderrollade. 4. Gegarneerde platte bil, muis en peeseind. 5. Twee karbonades, opgevuld met rundergehakt. 6. Gegarneerd spierstuk. 7. Gegarneerde verse ham. 8. Gegarneerde dikke plaat van het spierstuk. CALCULATIE ACHTERVOET VERANTWOORDE VERKOOPPRIJS VOOR Inkoop 2 koe = f 2.50 per kg 100 KG VARKENSVLEES MET BEEN 1 achtervoet = f 2.60 TABEL van Netto inkoopprijzen aan hele of halve varkens „ -8% = f2.83 „ „ gekocht bij grossier of inkoop-combinatie. „ 6% voor inwegen en indrogen : is 100/94. Percen- Prijs kg Onderdeel Bedrag tage per kg Bruto Netto Bruto Netto Bruto Netto f 2.10 — f 2.23 f2.40 — f 2.55 f2.70 — f 2.88 2,2 3,8 haas f 5 50 f 12 10 „ 2.15 — „ 2.29 „ 2.45 — „ 2.61 „2.75 — „2.93 8,2 14,1 biefstuk 5 50 45 10 „ 2.20 — „ 2.34 „ 2.50 — „ 2.66 „2.80 — „2.98 4,8 8,3 contrefilet 4 50 21 60 „ 2.25 — „ 2.39 „2.55 — „2.71 „ 2.85 — „ 3.04 5,8 10,-dikke lende (harst) 4 50 26 10 „ 2.30 — „ 2.45 „2.60— „2.77 „ 2.90 — „ 3.09 3,-5,2 muis (spier) 4 50 13 50 „ 2.35 — „ 2.50 „2.65 — „2.82 „ 2.95 — „ 3.15 2,9 5,-platte bil (boeuf) 4 50 13 05 Men moet dezelfde methode volgen als bij rundvlees, dus 1,1 1,9 slip (ezeltje) 4 50 4 95 vermenigvuldigen met de verkoopprijs. 2,– 3,4 rand bovenbil (deksel) 3 60 7 20 6,-10,3 lendelappen (flanklappen) 3 60 21 60 Calculatie van 100 kg varkensvlees. (verkoopprijzen wille3,– 5,2 gehakt 3 60 10 80 keurig genomen). 2,6 4,5 schenkelvlees (+ pit pees- Fricandeau6kga f 5.50 f 33.— eind) 360 936 Lappen – mager14 kg à . f 5.20 f 72.80 4,1 7,1 niervet (+ slotvet) 2 8 20 Lende – karbonade 6 kg a f 4.— f 24.— 1,– 1,7 aangewassen (eigen) vet 11 Rib – karbonade5 kg a f 3.60 f 18.— 2,1 3,6 smeltvet 1 2 10 Hals – karbonade 6 kg à f 3.20 f 19.20 0,8 1,4 staart 2 50 2 Gehakt 9kgà f 3.20 f 28.80 1,5 2,6 vellen 0 50 0 75 Buikspek 15kgà. f 3.— f 45.— 3,2 5,5 pijpen 0 50 60 Vet spek 17kgà f 2.80 f 47,60 3,7 6,4 beenen 0 05 0 18 Speksnippers 7 kg a f 1.80 f 12.60 58 100 Verkoopopbrengst f 201 19 Reuzel 3kgà f 1.60 f 4.80 Poten 21-kg a f 0.80 .1 2.— Inkoop 58 x f 2.83 = f 164.14 af Inkoop f164 14 Zwoerd 32 kg à f 0.20 f 0.70 Totaal voor Bedrijfskosten f 37 05 Mergbeenderen 3kgà f 0. 30 f 0.90 (Bruto winst 18.4% van de verkoop) is per kg m/b f 63 Platte benen 3kg'a f 0.06 f 0.18 Opbrengst vlees met been 100 kg. f 309,58 Bruto Inkoop f 2.25. Netto Inkoopf 2.39. f 239.— CALCULATIE VOORVOET Voor bestrijding der kosten resteert f 70,58 = f0,71 per kg m/b. Inkoop 2 koe = f 2.50 per kg 1 voorvoet = f 2.40 „ „ „ -8% = f2.61 „ „ CALCULATIE 2 VARKEN Inkoop 2 varken = f 2.37 per kg. „ Percen- Prijs kg Onderdeel Bedrag Inkoop — 6% = f 2.52 per kg. tage per kg Percen-Prijs 1,5 2,5 voormuis (voorspier) f 4 50 f 6 7 5 kg Onderdeel Bedrag tage per kg 5,1 8,7 bloemstuk (dikke schouder) 4 2040 6,6 14,- fricandeau f 5 f 33 1,9 3,2 sukadestuk 4 7 60 2,6 5,5 lappen 4 60 11 96 3,6 6,1 fijne rib 4 14 40 2,-4,3 karbonade lende 4 8 4,2 7,1 dikke rib (8/9 rib) 4 16 80 2,5 5,3 karbonade rib 3 60 9 5,4 9,2 onderrib (dikke hals) 4 21 60 2,8 6,- karbonade hals 3 40 9 52 5,-8,5 nek 360 18 7,1 15,1 buik m. zwoerd (m/been) 3 20 22 72 8,5 14, 4 borst 3 60 30 60 8,4 17,9 v.v. spek m/zw. 2 80 23 52 1,6 2,7 klapstuk 3 60 5 76 2,-4,3 nek m/zw. 2 40 4 80 4,-6,8 dunne borst 3 40 13 60 2,1 4,5 bladreuzel 2 4 20 3,2 5.4 schenkelvlees (+ schou 2,-4,3 vetafval (schoon) 2 4 derpit) 3 60 11 52 2,5 5,3 gehakt 3 40 8 50 2,8 4, 7 gehakt 3 60 10 08 2,35 5,- kop 1 235 1,-1 , 7 smeltvet 1 1 0,8 1,7 kluiven 2 1 60 1,5 2,5 vellen 0 50 0 75 1,1 2,3 poten 0 80 0 88 3,-5 , 1 pijpen 0 50 1 50 0,2 0,4 krabjes (borst) 1 0 20 6,7 11.4 benen 0 05 0 33 0,4 0,8 zwoerd 0 30 0 12 59 100 Verkoopopbrengst f 180 69 0,15 0,3 nier 2 50 0 38 Inkoop 59 x f 2.61 = f 153.99 af Inkoop f 153 99 1,4 3,– benen 0 10 0 14 Totaal voor bedrijfskosten f 26 70 47 100 Verkoop Totaal f 144 89 (Bruto winst 14,8% van de verkoop) is per kg m/b f 45 Inkoop 47 x f 2.52 = f 118.44 af Inkoop f118 44 Totaal voor Bedrijfskosten f 26 45 Koe totaal f 0.54 voor bestrijding van totale Bedrijfskosten (Bruto winst 18,2% van de verkoop) is per kg m/b f 56 (Te weinig). HS 35 545 CALCULATIE VARKEN ZOUTERIJ RAMING BEDRIJFSKOSTEN PER KG VOOR Deze calculatie is geheel tegen Inkoopprijs berekend. VLEESWAREN EN WORSTSOORTEN Inkoop f 2.33 per kg wordt - 2% f 2.38 per kg. (Inclusief gewaardeerde Bedrijfskosten). Per 100 kg verkoop totaal a f 0.70 p/kg = f 70.- totaal Percen kg Onderdeel PrijsBedrag 80 kg vers vlees a f 0.60 „ = f 48. tage per kg 20 kg vleeswaren a f 1.10 „ = f 22. 7,7 18,8 Beenham Sluitpost f 3 42 f 26 33 Per 100 kg verkoop totaal A, f 0.75 p/kg f 75.totaal 4,3 10,5 Bacon 3 60 15 48 70 kg vers vlees a f 0.60 „ = f 42.4,- 9,8 Schouder 3-12-30 kg vleeswaren a f 1.10 „ = f 33. 1,8 4,4 Procureur 3 60 6 48 Per 100 kg verkoop totaal a f 0.80 p/kg= f 80.- totaal 17,8 43,5 Vleesgroep Sluitpost ca 3 41 60 29 60 kg vers vlees a f 0.60 „ = f 36.40 kg vleeswaren a f 1.10 „ f 44.5,7 13,9 Mager spek gekant en ge-2 60 14 82 - Daar de verkoop van vleeswaren en spek steeds ongeveer peld gelijk is aan het totaal van de worstsoorten, kunnen we 1,6 3,9 Vet spek 1 50 240 rekenen voor: 5,2 12,7 Vet afval 1 50 7 80 2,6 6,3 Mager afval 2 50 6 50 Vleeswaren f 1.-per kg; Worstsoorten f 1.20 per kg. 1,4 3,4 Reuzel 1 60 2 24 1,8 4,4 Nek 1 50 270 CALCULATIE VLEESWAREN 18,3 44,6 Vetgroep 36 46 Re-Prijs kg Artikel: Rookvlees Bedrag 1,25 3,1 Poten, krabjes, staart • 0 55 0 69 gel per kg 0,95 2,3 Zwoerd niet gerekend _. ....... 2,6 6,3 Benen 0 06 0 16 1 3,-Verse spier (muis) f 4 20 f 12 60 0,1 0,2 Onderwicht 2 0,45 af 15% Rookverlies 4,9 11,9 3e groep 5 0!ii 3 2,55 Groep 1, 2 en 3 Totaal 97 60 4 0,25 af 10% Verkoopverlies 41 100 Half varken 2J 38 f 97 58 5 2,3 uiteindelijk verkocht kost f 12 60 Eerst worden 2 onderste groepen berekend. Dan wordt de 6 f12.60 : 2.3 = per kg 550 vleesgroep sluitpost. Van deze groep wordt de beenham 7 Bedrijfskosten „ „ 1 sluitpost. 50 8 Totaal 6 Rookvlees van de muis f0.65 of f0.70 per 100 g verkoop CALCULATIE -I VET KALF CALCULATIE WORSTSOORTEN Artikel: Gekookte worst. Inkoop f 4.10 per kg. Af 10% voor indrogen, inwegen, snijverlies = f4.55 per kg. Percen- Prijs kg Samenstelling Bedrag tage per kg Percen- Prijs kg Onderdeel Bedrag tage per kg 40,-40,-Rundvlees f 3 f 120 3,9 8,1 Biefstuk,oesters en schnit-20,-20,-Varkensvlees 3 60 zels f 10 f 39 40,-40,-Vetmet 1 50 60 4,1 8,5 Platte fricandeau 8 32 80 2,8 zout 0 14 0 40 2,1 4,4 Dikke lende 8 16 80 0,3 Ingre-peper 14 4 20 diën 2,5 5,2 Karbonade lende 6 15 0,1 ten foelie 14 1 40 4,1 8,5 Karbonade rib 6 24 60 4,-meel 0 70 2 80 5,4 11,3 Borst 6 32 40 Gestopt in 8 bos R.darm 2 16 3,4 7,1 Schouder 6 20 40 Ingrediëntenf24.80 : 120 1,2 2,5 Deksel bovenbil 5 6 is caf0.20 per kilo. 3,9 8,1 Nek 5 1950 3,-6,3 Schenkenvlees 5 -15 Koud uit de kete 5,3 11,-Gehakt 5 -26 50 120,-120 - Klaar voor de verkoop1,3 2,7 Niervet 2 -2 60 12,-10 -At*: voor verkoopverlies 0,3 0,6 Nier 4 -120 108 kg Blijft kosten f264 80 0,9 1,9 Vellen 0 40 0 36 Pijpen Totaal kostprijs per kg. f 2 45 6,6 13,8 0 25 1 65 Benen Bij : Totaal bedrijfskosten 48 100 Verkoop f253 81 per kg. 1 Inkoop 48 x f 4.55 = f 218.40 Inkoop f218 40 Totaal f 3 45 Voor Bedrijfskosten f 35 41 Verkoopprijs f0.35 tot f0.40 per 100 g. Bruto Winst 14% van de Verkoop is per kg mib f 0 74 Omdat hier reeds 20 cts per kg Ingrediënten ingecalculeerd is, (Waarschijnlijk hier te laag). wordt voor totaal bedrijfskostenf 1.-aangenomen. 546 PROPAGANDA VOOR VLEESVERBRUIK Er bestaat een soort van concurrentie, welke vele zakenmensen geneigd zijn uit het oog te verliezen — de concurrentie van buiten hun eigen vak. Een rijwielhandelaar beschouwt gewoonlijk alleen de andere rijwielhandelaren als concurrenten, maar in zeker opzicht zijn zij dat helemaal niet, doch veeleer natuurlijke medestanders, die mèt hem front maken tegen allerlei dreigende invloeden van buiten af. Immers, eer een man een fiets koopt, zal hij ook andere mogelijkheden overwegen. Moet hij een fiets kopen of een nieuw costuum? Of zal hij het geld beleggen in een studie-verzekering voor zijn zoontje? Of reserveren voor de vacantie? Of misschien liever op de spaarbank zetten — wie weet wat er nog voor slechte tijden kunnen komen? Er zijn tientallen dingen die hij met zijn geld kan doen, of nièt doen, en de vraag of hij zijn fiets bij handelaar A of B moet kopen, is nog lang niet aan de orde. De vraag is : zal hij een fiets kopen? De werkelijke concurrentie van een product of dienst bestaat uit heel het samenstel van alle factoren, die de afzet kunnen tegenwerken. Om enkele voorbeelden te noemen : tomatensap is een concurrent voor sinaasappelsap, maar alle vruchtensappen tezamen zijn een concurrent voor melk, bier en limonade. Een gewijzigde leefgewoonte zoals dieetvoor- de-slanke-lijn kan een zo sterke bedreiging vormen voor, bijvoorbeeld, de suikerwerk-industrie als geheel, dat de onderlinge concurrentie der suikerwerk-fabrikanten daarbij op het tweede plan komt te staan. De algemene invloeden die een bepaalde branche kunnen raken, zijn vaak zo krachtig, dat het bedrijfsleven er zich tegen moet gaan verzetten. Betreft het economische verschijnselen, zoals depressie en werkloosheid, dan is zulk verzet vaak niet mogelijk. Maar gaat het om vijandige gezindheid, onwetendheid, verkeerde opvattingen, afnemend vertrouwen, of vóóroordeel, dan is een tegenactie in de vorm van voorlichting en reclame, niet alleen mogelijk, maar in de meeste gevallen ook zeer vruchtdragend. De herwonnen of versterkte gunst van het publiek komt dan tot uiting in de omzetcijfers van ieder der vakgenoten. Voor de vakgemeenschap der slagers geldt, dat ook zij zich rekenschap moet gaan geven van de enorme druk, welke — via verlokkende reclame en suggestieve voorlichting — door tientallen andere branches op de verbruikers wordt uitgeoefend. Dit is een rechtstreekse bedreiging van de winstmogelijkheden onzer slagers, omdat door die druk niet alleen de toename van het vleesverbruik wordt geremd, maar zelfs de thans bestaande consumptie van vlees en vleeswaren langzaam maar zeker wordt aangetast. Men houde altijd goed voor ogen: de koopkracht van de huishoudgulden is niet onuitputtelijk! Wil de vlees-industrie haar debiet niet langzaam maar zeker zien afbrokkelen en zichzelf afsnijden van èlke kans op groei, dan moet zij op de bres staan voor haar belangen en vèchten voor haar rechtmatig deel van het beschikbare volksinkomen! Het is niet genoeg dat de mensen vlees „lekker" vinden; zij moeten weten dat het onmisbaar is — en waaróm. Daarvoor is actie nodig, vakkundig geleid, wetenschappelijk gefundeerd, overtuigend gepresenteerd en .... geïnspireerd door méér dan alleen het grove eigenbelang. Met andere woorden : een actie die de verbruikers báát brengt, die de mensen hèlpt hun inkomen verstandiger te besteden en die werkelijk bijdraagt aan onze volkswelvaart en gezondheid! Denk niet dat zulk een actie eenvoudig is. Of goedkoop. Of snelwerkend. Er is zéér veel toegewijde arbeid van hoogst bekwame mensen voor nodig. Er zijn kapitale sommen mee gemoeid. En het effect is altijd een lange-afstandsresultaat. Drie volle jaren intensieve propaganda zijn nauwelijks meer dan een goede aanloop. Dan pas gaat men resultaten zien, maar van dat moment af leidt de weg ook onafwendbaar omhóóg. Het is als met een trekpaard voor een zwaar beladen wagen .... Als de wielen eenmaal draaien houdt het paard gemakkelijk de gang er in, maar om de kar aan het rollen te krijgen moeten paard èn voerman al hun krachten inspannen! Het is van groot belang in te zien, dat juist die branches wier voornaamste producten niet door een handelsmerk zijn beschermd, het meest van een gemeenschappelijke reclameactie kunnen profiteren. Maar er is één ernstig bezwaar. Het is namelijk zéér moeilijk om in een groep van vrijwillig samenwerkende ondernemers volledige eenstemmigheid te verkrijgen over de te volgen reclame-tactiek en de diverse plannen. Daaruit vloeit voort dat het bijna onmogelijk is alle vakgenoten tot financiële deelname te bewegen. Er zullen altijd enkele collega's zijn die hopen „iets voor niets" te kunnen krijgen, en die dit oncollegiale streven motiveren met de uitvlucht : „Ik ben het niet eens met de plannen". Om dit euvel te bestrijden is het nuttig de deelnemers te onderscheiden met een „embleem", bijvoorbeeld een winkelschild „Lid van de Actie", „Erkend Bedrijf", „Georganiseerd Winkelier" of iets dergelijks. Hoe beter de reclame, des te groter de behoefte voor iedere bedrijfsgenoot om er aan deel te nemen en „er bij te behoren". In de doelstelling der campagne wordt deze embleem-gedachte dan ook meestal zeer bewust opgenomen, bijvoorbeeld als volgt: DOELSTELLING DER NATIONALE PROPAGANDA VOOR HET VERBRUIK VAN VLEES EN VLEESWAREN a. Het aantal verbruikers op peil te houden en zo mogelijk te vergroten. b. Het verbruik per gezin op peil te houden . en zo mogelijk te vergroten. c. Het bestrijden van onvolwaardige vervangingsmiddelen. d. Het beschermen van de slagersstand tegen alle soorten van concurrentie, speciaal oneerlijke en misleidende. e. Het vergroten van de publieke waardering van vlees en vleeswaren als een onmisbaar en waardevol voedingsmiddel, o.a. door het handhaven van strenge kwaliteitsvoorschriften voor alle slagers die het embleem voeren. f. Het vergroten van de publieke waardering voor de vakkennis en het dienstbetoon van alle slagers die het embleem voeren. g. Het bevorderen van de publieke voorkeur om uitsluitend te kopen bij slagers die het embleem voeren. De financiële bijdrage per deelnemer wordt gewoonlijk gebaseerd op een omzet-eenheid, bijvoorbeeld een kwart cent per kilogram, een gulden per duizend gulden omzet, of iets dergelijks. Zeer vaak wordt ook een stijgende lijn gevolgd, bijvoorbeeld: van de omzet in 1954 is reclamefonds voor 1955 ; % van de omzet in 1955 is reclamefonds voor 1956; % van de omzet in 1956 is reclamefonds voor 1957 ; enz. De bijdragen worden per maand, per kwartaal of per half jaar vooruitbetaald en iedere deelnemer verbindt zich voor minstens drie volle jaren. Voorts verbinden de deelnemers zich, maar dit spreekt welhaast vanzelf, om al het hun verstrekte reclame-materiaal op de voorgeschreven wijze te gebruiken. Receptenboekjes voor klanten, bijvoorbeeld, moeten ook werkelijk aan de klanten worden uitgereikt! Zouden de Nederlandse slagers er toe kunnen besluiten (die dag komt!) om eensgezind de propaganda voor hun „producten" en hun „service" tot een daad te maken, dan zal één vraag op de voorgrond van hun belangstelling staan : „Hoe moet men het doen?" De voornaamste algemene regels zijn de volgende: a. De actie wordt minstens drie jaar volgehouden en de deelnemers verbinden zich tot financiële deelname en daadwerkelijke medewerking gedurende minstens die periode. b. De algehele leiding van de actie wordt toevertrouwd aan een kleine commissie, die volledige volmacht krijgt om zelfstandig te handelen. c. De reclame-deskundigen aan wie de uitvoering der plannen wordt opgedragen, zijn uitsluitend verantwoording schuldig aan de commissie. Zij moeten echter — zo dikwijls de commissie dit wenselijk acht — de plannen persoonlijk toelichten in een vergadering van de leden-deelnemers. d. De actie zal zich kenmerken door hoge ethische en artistieke normen, waartoe zijn te rekenen : 1. wetenschappelijk verantwoorde publicaties; 2. eerlijke argumenten; 3. beschaafde toon; 4. kunstzinnige presentatie; 5. begrijpelijke taal. De actie zal zich met name niet bedienen van : 1. rechtstreekse of zijdelingse aanvallen op andere artikelen of branches ; 2. vulgaire of onzedelijke „blikvangers" ; 3. onbewezen beweringen of oneerlijke attesten. Richten wij thans het oog naar de bijzondere eisen, waaraan speciaal een campagne voor het vleesverbruik zou moeten voldoen, dan zien wij voor zulk een actie een viervoudige taak : voorlichten, opvoeden, verdedigen en stimuleren. Voorts zien wij dat de actie-radius der te gebruiken verspreidingsmiddelen zal moeten variëren van zéér beperkt, bijvoorbeeld de inkopers der ziekenhuizen, tot maximum omvang, bijvoorbeeld alle huisvrouwen van ons land. Het spreekt vanzelf dat bij een zó uitgebreide taak, voor een zó veelzijdig en sterk wisselend „publiek", de grootst mogelijke aandacht moet worden geschonken aan de keuze en de behandeling der in aanmerking komende onderwerpen, zowel als aan de in te schakelen verspreidingsmiddelen. De voorlichtende functie zal met vrucht vervuld kunnen worden door het publiceren van deskundige artikelen, het houden van lezingen, het geven van demonstraties enz. De opvoedende taak — waarbij vooral gedacht moet worden aan de jeugd, huishoudscholen, verenigingen, onderwijskringen en dergelijke — vraagt een ruim gebruik van studieboekjes, prijsvragen, openbare lessen enzovoort. De verdedigende inspanning zal overwegend het karakter dragen van een voortdurend pleitbezorgen bij rijks- en gemeentebesturen, overheids- en vakinstanties, doktoren, re dacties en andere leidinggevende en opinievormende groepen. En ten slotte de stimulerende, de verkoopbevorderende taak, die door alle hierboven reeds genoemde activiteiten wordt ondersteund, maar die overigens een geheel eigen weg gaat van rationeel en emotioneel appelleren aan de massa. Leest u dit laatste nog eens over! Rationeel en emotioneel appelleren aan de massa .... wat is dat? Eenvoudig dit: de mens wordt bij zijn koopbesluiten geleid door overwegingen van het verstand (rationele motieven) en overwegingen van het gevoel (emotionele motieven). Een collectieve reclame-campagne van de slagers zou waarschijnlijk op beide moeten werken, althans in de reclame voor het grote publiek. In de hierbij afgebeelde advertentievoorbeelden uit Amerika (af b. 1016) zien wij óók deze techniek toegepast. Mb. A toont een advertentie met een „gevoelsargument" (Het belang van vlees om u goed te voelen!), terwijl B gebaseerd is op een zuiver verstandelijk argument (Wat is er gebeurd met de vleesprijzen?). De verspreidingsmiddelen waarvan de publieksreclame zich kan bedienen, zijn zeer talrijk en veelsoortig. Noemen wij daarom slechts: advertenties in dagbladen en tijdschriften, aanplakbiljetten, stationsreclame, tram-transparanten, circulaires, verkoopbrieven, films, raamstroken, etalage-materiaal, tentoonstellingsstands, receptenboek] es, strooibiljetten, huisorganen, wandkaarten, toegift-artikelen, boodschappenlijstjes enzovoort. Zonder nu te willen beweren, dat men van al deze verspreidingsmiddelen (ook wel genaamd : reclame-media), er beslist niet één mag overslaan, meent schrijver dezes toch te moeten wijzen op het grote belang van veelzijdigheid. Men vergete nimmer, dat de diverse reclame-media elkander ondersteunen. Hun uitwerking is „cumulatief" dat wil zeggen: een opeenstapeling van indrukken, waarbij elke nieuwe indruk het totaal-effect versterkt. Met enkel receptenboekjes komt men er niet. Met enkel advertenties 66k niet. En met enkel raambiljetten evenmin. Juist de veelheid en verscheidenheid der toegepaste middelen geven de „kettingwerking", die het geheim is van succesrijke reclame. Wie het doet, moet het goed doen. Dus lang genoeg, intensief genoeg, veelzijdig genoeg en tijdig genoeg. Dit laatste is ook ontzaglijk belangrijk. Wacht niet te lang! Voor reclame geldt : de beste tijd om te beginnen is gisteren. Elke dag uitstel maakt de strijd zwaarder en duurder. Komen doet hij tèch, want zo goed als elke andere branche moeten ook de slagers meegaan met hun tijd en zich leren bedienen van de moderne handelstechnieken, systemen en hulpmiddelen. Daarvoor is allereerst nodig: een andere geestelijke instelling van de slagers zèlf. Zij zijn opgegroeid in de overtuiging dat vlees en vleeswaren onmisbare artikelen zijn, waaraan altijd wel behoefte zal bestaan en die dus „zichzelf verkopen". De grote vraag is echter of deze artikelen zichzelf wel voldoende verkopen en .... of de leveranciers er van wel altijd de slagers zullen zijn! HAN W. HUND 1016. Enkele voorbeelden uit de reclame-actie van het „American Meat Institute". A en B — Advertenties voor het grote publiek. C — Demonstratiekaart voor schoolgebruik (onderdeel van een serie). ons land nog nergens gedaan. Bovendien lijkt het ons toe, dat een dergelijke behandeling alleen nut heeft, wanneer het dier niet in stallen maar buiten heeft geleefd en slechts oppervlakkig met stof bedekt is ; maar de uitkomst lijkt twijfelachtig, wanneer de dieren van de stal komen, bebedekt met mestklonten, die niet met een waterstraal alléén verwijderd kunnen worden en half vloeibaar de verontreiniging bevorderen. Het dier is nu in de slachtplaats, die, naar wij aannemen, voldoet aan de bouwkundige eisen gesteld in de hiervoor genoemde overheidsvoorschriften en die ook regelmatig en naar behoren is schoon gemaakt. Ook veronderstellen we, dat, zoals voorgeschreven staat, in de slachtlokalen geen kleren of afvalproducten worden bewaard, dat er geen slachtdieren in zijn gestald en dat het bewaren en reinigen van maag en darmen niet in deze ruimte plaatsvindt. Is dit lokaal dan kiemvrij? Verre van dat! Onderzoekingen hebben uitgemaakt, dat in een dergelijk gereinigd lokaal de vloer, de wanden en . de draagzuilen allerminst vrij van kiemen zijn, en dat er slechts een quantitatief verschil in uitkomst bestaat wanneer deze hal na het gebruik wordt onderzocht. Reden te meer om deze reiniging niet als van gering belang te beschouwen, doch uiterst nauwgezet uit te voeren. Want bij het slachten treedt een grote verontreiniging op! Met het op de grond liggende, bedwelmde, doch nog spartelende dier worden stof en vuil en daarmede milliarden kiemen van huid en hoeven verspreid. Het dier loost in zijn laatste ogenblikken nog mest en urine, hier wordt doorheen gelopen en, aan het schoeisel gekleefd, wordt dit overal naar toe gebracht. Regelmatig verwijderen van deze mest en dit vuil, ook tijdens de slachting, is dus noodzakelijk, maar een grote verbetering zou het ons inziens zijn, indien het doden van het dier gevolgd door het verbloeden, op een bepaalde plaats van de hal zou geschieden. Dit laatste kan het beste in hangende houding geschieden, waarna het dier gebracht wordt naar de plaats waar het afgeslacht moet worden. Dan volgt het slachten zelf. De slachter snijdt met zijn mes door de sterk verontreinigde huid, die hij met zijn handen vastpakt en waartegen hij met zijn kleding schuurt. Is het mes met faeces verontreinigd, dan wordt het aan de huid afgeveegd en daarna misschien aan de slachtbroek. Is de huid verwijderd, dan wordt met dezelfde handen, waaraan thans millioenen bacteriën kleven, het slachten voortgezet en deze kiemen overgebracht op het vlees en de organen. Worden de ingewanden per ongeluk ingesneden, dan is de mestverspreiding nog erger. Wel wordt met een in schoon water uitgespoelde doek de mest verwijderd, zodat op het oog alles weer in orde is, maar men kan er van verzekerd zijn, dat deze handelwijze totaal onvoldoende is om de nadelige gevolgen te keren. Want de gebruikte doek wordt wel uitgespoeld, misschien zelfs in schoon water, maar daardoor is hij niet kiemvrij geworden, en wanneer na de slachting het dier met deze doek wordt „schoongemaakt" is op de gehele oppervlakte een klein laagje van talloze bacteriën gebracht. Vandaar dat van de zijde der hygiënisten zo gewaarschuwd wordt tegen het gebruik van zulke doeken en daarom naar andere middelen gezocht is om de dieren schoon te krijgen, zoals het onmiddellijk afspuiten met een krachtige straal water. Hoewel men tot dusverre bang was een geslacht dier nat te maken, blijkt uit de practijk, dat het oppervlakkige laagje water door de lichaamswarmte van het dier spoedig verdampt. Bovendien is bij de nieuwe koelmethode door middel van snelkoeltunnels een hoge vochtigheidsgraad een voordeel, daar dit het indrogen en dus het gewichtsverlies beperkt. De slachtkleding is ook een moeilijk punt. Er is niet aan te ontkomen, dat schone slachtkleding na een zeer korte tijd van arbeid alhoewel niet onooglijk, toch verontreinigd is. Men zal dus zoveel mogelijk schone slachtkleding moeten dragen, liefst iedere dag, zoals dat in sommige vleeswarenfabrieken voorschrift is, evenals het dagelijks baden. Ik geloof niet te boud te spreken, wanneer ik meen, dat we daar in ons land nog ver van af zijn. Ook zij hieromtrent nog opgemerkt, dat de doelmatigheid van de kleding, ik bedoel de mogelijkheid om ze gemakkelijk te kunnen reinigen, korte mouwen e. d. niet genoeg in het oog wordt gehouden. De wijd en zijd verbreide kleerkastjes, waarin na afloop der werkzaamheden de natte, vuile kleding wordt opgeborgen, geven te weinig gelegenheid tot drogen en te veel gelegenheid tot bacterie-ontwikkeling en stankverspreiding, waarom aan het ophijsen der kleding en het drogen doormiddel van een verwarmingsapparaat verre de voorkeur moet worden gegeven. Het spreekt vanzelf, dat handen en armen behoorlijk gereinigd moeten worden, niet alleen na de arbeid! Wij zijn van mening, dat na het verwijderen van de huid, vóórdat men met het eigenlijke slachten begint, de handen grondig moeten worden gewassen, evenals voor het vervoer van het