De Gids. Jaargang 106


auteur: [tijdschrift] Gids, De


bron: De Gids. Jaargang 106. P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1942


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 166]

Stevin en de Grotii

De nauwe betrekking, die tusschen Simon Stevin en den