geslachte dier van de slachtplaats naar het koelhuis. Ook behoort bij het laatste vervoer de slachtkleding vervangen te worden door andere kleding, die men speciaal hiervoor (en voor het verdelen van het dier en dergelijke werkzaamheden) gebruikt. Geheel ontoelaatbaar is, dat vuile slachtkleding wordt aangehouden en dat daarmede de slachtplaats wordt verlaten. Messen, bijlen en dergelijk gereedschap moeten zich altijd in zindelijke toestand bevinden. De reiniging (en ontsmetting) moet al zeer nauwgezet geschieden, wanneer daarmede afwijkingen door ziekte, zoals abcessen en tuberculeuze verdikkingen zijn ingesneden of geraakt. In de slachthallen van de meeste slachthuizen zijn voor dit doel aftakkingen van de stoomleiding aanwezig, zodat het best denkbare reinigings- en ontsmettingsmiddel, stoom, ter beschikking staat. Hiermede zijn we meteen in de varkenshal aangeland. Veel van wat hiervoor werd geschreven is ook voor de varkenshal van toepassing. Een moeilijke zaak in deze hal vormt de broeikuip. Wanneer we nagaan, dat na het eerste varken, dat daarin werd geworpen, ja eigenlijk reeds tijdens het verblijf hiervan in de kuip, het water verontreinigd is door het vuil, afkomstig van de huid en de klauwen, hoe veel ernstiger moet dan deze verontreiniging niet zijn, wanneer tientallen varkens zijn gepasseerd. Met dit vuil worden milliarden bacteriën over de huid verdeeld, maar ook in de mond- en keelholte, luchtpijp en longen en wat het ergste is, in de steekwond aan de hals gebracht. Luchtpijp en longen worden daarom steevast afgekeurd, de mond- en keelholte uitgespoeld met een krachtige waterstraal, doch de steekwond is en blijft bezoedeld en geïnfecteerd. Zo gezien is de oude slachtmethode, zoals bij huisslachtingen wordt toegepast, veel beter, waar met een keteltje telkens en telkens heet water op de huid van het varken wordt gegoten, waarna deze wordt gekrabd. Naar onze mening moet dan ook naar een andere oplossing van het broeien van varkens in de slachthuizen worden gezocht, want we moeten af van de „modderbaden". Een andere, zij het kleine bron van infectie, zowel bij het rund als bij het varken is de halssnede of de borststeek. Uit onderzoekingen betreffende het bederf van vlees, speciaal van Amerikaanse zijde, is gebleken, dat met het mes dat de huid doordringt bacteriën worden medegenomen, die in de wond aan het bloed worden overgegeven en die later in het vlees zijn terug te vinden. In de derde plaats gaan bij de pogingen van de slachter om zo veel mogelijk bloed te winnen en waarbij men met de voet op de buikholte drukt, veel bacteriën uit de darmen in de bloedvaten over. Deze kunnen vervolgens weer in het vlees terecht komen. Dergelijk „treden" van een slachtdier is dus niet toelaatbaar. Zoals we elders in dit werk kunnen lezen onderscheiden we bij vlees oppervlakkig en diep bederf. Het eerste bederf, dat zich openbaart aan de oppervlakte van het vlees, dus aan de buitenzijde van het geslachte dier, wordt veroorzaakt door de daar terecht gekomen of erop gebrachte bacteriën. Terecht gekomen uit de lucht, ofschoon hieraan, zoals een onderzoek ons leerde, weinig betekenis gehecht moet worden. Er op gebracht op de verschillende manieren, die we hiervoor hebben beschreven. En dat het van grote betekenis is, dat dit aantal met handen, messen, etc. bij de slachting op het dier gebrachte kiemen zo klein mogelijk gehouden moet worden, blijkt wel als we nagaan in hoeveel tijd oppervlakkig bederf optreedt. Bij dit bederf namelijk, zich vertonende als een klef, grijsachtig slijmlaagje, dat bestaat uit milliarden bacteriën, kunnen we namelijk per cm2 30.000.000 bacteriën tellen. Wanneer nu na het slachten per cm 2 maar 43 bacteriën aan wezig zijn, duurt het 18 dagen vóór dat dit aantal aange groeid is tot 30 millioen, met andere woorden, dat het vlees oppervlakkig bederf vertoont. Zijn er in den beginne 2200 kiemen per cm 2, dan duurt dit 11 dagen, en als er 40.000 per cm2 zijn, duurt dit slechts 8 dagen. Het spreekt van zelf, dat op deze tijdperken de temperatuur, waarbij het vlees verblijft en ook de vochtigheidstoestand een grote rol spelen. Maar de slotconclusie is, dat hoe groter het aanvangskiemgetal is, des te korter de houdbaarheid van het vlees duurt. Wanneer we nu weten, dat de onder de huid gelegen oppervlakte van het vlees practisch steriel is, komt het er dus op aan, de besmetting van deze oppervlakte zo gering mogelijk te houden. Van Australische zijde is wel eens geprobeerd, hoe ver men zou komen met zo zindelijk mogelijk te slachten. De slachtdieren werden voor het slachten gewassen en met gesteriliseerde instrumenten geslacht; de slagers waren verplicht regelmatig de handen te wassen en er werd alleen gebruik gemaakt van gesteriliseerde slachtdoeken. De resultaten waren uitstekend, het aantal kiemen bedroeg slechts 2 tot 40 per cm2. Om een goede hygiënische toestand van de slachtlokalen te verkrijgen zijn in de betreffende voorschriften gegevens opgenomen omtrent inrichting en reiniging. Dit zijn echter minimum-eisen. Men kan, en in de openbare slachthuizen gebeurt dit ook, veel verder gaan. Bovendien kan men bij de bouw van dergelijke inrichtingen reeds in deze richting werkzaam zijn, door het „vuile" en „zindelijke" gedeelte te scheiden; door de richting welke het vlees na de slachting neemt niet te doorkruisen met die van levend vee ; door alle overbodig verkeer te vermijden en te zorgen dat afvalstoffen, als mest en bloed, zo spoedig mogelijk verwijderd worden en het liefst niet op het terrein worden opgeslagen. Voorst dienen alle haken en tafels, alle wagens, loopkatten, kortom alles wat in een slachthuis gebruikt wordt, van een materiaal te zijn vervaardigd, dat bestand is tegen regelmatige reiniging met warm water en liefst ook tegen de inwerking van ontsmettingsmiddelen. Nog zijn we niet aan het einde van onze beschouwing over de slachthygiëne. We willen namelijk nog wijzen op de noodzakelijkheid ongedierte en vliegen uit de slachtplaats en de onmiddelijke omgeving te weren. Niet alleen, dat ratten en muizen grote schade aanrichten door al wat zij aanvreten en vernielen, maar ook bestaat het gevaar, dat, wanneer ze faeces deponeren op het vlees, dit niet alleen verontreinigd, maar ook besmet wordt door de zo gevaarlijke vleesvergiftigingsbacillen. Het is daarom een eerste eis geen verzamelplaatsen van afval of mest vlak bij de slachtplaats te hebben, waar dit ongedierte kan nestelen en zich voorttelen. Ook de verschillende soorten van vliegen, die zich eerst op de mest, en dan op het vlees voortbewegen, dat zij met aan hun poten klevende microben besmetten, moet geen gelegenheid geboden worden zich te vermeer deren. Wel is waar komen in de zomer soms honderdtallen tegelijk met een dier de stallen en hallen binnen, maar we bezitten thans verschillende goede bestrijdingsmiddelen, welke op muren en andere plaatsen gespoten kunnen worden en die de insecten verdelgen. Wanneer daarnaast geen afvalof mesthopen in de nabijheid aanwezig zijn kan tegenwoordig van een vliegenplaag niet meer gesproken worden. DE HYGIËNE VAN HET VERVOER EN DE BEWARING VAN VLEES Reeds werd in het vorige gedeelte er op gewezen, dat het vervoer van het geslachte dier van de slachtplaats naar de hangruimte of de koelhuizen met de nodige voorzorgen dient te geschieden. Herhaald zij, dat dit niet mag plaatsvinden door de slachter in zijn vuile slachtkleding en bovendien, dat het geslachte dier niet met ongewassen handen mag worden aangeraakt. Dit transport geschiedt in de slachthuizen hangende, hetgeen ook verre de voorkeur verdient. Moet het vlees, nadat het bijvoorbeeld in voeten is verdeeld, gedragen worden, dan mag dit niet geschieden op het onbedekte hoofd. Aan te raden is het gebruik van zogenaamde vleeskappen, welke hoofd en schouders geheel bedekken. Trouwens aan de openbare slachthuizen is het gebruik hiervan verplicht en een model dikwijls aangegeven. Zo even werd gesproken van het vervoer naar de hangruimten en de koelhuizen. Zoals elders (zie het hoofdstuk over „Conserveren van vlees door koude") is verteld, is het uit hygiënisch oogpunt af te keuren, dat het vlees eerst in een hangruimte wordt gebracht, waar het afkoelt tot de buitentemperatuur en daarna in een voorkoelhuis en ten slotte in het koelhuis. Gedurende de tijd, die nodig is om het vlees tot in de kern behoorlijk af te koelen, hebben de bacteriën, die ondanks alle voorzorgen toch op het vlees terecht zijn gekomen, de gelegenheid zich te ontwikkelen en te vermenigvuldigen. Bovendien is het gewichtsverlies van het vlees hoog door de verdamping. Daarom staan wij de moderne koelmethode voor, waarbij het slachtwarme dier zo spoedig mogelijk, hetzij in een koeltunnel, hetzij langs andere weg, wordt afgekoeld tot zo dicht mogelijk bij 0 ° C. De hangruimte wordt dus overgeslagen! In de regel duurt het ongeveer 20 uur voordat het vlees tot in het centrum van de dikke stukken tot ongeveer 4° C is afgekoeld, hetgeen voldoende is om de ontwikkeling der micro-organismen sterk te belemmeren. Bovendien wordt bij deze koeling het vochtgehalte van de het vlees omgevende lucht zo hoog mogelijk gehouden, zodat het gewichtsverlies veel kleiner wordt. Behalve koeltunnels hebben we voor de bewaring van vlees koelhuizen nodig, welke al dan niet in kleine ruimten, cellen genaamd, verdeeld kunnen zijn, en waarin de temperatuur constant op iets boven 0° C wordt gehouden. Hierin kan het vlees 2 à 3 weken, naar gelang van de kwaliteit, worden bewaard. Ook in de koelhuizen, koeltunnels en voorkoelhuizen dient men te zorgen voor de grootst mogelijke reinheid. Daar zij vallen onder de categorie „bewaarplaatsen van vlees" zijn hierop ook de bouwtechnische en andere voorschriften van toepassing, welke op de Vleeskeuringswet berusten. Het vervoer van het vlees uit het koelhuis naar de slagerswinkel of fabriek ziet men met de meest verschillende voertuigen gebeuren; aan de ene kant de eenvoudige fiets met mand, tot aan de andere kant de meest luxueuze personenauto met aanhangwagen toe. De voorkeur verdient het vlees hangende, in goed geventileerde, en van een afwasbare binnenwand voorziene voertuigen over te brengen. Ook aan de vleesauto's die op het ogenblik in gebruik zijn, mankeert nog veel. Niet alleen, dat het uiterlijk van een dergelijke wagen door een frisse kleur en goed onderhoud moet getuigen van de opvattingen omtrent zindelijkheid van de vervoerder, ook aan de kleding van hen, die het vlees rondbrengen, moeten nog hogere eisen gesteld worden dan aan slachtkleding, omdat zij met het publiek in aanraking komen, en op hun rit door de stad als het ware het visite-kaartje van het slagersbedrijf zijn. Ook worden deze vleeswagens helaas vaak nog gebruikt voor het vervoer van levend vee. Al worden ze daarna gereinigd, kiemvrij zijn ze zeker niet geworden en ze vormen aldus een bron van infectie voor het vlees! Is een gekoelde vleesauto, behalve voor internationaal transport, thans nog uitzondering, geen uitzondering vormen helaas de bedrijven, die het vlees niet in speciale vleesauto's vervoeren. Vaak wordt het vlees geladen op ge huurde handwagens, welke wel, zoals het voorschrift luidt, van een houten raam zijn voorzien, doch ternauwernood gereinigd kunnen worden omdat ze misschien de vorige dag gediend hebben voor het vervoer van aardappelen of uien of andere zaken. Wanneer ze dan, omdat ze niet voldoende zindelijk zijn, aan de poort van het slachthuis geweigerd worden, is de slager in last, omdat hij in de regel het vlees dringend nodig heeft. Vaak ontvangt de keuringsdienst dan een verwijt, doch de slager vergeet, dat hij op deze manier tegen zichzelf beschermd wordt en dat zijn eigendom, zijn vlees, beschut wordt tegen onnodige verontreiniging en daarop volgend bederf. Het is noodzakelijk, dat de slager dit inziet, en begrijpt welke grote belangen voor hem verbonden zijn aan een zo goed mogelijk vervoer. Wat hiervoor geschreven is van handkarren, geldt evenzeer voor manden en andere draagmiddelen. Daarom is het onbegrijpelijk, dat in het vleesbedrijf de gevlochten tenen manden voor het vervoer van vlees nog geduld worden, welke manden immers nimmer goed zijn schoon te maken. Bovendien zijn doeltreffende manden en bakken van ander, goed te reinigen materiaal in de handel. Ook het bezorgen van vlees, natuurlijk in zindelijk papier gewikkeld en in een schone fietsenmand behoort bij het vervoer. Wat het bewaren van het vlees in een zaak betreft, gelukkig dat aan het eigenlijke „vertonen" van het vlees in de winkel, waar het blootgesteld was aan vliegen, aan temperatuurswisseling, aan het betasten door het publiek, meestal een einde is gekomen, en dat alles een plaats vindt in een goed werkende koelkast of gekoelde verkoopvitrine. Doch deze koelkast dient niet om van alles en nog wat door en op elkaar te bewaren, ordeloos, zonder zorg, want dan zal men spoedig ervaren, dat de kast u in de steek laat. Wanneer de kast overzichtelijk en oordeelkundig wordt gevuld, zodat de koude overal langs kan strijken, als voortdurend de inhoud wordt gecontroleerd en de wanden en de vloer regelmatig met heet zeepsop worden gereinigd, dan is de kast een machtig hulpmiddel in de strijd tegen bederf. DE HYGIËNE VAN DE SLAGERSWINKEL EN DE WERKPLAATS OF HET VLEESWARENBEDRIJF Ook in de reeds meermalen aangehaalde voorschriften, welke op de Vleeskeuringswet berusten en handelen omtrent de inrichting van de localiteiten behorende bij de bedrijven waarop deze wet van toepassing is, worden aanwijzingen gegeven, waaraan o.a. winkels en vleeswarenfabrieken moeten voldoen. Daarin worden lichte, ruime en goed geventileerde lokalen voorgeschreven met een muurbekleding, die licht van kleur is en gemakkelijk met heet sop kan worden afgewassen. Ook met het oog op de hygiëne, dus met het doel de reiniging, eventueel ontsmetting te vergemakkelijken moeten de hoeken van de wanden onderling en van de wanden met de vloer rond zijn en de vloer geen scheuren en onnodige verdiepingen vertonen, waarin zich vuil (en daarmede ontelbare bacteriën) zou kunnen ophopen en moet de zoldering stofdicht zijn. Daarom ook moet het terrein, de hallen, de lokalen en de inventaris geregeld worden schoongemaakt; ja, de lokalen, waarin gewerkt is, moeten, met alle voorwerpen en gereedschappen, die daarbij hebben dienstgedaan onmiddellijk na afloop van die werkzaamheden worden gereinigd. Het is ons inziens duidelijk, dat door deze voorschriften niet alleen de consument wordt beschermd, doch tevens het eigenbelang van de slager gediend. Hetzelfde geldt voor de bepalingen, waarin staat, dat de toonbanken, ijskasten, uitstalkasten, hakblokken en andere voor de verkoop dienstige voorwerpen en toestellen in zindelijke toestand moeten worden gehouden. Voorts, dat de haken waaraan het vlees wordt gehangen, schoon en vrij van roest moeten zijn. En niet te vergeten, dat de personen, die met de verkoop van vlees belast zijn, of werkzaam bij de bereiding van vleeswaren, steeds zindelijk gekleed moeten zijn en reine handen moeten hebben. Dit sluit in, dat de nagels behoorlijk geknipt en schoon moeten zijn en dat het mannelijk deel behoorlijk geschoren is en de verkoopsters haar kapsel netjes verzorgd hebben, zodat geen gevaar voor losse haren op het vlees te duchten is. Belangrijk werkt daartoe mede het dragen van mutsen, hetgeen ook fris en netjes staat. Veel wassen van de handen, dus niet afvegen aan de witte jas, voorkomt verontreiniging en voorkomt dat alles met vet besmeurd wordt. Dáárvoor is de wasgelegenheid met zeep en zindelijke handdoek, die in iedere winkel en vlees warenfabriek aanwezig moet zijn, en die dus niet dient om er alles in te werpen, wat men kwijt wil zijn. Aan de andere kant moet het ook niet zo zijn, dat zorgvuldig vermeden wordt om de wasbak vuil te maken. Neen, een ruim gebruik van de wasgelegenheid bevordert de zindelijkheid in uw zaak en zal door de klanten zeer op prijs worden gesteld! Kortom, ook voor het werk in deze afdelingen geldt : reinheid, reinheid en nog eens reinheid! DESINFECTIE Bij de bestrijding van besmettelijke veeziekten heeft de desinfectie tot doel de stallen en de daarin aanwezige voorwerpen, waarmede het zieke dier of producten daarvan, zoals mest, urine, in aanraking zijn geweest, te ontsmetten, dat wil zeggen de daarin of daarop aanwezige micro-organismen te doden. Bij de veeziekten betreft dit verschillende ziektekiemen, bij de desinfectie van vlees-en vleeswarenbedrijven in de eerste en allervoornaamste plaats kiemen, welke bederf van vlees of vleeswaren veroorzaken. En van deze worden weer voornamelijk bedoeld dié kiemen, welke in de lokalen en op de machines en gereedschappen aanwezig zijn. De kiemen, welke op het vlees liggen zullen echter niet alleen de houdbaarheid van het vlees verkorten, doch bovendien het maken van goede en houdbare vleeswaren belemmeren. Weliswaar zullen bij de meestal bij de fabricage van vleeswaren behorende verhitting de meeste kiemen worden gedood, maar altijd is dit niet het geval en zeker niet met bepaalde levensvormen van bacteriën, de zogenaamde sporen, die grote weerstand bezitten, zowel tegen verhitting, als tegen chemische desinfectiemiddelen. Het is duidelijk, dat rottingsbacteriën uit geen enkel bedrijf te weren zijn. Doch ook is begrijpelijk, uit hetgeen wij over de hygiëne in het vleesbedrijf hebben gezegd, dat hun aantal door grote reinheid, zowel van de mens, die daarin werkt, als van lokalen en gereedschappen, flink naar beneden gedrukt kan worden. Daaraan werkt in belangrijke mate mede de wijze, waarop dergelijke bedrijven ingericht zijn. Hierop zijn, zoals we zagen, de betreffende overheidsvoorschriften gericht. In het algemeen is bekend, dat goed schrobben en vegen met heet, liefst kokend water, waaraan wasmiddelen zoals zeep toegevoegd zijn, reeds vele bacteriën doodt. Maar men zal regelmatig hierop een desinfectie moeten laten volgen, vooral in de gevallen, waarin voortdurend vuil in de lokalen wordt gebracht (slachthallen) of waarin een bepaalde bacteriesoort de lokalen en gereedschappen heeft besmet, die HS 36 zich met eenvoudig schoonmaken niet laat verwijderen. Dan is het nodig te desinfecteren. De algemene regel is, dat men in die gevallen niet direct het desinfectans — dat is het middel dat de kiemen doodt — gebruikt, maar eerst een volledige en zorgvuldige reiniging met water en zeep toepast. Het eenvoudigste middel om te desinfecteren is stoom, ofschoon dat lang niet overal en altijd is toe te passen doch meestal wel in fabrieks- en slachthallen. Het nadeel van stoom, die de bacteriën doodt door de hoge temperatuur en druk, is, dat metalen door de warmte uitzetten en later weer krimpen, hetgeen tot breuk kan leiden. Ook is stoom schadelijk voor hout. We moeten, indien stoom niet voorhanden of niet te gebruiken is, chemische middelen toepassen. Doch daarbij moet men bedenken, dat er gevaar bestaat, dat deze met het vlees in aanraking komen, hetzij in vaste of vloeibare vorm, of, wat meer voor de hand ligt als gas, door verdamping van het middel. Geur en smaak van het vlees kunnen daardoor nadelig worden beïnvloed, doch ook kan het vlees zelf schadelijk voor de gezondheid worden. Daarom kunnen stoffen zoals phenol, lysol of creoline niet gebruikt worden. Hetzelfde geldt voor formaline of hiervan afgeleide producten, hoe zij ook mogen heten, die in gasvorm wel gebruikt worden, en niet alleen schadelijk zijn voor het vlees, maar ook het in de lokalen aanwezige metaal aantasten. Wil men in hardnekkige gevallen toch een dergelijk middel gebruiken, of liever is men hiertoe genoodzaakt, dan moet tevoren alle vlees worden verwijderd en na de ontsmetting weer een reiniging met veel water volgen, om de ongewenste nevenwerkingen van het middel te voorkomen. Men lette er op, dat men niet in de fout vervalt om het mid- del sterker te maken dan de gebruiksaanwijzing aangeeft, omdat men meent zijn doel dan beter en sneller te bereiken. Dit is onjuist; in het algemeen werken deze middelen het beste in de voor ieder geval nauwkeurig en proefondervindelijk uitgezochte verdunning. In Amerika wordt veel gebruik gemaakt van een oplossing van natrium-hypochloriet (NaOCI), dat goedkoop moet zijn en uitstekende resultaten geeft. Het kan worden verdund tot 0,4% en behoeft na een grondige reiniging van lokaal en inhoud slechts tien minuten op vloer, wanden en installaties in te werken. Daarna moet alles worden nagespoten met veel water, waarin het middel gemakkelijk oplost ; anders zullen de metalen voorwerpen worden aangetast. Zelfs is het, volgens de Amerikaanse voorschriften, niet nodig het vlees uit de te ontsmetten lokalen te verwijderen, doch kan worden volstaan met het te overdekken met doeken. Tegen het gebruik van ozon als ontsmettingsmiddel moet worden gewaarschuwd. Lage concentraties van dit gas hebben als zodanig geen waarde, terwijl, als men de sterkte verhoogt, de kans op ransig worden van de vetdelen groot wordt. Een nieuwe weg is voor het doden van micro-organismen ingeslagen, toen men gebruik ging maken van lampen, welke ultraviolette stralen uitzenden. Hierdoor wil men de lucht kiemvrij maken, benevens de oppervlakten van vloer en muren, vlees, enz. Men moet echter wel daarbij bedenken, dat hoe gladder de oppervlakte is, hoe beter het effect, want in de schaduwzijde van microscopisch kleine verdiepingen, scheurtjes of gaatjes kunnen duizenden kiemen aanwezig zijn, die dan niet door de stralen kunnen worden bereikt. Want de directe bestraling doodt de kiemen, de stralen werken niet „om een hoekje"! Bovendien dringen ze slechts weinig onder de oppervlakte door. Deze methode kan dus slechts als aanvulling van de andere dienst doen. Ook zijn goede resultaten bereikt bij het desinfecteren door bestraling van worstkruiden, welke vaak grote hoeveelheden micro-organismen bevatten, en daardoor aanleiding kunnen geven tot slechte en niet houdbare vleeswaren. Men dient er aan te denken, dat de stralen nadelig zijn voor personen, die zich in het lokaal, waar bestraald wordt, ophouden. Gedurende hun aanwezigheid moet men dus de bestraling staken. Aansluitend bij het voorgaande, enige opmerkingen over de ratten- en muizenbestrijding, evenals over die van vliegen. Bij de ratten- en muizenbestrijding kan men, hetzij mechanische, hetzij biologische of chemische middelen gebruiken. De mechanische middelen zijn de verschillende soorten van vallen, welke de een met meer, de ander met minder succes in gebruik zijn. Men dient er op te letten, dat noch de val, noch het aas mensen- of kattengeur verspreidt, zodat ze het beste geplaatst worden met handschoenen aan, en reiniging met hete soda-oplossing noodzakelijk is. De biologische middelen hebben tot doel de levensomstandigheden voor de knaagdieren zo veel mogelijk te verzwaren, zoals door verstopping van de loopgangen, het zodanig bewaren van levensmiddelen dat ze niet te bereiken zijn, en het houden van honden en katten, hoewel de laatste in de regel tegen ratten nutteloos zijn. Tot de chemische middelen behoren de verschillende preparaten, welke in de handel zijn, en die in de regel als een brij, vermengd met mais of aardappelen, worden uitgelegd. Er zijn ook preparaten, welke uit bacteriën bestaan. Deze laatste zijn echter verwant aan de vleesvergiftigingsbacillen en het is veel te gevaarlijk deze in levensmiddelenbedrijven toe te passen. De Rijksseruminrichting te Rotterdam levert echter een middel, dat onschadelijk is. Wanneer ratten of muizen in koelhuizen aanwezig zijn waarin ze in de regel met de emballage (kisten!) zijn gebracht, dan is het alleen mogelijk door vergassen daaraan een einde te maken. Verschillende gassoorten zijn daartoe beschikbaar. Aangezien dit vergassen echter niet ieders werk is en bepaalde voorzorgsmaatregelen, wegens gevaar voor de mens, moeten worden genomen, dient men hiervoor een Gemeentelijke ontsmettingsdienst of deskundige firma's in te schakelen. Voor zover ze gedurende korte tijd bewaard worden, moeten de vaten waarin ze worden geborgen toegedekt blijven. Wanneer een mestvaalt aanwezig is, bedekt men deze met gebluste kalk om larven en eieren te vernietigen. De lokalen, waarin gewerkt wordt, kan men zo veel mogelijk vrij van vliegen houden door vliegengaas voor de vensters aan te brengen. Muren en vensters worden ook wel blauw ge maakt, o.a. door bestrijken met kalkmelk, gemengd met iets ultramarijnblauw. Wij willen onze besprekingen over dit hoofdstuk met enige algemene opmerkingen beëindigen. Stellen we vast, dat de instelling van de mens die in het bedrijf werkt, voor het doorvoeren van de maatregelen, die de hygiëne vordert, van doorslaggevende betekenis is. Vindt hij, omdat hij de bacteriën, die nu eenmaal kleiner zijn dan muizen, niet kan zien, dat al wat gezegd is „gepraat in de ruimte" is, dan zullen voorschriften en geboden of verboden niet helpen om hem tot inzicht te brengen. Gelukkig, dat zij, hoewel in het belang van de consument, dus in het algemeen belang, genomen, volstrekt niet ingaan tegen het bijzondere, dus het eigen belang van de slager. Het belang van de vleesconsument bij onberispelijke deugdelijke waar komt geheel overeen met het economisch belang, dat de slager heeft bij een zo groot mogelijke houdbaarheid van zijn vlees en vleeswaren, wat wil zeggen, dat zo weinig mogelijk bederft voor het in consumptie komt. In één der rapporten, welke werden uitgebracht in 1952 op het Internationale Slagerscongres te Ziirich, getiteld „Over de hygiënische voorschriften ten aanzien van vlees en vleeswaren" werd de mening uitgesproken, dat in verschillende landen van Europa het toezicht op de handhaving dezer eisen als een politietaak wordt beschouwd, waarmede de slager liefst niet in aanraking komt. In Noord-Amerika, zegt het rapport, heerst echter het inzicht, dat deze controle niet alleen zeer nuttig is,maar maakt men bovendien dankbaar gebruik van de adviezen, die daarbij worden gegeven. Met andere woorden, men beschouwt het toezicht van de daartoe ingestelde organen niet als een last, doch als een prikkel om tot een steeds betere, zowel hygiënische als economische bedrijfsvoering te geraken. Voor zover wij over ons land kunnen oordelen, menen wij, dat bij de leiding der Nederlandse slagerswereld deze laatste opvatting reeds lang gemeengoed is geworden, al zal iedere slager het daar nog niet mee eens zijn. Als bewijs hiervan noemen we de sinds jaren aan de slagers-vakcursussen door ervaren vleeskeuringsambtenaren gegeven lessen over veeen veeziekten, waarbij aan de betekenis van de hygiëne voor het slagersbedrijf grote aandacht wordt geschonken. En ook bij de vleeskeuringsdiensten is een levendig besef aanwezig, dat verboden en geboden totaal onvoldoende zijn om het beoogde doel, het verhogen van het hygiënische peil van de slagersbedrijven, te bereiken en dat daarvoor nodig is, enerzijds de raadgevende naast de politionele taak, en aan de andere zijde de bereidheid om te luisteren en de in eigen belang gegeven raadgevingen op te volgen. Dr K. REITSMA DEEL VI MACHINEKENNIS HOOFDSTUK 1 SLAGERIJMACHINES INLEIDING Het beroep van de slager is een ambacht. Het is dus een typisch handwerk, dat practisch niet kan worden vervangen door productie in een fabriek, vooral wat betreft het klaarmaken der diverse vleessoorten. Toch is de moderne ontwikkeling, die geleidelijk aan bepaalde ambachten gedeel-. telijk heeft vervangen door massale fabricage in fabrieken, ook aan het slagersbedrijf niet geheel voorbijgegaan. Het zou een verkeerd conservatisme zijn, te beweren, dat er niet bepaalde producten inderdaad in fabrieken economischer zouden kunnen worden vervaardigd. Er zijn bepaalde ambachten in de metaalnijverheid die zich, wat dit betreft, aan deze ontwikkeling hebben aangepast, door het werk, dat zich voor fabrieksproductie leent, inderdaad door fabrieken te laten vervaardigen. Hierdoor kreeg men volop de gelegenheid, zich meer toe te leggen op dat onderdeel van het ambacht, dat niet geschikt was voor deze fabrieksproductie. Het gevolg was, dat men een veredeld ambacht kreeg, dat zich glansrijk naast deze fabrieksproductie wist te handhaven. Ook in de slagerswereld is men hierover reeds doende. Gezien de steeds modernere inzichten en de ontwikkeling in de bedrijfschap is het wel te verwachten, dat ook het slagersambacht een dergelijke integratie zal ondergaan. Niet alleen in de fabrieken doch ook in de normale slagerswerkplaatsen nemen de machines een belangrijke plaats in, zo belangrijk zelfs, d.at men zich geen slagerswerkplaats kan indenken zonder machines. Het meeste werk in een slagerswerkplaats hangt samen met de vakkennis van de slager. Een ding hebben echter alle slagerswerkplaatsen gemeen : de reinheid en frisheid wordt steeds betracht. Vandaar ook, dat bij de machines, welke functie ze vervullen of welke capaciteit ze ook hebben, steeds de reinheid en de reinigingsmogelijkheid op de voorgrond moeten staan. Verder spelen kunstmatige warmte zowel als koude een rol : warmte voor koken, drogen en roken ; koude voor koelkasten en koelvitrines. DE TAAK VAN DE MACHINE IN DE SLAGERS WERKPLAATS De taak van de machine in de slagerswerkplaats is vooreerst, dat er een zeker arbeidsvermogen op de grondstoffen wordt uitgeoefend. Dit arbeidsvermogen wordt geleverd door een motor. De machine, aangedreven door deze motor, geeft de grondstoffen een bepaalde bewerking. Deze werd vroeger door de slager zelf met de hand gedaan, doch de machine verricht deze steeds herhaalde bewegingen aanmerkelijk sneller, zodat het productie-vermogen van de werkplaats tevens belangrijk wordt opgevoerd. De motor maakt meestal een hoog toerental (b.v. 1500 of 1000 omwentelingen per minuut), terwijl het toerental van de machine meestal lager ligt. Het is dus in de regel nodig, dat er een inrichting is, die de machine op het juiste toerental doet draaien. Dit is de overbrenging. We zullen hierop uitvoeriger terugkomen onder het hoofd : Aandrijving. SMERING DER MACHINES In de machines zijn verschillende draaipunten. Naarmate dit draaien stroever gaat, is er een groter gedeelte van het arbeidsvermogen nodig, om deze stroefheid te overwinnen. Vandaar dat het van belang is, dat die stroefheid zo gering mogelijk is, met andere woorden : de smering der lagers is zeer belangrijk. Wat dit betreft, is het voor sommige machines ook een groot voordeel wanneer ze uitgerust zijn met kogel- of rollagers. Vooral ook, omdat kogel- of rollagers zeer goed zodanig zijn onder te brengen, dat er geen water of vuil in kan doordringen. Ook in dit opzicht zijn ze dikwijls te verkiezen boven gewone glijdlagers; ook al, omdat kogel- of rollagers meestal lichter lopen dan glijdlagers, hoe goed deze laatste ook gesmeerd zijn. Een bijkomstig voordeel van kogel- of rollagers ten opzichte van glijdlagers is nog, dat terwijl slijtage bij glijdlagers gepaard gaat met grotere ruimte van de as in het lager, dit niet het geval is bij kogel- of rollagers. Daar smering dus onnodig krachtsverbruik tegengaat, (krachtsverbruik kost geld) moet hier dus altijd de nodige zorg aan worden besteed. Tevens voorkomt men onnodige slijtage, dus geeft goede smering verlenging van levensduur der machines en verlaging van reparatiekosten. Het zou ons te ver voeren, alle soorten smering te bespreken, doch wel geven we hier enige regels voor de smering, die we graag de gulden regels zouden willen noemen. Deze zijn : 1. Gebruik het juiste smeermiddel; laat u door de machineleverancier goed inlichten, welke smeermiddelen u moet gebruiken. 2. Volg de smeervoorschriften van de leverancier nauwkeurig op ; smeer niet te weinig, maar ook niet te veel. 3. Koop alleen smeermiddelen bij bona fide leveranciers. 4. Smeer regelmatig, op gezette tij den. Houdt hiervan desnoods aantekening en controleer ook in dezen uw personeel. OPSTELLING DER MACHINES Voor de indeling van een slagerswerkplaats zijn geen vaste regels te geven. Gaat men een werkplaats inrichten of reorganiseren, dan is het zaak, dat men eerst zo ongeveer een fabricage-programma moet hebben vastgesteld. Hierbij moet men natuurlijk rekening houden met afwijkingen in dit programma, zowel door seizoensinvloed als door verandering van smaak bij de klanten, of het opnemen van nieuwe producten. Een der belangrijkste punten is wel, dat men de machines en apparaten zodanig tracht op te stellen, dat men bij de bereiding der producten zo min mogelijk moet lopen. Ook het gebruik van de juiste bakken en werktafels is van groot belang. Tevens is de conditie van de vloer van invloed op het vermoeid raken van het personeel. De vloer moet stroef zijn en toch gemakkelijk gereinigd kunnen worden. Meestal zijn bepaalde gedeelten van de vloer zeer licht hellend, om afvoer van water naar de goten te bevorderen ; tracht echter die gedeelten, waar veel gestaan wordt, zoveel mogelijk vlak te houden. Heeft men eenmaal zijn werkplaats zo logisch mogelijk ingedeeld, dan is men er echter nog niet. Men moet steeds critisch blijven kijken, of er geen kleinere of grotere verbeteringen mogelijk zijn. In elk geval moet men waken voor „bedrijfsblindheid". Als men nl. veel zorg aan eigen werkplaats heeft besteed, krijgt men onwillekeurig het idee, dat deze ook werkelijk ideaal is, en wordt men pijnlijk getroffen als een buitenstaander, of een nieuw personeelslid, hier of daar critiek op heeft. Om zo onafhankelijk mogelijk te zijn in de opstelling der machines, is het van groot belang, dat elke machine zoveel mogelijk haar eigen aandrijvende motor heeft. DRIJFWERK EN DRIJFRIEMEN Vooral bij oudere werkplaatsen ziet men nog wel een drijfwerk, aangedreven door een vrij grote motor. Van dit drijfwerk lopen er dan diverse drijfriemen naar de verschillende machines, die dan elk een gedeelte van het arbeidsvermogen ontvangen. Door gebruikmaking van riemschijven met verschillende diameters wordt dan ook tevens het toerental veranderd, aangepast aan de betreffende machine. Hiermede gaat echter altijd tevens een zeker energie-verlies gepaard. Drijfriemen kunnen van verschillende grondstoffen gemaakt zijn, zoals rubber, leer, hennep enz. Welk materiaal in een bepaald geval het beste is, hangt van verschillende factoren af, die alleen ter plaatse kunnen worden bezien en tegen elkaar afgewogen. Het is daarom gewenst, bij voorkomende gelegenheden, alle vraagstukken die met riemoverbrenging samenhangen door deskundigen te laten oplossen, wanneer men prijs stelt op een goed functionnerend geheel. Meestal zijn drijfwerk en motor er niet op berekend, dat alle machines gelijktijdig in bedrijf zijn. Doch bij grote drukte in het bedrijf komt dit toch wel eens voor. Het gevolg is, dat dan de motor overbelast is, en men tevens het risico loopt, dat op een gegeven moment de hoofddrijfriem van de schijven loopt, waardoor alles ineens stilstaat. Als dan door het aflopen deze riem ook nog beschadigd is, zit men ineens „muurvast". Gezien deze nadelen, kan men geen beter advies geven dan dit : heeft men een dergelijk drijfwerk, zie er dan van af te komen. Zet men een nieuw bedrijf op, schaf dan geen drijfwerk aan. OMBOUWEN VAN MACHINES MET DRIJFWERK Soms is het mogelijk om machines, die gebouwd zijn voor riemaandrijving, op eenvoudige wijze te laten ombouwen voor een eigen motor-aandrijving. Dit gaat echter niet altijd, en het moet van geval tot geval worden bekeken. Er zijn in de handel complete motoren met aangebouwde tandwielkasten verkrijgbaar, die dan op de machine kunnen worden aangebracht. Verder zijn er ook een soort „hoepels" van dun staalplaat, die om de vellingen van riemschijven kunnen worden geklemd, en waarin dan het profiel voor V-snaren aanwezig is. In speciale gevallen kunnen deze zeer goed bruikbaar zijn. RECHTSTREEKS AANGEDREVEN MACHINES Voor rechtstreekse aandrijving van machines zijn er verschillende oplossingen. Elke machine stelt echter zodanige eisen, dat niet al deze oplossingen hierop zouden kunnen worden toegepast. Een der systemen, dat bij slagerijmachines een ruime toepassing vindt is de V-snaaraandrijving. V-SNAARAANDRIJVING Hierbij heeft men te maken met een kleine snaarschijf, die dan meestal op de as van de motor is aangebracht, en een grote snaarschijf, die op de aandrijfas van de betreffende machine is geplaatst. De snaarschijven drijven elkaar aan door middel van één of meer V-snaren ; hoewel er wel andere profielen mogelijk zijn, nemen de V-snaren de belangrijkste plaats in. De, doorsnede van deze V-snaren is trapeziumvormig. De aandrijfkracht wordt overgebracht door de schuine flanken van deze snaren, welke passen in de groeven der schijven, die eveneens schuine flanken hebben. De V-snaren mogen nooit met het smalle gedeelte de „bodem" van de groef raken. Men moet er rekening mede houden, dat de schuinte van de zijflanken der V-snaren niet bij elk fabrikaat even sterk is. Zo is b.v. de schuinte van de tophoek bij Blauri-snaren 38°, bij Good-Year-snaren 42°, om maar enige voorbeelden te noemen. Daar het in het belang van de levensduur der snaren alsook voor het goed functionneren van de overbrenging is, dat de schuinte der snaren overeenkomt met die der groeven, dient men bij aanschaffing van machines erop te letten, welke snaren door de leverancier zijn toegepast en voorgeschreven, wil men niet later voor onaangename verrassingen komen te staan. Meestal zijn de snaren eindloos, doch er zijn ook wel snaren verkrijgbaar, opgebouwd uit kleine stukjes. Bij teveel uitrekking kan men dan naar behoefte een of meer kleine stukjes uitnemen. De eindloze snaren worden echter wel het meest gebruikt. Het is hierbij echter noodzakelijk, dat de motor versteld kan worden, om optredende blijvende rek der V-snaren te kunnen compenseren. Dergelijke snaren zijn vrijwel altijd van rubber, eventueel met canvas- of andere inlagen. Rubber is niet lestand tegen vet : daarom moeten de snaren, vooral in het slagersbedrijf, door een goed sluitende schermkap worden afgedekt. Trouwens, ook de veiligheid eist zulks. Wanneer men nieuwe machines met V-snaaraandrijving in gebruik neemt, rekken de snaren in het begin zeer sterk, zodat men de motor vrij dikwijls moet bijstellen. Dit verschijnsel is niet verontrustend. De machines worden vrijwel steeds door meer dan een snaar aangedreven. Als een der snaren slijtage gaat vertonen, kan men niet volstaan door deze éne snaar te vervangen door een andere, doch moet men het gehele stel gelijktijdig vernieuwen. Vervangt men nl. alleen de versleten snaar door een nieuwe (die nog niet is uitgerekt), dan zou men de overbrenging zodanig strak moeten spannen, dat de reeds in gebruik zijnde snaren niet slippen. De nieuwe snaar is dan echter zeer snel totaal versleten, en men is niets verder gekomen. 1038. Zakthermometer met houder voor het meten van temperaturen in bevroren vlees. ,111k#11, 1039. Wijzer-thermometer voor 1040. Wijzer-thermometer voor gebruik in pekelbakken. gebruik op worstketels. 1041. Oude werkplaats, waarin machines met riemaandrijving. 1042. Moderne werkplaats, waarin machines met eigen aandrijving. 1034. Kookthermometer te gebruiken in worstketels, in houten beschermhuls. 1035. Kookthermometer in metalen draadhuls. 1036. Ruimtethermometer in metalen houder. 1037. Thermometer voor het meten van temperaturen in vries- en koelruimten. Bij de gewichten heeft men een soortgelijk stelsel, en speelt ook de meter een rol. Als eenheid van gewicht fungeert nl. het kilogram. Onder kilogram verstaat men het gewicht, dat 1 kubieke decimeter water weegt. SOORTELIJK GEWICHT Niet alle stoffen zijn even zwaar. Dit weten we reeds uit de dagelijkse ervaring. Al naar de soort van de stof is dus het gewicht van een bepaalde hoeveelheid materiaal verschillend. Vandaar dat men, ter vergelijking van de onderlinge verhouding der gewichten van verschillende materialen, het begrip soortelijk gewicht heeft ingevoerd. Als we het over het soortelijk gewicht van een stof hebben, bedoelen we een getal, dat aangeeft het aantal kg dat 1 dm 3 (1 kubieke decimeter) van die bepaalde stof weegt, of (wat op hetzelfde neerkomt) het aantal grammen, dat 1 cm 3 (1 kubieke centimeter) van die stof weegt. Hieronder volgt een tabelletje van enige soortelijke gewichten: Aluminium 2,7 Kurk 0,24 Gietijzer 7,2 Melk 1,03 Glas 2,5 Oliesoorten 0,85 tot 0,95 Glycerine 1,25 Zeewater 1,03 Het is uit het verschil in soortelijk gewicht te verklaren, dat b.v. stoffen, waarvan het soortelijk gewicht kleiner is dan 1, op water gaan drijven. Want het soortelijk gewicht van water is 1. Dit drijven nu is vastgelegd in een natuurkundige wet, die men, naar de naam van de ontdekker hiervan, de wet van Archimedes noemt. Deze wet luidt : Een lichaam, dat geheel of gedeeltelijk in een vloeistof is gedompeld, ondervindt een opwaartse druk, die gelijk is aan het gewicht van de verplaatste hoeveelheid van die vloeistof. In het slagersbedrijf zijn er enige practische toepassingen van de Wet van Archimedes. Een daarvan is b.v. de vetvanger, zoals gebruikelijk in slachthuizen, vleeswarenfabrieken en vetsmelterijen. Hierbij maakt men gebruik van de eigenschap, dat vet op water drijft. Een andere toepassing is de pekelweger. INSTRUMENTEN VOOR HET SLAGERSBEDRIJF Met de pekelweger komen we op het terrein der instru menten voor het slagersbedrijf. Het zijn er slechts weinige, en toch moeten we zo nu en dan constateren, dat ze nog te weinig gebruikt worden. Misschien is het wel zo, dat het in het slagersbedrijf ook dikwijls aankomt op „onmeetbare" factoren, die een belangrijke rol spelen, zoals kleur, reuk, smaak enz. Maar toch is het van belang, om voor de „meetbare" factoren de hiervoor geëigende meetinstrumenten te gebruiken. Want hier geldt : meten is weten. De pekelweger dient ter bepaling van het zoutgehalte van pekel. Men noemt dit ook wel de sterkte van de pekel. Vooral bij het vervaardigen van fijne vleeswaren is het gewenst, deze pekelweger toe te passen. Soms tracht men zich te behelpen door gebruik te maken van een rauwe aardappel of een ei, doch onderzoekingen hebben aangetoond, dat ze voor dit doel niet betrouwbaar zijn. Nu is het soortelijk gewicht van pekel (dit is een oplossing van zout in water) hoger, naarmate het zoutgehalte van deze pekel ook hoger is. Bij gevolg zal — volgens de wet van Archimedes — wanneer een lichaam in deze pekel wordt ondergedompeld, de opwaartse druk op dit lichaam groter worden, naarmate het soortelijk gewicht — dus tevens het zoutgehalte — hoger is. Als nu dit lichaam zelf even zwaar blijft, kan het dus niet anders, of het zal verder boven de pekel uitsteken naarmate de pekel sterker is. Wanneer we nu in deze pekel inplaats van het genoemde „lichaam", de pekelweger dompelen, dan zal deze dezelfde gedragslijn volgen en zal dan dus ook verder boven het vloeistofniveau uitsteken. Op de pekelweger nu is een schaalverdeling aangebracht, waarmede we rechtstreeks kunnen bepalen, hoe hoog het gewichtspercentage watervrij zout van de pekel is. Omdat het gewichtspercentage bij pekel niet hoger kan zijn dan 25 %, is dus op de pekelweger een schaalverdeling van 0 tot 25, met dien verstande dat de 0 hiervan aan de bovenzijde en de 25 aan de onderzijde van de schaalverdeling staat. Staat nu in een bepaalde pekel de pekelweger op het getal 17, dan zegt men meestal: de pekel is 17 graden (afgekort 17 °). Dit betekent dus, dat van het totale gewicht van deze pekel 17 % gevormd wordt door zout, en de overige 83 % door zuiver water. Nu kan pekel maximaal voor 25 % bestaan uit zout. Meer zout kan er nl. niet in water worden opgelost. Daarom noemen we deze pekel bij een sterkte van 25 ° : verzadigd. Het is niet zo gemakkelijk om nu, wanneer we pekel willen maken, precies uit te rekenen, hoeveel zout we in het water moeten oplossen, teneinde een bepaalde sterkte te bereiken. Dit komt, omdat zout dat normaal in de handel is, altijd min of meer vochtig is, daar zout nu eenmaal de eigenschap heeft, vocht tot zich te trekken. Is het zout erg vochtig, dan zal men aan gewicht meer zout aan het water moeten toevoegen dan omgekeerd. De sterkte van de pekel wordt nl. bepaald door de hoeveelheid watervrij zout, dat er in is opgelost. Men kan echter veilig aannemen, dat men per gewenste pekelgraad zo ongeveer 15 gram zout per liter water moet toevoegen. Een volgend belangrijk instrument voor de slager is de thermometer. THERMOMETERS Hoewel er in het algemeen veel soorten thermometers bestaan en bovendien nog enige verschillende soorten schaalverdelingen, is alles wat met de thermometer samenhangt, toch eigenlijk vrij eenvoudig. De werking van alle thermometers berust op de eigenschap van alle stoffen, om bij afkoeling in te krimpen, en bij verwarming weer evenveel uit te zetten. Niet alle stoffen zijn even geschikt om in thermometers te worden gebruikt.Voor de temperatuuraanwijzing bezigt men meestal 6f kwikthermometers, 6f alcoholthermometers. Bij gebruik van alcoholthermometers is de alcohol meestal met een of andere kleurstof vermengd, veelal rood of blauw. Een thermometer dient dus, om op nauwkeurige wijze temperatuur te kunnen meten. Weliswaar is ons gevoel in staat, temperatuursverschillen te constateren, doch onze waarneming is verre van nauwkeurig. Op onze thermometers zijn merktekens aangebracht, waarop men daardoor de temperatuur kan aflezen. Deze merktekens vormen een schaalverdeling. Nu wil het echter, dat er drie verschillende schaalverdelingen zijn. Ter onderscheiding zijn deze schaalverdelingen genoemd naar de natuurkundigen, die deze schaalverdelingen — onafhankelijk van elkaar — omstreeks 1730 gevonden hebben. Deze namen zijn : Celsius — Réaumur en Fahrenheit. te zien, is het nodig te weten wat we onder de vochtigheidsgraad verstaan. De vochtigheidsgraad wordt uitgedrukt in procenten. De vochtigheidsmeter geeft dus niet aan de hoeveelheid vocht die in een bepaalde ruimte aanwezig is, doch de toestand van de lucht in deze ruimte. Lucht is namelijk een eigenaardig gasmengsel. Het is een mengsel van zuurstof en stikstof, doch kan tevens een hoeveelheid waterdamp bevatten, welke hoeveelheid echter afhankelijk is van de temperatuur. Naarmate lucht warmer is, kan er in een bepaalde ruimte meer damp in aanwezig zijn. Is echter bij een bepaalde temperatuur de grens van dit opnemingsvermogen van de lucht bereikt, en zou men voortgaan met het toevoeren van waterdamp, dan overschrijdt men het dauwpunt, en ontstaat er een fijne nevel, die zich op de wanden en de in de ruimte aanwezige voorwerpen gaat afzetten. In dit geval is dus de lucht verzadigd met waterdamp. We zeggen dan dat de vochtigheidsgraad 100 % is. Is er in de lucht echter niet de maximale hoeveelheid waterdamp aanwezig, dan is de lucht nog onverzadigd. Nu heeft lucht echter de eigenschap, net zo lang water in de vorm van damp aan de omgeving te onttrekken, totdat de lucht verzadigd is. Bevat de lucht b.v. bij een bepaalde temperatuur slechts de helft van de waterdamp, die deze bij de genoemde temperatuur theoretisch zou kunnen bevatten, dan duiden we dit aan door te zeggen dat de vochtigheidsgraad 50 % is. Deze vochtigheidsgraad nu kunnen we meten met vochtigheidsmeters. Een daarvan is de haarhygrometer. De naam hygrometer is afgeleid van het vreemde woord hygros, hetgeen betekent : vocht. De werking van de haarhygrometer berust op de eigenschap dat een haar, wanneer deze in een vochtige ruimte is, een weinig in lengte toeneemt en naarmate de lucht in deze ruimte droger wordt, een weinigje inkrimpt. Men brengt nu deze verlenging en verkorting over op een wijzer, en nu kan men op een aan deze haar aangepaste schaalverdeling uit de stand van de wijzer rechtstreeks aflezen, hoeveel de vochtigheidsgraad bedraagt van de lucht, waarin deze hygrometer is geplaatst. De betrouwbaarheid van deze haarhygrometers moet zo nu en dan eens worden gecontroleerd. Van de andere vochtigheidsmeters noemen we nog de psychrometers. Deze worden in vele uitvoeringen gemaakt. In het slagersbedrijf komt van deze soort voornamelijk de natte en droge thermometer voor, die dan psychrometer heet. Vooreerst kennen we de uitvoering, waarbij 2 thermometers naast elkaar geplaatst zijn, en waarvan er een is voorzien van een waterreservoirtje. Door de invloed van dit waterreservoirtje geven de thermometers een verschillende temperatuursaanwijzing. Nu kan men aan de hand van de beide verschillende temperatuurstanden, met behulp van een bijbehorend tabelletje de vochtigheidsgraad bepalen van de lucht, waarin dit geheel is geplaatst. Ook zijn er dergelijke instrumenten, waarbij men dan echter door een bij deze thermometer aangebrachte draaibare wijzer rechtstreeks (dus zonder tabelletje) de vochtigheidsgraad kan aflezen. De aanwijzingen van de psychrometers zijn betrouwbaarder dan die van de haarhygrometer, doch meestal zijn de psychrometers duurder. Wel moet men altijd zorgen, dat in het genoemde waterreservoirtje voldoende water aanwezig is. DRUKMETERS Aan autoclaven en stoomketels komen manometers voor, waarop men de druk in de betreffende ketels kan aflezen. SLAGERIJ-MACHINES EN WERKTUIGEN Na deze inleiding, die we zo eenvoudig mogelijk hebben gehouden, beginnen we nu aan de eigenlijke slagerij-machines en werktuigen. Het slagersbedrijf in zijn moderne vorm heeft een vrij snelle ontwikkelingsgang doorlopen, en vooral hier in Nederland heeft het een dusdanig hoog peil bereikt, dat we — zonder van chauvinisme verdacht te worden — hierop terecht trots kunnen zijn. In het buitenland is het b.v. zeer gebruikelijk dat vlees onuitgebeend wordt verkocht, terwijl het in ons land meestal uitgebeend zijn weg naar de klanten vindt. Voor de bewerkingen, waar men momenteel machines voor heeft, gebruikte de slager vóór 50 à 60 jaar zijn hakblok. Naast zijn gewone messen was het eerste werktuig het wiegemes. Hiermede werd dan het vlees, indien nodig, op het hakblok verkleind. Hieruit ontwikkelde zich de wiegmachine, en vervolgens de heikena, die de voorlopers waren van de cutter en de wolf. Willen we dus een beschrijving geven, die rekening houdt met deze historische groei, dan moeten we beginnen met het hakblok. SLAGERSHAKBLOK Ook het slagershakblok zoals wij dat tegenwoordig kennen, heeft een ontwikkelingsgang doorgemaakt, welke parallel liep met de ontwikkeling van het slagersvak. Zoals reeds gezegd waren er tot voor 50 à 60 jaar in dit bedrijf practisch geen machines. De slager deed toen vrijwel alles wat zijn vak betrof op het hakblok. Als hakblok fungeerde een dikke schijf van een omvangrijke boomstam, meestal van beuken- of essenhout, die dan was geplaatst op een paar houten klosjes. Voor het verkleinen van het vlees, b.v. voor het maken van worst, maakte men gebruik van het wiegemes. Dit wiegemes bestond uit verscheidene messen naast elkaar, met een ronde snede, welke aan de uiteinden aan elkaar verbonden waren en dit geheel was dan voorzien van een paar handvaten. Om het op de grond vallen van vlees hierbij te voorkomen werd het hakblok vergroot door een houten rand. Nu had dit stuk boomstam natuurlijk de neiging om voornamelijk aan de buitenomtrek uit te drogen, waardoor dan spleten in het hout ontstonden. Ook was het hout niet over het gehele bovenvlak even hard, waardoor ongelijkmatige afslijting ontstond. Omstreeks 1926 ging men hakblokken vervaardigen, samengesteld uit stukken hout, waarvan de stukjes hout voor de verschillende lagen door middel van z.g. zwaluwstaarten aan elkaar verbonden werden. Het geheel werd bijeengehouden door ijzeren staven, waarvan de uitstekende einden werden voorzien van koperen of chroom doppen, zodat men van het roesten geen last meer had. In 1928 werden de hakblokken geheel gezwaluwstaart uitgevoerd. Met deze ontwikkeling was men toen reeds ver vooruit op de andere landen. Als materiaal gebruikte men voor deze geheel gezwaluwstaarte blokjes steenbeukenhout, met de draadrichting van het hout verticaal, dus met de kopse kant naar boven. Tegenwoordig gebruikt men voor de fabricage van goedkopere hakblokken het hout van de rode beuk. Dit is een harde houtsoort met vrij grove nerf, die niet geheel blank 1070. Stopmachine voor 1071. Afdraai- en portionneerhandaandrijving met een in- inrichting voor handaandrijving. houd van 20 liter. 1068. De onderdelen van de wolf, afgebeeld op afb. 1067. 1069. Roestvrij stalen mengmachine met kipbare kuip. 1072. Stopmachine voor lucht- 1073. Electrisch-hydraulische druk. De luchtdruk is regelbaar stopmachine met voetschakein verband met de te verwerken laar. worstsoort. 1074. Geheel automatische oliedruk-stopmachine met nauwkeurig afstelbare portionneer- en afdraai-inrichting. Bediening door voetpedaal. 575 is. Hoewel dit hout reeds zeer geschikt is, gebruikt men voor de betere hakblokken echter het steenbeukenhout, van de z.g. hagebeuk, welke houtsoort nog beter geschikt is. Het steenbeukenhout heeft een witte kleur. Men kan wel zeggen, dat het overgrote deel der hakblokken van steenbeukenhout is. De steenbeuken komen in Nederland slechts sporadisch voor ; deze bomen groeien namelijk het best op sterk kalkhoudende bodem. Het hout dat nodig is voor de vervaardiging der hakblokken moet dus worden geimporteerd. Om echter tot goede hakblokken te komen, komt er nog veel kijken, alvorens het hout in de conditie hiervoor is. Een eerste vereiste is, dat de bomen in het winterseizoen worden gekapt en uiterlijk vóór half Juni daaropvolgend worden gezaagd. Wanneer dit zagen later zou geschieden zou het hout „slaap" gaan vertonen. Onder slaap verstaat men in dit verband het begin van een verstikkingsproces. Dit is kenbaar door sterk afwijkende gele en donkere strepen in het hout. Wat de dikte van het hout van het hakblok betreft, is het in Nederland gebruikelijk, dat de houthoogte 40 cm bedraagt. Deze dikte is nodig, omdat het vlees in Nederland uitgebeend wordt verkocht. In het buitenland kan men, doordat het werk daar lichter is, volstaan met een houthoogte van 20 cm. De totale hoogte van het blok, inclusief voetstuk, bedraagt 90 tot 95 cm. Om te voorkomen dat het bovenvlak van het hakblok ongelijk afslijt, verdient het aanbeveling, dit van tijd tot tijd 90° te draaien. Ook is soms de ongelijke slijtage te wijten aan het feit dat men een te groot hakblok heeft, waardoor het gehele oppervlak niet benut wordt. SCHOONMAKEN VAN HET HAKBLOK Over het schoonmaken van het hakblok bestaan vele meningen. Men moet dit schoonmaken echter bekijken van het standpunt, dat het zo lang mogelijk bruikbaar blijft, en dat het hout ook zijn hardheid blijft behouden. De juiste methode hiervoor is de volgende : Voor het schoonmaken van het hakblok mag men nooit water gebruiken. Want dan bestaat het gevaar dat het water in het hout trekt, waardoor dit o.a. zijn hardheid zou kunnen verliezen. Men moet bij voorkeur het hakblok niet schoonmaken met borstels, doch met een metalen krabber. Door borstelen worden de poriën van het hout stukgemaakt. Daarom is het wel de beste methode, dat men een schraapstaal gebruikt. Het schrapen moet tenminste iedere dag gebeuren, na de dagtaak. Na het schrapen moet men het oppervlak van het blok bestrooien met een weinig zout. Dit dient om te voorkomen dat de vleessappen die in het hout mochten zijn doorgedrongen, een onaangename lucht zouden gaan verspreiden. De volgende morgen moet dan dit zout verwijderd worden. De hakblokken zijn in diverse afmetingen verkrijgbaar, en men kan ze eventueel krijgen met een of meer laden, en met een messenrek. Naast deze hakblokken treffen we in het slagersbedrijf ook aan speciale werktafels. WERKTAFELS Bij voorkeur maakt men gebruik van werktafels, voorzien van een beuken bovenblad ter dikte van circa 6 cm. De beuken delen, die dit bovenblad vormen, worden aan de uiteinden voorzien van een zwaluwstaart, die past in kop lijsten. Het hout, dat alleen in de breedte kan krimpen en uitzetten, kan dus in deze koplijsten vrij bewegen, waardoor scheuren of kromtrekken wordt voorkomen. Soms maakt men de onderstellen van deze werktafels van metaal, dat met het hout wordt verbonden. Om te voorkomen, dat dit metaal gaat roesten, wordt het gegalvaniseerd of geschopeerd. Ook zijn de onderstellen vaak van hout. In dit geval moeten de poten echter voorzien zijn van roestvrije metalen sokken, om te voorkomen, dat door optrekken van vocht de poten aan de onderzijde zouden gaan rotten. Na aldus tevens voldaan te hebben aan de geschiedkundige volgorde van de slagerijwerktuigen, zullen we nu achtereenvolgens de slagerijmachines en werktuigen zelf behandelen. Het begrip machines moeten we in ruime zin opvatten. Naar het werk, dat deze verrichten, zullen we ze indelen in de volgende groepen 1. Hoofd- en hulpmachines. De hoofdmachines maken de tussenproducten. Deze zijn dus : wolf, cutter, tweelingmachine, speksnijmachine. De hulpmachines dienen voor de verwerking der tussenproducten. Hiervan noemen we : de mengmachine, stopmachine, felsmachine. Natuurlijk is deze onderscheiding niet altijd streng door te voeren, daar er machines zijn, die tot beide soorten behoren. 2. Dan zijn er nog machines, die er meer toe bijdragen, de producten verkoopklaar te maken. Hieronder vallen : de gehaktmolen, de vleessnijmachine en de beenderenzagen enz. De overige werktuigen voor het slagersbedrijf zijn op soortgelijke wijze onder te verdelen. Deze verdeling is dan als volgt : 1. Hoofd- en hulpinstallaties en werktuigen. Ook hiermede worden tussenproducten gemaakt. We noemen van de hoofdinstallaties : kookinstallaties, vetsmeltinstallaties. Van de hulpinstallaties : rokerij, droogkamer, pekelbak en -kelder, koelcel; 2. Installaties voor de verkoop : weegtoestellen, koelvitrines, kasregisters enz. We zien, dat van beide groepen de onder 1. genoemde meer in de werkplaats thuishoren, terwijl de onder 2. genoemde meer hun plaats innemen in de winkel. Bij groep 1. staat de economische productie op de voorgrond, terwijl groep 2. ook onder het oog, van de klanten komt, zodat hierbij ook nog speciaal de aandacht moet zijn gegeven aan de vorm, omdat deze mede het cachet en de sfeer van de winkel bepalen. Daarom moeten de onderdelen van de groep 2. wat uiterlijk betreft, ook met elkaar harmoniëren, wat dan aan een rustige sfeer in de winkel ten goede zal komen. HOOFD- EN HULPMACHINES Hiervoor noemden we reeds de wiegmachine en de heikena. Deze machines komen nog wel een enkele maal voor. Het voordeel van de wiegmachine tegenover de moderne vleesverkleiningsmachines is wel, dat na het bewerken van het vlees practisch alle vliesjes en velletjes achterblijven, dus niet in het product terechtkomen. Hoewel dit uit het oogpunt van de kwaliteit belangrijk is, geeft dit echter gewichtsverlies. De productietijd van de heikena — een verbetering van de wiegmachine — is gunstiger. In het normale en kleinbedrijf komen echter beide machines weinig voor; hier geeft men de voorkeur aan de wolf en cutter. DE WOLF In de wolf wordt het vlees of vet in kleine stukjes gesneden. De werking van wolf en gehaktmolen komt geheel overeen. De wolf is echter meer voor werkplaatsgebruik, terwijl de gehaktmolen meestal zijn plaats vindt in de winkel. In principe komt de werking van de wolf hierop neer, dat het vlees via een vulkom in het wormhuis komt, waar het door een worm naar messen en platen wordt gedrukt. De plaat (of platen) staan stil, het mes (of de messen) draaien door middel van de verlengde wormas. De plaat is van staal en voorzien van ronde gaatjes. Het vlees, dat in deze gaatjes wordt gedrukt, wordt door de over deze plaat strijkende mesvleugels als het ware afgeknipt. We zien dus van hoe groot belang het is, dat messen en platen zuiver op elkaar passen. Want anders bestaat het gevaar, dat het vlees niet wordt afgesneden, doch beklemd raakt tussen mesvleugel en plaat en daardoor uit elkaar wordt gerukt. Daar in het vlees aanwezige velletjes en peesjes sterker zijn en dus niet zo gemakkelijk uit elkaar worden getrokken, zullen deze dan binnen niet al te lange tijd de plaat doen verstoppen. De worm blijft echter vlees aanvoeren, dus wanneer de plaat verstopt raakt, zal het vlees, dat niet weg kan, worden samengeperst. Dit geeft dan aanleiding tot het wrijven van het vlees langs de wanden van het wormhuis, waardoor het warm wordt en de sappen eruit worden geperst. Er worden dus hoge eisen aan messen en platen gesteld. De mesvleugels moeten vooreerst scherp zijn. Na slijpen moeten messen en platen precies op elkaar passen. Het is wel zaak, dat men zoveel mogelijk steeds hetzelfde mes bij dezelfde plaat houdt. Ook de snijkanten van de gaatjes in de plaat moeten gaaf zijn, dus niet brokkelig of voorzien van braampjes. Alleen als messen en platen goed geslepen zijn en goed op elkaar passen, is het mogelijk om droog en stevigkorrelig gesneden vlees te krijgen, waarin ook de velletjes en peesjes zijn opgenomen. Een bijkomend voordeel is, dat dan ook de machine weinig kracht vraagt en de grootste productie geeft. Het is ook van groot belang, dat messen en platen op de juiste wijze in de wolf worden geplaatst en stevig, doch niet te vast, door de opsluitmoer worden aangedrukt. Het plaatsen van deze opsluitmoer moet met de hand gebeuren. Geweld is uit den boze. Natuurlijk moet de draad van de opsluitmoer en het wormhuis altijd goed schoon zijn, terwijl een druppeltje olie wonderen kan doen. Onnodig te zeggen, dat messen en platen van goed staal moeten zijn. Men kan veel plezier hebben van messen met verwisselbare snijkanten. De plaat is dan van een zeer harde roestvrije staalsoort, terwijl de snijkanten van tamelijk zacht, taai staal zijn. Hierdoor houden de mesjes als het ware zichzelf scherp, mede doordat de opsluitgroef van deze mesjes zodanig is, dat ze zichzelf ook bijstellen naar behoefte. Bij de beoordeling van de productie-capaciteit van een wolf gaat men meestal uit van de diameter van de plaat. Hoewel men inderdaad voor globale bepaling hieraan enigszins houvast heeft, zijn er echter nog andere factoren, die deze capaciteit beïnvloeden. Vooreerst de vorm van de worm. De worm is een soort transportschroef. De snelheid en kracht, waarmede het vlees naar de messen en platen wordt gevoerd is afhankelijk van de z.g. spoed van de wolf. Onder deze spoed verstaan we de afstand, die de uitstekende rug van de worm zich per omwenteling schijnbaar verplaatst. Als deze schijnbare verplaatsing klein is, zijn er dus meer omwentelingen nodig om het vlees naar de messen en platen te voeren. De kracht, waarmede dit gebeurt, is echter groter. Bij het verplaatsen van het vlees door de schroefvorm wrijft de worm natuurlijk langs het vlees. Daarom is het gewenst, dat de spoed zo groot mogelijk is. Anderzijds echter ligt de, als het ware om de wormas geslingerde rug, schuiner, naarmate de spoed groter is, waardoor de neiging bestaat, het vlees in het wormhuis ook in de rondte te doen draaien. Weliswaar schuift dan het vlees niet langs de worm, doch het wordt ook niet getransporteerd en wrijft langs de wand van het wormhuis. Om dit te voorkomen, brengt men wel horizontale ribbels in het wormhuis aan, doch dan bestaat weer het gevaar, dat het vlees tussen de ruggen van de worm en deze ribbels gekneld wordt. Om hiervoor een bevredigende oplossing te krijgen, maakt men daarom gebruik van enigszins schroefvormige ribbels. Het is dus zeer belangrijk, dat worm en wormhuis goed op elkaar zijn afgesteld. Natuurlijk slijten worm en wormhuis geleidelijk aan af. Dit tracht men dan te ondervangen, door een nieuwe worm met overmaat te doen aanbrengen. Dit geeft wel enige verbetering aan de productie der machine, doch het wordt dan tijd, dat men naar een nieuwe machine gaat omzien. Het is trouwens nooit goed machines te lang te gebruiken, omdat er steeds weer nieuwe verbeteringen zijn. Gezien van dit standpunt zijn er machines, die in dit opzicht een zeer gunstige constructie hebben. Deze zijn dan zodanig gebouwd, dat het wormhuis en worm samen met een bajonetsluiting aan de machine bevestigd zijn. Het is aan te bevelen dat men dan bij deze machine twee wormhuizen met worm gebruikt, hoewel dit niet strikt nodig is. Bij normaal gebruik bezigt men dan het ene stel b.v. voor vet en het andere voor vlees. Een eerste voordeel is, dat men geen verlies heeft, wanneer men nu eens vet moet draaien, en dan weer vlees, omdat de bajonetsluiting het gemakkelijk maakt het complete stel af te nemen. Bovendien behoeft men, wanneer het stel ernstige slijtage gaat vertonen, alleen de worm met wormhuis te vernieuwen. Omdat worm- en wormhuis eenvoudig vervangen kunnen worden, heeft het zin het overige deel der machine, waarin frame met aandrijving alsmede de vultrechter is aangebracht, ook in roestvrij stalen uitvoering te nemen, omdat dit blijvend is. Hoewel roestvrij staal ideaal is, zijn er ook goedkopere uitvoeringen van de wolf, waarbij onder andere worm en wormhuis van gietijzer of gietstaal zijn vervaardigd. Deze moeten dan echter zwaar vertind zijn om aantasting door vleessappen te voorkomen. Soms is de vulkom van een speciale aluminium-soort die niet zwart afgeeft. Wat de vulhals van de vulkom betreft, deze mag wanneer de machine met de hand gevuld wordt, volgens voorschrift geen grotere diameter hebben dan 55 mm, terwijl de afstand van onderkant vulkom tot bovenkant wormhuis niet minder mag zijn dan 150 mm. Hoewel dit het met de hand vullen niet gemakkelijk maakt, zijn hiervoor door sommige fabrikanten prettige oplossingen gevonden. Om aan de bezwaren van het met de hand vullen tegemoet te komen en speciaal voor grotere productiemachines, zijn er ook diverse systemen van auto matische vulling van het wormhuis, b.v. door een dubbele schroef. Men kan dan ook grote stukken vlees verwerken. De electrische beveiliging van de wolven verdient de volle aandacht. Hiervoor verwijzen wij naar hetgeen bij de electromotoren werd vermeld. Vooral bij wolven is toepassing van een motorbeveiligingsschakelaar zeker geen overbodige weelde. DE CUTTER De cutter is een machine, waarmede hoofdzakelijk het materiaal voor worstsoorten wordt verwerkt, eventueel met worstnat of bouillon. De machine bestaat uit een vrij langzaam horizontaal ronddraaiende kom, waarin aan één zijde messen roteren om een horizontale as, met vrij grote snelheid. Meestal geschiedt de vulling en lediging der machine met de hand. Het aantal omwentelingen van de cutterkom ligt meestal tussen 8 en 10 omw./min. ; naarmate de machine groter is, ligt het omwentelingental meer aan de lage kant. Het toerental van de messenas ligt aanmerkelijk hoger; meestal bij 950-1000 omw./min. Zelfs zijn er uitvoeringen waarbij dit toerental ligt bij 1200 of zelfs 1450 omw./min. Mede in verband met dit hoge toerental is het noodzakelijk dat de messenas is afgedekt; vooreerst met het oog op de veiligheid, maar ook omdat anders het worstdeeg uit de cutterkom wordt geslingerd. De machine moet zodanig beveiligd zijn dat zij niet in bedrijf gesteld kan worden, wanneer het deksel open is (meestal door middel van een pen) terwijl het deksel niet mag kunnen worden geopend, als de messenas draait. Bij de kleinere machines zijn er meestal drie messen op de messenas gemonteerd; bij grotere machines is dit aantal 4, 5 of 6 en bij bepaalde grote machines zelfs 12. De messen zijn sikkelvormig, met dien verstande echter dat de scherpe snijkant aan de buitenbocht zit. De ronding van de snijkant van het cuttermes moet, vooral wat het uiteinde betreft, zo nauwkeurig mogelijk zijn aangepast aan de halfcirkelvormige doorsnede van de cutterkom. Dit vereist dus een zeer nauwkeurig slijpen. Bij het slijpen wordt dikwijls de fout gemaakt, dat men de punt naar achteren wegslij pt ; het gevolg hiervan is dan, dat de punt geen deel heeft aan de werking. Wat de montage der messen betreft, deze mogen nooit „stekend" worden gemonteerd; de punt van de messen moet tegengesteld gericht zijn aan de draairichting. Verder moeten de messen zo dicht mogelijk langs de cutterkom strijken, zonder deze te raken. Daarom vraagt de montage der messen extra aandacht. Een zeer mooie oplossing is een cutter, waarin de messenas als een propelleras is uitgevoerd. Hier is de messenas slechts aan één zijde gelagerd, zodat de messen hierop als het ware een propeller vormen. De montage der messen is dan aanmerkelijk eenvoudiger. De nieuwste ontwikkeling is wel, dat de machine zodanig is ingericht, dat het kegelvormige middenstuk wegneembaar is, terwijl een opklapbare leid-arm in de cutterkom gebracht kan worden, die het deeg naar de in het midden ontstane opening stuwt. Een mengtrog die onder de cutter geplaatst kan worden vangt het worstdeeg op. Hierbij hoeft men het deeg dus niet met de handen aan te raken. Vrijwel alle cutters worden voorzien van een eigen aandrijfmotor. De wijze van aandrijving kan echter verschillend zijn. Vooreerst kent men de machines met bovenaandrijving. In dit geval wordt b.v. de messenas rechtstreeks door de electromotor aangedreven; vanaf deze messenas kan dan een tandwieloverbrenging de cutterkom aandrijven. Een dergelijke opstelling van de motor kan wel eens hinderlijk zijn bij het werken. Het voordeel is dan echter dat de machine op een tafel kan worden geplaatst als zij in gebruik is en anders vrij eenvoudig kan worden opgeborgen. Bij machines met onderaandrijving wordt de cutterkom meestal door een wormoverbrenging aangedreven, terwijl de messenas is voorzien van een V-snaaraandrijving naar de motoras. Het voordeel van het gebruik van machines met onderaandrijving is wel, dat deze machines minder aanleiding geven tot trillen. COMBINATIES VAN MACHINES In bepaalde gevallen heeft men een combinatie van een wolf en een cutter. Dit is goedkoper dan wanneer men twee afzonderlijke machines moet hebben, terwijl het minder ruimte inneemt. Deze machines noemt men wel tweelingmachines. Het is echter wel het meest economisch als zowel cutter als wolf afzonderlijke motoren hebben. Daar deze tweelingmachine soms wordt gekozen in verband met weinig plaatsruimte, is een dergelijke machine, geschikt om op een werktafel te worden geplaatst of met een verrijdbaar onderstel, dan ook een mooie oplossing. Is dit gebrek aan plaatsruimte niet zo urgent, dan is aan de uitvoering met onderaandrijving, weggewerkt in het onderstel, de voorkeur te geven. Op het gebied van combinaties is er trouwens nog een aardige machine, en wel de z.g. snelcutter. Hierbij draait een tweedelig cuttermes, dat machinaal wordt bewogen, om een verticale as in een ronde mengkuip, die afgesloten is met een deksel, waarin in het midden een mengconstructie is gemonteerd, welke met de hand is te bedienen. De ronde mengkuip is kipbaar. Deze machine is vooral geschikt voor het maken van kookworstsoorten. Ook kan in deze machine ijs verkleind worden. De machine is voorzien van universele beveiling. SPEKSNIJMACHINE Voor de fabricage van bepaalde worstsoorten is de speksnijmachine zeer goed geschikt. Er zijn zeer eenvoudige speksnijmachines, met handaandrijving zowel als geheel automatisch werkende. Bij de machines met handaandrijving wordt het spek meest in horizontale richting toegevoerd en moet het twee messenramen passeren. In het eerste messenraam zijn b.v. de messen in verticale richting aangebracht waardoor dus het spek in verticale plakken dit raam verlaat. Vrijwel direct achter dit eerste messenraam ligt het tweede, waarin de messen dan horizontaal zijn geplaatst, zodat de plakken overgaan in de vorm van repen. Achter deze messenramen draait dan het afsnijmes, zodat de ontstane repen veranderd worden in dobbelsteentjes. Door stellen messenramen met verschillende mesafstanden te gebruiken, kan men nu de grootte van de dobbelsteentjes regelen. Het nadeel van deze speksnijmachine is wel, dat men altijd enige afval heeft, omdat het spek nu eenmaal niet altijd beschikbaar is in rechthoekige stukken. Ook heeft men dikwijls kleine stukjes spek van willekeurige vorm, die men in de worst wil verwerken. Bij de moderne machines is hieraan tegemoetgekomen, door gebruikmaking van een vulbus. 1089. Geheel met de hand te bedienen vleessnijmachine. 1090. Deze machine kan zowel vol-auto- 1091. Electrische vleessnijmachine met matisch als half-automatisch dan wel ge- plakkenlegger. heel met de hand bediend worden. 1092. Electrische vleessnijmachine waar- 1093. Zelfde machine als die van afbeel- 1094. Eenvoudige uitvoering van de bij de tafel met de hand moet worden ding 1092, doch met de tafel in schuine machine op afbeelding 1092. bewogen. stand. 1095. Electrische vleessnijmachine met werktafel in schuine stand 1096. Eenvoudige uitvoering van de machine op afbeelding 1095. en restensnijder. 581 De meest practische uitvoering is de automatische speksnijmachine, voorzien van twee vulbussen, die zodanig op een draaibare schijf zijn gemonteerd, dat terwijl de ene bus automatisch wordt leeggedrukt, men de andere kan vullen. Ook hier heeft men twee messenramen, waardoor het spek passeert en een afsnijmes. Als de machine geheel automatisch werkt, wordt de vulbus b.v. hydraulisch leeggedrukt en schakelt deze automatisch de drukzuiger uit, als de bus leeg is en gaat deze drukzuiger weer in beginstand terug, zodat men dan de inmiddels gevulde tweede bus kan vóórdraaien, om weer de andere te kunnen vullen. Uiteraard is het gebruik van deze automatisch werkende machines pas rendabel, wanneer de productie groot is. Ook deze machine ziet men in roestvrij stalen uitvoering. Na deze machines voor de vervaardiging van z.g. tussenproducten, komen we aan de hulpmachines. De belangrijkste zijn wel de mengmachines en de stop- machines. MENGMACHINE De belangrijkste plaats in het kleinere bedrijf wordt ingenomen door mengmachines met losse cylindrische kuip. Deze kuip is voorzien van een bolvormige bodem, hetgeen zeer practisch is in verband met ledigen en reinigen. Deze machines zijn uitgerust met een om een verticale as draaiend gedeelte, waarin nu de eigenlijke roerarm nogmaals draait. Meestal hebben deze roerarmen uitneembare stukken, die speciale vormen hebben en gebruikt worden naar behoefte voor de diverse soorten worstdeeg. Met deze machine krijgt men een zeer intensieve menging, omdat practisch elk plekje in de kuip door de roerarm kan worden bestreken. Het toerental van de mengarmen is meestal regelbaar, hetgeen nodig is in verband met de verschillen in stugheid der diverse worstdeegsoorten. Bij deze machines is het nodig, dat het draagstuk, waarin de roerkuip is opgehangen, in hoogterichting verstelbaar is. Het bewegingsmechanisme hiervoor moet behoorlijk stevig vastgezet kunnen worden. Voor de grotere bedrijven geeft men de voorkeur aan mengmachines, waarin een of meer (soms in elkaar lopende) mengarmen draaien om een verticale as. Wanneer aan de vorm der mengarmen voldoende aandacht is besteed - hetgeen bij machines van bona fide leveranciers het geval zal zijn - zal ook bij deze machines het gehele mengkuip-oppervlak intensief worden bestreken. De doorvoering der assen van de mengarmen in de zijkant van de mengkuip moet goed zijn uitgevoerd om lekkage te voorkomen. Meestal is de trog kipbaar. Het mooist zijn wel de geheel roesivrij stalen mengmachines. Sommige slagers denken zich te kunnen behelpen met mengmachines, die gebouwd zijn voor gebruik in bakkerijen; echter geeft dit nogal eens teleurstelling, omdat ze over het algemeen te licht zijn uitgevoerd. Gebruikt men een mengmachine van ijzer of staalplaat, dan moet deze - zeker aan de binnenzijde - zwaar vertind zijn. Bij deze machines ziet men ook wel aluminium toegepast ; dit moet dan wel speciaal aluminium zijn dat niet zwart afgeeft. In plaats van mengmachines ziet men in sommige bedrijven wel mengtroggen. Bij mengtroggen - vooral die van alumi nium - is het gewenst, dat scherpe hoeken worden vermeden en dat de kuip naadloos is ; althans inwendig geen stootranden heeft. Aluminium is vrij zacht en wordt tamelijk snel beschadigd. Bij het gebruik van mengmachines valt vanzelf de aandacht op transportbakken. Het is van belang, aan deze transportbakken de nodige aandacht te besteden. Intern transport is duur, zoals uit recente onderzoekingen is gebleken. Het speelt zelfs in kleine bedrijven een belangrijke rol. Het onnodig vermoeien der in het bedrijf werkzame mensen kan worden voorkomen, als men dit transport zo economisch mogelijk regelt, waarbij de keuze van de bakken een belangrijke rol speelt. STOPMACHINE Stopmachines zijn zowel verkrijgbaar in de meer elementaire vorm van handstopmachine, als in de geperfectionneerde uitvoeringen, van half-automatische tot zelfs volautomatische portionneer- en afdraaimachines. Voor het wegpersen van het worstdeeg wordt gebruik gemaakt van luchtdruk, van waterdruk of van oliedruk. Bij sommige machines wordt de zuiger ook wel aangedrukt door een tandstang. Welke machines men ook aanschaft, ook bij stopmachines is het van belang, dat men machines koopt van betrouwbaar fabrikaat. Er moet aan de bouw van de machines nl. veel zorg zijn besteed. Ook de reiniging moet zeer goed mogelijk zijn. Bij machines met luchtdruk is het nodig, dat men over gecomprimeerde lucht beschikt, waarvoor eventueel een luchtcompressortje nodig is. De goede machines zijn zodanig uitgevoerd, dat het mogelijk is, dat de in het worstdeeg aanwezige lucht kan ontwijken. De machines voor water- en oliedruk zijn weer wat eenvoudiger. De waterdruk kan geleverd worden door een eenvoudige vloeistofpompje, dat veel eenvoudiger is dan een compressor voor lucht. Eventueel zou men voor machines met waterdruk gebruik kunnen maken van de druk op de waterleiding, mits deze druk voldoende hoog is. Beter is echter het gebruik van een vloeistofpomp. De halfautomatische machines zijn meestal uitgerust met een voetpedaal- bediening. Deze dient dan voor het uitschakelen van de machine, als de darm gevuld is. Het is dan wel het mooist, als tevens ook de druk op het worstdeeg wordt uitgeschakeld. Ook is het van belang, dat de druk op de cylinder regelbaar is, omdat verschillende worstdeegsoorten elk een „eigen" druk vragen, in verband met verschil in stugheid ervan. De volautomatische portionneer- en afdraaimachine, b.v. voor oliedruk, is de ideale machine voor de worstmakerij in het groot. Deze machine is meestal voorzien van een automatische begrenzing, wanneer de cylinder is leeggeperst, terwijl dan de zuiger weer in de beginstand wordt teruggedrukt. Het is zelfs mogelijk, dat de machine worsten stopt, waarvan het gewicht binnen nauwe grenzen regelbaar is. FELSMACHINE Volledigheidshalve behandelen we ook de felsmachine. Door deze machines worden de randen van deksel en bus door middel van rollen (een drukrol en een sluitrol) omgefelst, waarbij dan meestal tevens een dunne ring tussen bus en deksel wordt opgesloten. De rollen moeten van goed materiaal zijn. Toch zullen ze na verloop van enige 1097. Electrische vleessnijmachine met restensnijder in neerge- 1098. Electrische vleessnijmachine met snijtafel in schuine stand. klapte toestand. 1099. Een practische, eenvoudige vlees- 1100. De restjes zijn gemakkelijk te ver- 1101. De slede is gemakkelijk weg te snijmachine. wijderen. nemen; slechts een schroef moet worden losgedraaid. 1102. Het afnemen van het afschermdeksel van het mes, zodat dit kan worden gereinigd. 1103. Het slijpen van het mes door een afzonderlijk afgeschermd slijpapparaat. 1104. Totaal-afsnijder voor het snijden van plakken spek voor b.v. het bekleden van leverkaas. 1105. Machine met speciale constructie voor het verwerken van 1106. Dezelfde machine als op afb. 1105 in een andere stand. Het lossere producten in bedrijf. Doe echter een helder voorschoot om te snijden product behoeft niet te worden aangedrukt, terwijl het gein tegenstelling met deze afbeelding. snedene niet met de handen in aanraking komt. tijd verslijten, dus is het altijd van belang, dat men reserverollen heeft. Niet alleen de rollen zijn van groot belang om goed dichtgefelste bussen te krijgen, doch ook de vorm en afmetingen der randen van bus en deksel moeten precies zijn. Daarom moet men zich bij aanschaffing van een felsmachine ook terdege laten voorlichten aangaande de gewenste vorm dezer randen. Vrij geringe afwijkingen kunnen reeds veel narigheid veroorzaken. Ook de dikte van het blik is van invloed. Bij gebruik van een felsmachine moet men op gezette tijden steekproeven nemen om te controleren of inderdaad de busjes hermetisch gesloten zijn. Dit is wel het eenvoudigst te doen, door een ledig busje dicht te felsen en dit in warm water onder te dompelen. Door de verwarming van de in het busje aanwezige lucht, gaat deze uitzetten, waardoor er overdruk in het busje ontstaat. Is het busje niet hermetisch gesloten, dan zullen er luchtbelletjes ontwijken. Onwillekeurig zou men denken, dat het gebruik van felsmachines alleen voor grotere bedrijven rendabel zou zijn. Er zijn echter ook felsmachines in de handel, waarmede men niet alleen busjes dicht kan felsen, doch waarmede men van gebruikte busjes een stukje kan afsnijden en weer een randje aan de bus kan drukken, zodat men ze — weliswaar iets kleiner — wederom gebruiken kan. Dit is te zien als een verbetering ten opzichte van het gebruiken van bussen, die uit de hand te sluiten zijn door middel van lipjes, welke bij voorzichtig gebruik verscheidene malen gebruikt kunnen worden. Wel moet men erop bedacht zijn, zowel bij de genoemde felsmachine voor verwerking van gebruikte bussen als bij het gebruik van bussen met lipdeksels, dat men de bussen goed schoonmaakt en droogt en dat men ook voorzichtig is met de dunne tinlaag, die aan de binnenzijde van de blikjes zit. Wanneer namelijk deze dunne tinlaag is beschadigd kan er roestvorming optreden. MACHINES VOOR HET VERKOOP-KLAAR MAKEN DER PRODUCTEN Daar deze machines in de verkoopruimte staan, moeten ze naast een technisch-goede constructie, ook wat uiterlijk betreft aan hoge eisen voldoen. Als eerste noemen we de gehaktmolen. GEHAKTMOLEN In principe werkt deze machine als de wolf. Machines met handaandrijving worden nog slechts zelden gebruikt ; meestal hebben ze een motoraandrijving. Onnodig eigenlijk te zeggen, dat men als eis moet stellen, dat deze machine practisch geruisloos moet werken. Een zacht zoemend geluid is geen bezwaar, doch een machine, die het spreken bemoeilijkt, is vooral op drukke dagen enerverend, zowel voor slager als publiek. Meestal is het wel practisch, als de gehaktmolen op een eigen voetstuk staat. Men heeft veel gerief van een gehaktmolen, waarvan worm met wormhuis en platen compleet van de machine kan worden genomen. Vooral machines, waarbij dit gebeurt met bajonetsluiting zijn practisch in gebruik. Machines in roestvrij stalen uitvoering zijn fraai van uiterlijk, hygiënisch en zeer gemakkelijk te reinigen. VLEESSNIJMACHINES Vleessnijmachines zijn er in een, we zouden haast zeggen, verwarrende hoeveelheid uitvoeringen. Het is voor de slager daarom zeker niet gemakkelijk een keuze te maken bij aanschaffing van een vleessnijmachine. Vooral ook, omdat sommige snijmachines bepaalde zeer vernuftige toepassingsmogelijkheden hebben, die deze machine daardoor op de voorgrond plaatsen, terwijl die toepassingsmogelijkheden niet in elk bedrijf volledig tot hun recht komen. Daarom is het zaak, dat men alle toepassingsmogelijkheden bekijkt uit het oogpunt van de bruikbaarheid in eigen bedrijf. Als voornaamste eisen, die men aan een vleessnijmachine moet stellen, gelden wel, dat: 1. het mogelijk moet zijn veilig en practisch te werken, ook bij grote drukte; 2. het onderhoud, slijpen en schoonmaken zo eenvoudig mogelijk moet kunnen gebeuren; hiermede hangt samen een compacte gladde bouw; 3. de machine en de speciale inrichting gemakkelijk bedienbaar moeten zijn, zodat de vleeswaren gemakkelijk zijn te verwisselen, terwijl bij de bediening de vleeswaren en werkkleding niet vuil mogen worden gemaakt. Of men met een machine veilig kan werken, is gemakkelijk te bekijken. Hoewel de machines, geheel met de hand aangedreven, nog vrij veel toepassing vinden, ziet men toch steeds meer een overgang naar de machines met aandrijving door een electromotor. De electrische aandrijving van het mes, met handbediening voor het afsnijden, komt wel het meest op de voorgrond. De vol-automatische machines, waarbij .de automatische bediening van de boventafel uitgeschakeld kan worden voor handaandrijving, is in dit opzicht zeer practisch. Voor slagerijen met grote worstafzet is de vol-automatische machine met plakkenlegger van zeer groot nut. Meestal is de opvangtafel voor het gesneden materiaal schuin te stellen, zodat bij het begin van het snijden de plakken niet zo ver behoeven te vallen. Het voordeel van de plakkenafwerper is, dat men mooie gelijkmatige stapels krijgt. Een zeer practische snijmachine, om te gebruiken naast de normale machine, is de machine met electrische mesaandrijving, doch waarbij de tafel met de hand wordt voortbewogen. Het snijden geschiedt als volgt: het te snijden materiaal wordt tegen een plaat gedrukt, die evenwijdig met het mes loopt en waarvan de stand tevens de dikte van de te snijden plak bepaalt ; deze stand is regelbaar. Men behoeft de boventafel niet meer te bewegen dan de breedte van het artikel dat men wil snijden. Vooral bij het snijden van smalle worst b.v. is dit belangrijk. Meestal is de boventafel van geleidgroeven voorzien, zodat het te snijden product niet door het mes kan worden weggedrukt. Vooral ook zacht materiaal is met deze machine zeer goed te verwerken. Men kent ook dergelijke machines, waarvan de vleestafel in schuine stand staat. Hierbij vallen de plakken rechtstreeks op het opvangblad, zodat men ze niet met de hand behoeft aan te raken. Wat betreft het onderhoud, is het erg makkelijk als er ruim gebruik is gemaakt van roestvrij staal en chroom, vooral voor die gedeelten, welke rechtstreeks met de te snijden producten in aanraking komen. Bij voorkeur moet men nooit water gebruiken bij het schoonmaken van de machine. De boventafel, die afneembaar is, kan natuurlijk wel met water worden gereinigd. Voor het slijpen der messen dient men de voorschriften van de fabrikant nauwkeurig op te volgen. De wijze van slijpen hangt nl. af van het materiaal, waarvan het mes is gemaakt. Wacht nooit te lang met slijpen. Ook wat betreft smering moet men de voorschriften nauwkeurig in acht nemen. Te weinig smeren is zeer schadelijk, doch ook te veel smeren heeft zijn bezwaren. De snelle verwisseling hangt hoofdzakelijk af van de opspaninrichtingen voor de vleeswaren. Hiertoe is de eenzijdig open klem zeer practisch. De uitvoering hiervan met afneembare tandstrook is van nut in verband met de gemakkelijke reiniging. De ondertafel moet bij voorkeur zijn uitgevoerd met een oplopende rand, waardoor men niet zo gauw loshangende snippers krijgt aan de vleeswaren. BEENDERENZAGEN Voor het verkleinen der beenderen worden soms mechanische beenderenzagen toegepast. In sommige bedrijven ziet men deze machines in de verkoopruimte, vooral als men over een ruime winkel beschikt. Toch verdient het aanbeveling, deze machines in de werkplaatsruimte onder te brengen. Het machinaal beenderenzagen heeft ontegenzeggelijk voordelen tegenover het hakken der beenderen. Men kan nl. vooreerst gelijkmatiger stukken krijgen, die er ooglijker uitzien. Verder heeft men geen splinters, hetgeen de klanten zeer op prijs stellen. Echter zijn er ook nadelen aan het machinaal beenderenzagen. Bij het zagen, dat met een hoge snelheid gebeurt, wordt wrijvingswarmte ontwikkeld, waardoor de beenderen sneller zullen bederven. Ook is het machinaal zagen vrij gevaarlijk, ondanks beveiligingsmaatregelen, als voorgeschreven door de Arbeidsinspectie. Men kent machinale beenderenzagen in twee uitvoeringen en wel: a. lintzagen b. cirkelzagen. Aan elk dezer uitvoeringen zijn zowel voor- als nadelen verbonden. De lintzaag zal minder snel bot worden dan de cirkelzaag, omdat de tanden van de lintzaag minder vaak het door te zagen been raken; er zitten namelijk meer tanden op een lintzaag dan op een cirkelzaag. Echter breekt de lintzaag sneller bij ruw gebruik en moet men het lassen hiervan meestal door derden laten doen, hetgeen geld kost en stagnatie kan geven. De cirkelzaag slijt sneller, doch is niet zo gevoelig als de lintzaag voor onjuiste behandeling. Over de cirkelzaag moet een schermkap zijn aangebracht, die alleen door het te zagen materiaal omhoog mag worden geduwd, tijdens het zagen en die na het zagen weer de zaag afschermt. Dit is voorschrift van de Arbeidsinspectie, waarvan nooit mag worden afgeweken. HOOFDWERKTUIGEN EN -INSTALLATIES Tot de werktuigen, die in het slagersbedrijf een belangrijke plaats innemen naast de machines, die op een of andere manier door snijden het vlees bewerken, moeten we ook rekenen de kookinstallaties. KOOKINSTALLATIES Om tot een goed begrip van kookinstallaties te komen, is er enige kennis van het koken als natuurkundig verschijnsel nodig. Bij het koken in het slagersbedrijf hebben we voornamelijk te maken met het koken van water. Hierbij voeren we aan de vloeistof water warmte toe, waardoor, wanneer het z.g. kookpunt (100° C) is bereikt, in de gehele vloeistof verdamping optreedt. Hierdoor onderscheidt de verdamping bij het koken zich van de gewone verdamping van water, bij lagere temperaturen. Want, zoals we weten, verdampt water ook bij lagere temperaturen. Dit geschiedt b.v. bij het drogen van wasgoed in de wind. Het verschil is, dat deze laatste verdamping alleen aan het vloeistofoppervlak plaatsheeft, terwijl het bij het koken in elk plekje van de vloeistof geschiedt. Een bijkomend verschijnsel is (zoals we reeds bij de bespreking van thermometers naar voren brachten) dat het water zolang het kookt, steeds een temperatuur heeft van 100° C. Hieruit is alvast de lering te trekken, dat wanneer water eenmaal kookt, we gerust de warmte-toevoer kunnen temperen. Zolang het water kookt is immers de temperatuur 100 ° C, ook al kookt het niet uitermate heftig. Het enige resultaat van heftig koken is, dat er erg veel water verdampt, doordat er veel stoom ontstaat. Nu is er voor verdamping warmte nodig; voor heftig verdampen is er veel warmte nodig. En die warmte kost geld, zodat we er liefst zuinig mee omspringen. Temeer, daar het koken zeker niet sneller geschiedt, omdat de temperatuur nu eenmaal toch niet hoger wordt dan 100° C. We zien nu tevens dat het zeer belangrijk is, dat de warmtebron geregeld kan worden. Wat dit betreft, zijn niet alle wijzen van koken gelijk. De temperatuur van het koken is dus 100 ° C. Dit is echter alleen het geval, als er geen extra-druk boven het water aanwezig is. Want de kooktemperatuur is afhankelijk 'van deze druk boven het kokende water. Als de druk lager is, is ook de kooktemperatuur van water lager. Dit bemerkt men b.v. in de bergen. Door de hoogte is daar de luchtdruk lager, en bijgevolg ligt daar ook de kooktemperatuur van water lager. Als de druk boven het kokende water hoger is, zal ook de kooktemperatuur van het water hoger zijn. Dit wordt bereikt in de autoclaaf, waarover later meer. Een zeer belangrijk punt bij het koken is het rendement van de installatie. Want niet bij elke kookinstallatie is het rendement even groot, d.w.z. niet bij elke installatie komt een even grote hoeveelheid van de toegevoerde warmte (die we moeten betalen) aan het kookproces ten goede. Waar dan die overige warmte blijft? Als we met kolen stoken, gaat b.v. een groot gedeelte van de warmte, die in de rookgassen zit, zonder meer via de schoorsteen weg. Trouwens welke kookmethode we ook gebruiken, altijd straalt het kooktoestel en de kookpot een hoeveelheid warmte uit, zonder dat we hiervan profijt hebben. Het is dus zaak te zorgen, een zo groot mogelijk gedeelte van de warmte aan onze kookpot ten goede te laten komen. Om nu te weten, op welke manier we het warmteverlies het beste kunnen tegengaan, is het dus noodzakelijk te weten, op welke wijze het verloren gaan van warmte geschiedt. De natuurkunde leert ons, dat warmte zich kan voortplanten op drie manieren: a. door geleiding (conductie) b. door straling (radiatie) c. door meevoering (stroming) (convectie) Warmtevoortplanting door geleiding Wanneer we twee bakjes op enige afstand naast elkaar plaatsen, waarvan het ene gevuld is met heet water, en het andere met koud, en we brengen nu een gebogen koperen staaf met het ene uiteinde in het bakje met heet water en het andere uiteinde in het bakje met koud water, dan wordt de warmte door deze staaf van het hete water naar het koude water overgebracht. Het hete water wordt kouder, maar het koude water wordt warmer. Deze warmte-overgang gaat door koper vrij snel; er zijn ook stoffen, die minder snel de warmte overbrengen; ja, zelfs brengen sommige stoffen de warmte uitermate slecht over. Deze stoffen noemt men dan isolerende stoffen. Proeven hebben aangetoond, dat b.v. stilstaande lucht, kurk, glaswol, asbest enz. sterk isolerende stoffen zijn. Bij slagerskookketels wordt meestal glaswol als isolatiemateriaal gebruikt. Voor het isoleren van kookpotten is kurk niet geschikt, omdat het brandbaar is. Warmtevoortplanting door straling Op een stralende zomerdag en op een zonnige winterdag, voelen we de warmte van de zon, hoewel deze zo enorm ver verwijderd is, dat het niet mogelijk is, dat deze warmte ons bereikt door geleiding. Hiervoor zou het laagje lucht, dat om de aarde heen is dan moeten dienen; dit is echter in verhouding tot de afstand zon — aarde slechts zeer dun. Daarom komt deze warmte tot ons op een geheel andere manier. Hierover zijn door vele geleerden zeer ingewikkelde theoriën opgezet, die vrijwel allemaal gemeen hebben, dat deze manier van warmtevoortplanting geschiedt door straling, welke overeenkomt met die van het licht. Warmtevoortplanting door stroming Practisch alle stoffen zetten door verwarming uit. Bij gassen (o.a. lucht) en vloeistoffen is dit het duidelijkst merkbaar. Het gevolg van deze uitzetting is, dat het soortelijk gewicht b.v. bij vloeistoffen en gassen lager is, naarmate deze warmer zijn. Er gaat door de uitzetting in een bepaalde ruimte nl. minder aan gewicht van de warme dan van de koude stof. Het gevolg is, dat warme lucht, als het ware gaat drijven op koude lucht en warm water op koud water (volgens de wet van Archimedes). Zo zal in een ketel waarin water door een gasvlam verwarmd wordt, het water, dat het dichtst bij de plaats is waar de vlam de ketel raakt, heter zijn dan het water aan de bovenzijde van de ketel. Het warmste water evenwel, is meer uitgezet, gaat dus opstijgen en komt bij dit opstijgen in aanraking met iets kouder water, waaraan het dan een gedeelte van zijn warmte afstaat. Een soortgelijk verschijnsel nemen we waar bij lucht boven een kachel of verwarmingselement van centrale verwarming. Dit noemt men dan warmtevoortplanting door stroming of meevoering. Bij een vetsmeltketel kan dit circuleren van het vet niet zo goed plaatsvinden, omdat vet stijver is in zijn bewegingen dan water. Vandaar, dat met gas verwarmde vetsmeltinstallaties van een roerwerk moeten zijn voorzien. Nu we weten op welke manieren warmte zich kan voortplanten, kunnen we enigszins beoordelen, welke wijzen van isolatie (isolatie is in dit verband dus tegengaan van warmteverlies) effectief zijn bij voorkomende gevallen. Mede door de verschillende wijze van warmtevoortplanting zullen niet alle kookinstallaties een even groot rendement hebben. Globaal genomen, hebben kookinstallaties het volgende rendement : Installaties voor vaste brandstof 35 tot 40 Oliestookinstallaties 55 tot 65 Installaties voor stadsgas 60 tot 70 Electrische kookinstallaties 80 tot 85 Bij de keuze van een kookinstallatie zijn echter niet alleen de rendementscijfers en brandstofprijzen altijd maatgevend, en zelfs niet alleen de aanschaffingsprijs. Daarbij komt nog, dat de prijzen der brandstoffen in verhouding tot de hoeveelheid warmte die ze ontwikkelen, ook niet precies aan elkaar gelijk zijn. Een belangrijke, zo niet beslissende factor, bij het aanschaffen van een kookinstallatie is de zindelijkheid, de eenvoud van bediening, de regelingsmogelijkheid, de beschikbare ruimte in de werkplaats, de ruimte voor eventuele brandstofopslag, de opstooktijd enz. 1. KOOKINSTALLATIES VOOR VASTE BRANDSTOF Meestal verstaan wij hieronder de ingemetselde kookketels. Wanneer er hierbij voldoende aandacht is besteed aan de circulatie der rookgassen, zodat deze volop gelegenheid krijgen langs de kookketel te strijken, alvorens door de schoorsteen weg te trekken, kunnen deze installaties zeker rendabel zijn. Men heeft echter altijd opslagruimte voor brandstoffen nodig, transportkosten voor brandstofaanvoer en ... stof van kolen en as. Het opstoken van dergelijke installaties vraagt vrij veel tijd en de warmte, die de bemetseling zelf opneemt, gaat bij het uitgaan der installatie nutteloos verloren. Wanneer men dus slechts zo nu en dan wat te koken heeft, is dit een extra verlies. Verder is de installatie niet zo goed regelbaar, ook al is er voldoende zorg besteed aan afsluiting van stook- en asdeur. Deze bezwaren vallen grotendeels weg in het grootbedrijf, waar men gebruik maakt van een stoomketel, gestookt met kolen, omdat er dan natuurlijk gelegenheid is, een en ander in een aparte stookruimte onder te brengen, zodat men van de „vuile boel" hiervan in de eigenlijke bedrijfsruimte geen last heeft. Tevens neemt dan de stoomketel, mits van voldoende capaciteit, de „verbruikspieken" op, zodat men altijd over warmte in welke graad ook, kan beschikken. Ook voor kleinere bedrijven heeft men stoomkookinstallaties ontwikkeld, die met succes in bedrijf zijn. 2. KOOKINSTALLATIES VOOR STOOKOLIE Wat brandstofkosten betreft, zijn deze installaties vrij goedkoop. Ook de regelbaarheid van het koken is vrij groot, hoewel ze niet zo nauwkeurig kan worden geregeld als bij gaskookinstallaties. Er zijn installaties met verstuivingsbranders en met vergassingsbranders. De verstuivingsbrander vraagt een iets ingewikkelder installatie, terwijl er steeds de mogelijkheid is, dat de verstuiver verstopt raakt. Daarom wordt veelal de voorkeur gegeven aan vergassingsbranders. Voor beide installaties heeft men meestal zowel een voorraadtank als een dagtank nodig voor de olie, alsmede een ventilator voor de lucht. Voor de bediening is routine nodig, zodat men dit niet aan iedereen kan overlaten. Ook is de zuinigheid in brandstofverbruik in grote mate afhankelijk van de branderafstelling, wat extra zorgen vraagt. Zowel te veel als te weinig verbrandingslucht is ongunstig. Als maatstaf kan men aannemen dat de oliestookinstallatie goed is afgesteld, als de verbranding practisch rookloos is. 3. GASKOOKINSTALLATIES Deze installaties komen wat betreft toepassingsmogelijkheid in vele opzichten overeen met de met olie gestookte kookinstallaties. Hoewel ze wat brandstofkosten betreft duurder zijn dan deze oliestookinstallaties, geeft men aan gas toch dikwijls de voorkeur. Deze voorkeur komt hoofdzakelijk omdat men vooreerst geen olietanks en luchtventilator nodig heeft, de bediening gemakkelijk is en de regelbaarheid beter. De gasinstallatie moet zijn voorzien van een afvoerkanaal, waarin een trekonderbreker is aangebracht. Er zijn verschillende uitvoeringen van trekonderbrekers. De werking komt hierop neer, dat deze beletten, dat afvoergassen door een of andere oorzaak (b.v. valwind) de vlam in de verbrandingsruimte doven. Om verzekerd te zijn van een economisch werkende gaskookinstallatie, verdient het aanbeveling het gasverbruik door de leverancier te laten garanderen. Een deugdelijke basis kan zijn een rapport van de Gasstichting te 's-Gravenhage. 4. ELECTRISCHE KOOKINSTALLATIES Hoewel de prijs van electriciteit ten opzichte van andere warmtebronnen vrij hoog is, wordt toch veel gebruik gemaakt van electrische kookinstallaties. Dit wordt nog gestimuleerd door de aantrekkelijke tarieven van vele energiebedrijven. De andere voordelen die het electrisch koken aantrekkelijk maken, liggen op het terrein der bedrijfsvoering. Electrisch koken vraagt weinig onderhoud aan de installatie, men heeft geen afvoer voor verbrandingsgassen nodig en het rendement is hoog, voornamelijk ook omdat de warmte-isolatie gemakkelijker is. Het koken zelf vraagt bovendien minder zorg, er is minder kans op aanbranden, de regelbaarheid is nauwkeurig en de installatie neemt weinig plaats in. Dat er minder kans is op aanbranden komt hoofdzakelijk, omdat de verwarmingselementen gelijkmatig over het bodemoppervlak zijn verdeeld, en er dus geen „hete" plekken voorkomen, zoals het geval is bij gas- en oliestookinstallaties. MATERIAAL VOOR KOOKKETELS Wat het materiaal voor de kookketels (binnenketels) betreft, is aluminium reeds zeer bruikbaar. Roestvrij staal is beter, echter tevens aanmerkelijk duurder. Geëmailleerde ketels voldoen goed, mits deze ketels gegoten- geëmailleerd zijn. Is het emaille namelijk op plaatijzeren ketels aangebracht, dan springt dit emaille er onherroepelijk af. De gegoten-geëmailleerde ketels, mits van goede kwaliteit, hebben vele voordelen. Ze zijn vooral zeer goed geschikt voor vetsmelten, braden en bereiding van balkenbrij. Naast deze soorten kookinstallaties voor gewone kookdoeleinden, kennen we voor het slagersbedrijf nog enige installaties, waarbij een hogere temperatuur dan de kooktemperatuur van water (100° C) nodig is. Hieronder vallen: A. VETSMELTINSTALLATIES In het grootbedrijf geschiedt het vrijwel steeds met stoom. Eerst wordt het vet gesmolten, en vervolgens geklaard. Meestal geschiedt dit smelten in dubbelwandige ketels, waartussen een watermantel, die door een stoomspiraal op de juiste temperatuur wordt gehouden totdat het vet gesmolten is. Meestal zijn deze ketels voorzien van een roerwerk. Nadat het vet hierin gesmolten is, wordt het overgebracht in de klaarketels, welke rechtstreeks met stoom worden verhit. In deze klaarketels verblijft het vet enige uren, zodat verontreinigingen en eventueel in het vet aanwezig water kunnen bezinken. Dit kost echter veel tijd, zodat men soms wel het vet reinigt in centrifuges. Wat de uitvoering der klaarketels betreft vraagt de bediening van de stoominstallatie de volle aandacht. Door onoordeelkundige bediening kan waterslag in het stoomgedeelte van de klaarketel ontstaan, die in bepaalde gevallen oorzaak kan zijn, dat de bodem van de binnenketel omhoog gedrukt wordt, hetgeen voor het bedienend personeel, door het kokende vet, gevaarlijk kan zijn. Het is dus zaak dat men vooreerst ketels heeft van deugdelijk fabrikaat, doch ook dat het personeel behoorlijk wordt geïnstrueerd en er goed toezicht is. In het kleinbedrijf geeft men bij het vetsmelten de voorkeur aan een electrische installatie. Indien mogelijk uitgevoerd in roestvrij staal. Het verdient aanbeveling dat de electrische vetsmeltinstallatie is uitgerust met automatische temperatuurregeling. Vooral bij deze vetsmelters is het van belang, dat de bodem een gelijkmatig over het gehele bodemoppervlak verdeelde temperatuur heeft, terwijl een goede warmteisolatie, in verband met de hogere temperatuur dan bij gewone electrische kookketels, zeer belangrijk is. Daar een electrische vetsmeltketel duur is en de kosten voor electriciteit vrij hoog, ziet men ook andere vetsmeltketels, verwarmd met vaste brandstof of gas. Deze vragen meer zorg en toezicht, vooral ook met het oog op aanbranden. Daarom zijn de ketels meestal van grote diameter en vrij laag. Heeft men ketels van normale afmetingen, dan verdient het aanbeveling, het vet slechts met kleine hoeveelheden tegelijk te smelten. Vertinde ketels kan men hiervoor niet gebruiken, daar het smeltpunt van tin te laag is. Ter voorkoming van aanbranden voorziet men ook deze ketels van een roerwerk. Welke methode van vetsmelten men ook volgt, in elk geval moet het vet na het smelten zo snel mogelijk worden gekoeld, omdat deze snelheid van invloed is op de helderheid en blankheid van het eindproduct. Indien mogelijk, moet ook tijdens de afkoeling steeds geroerd worden. B. AUTOCLAAF Voor het steriliseren maakt men gebruik van een autoclaaf. Bij normaal koken wordt namelijk geen hogere temperatuur bereikt dan 100° C. Er zijn echter bacteriën, die door deze temperatuur nog niet worden gedood, zodat in bepaalde gevallen, waarbij het product langer houdbaar moet zijn, op een hogere temperatuur dan 100 ° C moet worden gekookt, b.v. op circa 125 ° C. Een dergelijke temperatuur is echter alleen te bereiken als er in de ketel een hogere druk is dan de ons omringende atmosfeer. Dit wordt in de autoclaaf bereikt door het deksel af te sluiten, waardoor na verhitting een hogere kooktemperatuur ontstaat, doordat 1124. Variant van afbeelding 1119, met aangebouwde trekonder- 1125. Moderne uitvoering van een vleesvermalser voor winkelgebreker. bruik. 1127. Pasteibakken. 1128. Autoclaaf. 1129. Rookkast. 591 HOOFDSTUK 2 SLAGERIJ-VERLICHTING INLEIDING SOORT LAMPEN Verlichting is voor alle detailzaken een belangrijk reclamemiddel, maar in het bijzonder voor het slagersbedrijf. Gloeilamplicht en andere moderne lichtbronnen flatteren de kleur van het vlees. De slagers weten dat al lang en velen hebben er een gewoonte van gemaakt het daglicht met een zonnescherm te weren om het vlees onder lamplicht mooier te doen uitkomen. Dit komt, omdat in gloeilamplicht een flink deel „rood van het spectrum" aanwezig is. Het bezwaar echter is, dat gloeilamplicht te veel warmte geeft, waarover later. Een juiste verlichting is echter van doorslaggevend belang voor de slagerij. Een „open" winkel, waar men van buiten geheel in kan kijken vraagt om veel en goed licht. Een geheel ander soort licht geven de sterilisatie-lampen, die niet dienen om licht te geven maar om in de koelcel e.d. het vlees tegen bacteriën te beschermen. Wij zullen eerst de winkel-verlichting, vervolgens de bacteriedodende lampen behandelen. WINKELVERLICHTING Men moet niet alleen 's avonds maar ook overdag de mensen door licht naar de winkel trekken. Ten eerste zijn er 's avonds slechts kijkers en geen kopers op straat terwijl ook overdag een goede verlichting de vleesproducten een veel beter aanzicht geeft. De kosten zijn daarbij betrekkelijk gering, vooral wanneer gebruik gemaakt wordt van fluorescerende buislampen. Een uitstralende etalageverlichting is altijd een trekpleister voor kopers. De omgeving van de winkel speelt hierbij een rol: een drukke winkelstraat eist meer en ander licht dan een betrekkelijk stille, donkere buurt. Er moet echter voorkomen worden, dat de voorbijgangers door het licht gehinderd worden. EXPERT RAADPLEGEN Het beste kan men zich laten voorlichten door lichtexperts, die precies opmeten hoeveel en welke soort lampen en buizen men moet aanbrengen. Mocht men menen, dat de expert te royaal adviseert, bedenk dan wel dat de lichtsterkte der lampen na enige tijd vrij sterk achteruitgaat. Een kleine overdosering kan dus in het geheel geen kwaad. Toepassing van buislampen vraagt een geheel eigen plaatsingstechniek. Denk ook aan de speciale toonbankverlichting. De kruideniers- en andere levensmiddelenbedrijven zijn de laatste jaren op dit gebied geduchte concurrenten van de slagers geworden. Maar zij zijn meestal niet in de gelegenheid hun waren zo goed en fris opgemaakt te etaleren. Door een juiste verlichting van de vleeswaren zal de klant eerder kopen. De gewone gloeilamp in diverse soorten armaturen dreigt wel verdrukt te worden door de spiegellampen en de TLbuizen, spotlights e.d. Het warme licht blijft echter steeds aantrekkelijk en zal in bepaalde gevallen, ondanks het feit, dat het een grote warmtebron is, met succes toegepast kunnen worden en het is aan te bevelen om bij toepassing van TL-buizen steeds een lichtpunt met de normale gloeilampen uit te rusten en dan op een hotelschakelaar aan te sluiten. Dit is speciaal hierom gedaan, omdat de levensduur der TL-buizen bepaald wordt naar het aantal aan- en uitschakelingen, zodat wij deze buizen laten branden, wanneer wij geruime tijd in de winkel moeten zijn. Gaat men even de winkel in, komt men 's avonds door de winkeldeur naar binnen en meer dergelijke gevallen, dan kan men het lichtpunt met de normale gloeilamp hiervoor gebruiken, zodat men de TL-buizen spaart. Als schijnwerper is de Comptaluxlamp in armatuur zeer geschikt, maar men moet er wel rekening mede houden, dat deze lampen te veel warmte veroorzaken en dus op een veilige afstand van het vlees enz. geplaatst dienen te worden. Hetzelfde geldt voor de Attraluxlampen, die een nog sterkere bundeling van het licht geven, en daardoor de warmte ook meer concentreren. Voor indirecte verlichting kan nog de Cornaluxlamp toegepast worden. De TL-buis is aanvankelijk zeer aantrekkelijk geweest, wat het stroomverbruik betreft, maar niet zo geschikt vanwege de gebruikelijke lichtkleur. Dit euvel is nu echter verholpen door toepassing van de kleur „warmtint de lux". Deze buizen worden dan ook met succes toegepast. De armaturen echter geven een zeer grote zorg voor degene, die belast is met het reinigen van deze lampen. De roosters e.d. geven volop gelegenheid voor vliegen. Hieruit is gevolgd, dat men de lampen zonder armatuur tegen het plafond aanbracht, hetgeen juist een aardig effect veroorzaakte tegen het schuurwerk van het plafond (af b. 902). Het inbouwen der lampen heeft het nadeel, dat wel de vloer goed verlicht wordt, maar het plafond slechts teruggekaatst licht ontvangt. De plaatsing van de buizen is een probleem op zichzelf dat deskundigheid vereist, wil men een mooi en doelmatig effect verkrijgen. Op af b. 902 is een dergelijke vormgeving aan de lampen gegeven, dat het geheel als het ware met de toonbank meeloopt. Combinaties met Comptaluxlampen e.d. zijn ook mogelijk. Algemeen geldt echter, dat de indeling rustig moet zijn en geen aanleiding mag geven tot te scherpe lichteffecten. Iedere zaak moet daarom apart bekeken worden en men zal in een plattelandszaak minder licht nodig hebben dan in een drukke winkelstraat, waar dikwijls een strijd heerst wie de helderste verlichting heeft. Het verlichten van de toonbank kan een buitengewoon mooi effect geven en dit wordt meestal uitgevoerd in de HOOFDSTUK 3 KOELMACHINES Door koeling worden kunstmatig die temperaturen verkregen en gehandhaafd welke voortwoekeren van schadelijke organismen tegengaan. Dat zijn de temperaturen die zover mogelijk van de voor z.g. „rot" optimale afliggen. Men gaat daarbij zo laag als voor het koelgoed toelaatbaar is, bij vlees tot 0° C of even daaronder. In koelkast, koelcel of koelruim kan de voor bewaring optimale temperatuur het hele jaar door gehandhaafd blijven, onafhankelijk van de temperatuurtoestand van de omgeving. Men maakt van de ruimte, waarin het gekoelde vlees bewaard wordt, een thermisch eiland met eigen klimaat. Voor het grootste deel van het jaar (voor een koelcel die zich binnenshuis bevindt het hele jaar door) is de temperatuur van de omgeving hoger dan die van het koelruim. Daar de natuur nivellering van temperatuur nastreeft, zal de warme omgeving trachten de koelruimtemperatuur op te voeren tot haar eigen niveau : er lekt van buiten warmte in het koelruim. Om dat doorlekken van warmte tegen te gaan, wordt de koelruimte geïsoleerd met een stof die de warmte slecht geleidt zoals kurk, glaswol e.d. Het is echter niet mogelijk binnendringen van warmte volkomen te verhinderen. Men kan een ruimte niet „warmtedicht" maken, zoals men ruimten wel „luchtdicht" of „waterdicht" kan maken. Wat nog aan warmte binnenlekt door de isolatie heen moet de koelmachine weer afvoeren om de koelruimtemperatuur op het verlangde peil te houden. Behalve voor de juiste temperatuur zorgt de koelmachine ook voor de goede vochtigheidsgraad van de lucht die het koelgoed omringt. Door vocht wordt rot bevorderd. Voor de goede bewaring van vlees in het koelruim is nodig dat langs de oppervlakte van het vlees een luchtstroom gaat die niet met vocht verzadigd is. Daar lucht de neiging heeft zich door vochtopname volkomen te verzadigen, heeft zulke lucht een drogende werking. Ze werkt drogend op de oppervlakte van het vlees, dat is de plaats waar zich de bacteriën bevinden en het rot begint. Te hoge vochtigheidsgraad geeft klef vlees en spoedig bederf, te lage vochtigheidsgraad veroorzaakt echter door te sterke droging groot vochtverlies, dus gewichtsverlies. Vochtverlies werkt dubbel nadelig. De kwaliteit wordt minder en daar vlees over de weegschaal verkocht wordt betekent gewichtsverlies rechtstreeks geringere opbrengst. Er is een compromis nodig; de juiste middenweg moet gekozen worden. Hoe beter een koelinstallatie koeltechnisch geprojecteerd is, hoe zorgvuldiger zij is uitgevoerd, des te hogere vochtigheidsgraad kan worden toegepast, des te geringer zal het gewichtsverlies zijn. In de evolutie van de gekoelde bewaring van vlees is de toelaatbare vochtigheidsgraad gestegen. Een koelinstallatie voor vlees is een luchtbehandelingsinstallatie. De lucht wordt rondgevoerd door de bewaar ruimte en passeert op haar weg een luchtkoeler. De luchtkoeler bestaat uit een buizenstelsel, meestal van koelribben voorzien, waarin een koelmedium verdampt. Voor dat verdampen is warmte nodig die onttrokken wordt aan de passerende lucht welke daardoor gekoeld wordt. Bovendien zet zich op de koude oppervlakte van de luchtkoeler vocht uit de lucht af. Dat vocht bevriest. De lucht wordt bij het passeren van de luchtkoeler dus niet alleen gekoeld, maar ook gedroogd. De intensiteit van droging van de lucht in de luchtkoeler wordt onder meer bepaald door het temperatuurverschil tussen lucht en koelerwand. Hoe groter dat temperatuurverschil is, hoe dieper de temperatuur ligt waarop het koelmedium verdampt, des te sterker wordt de lucht gedroogd. De juiste afstemming van koelertemperatuur (verdampingstemperatuur van de vloeistof die in de koeler verdampt) op de koelruimtemperatuur is zaak van de koeltechnicus. In het algemeen geldt dat, hoe sneller de lucht langs het vlees beweegt, des te hoger de vochtigheidsgraad van de lucht kan zijn, zonder dat bederf optreedt binnen de voor bewaring toelaatbare tijd. Dit is begrijpelijk. Algemeen is bekend, dat snel bewegende lucht sterker drogend werkt dan stilstaande of zwak stromende lucht. Hoe sneller de lucht beweegt, des te intensiever is de vervanging van lucht die vocht opgenomen heeft door lucht die vocht moet opnemen. Bij de bepaling van de verdampingstemperatuur die o.a. afhankelijk is van de grootte van de koeler, heeft de koeltechnicus dus rekening te houden met de intensiteit van de luchtcirculatie. STILLE EN BEWOGEN KOELING. Bij de bewaring van vlees in het klein (slagerskoelkasten en slagerskoelcellen) zijn twee systemen van luchtcirculatie gebruikelijk, nl. „stille koeling" en „bewogen koeling" ge naamd. Met stille koeling gebeurt de luchtcirculatie om zo te zeggen „vanzelf". Er is geen ventilator die voor gedwongen rondstroming zorgt. De luchtkoeler is geplaatst in het bovengedeelte van de koelcel. Aan één kant, bij voorkeur daar waar de deur is, stijgt de warme lucht op. Zij strijkt langs de luchtkoelerpijpen en wordt daar gekoeld en gedroogd. Door de koeling en ook door de droging (onttrekking van lichte waterdampmoleculen) krijgt de lucht een hoger soortelijk gewicht, zij wordt zwaarder en valt aan de andere kant van de koelruimte naar beneden. Wanneer dit systeem van trage luchtcirculatie toegepast wordt is er vooral voor te zorgen dat de warme en veel waterdamp bevattende lucht die bij het openen van de koelceldeur naar binnen komt, niet tegen het vlees aanslaat. Dat zou, omdat het vlees zoveel kouder is, condensatie op het vlees veroorzaken. Daarom is het zaak dat niet de neergaande, maar de opgaande luchtstroom langs de deuropening geleid wordt. De binnen HOOFDSTUK 4 MODERNE WERKMETHODEN DE COLLOID M O L E N (pasta-molen). Over een vrij lange periode verdeeld, ziet men in de vleeswarenfabricage, meer speciaal bij de worstbereiding, een ontwikkeling van het machinale kleiner maken en van het mengen der grondstoffen voor het worstdeeg. Oorspronkelijk werd het vlees eenvoudig gehakt met het hakmes. Omstreeks 1900 kon men in de grotere slagerijen in de prille ochtenduren 2 of 3 knechts om een hakblok zien staan hakken. Ieder om de beurt hakte in de vleesmassa. Als deze knechts hier goed in bedreven en op elkander ingesteld waren, leek het, alsof ze een roffel sloegen. Langzaam maar zeker nam de handwolf dit moeizame werk over. Later werd de wolf aangedreven door de electromotor. Gedurende betrekkelijk korte tijd was de „wiegmachine" op de markt. Een groot aantal evenwijdig gebouwde messen met cirkelvormige sneden werd over een massa vlees, liggend op een draaiende tafel, op en neer gewiegd. Omdat wolf en wiegmachine slechts matig mengden, moest er wel iets anders komen. De cutter verscheen. In deze machine hebben de messen 2 functies : de samenstellende delen van de farce (worstdeeg) kleiner maken en ze tevens goed mengen. Maar ook dit ging de fabriekmatige worstbereiding nog niet snel en degelijk genoeg. „Steeds fijner snijden"... „steeds beter mengen"... „steeds sneller werken", dat waren de parolen. Machinefabrikanten reageerden hierop met variaties in de cutters. Maar één hunner ging een andere weg en volgde het principe van de koffiemolen. Hij kwam, na zeer veel proefnemingen, tot de colloïdmolen : een machine, die gelijktijdig verkleint en mengt. Als men de colloïdmolen ziet werken, staat men verbluft, dat een dergelijk kleine machine zo snel en zo grondig maalt-mengt, en dat men er de massa volkomen stopklaar ziet uitkomen. De colloïdmolen is een nat-maal-molen. Dit wil zeggen, dat de maalmassa, bestaande uit voorverkleinde grondstoffen even moet kunnen vloeien. Hiervoor is nodig, dat er minstens 40 % water of wel 20 % olie of vet in zit. In principe is de werking aldus : de maalmassa, bestaande uit voorverkleinde orgaandelen (vlees, lever, uier, zwoerd en dergelijke) gaat, gekruid, gezouten en voorgemengd door de trechter, dan door het maallichaam, en ze komt er snel door de uitlaat uit. Dit geschiedt in zg. continu-werk, dat is : de hele tijd van boven erin en van onderen eruit. Dus niet, zoals bij de cutter : vullen ... malen ... ledigen. Het ma allichaam bestaat uit een draaiend en een stilstaand deel. De sneldraaiende, centrale maalkop heeft van boven een voorbreker. De buitenzijde, die ietwat scheef staat, is bezet met tanden-ribben, die naar onderen toe steeds fijner worden. Om de maalkop heen zit een stilstaande mantel. Deze is aan de binnenzijde van dergelijke tanden-ribben voorzien. Tussen deze beide wordt de massa a.h.w. eerst grof vóór-, dan steeds fijner nagemalen. De vloeiende massa zakt door haar zwaarte, maar ook door de middelpuntvliedende kracht van de, met een snelheid van 2900 toeren per minuut draaiende, maalkop. Bij dit malen komen de tanden afwisselend tegenover en vrij van elkander te staan. In het eerste geval verkleinen zij, in het tweede geval is er een tussenruimte, waarin het zoëven verkleinde wordt gemengd. Omdat zich dit per minuut een enorm aantal keren herhaalt, is de maal-, zowel als de mengwerking uiterst intensief. De molen maalt, mengt, homogeniseert (d.w.z. mengt gelijkmatig), emulgeert (d.w.z. dat de vetdruppels in zeer fijn verdeelde toestand door de massa heen verdeeld worden). Vandaar, dat de maalmassa als een zeer fijne, gelijkmatige pasta de molen verlaat. Door middel van een tweetal handgrepen kan men de fijnheid regelen, waarbij een verdeelschaal op de buitenzijde de mogelijkheid geeft voor eenzelfde recept steeds eenzelfde fijnheid in te stellen. Men weet, dat er geen enkel maalproces tot stand komt zonder warmteontwikkeling. Dus ook in de colloïdmolen niet. Deze blijft evenwel binnen redelijke grenzen, Ja, zelfs maakt men van deze maalwarmte gebruik : men stopt nl. de maalmassa direct na het malen Of in de darm, of in de bus, om ze aansluitend te koken of te broeien. Wat deze kleine machine met haar hoog productievermogen kan, blijkt uit de volgende voorbeelden. Mengsels van gemalen vlees en organen, zoals lever, pens, uier, vlees, maag, zwoerd, milt, pees, varkensoor, ja zelfs long, worden volkomen tot pasta's gemalen. In sommige vleeswarenfabrieken maakt men dergelijke massa's, gekruid en wel tot halfproduct. Dit vangt men op, op bladen van 2 bij 3 meter, in lagen van omstreeks 5 cm dik. In de koelcel worden dit taaie koeken, waarvan men repen snijdt, die men voor de bereiding van verschillende soorten worst gebruikt. Een dergelijk goedkoop halfproduct kan door slagers, die gezamenlijk een colloïdmolen gebruiken, winstgevend gefabriceerd worden. Maakt men b.v. leverworst, dan heeft men het door de samenstelling van de maalmassa in de hand een snijdbare, dan wel een smeerbare worstmassa te bereiden. Voor meerdere snijdbaarheid voegt men meer zwoerd en pees, voor de betere smeerbaarheid meer vet toe. Daar de molen zo bijzonder sterk emulgeert (vet verdeelt) kan men in de leverworst en de leverpastei, ook het goedkopere, maar hygiënisch-volwaardige beenderenvet ge die het vlees smakelijk maken, in het water over. Dit water bevat op den duur eiwitten en smaakstoffen, het wordt bouillon, terwijl het vlees in gewicht vermindert en in smaak afneemt. Het vetweefsel uit het vlees, vooral weer dat uit de randzone wordt natuurlijk zeer warm. Het vet wordt dus dun vloeibaar ; de eiwitten van het vetweefsel stollen en persen het vet naar buiten in de bouillon, het wordt schepvet. Inmiddels vermindert hierdoor het gewicht nag meer. Het resultaat is een belangrijk, niet te ontlopen kookverlies en tevens een kwaliteitsvermindering. De kosten voor het stoken zijn ook al niet gering. Het verwarmen van het water kost geld; hierbij gaat warmte verloren in de buitenlucht, omdat men nu eenmaal niet alle warmte benutten kan ; de ketel straalt warmte uit ; er verdampt (nutteloos) water. Omdat wij tot nu toe niet beter wisten, is dit ons nooit zo opgevallen. Door de nieuwe toepassing van snel circulerende, hete waterdamp met lucht zijn wij hierop nader gaan toezien. Laten wij hierom nu eens de laatste werkwijze beschouwen aan de hand van tekening 19. Deze tekening geeft een voorstelling van de gang van zaken in de kast die hiervoor is geconstrueerd, gemakshalve noemen wij die verder luchtkookkast. De kast lijkt op de huishoudkoelkast. Een aantal schappen dient om er de stukken vlees (vleeswaar) op te deponeren. Er is een inrichting om water te verdampen, om de lucht automatisch op de verlangde temperatuur (77-79° C) te houden en om de hete, met waterdamp bezwangerde lucht snel te doen circuleren. Hier dient dus als transportmiddel om de warmte van vuurhaard tot kern over te brengen de hete lucht en natuurlijk het vlees zelf. Nadat de kast op werktemperatuur is gekomen, wordt het stuk vlees er in gedeponeerd. Nu speelt zich hier iets heel anders af dan in de waterketel. Op een koud voorwerp nl., gebracht in een warmere omgeving, slaat waterdamp neer (men noemt dit : beslaan). Waterdamp tot water overgaand staat vrij veel warmte af. De buitenkant van het vleesstuk neemt geleidelijk, maar toch zeer vlug de temperatuur van de kast aan en voert deze tot in de kern. Merkwaardigerwijze sneller dan bij het in-water-koken. Want de randzone wordt nu niet zo sterk verwarmd als in kokend water. Zij verandert dus ook niet zo sterk in haar oorspronkelijke eigenschappen. De eiwitten stollen minder : dit ziet men b.v. aan het rode vleeseiwit, dit blijft hier rood. De zouten worden niet onttrokken, de sappen maar zeer weinig uitgeperst. Verder is het vlees vlugger gaar. Op de schematekening is weergegeven, dat het verschil in temperatuur van de rand en van het inwendige zeer gering is, in vergelijking met het in-water-koken. Daarenboven is ook het gedrag van vet en van spek opvallend. Dit wordt wel goed gaar, maar het blijft veel vaster: er gaat vrijwel geen vet verloren. De belangrijke kookverliezen van het in-water-koken zijn hier veel en veel minder. Natuurlijk is de gang van zaken eerst duidelijk geworden, nadat vele proeven deze verrassende verschijnselen steeds en steeds weer vertoonden. De kosten voor het stoken zijn eveneens maar een deel van die van het water-koken. In de luchtkookkast behoeft men slechts lucht te verwarmen en er betrekkelijk weinig water in te verdampen. Dit kost HS 39 ongeveer 4 van een vergelijkbare hoeveelheid water. De lucht in de kast moet men slechts tot 77-78° C verwarmen. Verder kan men een kast makkelijker zodanig construeren, dat de vuurwarmte met weinig schoorsteenverliezen benut wordt, en dat er weinig uitstraling plaatsvindt. Practische proeven hebben ruimschoots aangetoond dat de stookkosten veel geringer zijn. De luchtkookkast kan men voor velerlei doeleinden toepassen: a. voor gaar-maken van vlees en vleeswaren; b. voor het inwendig gaar-maken van braadstukken : eerst bakt men de korst er omheen, vervolgens maakt men het stuk mooi inwendig gaar in de kast, b.v. rosbief, varkensvlees, rollade, gehakt, gevogelte, wild. c. voor blancheren, conserveren (in de ruimste zin). Vergelijken wij de beide werkwijzen om gaar te maken nog eens in telegramstijl. in de luchtkookkast gaar in water koken maken aanzienlijk warmteverlies gering warmteverlies matig rendement zeer goed rendement water verwarmen tot 95 à lucht met waterdamp ver100° C warmen tot 70° C hoge stookkosten lage stookkosten 100° C schadelijke tempera-78 ° minder schadelijke terntuur peratuur sterke eiwitstolling met matige stolling, rose kleur kleurverandering blijft behouden verlies van vleessappen, vrijwel geen verlies, randzone wordt droog vlees blijft sappig in zijn geheel verlies van de smaakgeven-vrijwel geen verlies — vlees de mineralen blijft smakelijk vetverlies zo goed als geen vetverlies aanzienlijk gewichtsverlies zeer weinig gewichtsverlies kookduur langer tijdsduur gaar-maken korter RESUL TAAT minder verkoopbare kilo's meer verkoopbare kilo's van van mindere kwaliteit veel betere kwaliteit. Dit resultaat wordt reeds in reclame van vleeswarenbereiders, die in het bezit zijn van een dergelijke kast, gebruikt ter aanbeveling van „met grote zorg geconserveerde" vleeswaren. Een beschrijving met detailgegevens eigent zich niet voor een handboek. Dit heeft tot doel de grote lijn te geven. Hierom moesten wij sterk beperken. Wij verwachten niettemin erin geslaagd te zijn uw aandacht te hebben gevestigd op een hoogst belangwekkende werkwijze in het slagersbedrijf, welke nu reeds practisch bewezen heeft, grote voordelen in zich te sluiten. Indien de vleeswarenbereidende slager verdienen wil, dan schenke hij zijn volle opmerkzaamheid hieraan. DEEL VII NATUURWETENSCHAPPELIJKE ASPECTEN VAN VEE EN VLEES HOOFDSTUK 1 VLEESKENNIS De omschrijving van het begrip vleeskennis is niet gemakkelijk. Men kan het houden binnen dé enge grenzen van de kennis hoe vlees eruit ziet, hoe het is opgebouwd, hoe het smaakt enz. Men kan de grenzen ruimer nemen en erbij betrekken de onderscheiding van het vlees van verschillende soorten slachtdieren, het gebruik en de voedingswaarde van vlees en zelfs kan men zijn fantasie de vrije teugel laten. Het publiek immers verstaat onder vlees datgene wat het bij de slager koopt, waarbij zelfs verse worst, hersens, soepbeenderen, vet enz. niet als werkelijk vlees worden beschouwd, terwijl de Vleeskeuringswet een veel ruimer begrip omtrent vlees heeft. Volgens deze wet is nl. een gestorven dier vlees, alsook bloed, longen, lever, magen, darmen, milt, beenderen enz. Wij hebben dus de vrijheid om uit dit ruime begrip datgene te halen wat voor de lezer van belang kan zijn. Engelse onderzoekers stelden vast, dat het percentage zuiver vlees (in engere zin) bedraagt bij een vet kalf 45.5, bij een half vette os 47.9, bij een vette os 40.2, bij een vet lam 36.9, bij een mager schaap 37.5, bij een half vet schaap 38.4, bij een vet schaap 29.8, bij een mager varken 47.6 en bij een vet varken 37.3. De rest is bloed, huid, ingewanden, vet en beenderen. De zuivere spiersubstantie bevat verder veel water, dat er, zelfs bij hoge druk zeer moeilijk is uit te persen, terwijl het merkwaardige feit zich voordoet, dat fijn verdeeld levenswarm vlees en ook bestorven vlees zeer veel water kan binden. De meeste spieren zijn opgebouwd uit z.g. dwarsgestreepte spiercellen, die men onder het microscoop zeer goed kan zien. Deze spiercellen, waarop ook de dwarse streping goed is te onderscheiden, vormen gezamenlijk de willekeurige spieren, d.w.z. de spieren die het dier naar eigen willekeur kan gebruiken. De spieren van de kop, de ledematen, de rug, de lendenen enz. behoren hiertoe. Een zeer klein gedeelte van alle spieren van het lichaam wordt gevormd door de onwillekeurige spieren, dus de spieren die werken onafhankelijk van de wil van het dier, die niet onder het bevel van het centrale zenuwstelsel staan. De cellen van deze spieren zijn anders gebouwd dan de cellen van de willekeurige spieren. De dwarse streping ontbreekt namelijk. Deze onwillekeurige spieren vinden we in de wand van de pens, de darmen, de slokdarm, de blaas enz., dus rondom holten en zulk een spier is ook de hartspier, hoewel de cellen daarvan evenals die van de willekeurige spieren we dwarsgestreept zijn. Over de normale kleur van het vlees volgen enkele mededelingen direct voorafgaande aan de bespreking van de afwijkingen in kleur, smaak en reuk van het vlees. Van paardevlees kan worden gezegd, dat de kleur ervan vele nuances vertoont. Het vlees van oudere éénhoevige dieren heeft een donkerrode kleur, die, als het vlees enige tijd aan de buitenlucht is blootgesteld, nog donkerder wordt, op zwart af, met een blauwachtige glans aan de oppervlakte. Veel meer dan bij het rund treden de peesplaten, d.w.z. de platen van taai weefsel, die de spieren bedekken en omvatten, naar voren. Daarentegen is het vlees van veulens veel lichter van kleur. Over de typische lucht van paardevlees is al veel geschreven. Inderdaad bestaat deze, evenals de typische smaak. Echter is deze bijzonderheid individueel zeer verschillend. Soms is het moeilijk om met dichte ogen de diagnose „paardevlees" te stellen, m.a.w. er zijn paarden die de typische geur en smaak veel minder vertonen. Als men paardevlees kookt, ziet men op de bouillon de gele vetdruppeltjes verschijnen en als men dan aan de massa wat zwavelzuur toevoegt, komt de typische geur te voorschijn. Duitse onderzoekers vonden deze toevoeging van zwavelzuur zelfs een middel om uit te maken met welk soort vlees men te doen heeft, doch later bleek, dat men met deze proef toch enkele vergissingen maakte. Wel kon men er b.v. rundvlees en buffetvlees goed mee onderscheiden. Toch heeft men behoefte aan een middel om, zelfs al be treft het kleine stukjes vlees, te weten van welke diersoort dit vlees afkomstig is. Het is immers duidelijk, dat als gevolg van de verschillen in kleur, zelfs bij hetzelfde dier, het practisch onmogelijk is om aan een klein stukje vlees te zien van welke herkomst het is. De wetenschap heeft een goede methode om dit te constateren en wel door de onderscheiding van de verschillende eiwitten. Men spuit b.v. een konijn in met vleessap van een paard. In het lichaam van het konijn is dit paardeneiwit onbekend, dus een vreemd voorwerp, nl. een soortvreemd eiwit. Het konijnelichaam stelt zich tegen deze indringing te weer en het konijnebloed pakt deze indringer aan. Het bloed van dit konijn leert dus om speciaal het paardeneiwit aan te pakken en het behoudt deze eigenschap zeer lang. Het is het bloedserum dat deze eigenschap bezit en niet de rode of de witte bloedcellen. Wanneer men nu van zulk een konijn wat bloed aftapt en men laat dit staan of men centrifugeert het, dan krijgt men helder konijneserum, dat de eigenschap bezit om op paardeneiwit, maar ook alleen paardeneiwit in te werken. Brengt men dus een weinig van dit serum in aanraking met wat vleessap van een paard, dan ziet men dat een wolkvormig neerslag van het ontlede paardeneiwit ontstaat. Met vleessap van een rund geschiedt dit niet. Het paardeneiwit wordt dus door dat tevoren gedresseerde konijneserum z.g. neergeslagen, ofwel gepraecipiteerd en daarom heet deze methode de praecipitatie-methode en de stoffen in dit praecipiterend konijneserum die deze wolkvorming veroorzaken heten praecipitinen. Op deze wijze kan men ook voor andere diersoorten een praecipiterend serum maken. Deze methode kan echter slechts worden toegepast bij vers, bevroren, gedroogd, gerookt, gezouten en onvoldoende gekookt of gebraden vlees. Bij goed doorgekookt en gaar gebraden vlees (boven 70° C), zijn de eiwitten te veel beschadigd en faalt deze methode. De samenstelling van vlees is van vele factoren afhankelijk. In vet vlees zit minder water dan in mager vlees, doch veel meer vet. Gemiddeld bedraagt het watergehalte van vlees ongeveer 55%. Verder zit in vlees nog ongeveer 15% eiwit en vele zouten en andere stoffen. En niet te vergeten bevat vers vlees een aantal vitaminen, meestal rechtstreeks door het slachtdier opgenomen uit het voedsel, c.q. in het lichaam opgebouwd. Vitamine A komt het meest voor in de lever en in de nieren. In vlees veel minder. Over het vitaminegehalte van vlees zijn overal uitvoerige onderzoekingen gaande, zodat wij t.z.t. hierover wel meer zullen vernemen. Als de huisvrouw vlees koopt, zal zij er, zonder het erbij te bestellen, zeker ook vet kopen, omdat het vet zich, be- halve in de bekende vetdepots (rondom de nieren, onder de huid, in het darmscheil enz.), ook verzamelt tussen de spiercellen en zelfs in de spiercellen. Uit Hoofdstuk 4, deel VII blijkt, dat de cellen van de verschillende weefsels worden aaneen gebonden door het bindweefsel, dat dus a.h.w. het geraamte van de weefsels vormt. Dit bindweefsel komt in meerdere of mindere mate in de weefsels voor. Het vetweefsel is eigenlijk bindweefsel waarin zich in de cellen vetdruppels hebben afgezet. Bij overmatige voeding en door de mesterij zet zich veel vet af op de bekende plaatsen en als er door omstandigheden daarna een hongertoestand optreedt, wordt eerst dit vet uit de depots opgesoupeerd en daarna het vet op andere plaatsen van het lichaam, b.v. het vet tussen de spiercellen. Het vet is eigenlijk het meest van alle „vlees"soorten wat betreft zijn samenstelling, kleur, smaak, reuk, consistentie enz., afhankelijk van de diersoort en van de voeding. Bij het pas geslachte warme dier, is het vet aan de oppervlakte doorschijnend, half vloeibaar. Weldra wordt het troebel, vast, soms hard en broos (b.v. bij runderen). Of het vet spoedig hard wordt, hangt af van het z.g. stollingspunt van het vet en dit is eveneens van de diersoort en binnen de diersoort weer van de voeding afhankelijk. Er bestaan tabellen over de smelt- en stollingstemperatuur van de verschillende vetten. Deze zijn zeer verschillend en men gebruikt dit verschil om door middel van deze smelt- en stollingspunten uit te maken met welk vet men te doen heeft. Althans dit is één van de onderscheidingsmethoden. Tegenwoordig beschikt men ook over andere methoden, nl. over het ultraviolette licht. Het smelt- en stollingspunt van varkensvet ligt ongeveer 8° C lager dan van het vet van herkauwers. Deze smelt- en stollingspunten zijn afhankelijk van het gehalte aan vetzuren (vooral stearine en oleïne). Een hoog gehalte aan stearine geeft aan het vet een vastere consistentie en een hoger smeltpunt. Meer oleïne maakt het vet weker en het smeltpunt lager. Het onderhuidse vet en het vet rondom de nieren is bij de eenhoevige dieren goudgeel van kleur, het kransvet meer bruingeel. Door het hoog oleïne-gehalte is het vet week. Dit vet smelt al bij 30° C. Het manenvet echter, dat wit is, smelt pas bij 42° C. Het mergvet bij eenhoevige dieren is geel, stolt aan de buitenlucht en smelt bij 65 ° C. Bij gemeste paarden en bij vette veulens kan het vet bijna wit zijn. Het rundvet heeft een vaste consistentie. Spoedig na de slachting is het in de buitentemperatuur al vast. Het smelt tussen 41° en 50° C en bevat ongeveer 25% oleïne. Bij jonge runderen is het vet witter dan bij oudere dieren. Schapenvet is licht van kleur. Het smeltpunt ligt tussen 31° en 52° C en het bevat ongeveer 28% oleïne. Varkensvet is meestal wit. Alleen bij maïsvoeding is het geel van kleur en bij visvoeding (zie verder), grauwbruin van kleur. Men vindt het vet als reuzel, of als depotvet onder de huid (spek). De vastheid wisselt naar het ras. HET BINDWEEFSEL Dit vormt het geraamte voor vele weefsels en ook de peesplaten, die de spieren bedekken en omvatten bestaan uit bindweefsel, evenals de pezen en de wanden van de bloedvaten. Het is zeer elastisch weefsel, dat bij koken in lijm overgaat (gelatine), dat gemakkelijk verteerbaar is. Het is het bindweefsel dat beslist over de taaiheid van het vlees. Evenals een oude plant meer ruwvezel heeft, dus meer houterig is dan een jonge plant, waardoor oudere planten lang niet zo goed door het vee worden verteerd als jonge planten, evenzo heeft een oud slachtdier meer bindweefsel dan een jong dier. Het vlees van een oud dier is daardoor dus taaier en wordt door de consument minder goed verteerd. HET BLOED Het slagaderlijke bloed is helderrood van kleur door de aanwezigheid van zuurstof, terwijl het aderlijke bloed donkerrood is gekleurd door de aanwezigheid van koolzuur. De zuurstof komt door de ademhaling in het bloed en het hart zorgt ervoor, dat dit bloed, beladen met zuurstof in alle weefsels van het lichaam terecht komt. Het spreekt dus vanzelf, dat er in het lichaam gebrek aan zuurstof zal ontstaan, wanneer er een ziekte bestaat van de longen, waardoor er minder zuurstof kan worden opgenomen en ook wanneer er een ziekte van het hart bestaat, waardoor de opgenomen zuurstof niet of zeer moeilijk in het lichaam kan komen. Zulke dieren hebben het dus benauwd en hebben donkerrood bloed. Dit is dus eveneens het geval bij een dier dat nog in de doodsstrijd (de agonie) wordt geslacht. Vangt men bloed op zonder te roeren, dan gaat het stollen, d.w.z. de fibrine (kleefstof) die in het bloed aanwezig is, bindt alle rode en witte bloedcellen aan elkaar en er vormt zich onderin het glas een rode laag, bestaande uit rode bloedcellen en fibrine, daarop een dunne grijze laag, bestaande uit witte bloedcellen en fibrine en daarboven zien we het vloeibare bloedserum komen, dat wat slijmig is en bij het paard geel is gekleurd. Fibrine is een eiwitstof, die vroeger verloren ging als zij als draden aan de stok waarmede werd geroerd, bleef hangen. Tegenwoordig is deze voedingstof te behouden, door toepassing van een middel dat de stolling verhindert, nl. het natriumcitraat, dat onder bepaalde handelsnamen overal verkrijgbaar is en voordat het bloed wordt opgevangen, in de bloedbus wordt gedaan. Bekend zijn de apparaten voor de bereiding van bloedplasma, waarbij het plasma (het serum) en de rest (dik bloed) gescheiden worden. De scheikundige samenstelling van bloed is volgens onderzoekingen: water 80.89%, droge stof 19.11%. Deze droge stof bestaat uit eiwitten, koolhydraten, vetten en zouten. Het is dus een uitstekend voedermiddel en het bloed wordt dan ook tegenwoordig, althans voor zover het niet voor menselijke consumptie wordt bestemd (bloedworst enz.) verzameld om tot poeder te worden verwerkt, waardoor een waardevolle meststof ontstaat, terwijl bloedpoeder ook een zeer eiwitrijk voedermiddel is. Bij het uit het geslachte dier stromende bloed is soms de specifieke geur van de diersoort reeds te bespeuren, vooral als men wat zwavelzuur aan het bloed toevoegt. Ook is het geen zeldzaamheid, dat bij slachtdieren, vooral runderen, die na de geslachte keuring moesten worden afgekeurd wegens een onaangename reuk van het vlees, de loonslachter die geur reeds aan het uitstromende bloed had waargenomen. Hetzelfde is ook soms het geval bij de echte visvarkens. Bloed van normale slachtdieren bevat geen bacteriën, dus het vlees van normale slachtdieren bevat eveneens geen bacteriën. Dat deze er in korte tijd bij milliarden op en daarna in het vlees kunnen komen wordt door uitwendige omstandigheden veroorzaakt en wel door de slachtkleren, slachtdoeken, gereedschap, handen enz. En aangezien vlees een uitstekende voedingsbodem is voor bacteriën en deze zich het best vermeerderen bij een zo hoog mogelijke temperatuur tot 37° C en bij zo vochtig mogelijke omstandigheden, is de koeling van vlees, waarbij dus de temperatuur daalt en waarbij de atmosfeer zo droog mogelijk wordt gehouden van zeer veel belang. Zeer belangrijk zijn de afwijkingen die er in de kleur, de reuk, de smaak en de consistentie van het vlees kunnen optreden. ABNORMALE KLEUR Om deze te kunnen beoordelen, is een voldoende kennis van de normale kleur van het vlees noodzakelijk. Bij de opleiding voor het vakdiploma wordt aan de toekomstige slagers uitvoerig onderwezen, hoe de normale kleur is van het vlees van de verschillende diersoorten en welke verschillen in kleur er bestaan bij het vlees van éénzelfde dier, dus van de verschillende spieren van éénzelfde dier. Welnu, dit vlees ziet er bij een pas geslacht dier geheel anders uit dan een dag later. Vers geslacht vlees is elastisch, glanzend en doorschijnend aan de oppervlakte. Het is niet indrukbaar, dus de vingers blijven er niet in staan. Bestorven vlees is vast, wel indrukbaar, aan de oppervlakte dof en ondoorschijnend. Verder is bestorven vlees veel malser (zie volgende hoofdstuk). Dit geldt voor alle diersoorten. De normale kleur van rundvlees is afhankelijk van het geslacht en de leeftijd. Het vlees van kalveren is bleekrood, van oudere dieren rood. Stieren hebben donker vlees, ossen rood vlees dat later donkerder wordt. Normaal schape- en geitevlees is helderrood, van oudere dieren donkerrood. Normaal varkensvlees is bleekrood of rose- rood en soms bijna wit. Oudere beren en zeugen hebben donkerder vlees. Wordt vlees ingesneden en aan de zuurstof van de lucht blootgesteld, dan gaat het aan de oppervlakte oxyderen en het wordt iets roder op de sneevlakte. Dat zelfs bij éénzelfde dier de kleur van de spieren verschillend kan zijn, wordt veroorzaakt door het feit, dat de kleur van de spieren mede afhankelijk is van het gehalte aan spierkleurstof, welke kleurstof nauw verwant is met de bloedkleurstof. Hoe meer arbeid een spier verricht, hoe meer bloed zulk een spier ontvangt en hoe meer spierkleurstof zich in de spier ophoopt. Ook de voeding is van betekenis voor de kleur van het vlees, vooral bij varkens, terwijl men bij de beoordeling van de normale kleur rekening moet houden met het vetgehalte van het vlees. Vlees dat veel vet tussen en in de spiercellen heeft, ziet er normaal lichter van kleur uit. Na deze uiteenzetting kunnen we de abnormale kleur van het vlees bespreken, waarbij wij al direct stuiten op de moeilijkheid wat normaal is en wat abnormaal is. Als we dit aan de hand van een kleurenkaart konden constateren, zou het erg gemakkelijk zijn. Wat de één als abnormaal beschouwt vindt een ander nog normaal en dit is bij de beoordeling van de kleur van het vlees veel meer het geval dan b.v. bij de beoordeling van een abnormale reuk en smaak. Ook de Vleeskeuringswet geeft geen oplossing voor de moeilijkheden van een subjectieve beoordeling. Bij abnormale geur en smaak kan het vlees worden afgekeurd, maar de Wetgever kan onmogelijk normen voor normaal of abnormaal aangeven. Bij herkeuringen geeft dit weleens moeilijkheden. Als men zegt dat abnormaal anders is dan gewoon, dan normaal, moet men weer normen stellen voor het normale. B.v. is voor een stier, een bok, een binnenbeer of een beer, de geslachtsreuk normaal, maar een geslachtsreuk aan het vlees zal iedereen als abnormaal kwalificeren als gevolg van de gestelde andere normen. Een zeer gele kleur van het vet door de weidegang is abnormaal als men als norm voor de normale kleur wit of hoogstens lichtgeel aanneemt. Voor het betrokken dier is zulk een kleur normaal. Dezelfde zeer gele kleur die men een rund kwalijk neemt, beschouwt men bij een paard weer als normaal. Bij Ierse ossen van bepaalde rassen is deze hooggele kleur niet zeldzaam en gedeeltelijk normaal. De practisch witte kleur van het stierenvet is normaal, doch als men dezelfde in-witte kleur ziet bij het vet van een rund, dat na een inwendige verbloeding b.v. na een verlosssing in nood, geslacht of gestorven aangevoerd, wordt die witte kleur voor dat rund abnormaal gevonden. Heeft vet van een varken, schaap of geit de gele kleur van het rundvet, dan is dat abnormaal, omdat het door een hierna te bespreken afwijking wordt veroorzaakt, waarbij men echter moet bedenken, dat een gele kleur van varkensvet ook door voeding met maismeel kan worden veroorzaakt en dus geen ziekelijke afwijking als oorzaak heeft en alweer binnen zekere grenzen als normaal kan worden beschouwd. Normaal en abnormaal is dus in vele gevallen een relatief begrip. Als eerste abnormale kleur dan, noemen we de zeer bleke kleur van het vlees als gevolg van degeneratie (ontaarding) van het spierweefsel. In tegenstelling tot de normale bleke kleur van het vlees van kip, konijn (tam) of van het gemeste vette kalf en van sommige spieren van het varken, is deze degeneratie-kleur het gevolg van een ziekte. Wij zien deze witte kleur in de eerste plaats bij de z.g. „Enterse ziekte" bij het varken. Dit is een ziekte waarvan de oorzaak voorlopig onbekend is en waarbij de kleur van bepaalde spieren zeer licht is. Wij zien dit aan de hammen, de schouders en de rugspieren, gecombineerd met een abnormale consistentie (natheid) van het vlees. De tweede ziekte waardoor plaatselijk een lichte kleur van het vlees ontstaat als gevolg van een degeneratie van de spiercellen, is de z.g. „Maandagziekte" bij paarden. Deze ziekte treedt op na langdurige rust bij normale voeding, en wel vooral bij zware koudbloed-paarden. Als gevolg van deze rust hoopt zich in de lever een grote hoeveelheid reserve-voedsel op, nl. het glycogeen en wanneer zulk een paard na een langdurige rust weer gaat lopen en werken, zal er een grote hoeveelheid bloed (met glycogeen) stromen naar die spieren die het meeste werk moeten doen en dat zijn de spieren van de achterhand. De spiercellen hiervan zwellen op en door een scheikundig proces, dat men osmose noemt, wordt veel vocht uit de omgeving naar die cellen toegetrokken. De wanden van die cellen barsten, de spierkleurstof verdwijnt uit de cellen en verlaat via de nieren door de urine het lichaam, Vandaar dat zulke paarden bloedwateren. Omdat soms grote gedeelten van de spieren van de achterhand erbij zijn betrokken, kan het paard niet meer overeind. Het vlees ziet zeer bleek door het verlies aan spierkleurstof en de rijkdom aan vocht, zodat het vlees nat is, waardoor zulk een paard op de vrijbank moet worden verkocht. Als derde oorzaak van een bleke kleur van het vlees noemen we de bloedarmoede, genaamd anaemie. Dit kunnen we o.m. constateren bij een gemest vet kalf. Dit is een mooi voorbeeld van de moeilijkheden om normaal van abnormaal te onderscheiden. Het duurste vlees is het vlees van een „kistkalf ". Alle lezers weten wat hiermede wordt bedoeld. Bij zulke dieren ontstaat een kunstmatig opgewekte abnormale stofwisseling met als gevolg een abnormaal witte kleur van vet en vlees, en hoe abnormaler de witte kleur is, hoe meer geld brengt zulk een kalf op. Is de kleur van het vlees en het vet van een kalf normaal, dus niet in-wit, b.v. bij een graskalf, dan is de prijs veel lager. Het publiek beslist dit nu eenmaal. Het gebeurt nogal eens, dat kistkalveren in nood worden geslacht of plotseling dood neervallen. Er vloeit dan weinig bloed af. Is deze witte kleur dus normaal? Als tweede lichte kleur noemen we vervolgens de abnormaal gele kleur van het slachtdier. We spreken in dit geval van het slachtdier en niet van het vlees, omdat die gele kleur, in tegenstelling tot de zojuist genoemde lichte kleur, minder goed aan het vlees, doch meer aan het vet te zien is. We noemen het een hoog-gele kleur, omdat een normaal rund b.v. altijd min of meer geel is. Als het een zeer vet dier is, kan de gele kleur ook aan het vlees worden gezien, omdat zich daarin dan veel vet heeft opgehoopt. Bij magere dieren is dit niet het geval. De oorzaken van zulk een hoog-gele kleur zijn velerlei, doch wij zeggen, dat zulk een dier lijdende is aan geelzucht of icterus. We kennen de z.g. voedings-icterus, d.w.z. dat zij wordt veroorzaakt door bepaald voedsel en de geelzucht, veroorzaakt door een bepaalde ziekelijke afwijking van de lever, de z.g. lever-icterus. De voedings-icterus wordt veroorzaakt doordat de koeien in de weide stoffen uit het gras opnemen (chlorophyl, kleurstof van planten), tengevolge waarvan het vet er erg geel uitziet. Eigenaardig is, dat terwijl toch vele koeien in de weide lopen, men toch zelden zulk een rund met voedingsicterus tegenkomt. Bij Ierse ossen zagen we het vaker. Spelen de erfelijkheid en het ras hier een rol? Behalve de gele verkleuring is het vlees geheel normaal, het bevat zelfs meer A-vitaminen dan normaal vlees, en is zeer smakelijk. Een paard echter met dezelfde gele kleur wordt onvoorwaardelijk goedgekeurd, terwijl de goudgele grasboter, gekleurd met dezelfde plantenkleurstoffen als het minderwaardige gele rundvlees, een gezochte lekkernij is. Wat is abnormaal? Dr Luxwolda zag bij varkens, gevoerd met voedergerst, die met een kleurstof (eosine) was bewerkt om ze onbruikbaar te maken voor menselijke consumptie, een geelbruine verkleuring van het spek en hetzelfde was het geval bij een koppel varkens, gevoerd met afval van een biscuitfabriek, die eosine gebruikte voor het kleuren van koekjes. Ernstiger is de lever-icterus, veroorzaakt door een ziekte van de lever. De lever produceert gal, verzamelt ze in de galblaas en uit de galblaas loopt de gal door een buisje naar de twaalfvingerige darm, om aldaar te helpen de onoplosbare vetten te verzepen. De gal moet dus voortdurend afstromen naar de darm door de galbuis. Soms is deze galafvoer gestoord, b.v. als de uitgang van de galbuis in de darm is verstopt door een spoelworm, of als het darmslijmvlies zodanig is gezwollen door een ontsteking b.v., dat de uitgang van de galbuis wordt dichtgedrukt. Ook kan de afvoer uit de lever naar de galblaas zijn gestoord, als b.v. de lever dermate door de leverbotziekte is aangetast, dat de galgangen verstopt zijn. In al deze gevallen gaat de lever rustig door met het produceren van de gal, maar de gal kan niet weg. Het gevolg is, dat er een zekere overdruk aan gal optreedt, waardoor de gal in het bloed wordt gedrukt. In de gal zitten de galkleurstoffen en deze beginnen langzamerhand het vlees en het vet een gele kleur te geven. In erge gevallen is deze geelzucht direct met het blote oog zichtbaar en in minder ernstige gevallen is de aanwezigheid van de galkleurstoffen slechts door middel van een scheikundige proef aan te tonen. In erge gevallen van deze lever-icterus of liever gal-icterus, heeft het vlees en het vet, behalve een abnormale kleur, ook een abnormale smaak, die duidelijk bij het koken of braden of bij het proeven van het rauwe vlees aan de dag treedt. Deze abnormale smaak is echter lang niet altijd aanwezig. Vooral varkens die aan gal-icterus lijden hebben vaak een onaangename smaak van het vlees. Bij kunstlicht manifesteert de gele kleur zich lang niet zo goed als bij daglicht en bij lang bekijken van zulk een geel dier, is het net of de gele kleur hoe langer hoe minder wordt, totdat men de ogen weer even op een normaal dier richt en dan komt de afwijking in dezelfde mate als eerst terug. Vandaar dat men bij de beoordeling van geelzucht een normaal dier naast het gele dier moet hangen en het daglicht moet benutten. Een andere abnormale kleur is de groene verkleuring die men zo nu en dan en dan nog meestal plaatselijk ziet bij aandoeningen, veroorzaakt door parasieten, zoals afgestorven vinnen (de blaasworm van de mensenlintworm) en andere parasieten die in het vlees van runderen vooral voorkomen. De oorzaak en de beoordeling van de oorzaak is belangrijker dan de groene verkleuring. Een eigenaardige, groenachtig glanzende, fluorescerende verkleuring ziet men bij gestikt vlees, d.w.z. vlees dat „in de kelder is gemetseld". Iedere slager en grossier weet, dat van zeer zware runderen en paarden de voor- en achtervoeten en soms zelfs de nek (bij zware stieren) zodanig moeten worden losgemaakt, dat de lichaamstemperatuur zo snel mogelijk daalt en de koude van de koeling in het binnenste van het vlees toegang heeft. Laat men dit na, dan ontstaat de verstikking, nl. onder invloed van de temperatuur worden vooral de eiwitten omgezet, waarbij o.a. zwavelwaterstof ontstaat, dat een zeer onaangename reuk verspreidt (bedorven eieren), terwijl het vlees gaat verkleuren. Men noemt dit ook wel aseptisch bederf, omdat er geen bacteriën aan te pas komen. Gaven de bovengenoemde verkleuringen een lichtere kleur aan het vlees, we kennen ook de donkere verkleuringen, dus de hyperpigmentering, d.w.z., dat het vlees meer van een bepaald pigment (kleurstof) bevat dan normaal. We kennen dan allereerst de donkere verkleuring van het vlees, vooral veroorzaakt doordat het dier slecht is uitgebloed, zoals we dat bij noodslachtingen en zieke dieren zien. In het bloed en dus in het vlees zit te weinig zuurstof en te veel koolzuur. Het bloed ziet dan zeer donker en als er, zoals dat bij deze dieren het geval is, bij slechte uitbloeding veel van zulk donker bloed in het vlees achterblijft, is het vlees donker van kleur, waarbij het tevens stroperig aanvoelt. Bekend is de donkere kleur van het vlees van dieren die wegens kopziekte in nood moeten worden geslacht. Soms zien we een bruine verkleuring van het vlees, welk verschijnsel we xanthose noemen. De kauwspieren, de tong, de hartspier en het middenrif zijn bruin gekleurd. Het andere vlees is volkomen normaal van kleur en de smaak van het bruine vlees is geheel normaal. Het komt bij geheel gezonde runderen voor en de oorzaak is onbekend, hoewel men meent dat het bij bepaalde dieren door lange stalrust kan worden veroorzaakt. Dan schijnt zich een bepaald pigment, nl. een bruine kleurstof van een bepaalde samenstelling in de genoemde delen op te hopen. De meest bekende donkere verkleuring is die van het vlees van witte of bijna witte paarden (schimmels). Hierbij zijn de haren, in tegenstelling tot de haren van vossen, bruinen enz., geheel vrij van pigment, dus ongekleurd. Dit pigment schijnt zich echter in vele gevallen toch te vormen en hoopt zich dan op èf in grote zwarte gezwellen die men bij schimmels vaak kan waarnemen bij het levende dier in de omgegeving van de anus of onder de huid en op andere plaatsen van het lichaam als z.g „pigmentgezwellen", óf het pigment hoopt zich op als zwarte pigmentkorreltjes tussen de spiercellen of ook wel in de spiercellen. Met het micro- scoop kan men de ligging ervan waarnemen. Het vlees van zulke schimmels is in het laatste geval meer egaal zeer donker gekleurd en de bouillon ervan ziet eveneens zeer donker. Beide gevallen komen voor afkeuring in aanmerking als de pigmentering van betekenis is. De ziekte noemt men melanose en het pigment heet melanine. Ook bij runderen kent men het verschijnsel, doch dan zeer zelden en niet als gezwellen, doch als zwarte vlekken en strepen in het vlees. Dr Luxwolda nam hier te lande ook waar een blauwzwarte verkleuring van het vlees van runderen, vooral aan de voorhand, de kauwspieren, de hart- spier en het middenrif. De slagers noemen deze ziekte „blauwhartigheid". De oorzaak van deze pigmentafzetting in het vlees is onbekend. AFWIJKING IN CONSISTENTIE („ voelbare samenstelling") Hiervan noemden we reeds de afwijking van het vlees bij de Enterse ziekte en de Maandagziekte. Verder noemden we reeds het stroperige, kleverige vlees zoals we dat wel eens zien bij noodslachtingen, vooral wegens kopziekte. De meest voorkomende vorm echter van afwijking in de consistentie is het natte vlees, het z.g. hydraemische of hydropische vlees. Bij sterke hydraemie volgt afkeuring van het gehele dier. Hydraemie is dus geen ziekte op zichzelf, maar een ziekteverschijnsel of ziektesymptoom, evenals koorts b.v. Aangezien bij langdurige diarrhee veel vocht aan het lichaam wordt onttrokken, zoals dat b.v. bij de „slijters" het geval is, ontstaat hier juist het tegendeel van nat vlees, zodat het vlees van zulke dieren bijna altijd droog is. AFWIJKINGEN IN REUK EN SMAAK Reuk en smaak kunnen we gerust combineren. Bij een afwijkende reuk is meestal (niet altijd) een afwijkende smaak te constateren en omgekeerd. We kunnen vele oorzaken noemen van een afwijking in reuk en smaak en meestal is het een reden tot afkeuring. De voornaamste oorzaken zijn verschillende ziekten. We noemden reeds de lever-icterus. En evenals de gal hierbij door overdruk in het bloed terecht kan komen, zo is dit ook het geval met de urine. De door de nieren geproduceerde urine nl. loopt door twee buizen, van iedere nier één, naar de blaas. Wanneer door afsluiting van deze buizen door nierstenen, door ontsteking van deze urineleiders of door druk van een gezwel hierop, de urine niet kan afvloeien, ontstaat een urinestuwing, een ophoping van urine in de nieren. Uit de blaas wordt de urine door een buis naar buiten afgevoerd. De oorzaak van een urinestuwing kan dus ook gelegen zijn in de blaas, b.v. als blaasstenen de ingang naar het afvoerende urinevat afsluiten of door druk op die buis zelf. Zo zien we soms een zeer sterk gevulde urineblaas met een urinestuwing optreden bij kalfkoeien. Bij deze dieren treedt nl. nogal eens een uitstulping op van de baarmoeder, een z.g. „prolapsus", populair genoemd „het lijf uit". In dat geval wordt nl. de uitgang van de afvoerende urineleider dichtgedrukt en de behandelende dierenarts weet, dat als het erg lang duurt voordat de baarmoeder weer op haar plaats is, hij moet zorgen dat de urine kan aflopen. In al deze gevallen gaan de nieren rustig door met urine te produceren en op den duur wordt deze weer in het bloed opgenomen, d.w.z. de urinezouten, en deze circuleren dus in de bloedbaan. Evenals bij de lever-icterus spreken we ook hier van een zelfvergiftiging, ofwel een auto-intoxicatie: het dier gaat lijden aan uraemie, letterlijk vertaald : „urine in het bloed". Zelfs de adem ruikt naar urine en op den duur sterft zulk een dier. Wordt het nog geslacht, dan zal afkeuring volgen wegens de urinelucht die aan het vlees zit. Niet alleen als gevolg van de afsluiting van de urineleiders kan uraemie ontstaan. Dit is eveneens het geval, als de nieren niet in staat zijn om de urinezouten (en andere afvalproducten) uit het bloed te halen, dus als de nieren hun filterwerkzaamheden niet of onvoldoende kunnen verrichten, dus als de nieren ziek zijn. Is dit met één nier het geval, dan is er niets aan de hand, want dan neemt de andere nier deze taak over en wordt groter. Een andere afwijkende reuk is de z.g. „geslachtsreuk". Het is bekend, dat het vlees van mannelijke dieren soms een afwijkende geur vertoont. Bij stieren en hengsten is dit van geen practisch belang. Bij bokken eveneens niet, omdat zij zelden worden geslacht en bovendien de bekende bokkenlucht niet aan het vlees zit, maar er door de huid, via de handen en het gereedschap van de slachter op wordt gebracht. Bij varkens is de geslachtsreuk veel belangrijker. Iedere slager en grossier weet, dat aan het slachten van een beer of binnenbeer grote risico's zijn verbonden. Er is kans dat het vlees bij het braden naar urine ruikt. Bij beren en binnenberen is deze geslachtsreuk, in tegenstelling tot stieren, een zuivere urinelucht. Misschien zal de stof die deze geslachtsreuk veroorzaakt, in scheikundige samenstelling afwijken van urine, want het is moeilijk denkbaar, dat er in het vlees urinezouten zitten. De werkelijkheid is echter, dat een vrij hoog percentage van de geslachte ongecastreerde beren wordt afgekeurd. Men neemt algemeen aan, dat als men drie tot vier maanden vóór het slachten een beer laat castreren, de geslachtsreuk bij de slachting is verdwenen, doch dit gaat lang niet altijd op. Het percentage afkeuringen bij binnenberen, d.w.z. beren waarbij één of beide ballen niet door het lieskanaal naar buiten zijn gekomen, dus in de buikholte zijn achtergebleven, is groter dan bij gewone beren. Er zijn mensen, die de geslachtsreuk van binnenberen kunnen ruiken als zij de varkensstal binnenkomen. Heeft het vlees van een beer of een binnenbeer de geslachtsreuk en verdwijnt deze lucht bij koken, dan behoeft geen afkeuring plaats te hebben doch kan het vlees worden gesteriliseerd. Een andere abnormale geur waarmede we vaak te maken hebben is de geur van de z.g. „visvarkens". Bij regelmatige voeding met gekookte vis of visafval krijgt het spek een geel-bruine kleur. Reeds bij het slachten ruikt men de vislucht en bij het braden lijkt het of men vis inplaats van vlees braadt. Ook bij éénzijdige of grotendeels éénzijdige voeding met slachtafval, afval van de hotels waarin veel visresten zitten, afval van de kippenslachterijen, dode kippen, bedorven eieren enz., heeft het vlees een abnormale reuk. Nu weten de mesters heel goed, dat zulk een voedermiddel maar een heel klein gedeelte van het rantsoen mag uitmaken. De practijk bewijst echter, dat hiervoor geen regels zijn te stellen, evenmin omtrent de tijd vóór het slachten, dat de mester moet stoppen met het voeren van vis en van de andere genoemde afval. Er zijn gevallen bekend, dat zes tot zeven maanden na het stoppen met het voeren van vis, varkens wegens vislucht zijn afgekeurd, dat tal van varkens zijn afgekeurd als gevolg van het te éénzijdig voeren met afval van de hotels, dat uit één hok met zeven varkens, die alle hetzelfde voedsel kregen, nl. meel, gemengd met gekookte visafval, er drie wegens vislucht werden afgekeurd, één als huisslachting werd goedgekeurd zonder vislucht en de andere drie in een exportslachterij eveneens werden goedgekeurd, dus in elk geval niet opvielen door een geel-bruine verkleuring van het spek. Spelen individuele omstandigheden hier een rol? Aangezien visvarkens niet door een verzekering worden vergoed, is het voor de mesters van belang om bij de visvoeding de uiterste waakzaamheid te betrachten. Het voedermeel, dat voor de mesterij van de veevoederfabrieken wordt betrokken geeft geen risico, omdat dit meel op voorschrift van de proefstations wordt gefabriceerd. Het daarin aanwezige vismeel veroorzaakt in de voorgeschreven hoeveelheid geen schade. Dit is ook het geval bij het ochtendvoer bij kippen, dat geen vissmaak aan de eieren zal veroorzaken. Wel spelen hierbij nog andere factoren een rol. Andere voedingsmiddelen en stoffen die een bijsmaak aan het vlees kunnen geven, zijn nog het ingekuild voer, knollen, bieten, spoeling, geneesmiddelen, ontsmettingsmiddelen, levertraan enz. Zij kunnen alle hun eigen bijzondere lucht aan het vlees overdragen, waardoor dit ongeschikt wordt voor de consumptie en moet worden afgekeurd, c.q. op de vrijbank moet worden verkocht. Wonderlijke dingen kan men op dit gebied meemaken, waarbij individuele gevoeligheid van het dier een grote rol speelt. Men zij dus voorzichtig met het voeren van de genoemde voedingsmiddelen en stoffen en ook de behandelende dierenarts zal er rekening mee moeten houden, dat, als de kansen op genezing gering zijn, hij door het verstrekken van creoline, terpentijn, creosoot, kamfer enz., de kansen op afkeuring niet sterk mag vergroten. Behalve de genoemde lever-icterus, de nierziekten enz., zijn er nog andere ziekten die een abnormale reuk en smaak aan het vlees kunnen geven en dat zijn de ziekten die gepaard gaan met de aanwezigheid van stinkende en/of rottende stoffen die in het bloed kunnen worden opgenomen. Hiervan noemen wij de uier-, de long-, de baarmoeder- en de darmaandoeningen, terwijl ook verstoppingen, aandoeningen van het hartzakje („scherp in"), doorliggen enz. in een letterlijke „kwade" reuk staan. Bij tal van ziekten, als ook bij noodslachtingen, moet dus steeds de kook- en de braadproef worden verricht om de abnormale reuk en smaak te constateren, waarbij het reuk- en smaakvermogen van de beoordelaar vaak tot het uiterste wordt beproefd. Voor de beoordeling ervan zijn de Keurmeester, de Keuringsveearts en het Hoofd van de Dienst, ongeacht hun opleiding en wetenschappelijke standing als gelijkwaardige beoordelaars te beschouwen. Het betreft hier slechts goed ruiken en proeven, teneinde de grensgevallen eruit te kunnen halen. Soms komt de afwijking alleen aan het licht bij koken, soms bij braden, doch meestal bij beide handelingen. Soms is de afwijking bij het vet sterker dan bij het vlees. Vaak wordt afwijking in reuk reeds geconstateerd als de buikholte wordt geopend (visvarkens en geslachtsreuk). Persoonlijk hechten wij veel waarde aan het proeven en ruiken van het rauwe vlees, waardoor het allerbeste de smaak en het aroma kunnen worden beoordeeld, doch waarbij men eraan moet denken om een verse sneevlakte te maken. Eens bleek het vlees van een noodslachting van een rund practisch geen afwijkende smaak te hebben, doch bij het losmaken van een schouder kwam a.h.w. een carbidlucht naar buiten wolken, waarvan we de oorzaak niet konden opsporen. Uit het bovenstaande blijkt, dat een abnormale reuk en smaak van het vlees van veel betekenis is. Aan het vlees moet een heerlijk aroma zitten. Het publiek stelt dit op hoge prijs. Als voorbeeld hiervan kunnen we tenslotte vermelden, dat in vroeger jaren, als de beste slagers uit de grote steden hun slachtvee altijd kochten uit een bepaalde streek en zelfs wel van een speciaal bedrijf, hun klanten het direct wisten te vertellen als zij door bepaalde omstandigheden genoodzaakt waren om hun runderen elders te kopen. De bodem, de weilanden, de voeding, het ras, dat alles werkt samen om een bepaald aroma aan het beste vlees te geven. En welk een aroma ! ! ! Dr R. VAN SANTEN HOOFDSTUK 2 SAMENSTELLING VAN EN LEVENSPROCESSEN IN VLEES INLEIDING De eenvoudigste vorm van leven vinden we bij de zogenaamde eencellige wezens, waarvan we als voorbeeld noemen de amoebe, een microscopisch klein diertje. Zoals de naam eencelligen aangeeft, bestaan deze diertjes uit één cel, dat wil zeggen uit een brokje gelei-achtige stof, protoplasma genaamd, dat met een zeer dun vliesje is omgeven. In het centrum ligt een kern, die de levensverrichtingen van de cel leidt; in het algemeen gesproken is de chemische samenstelling gelijk aan die van vlees, daar de cel water, eiwit, vet, koolhydraten en sommige mineralen (zouten) bevat. Deze cel voert een zelfstandig leven en moet op haar eentje doen, wat hiervoor nodig is. Ze beweegt zich door het uitsteken en intrekken van een deel van haar lichaam, ze grijpt en sluit haar voedsel in, dat daarna verteerd wordt, ze stoot afvalstoffen uit, ze groeit en kan zich ten slotte voortplanten door zich in twee celletjes van dezelfde bouw te splijten. Alle hoger georganiseerde dieren zijn met deze cel te vergelijken, met dien verstande, dat het aantal cellen buitengewoon talrijk wordt, en dat gelijksoortige cellen zich tot weefsels hebben aaneengesloten. Bovendien heeft daardoor een arbeidsverdeling plaatsgevonden. Sommige celsoorten vormen de huid en nemen de taak van bescherming van het individu op zich, andere vormen longweefsel, dat de voor het leven nodige zuurstof met de atmosfeer kan opnemen, weer andere worden in kraakbeen- en beencellen omgezet en dienen om het geheel in de vorm van het skelet steun te geven. Sommige vormen de organen die belast zijn met de opname en het verteren van het voedsel en ten slotte zijn er ook weefsels, die voor de voortbeweging zorgen. Dit zijn de spieren, welke na de dood van het dier tezamen het vlees vormen. Om al deze cellen in de verschillende weefsels van het benodige voedsel en andere stoffen te voorzien is een uitgebreid kanalennet nodig, bestaande uit bloed- en lymphvaten, dat tot in de verste uithoeken van het lichaam zijn vertakkingen heeft. Nu is de chemische samenstelling van deze cellen ongeveer gelijk aan die van de hier bovengenoemde eencelligen, met dit verschil, dat de cel van de hoger georganiseerde dieren en dus haar samenstelling aangepast is aan de functie, die ze moet vervullen. Zo hebben beencellen een grote hoeveelheid kalk opgenomen, sommige bindweefselcellen nemen veel vet op en vormen op die wijze het vetweefsel. De schildkliercellen bevatten jodium, huid- en haarcellen zwavel, en de cellen van de hersenen en ruggemerg lecithine, een bijzondere, vetachtige stof. Ook de soort en de samenstelling van het eiwit is niet gelijk in de verschillende celsoorten. Zo worden uit de diverse celsoorten de weefsels met hun bijzondere kenmerken opge bouwd, die weer gezamenlijk het dierlijk lichaam vormen. Zolang als het dier leeft, vinden er voortdurend veranderingen in de weefsels en in de cellen plaats. Ja, men kan wel zeggen, dat verandering één van de kenmerken van het leven is ; volkomen rust betekent dood. Voedsel is voor het organisme nodig en afvalstoffen moeten verwijderd worden; bovendien moeten de cellen de hun toevallende taak verrichten en daarvoor is, evenals bij een machine, energie nodig. Ook deze wordt uit het voedsel verkregen, dat in het spijsverteringskanaal wordt veranderd of afgebroken tot gemakkelijk opneembare stoffen, die via de circulerende bloedstroom naar de cellen worden vervoerd. Niet altijd worden deze stoffen alleen uit het voedsel opgenomen. Het kan ook zijn, dat voorraden, die in het lichaam in reservedepots zijn opgeslagen, daarvoor worden benut. Tijdelijk vasten kan dus geen kwaad, bijvoorbeeld in gevallen van nood of bij ziekte. Doch er is een grens; de lichaamscellen gaan door, ongeacht of er voedsel verstrekt wordt of niet, hun behoefte aan voedsel te dekken, totdat alle reserves uitgeput zijn en de dood van het dier volgt. DE BOUW EN SAMENSTELLING VAN VLEES Zoals in het vorige hoofdstuk beschreven is, kennen wij drie soorten spierweefsel, namelijk de dwarsgestreepte, de gladde spieren en de hartspier. De gewone, dwarsgestreepte spieren, die het leeuwenaan deel uitmaken van wat wij vlees noemen, zijn opgebouwd uit cellen, die langgerekt en cylindrisch van vorm zijn (0,05 mm en 18-36 mm lang), ook een kern bezitten en omgeven zijn door een zeer dun vliesje. Deze spiervezeltjes, ook wel spierfibrillen genaamd, zijn door bindweefsel aan elkaar verbonden tot bundeltjes, deze bundeltjes door grotere en dikkere hoeveelheden bindweefsels tot bundels en deze worden vaak weer omgeven en aan elkaar verbonden door peesplaten en vormen zo de spier. Door de aanhechting (door middel van pezen) aan het skelet, kunnen de losse delen hiervan, als de spieren zich samentrekken, verschillende bewegingen uitvoeren. CHEMISCHE SAMENSTELLING Vlees maakt, aangezien het uit lichaamscellen bestaat, geen uitzondering op de regel, dat het voornamelijk uit water en voorts uit eiwit, vet, koolhydraten (zetmeelachtige stoffen) en mineralen (zouten) bestaat. Ook ten aanzien van het vlees geldt, dat niet alleen de onderlinge verhouding van deze samenstellende stoffen verschillen van die van andere weefsels, doch ook dat de samenstelling van iedere stof anders is. Bijvoorbeeld eiwit is niet één bepaalde stof, maar kan weer in verschillende bestanddelen verdeeld worden, die voor elke soort eiwit verschillend zijn. Dit geldt ook voor de andere stoffen. Alle dieren beginnen hun bestaan als een met het blote oog onzichtbaar, klein bevrucht eitje, dat voor 90 of meer percent uit water bestaat. Daarna volgt als voornaamste bestanddeel eiwit. Als het nog niet geboren diertje, embryo genaamd, zich in het moederlichaam ontwikkelt, neemt de hoeveelheid water af tot 80, later tot 75% ; de hoeveelheid eiwit en ook de andere bestanddelen nemen toe. Bij de geboorte van een kalf bestaat dit ongeveer uit 73,5% water, 3,5% vet, 17,8% eiwit en 4,4% zouten. Ook na de geboorte gaat deze ontwikkeling door. Het volgende staatje geeft daarvan, en wel voor rundvlees, een duidelijk beeld. Ouderdom Water Vet Eiwit Mineralen 3 maanden 73,19 5,94 19,50 1,17 11 maanden 67,66 14,10 18,13 0,95 2 jaar 65,17 16,50 17,69 0,96 3 jaar 60,40 21,48 17,— 0,81 4 jaar 54,96 28,29 15,50 0,77 4 jaar (zeer vet) 36,25 53,12 9,13 0,49 Hoe vetter de dieren dus worden, des te kleiner is de hoeveelheid water in het vlees, doch ook de hoeveelheid eiwit neemt dan belangrijk af! Uit het staatje leren we bovendien, dat van een gemiddelde samenstelling van vlees moeilijk kan worden gesproken, daar deze wisselt naar de ouderdom en voedingstoestand van het dier. En natuurlijk van de soort van vlees, bijvoorbeeld rundvlees of varkens- of schapevlees. Behalve de genoemde stoffen bevatten dierlijke weefsels en ook vlees, nog andere, welke voor het leven zeer belangrijk zijn, namelijk vitaminen, enzymen en hormonen. Bovendien zijn de vitaminen en enzymen ook na de dood van het dier van betekenis, de eerste omdat zij in het voedsel van de mens noodzakelijk zijn, de laatste omdat zij ook dan nog grote invloed hebben op de eigenschappen van het vlees zelf. Wij komen hierop straks uitvoerig terug. De vitaminen zijn chemische stoffen, die in zeer kleine hoeveelheden nodig zijn voor het welzijn, ja voor het leven van een dierlijk organisme, ook van de mens. Hun werking, maar speciaal het gevolg van het ontbreken van vitaminen, was reeds lang bekend voordat men een juist begrip had van waaruit een goede voeding zou moeten bestaan. Zo was lang bekend, dat citroensap een middel was ter voorkoming van scheurbuik, welke ziekte door eenzijdige voeding ontstaat. Maar aan de grondslag van de wetenschappelijke kennis op dit gebied is de naam van de Nederlander Eykman verbonden. Deze deed ruim 50 jaar geleden uitvoerige onderzoekingen over beri-beri, een eigenaardige ziekte die in geheel Oost-Azië voorkwam, en die gepaard ging met verlammingsverschijnselen. Nadien zijn door verschillende onderzoekers, waaronder ook weer Nederlanders (Jansen en Donath), veel waardevolle onderzoekingen verricht, waardoor de bouw van een aantal vitaminen en hun betekenis voor de voeding duidelijk is geworden. Van deze uiterst belangrijke stoffen komen er ook een aantal in vlees voor en speciaal in de organen (lever en nieren). In het hoofdstuk over de betekenis van vlees voor de voeding wordt hier nader over gesproken. Hormonen worden voortgebracht door bepaalde klieren van het dierlijk organisme, waarvan wij als voorbeeld noemen het bekende insuline, dat door het pancreas (zoetemelksbroodje) en wel speciaal door bepaalde gedeelten van deze klier wordt gemaakt. Deze stoffen worden niet langs buizen naar de plaats gebracht waar ze nodig zijn, doch aan de bloedstroom afgegeven, die ze meevoert en distribueert. Daarom heten deze organen klieren met interne secretie (inwendige afscheiding). Hormonen zijn eigenlijk „chemische boodschappers", welke in zeer kleine hoeveelheden hun belangrijk werk verrichten, dat bestaat uit het zorgen voor de normale werkzaamheid der organen en hun harmonische samenwerking. Enzymen (ook wel fermenten genoemd) zijn chemische stoffen, welke in groot aantal, zowel in het dierlijke als in het plantaardige weefsel worden aangetroffen. Hun taak is de verschillende chemische processen die in dit weefsel plaatsvinden en die nodig zijn voor het „leven", in gang te zetten en te bevorderen. Ze zijn in hun werking specifiek, wat wil zeggen dat een bepaald enzym slechts op een bepaalde stof inwerkt. Sommige breken alleen eiwit (proteasen) af, andere vetten (lipasen) en weer andere de zetmeelachtige stoffen, zoals suiker (carbohydrasen). Merkwaardig is, dat een zeer kleine hoeveelheid van het enzym in staat is een grote hoeveelheid eiwit, vet of andere stoffen „om te zetten". Een belangrijke rol spelen de enzymen bij de vertering. Door de speekselklieren, de maagwand, het pancreas en ande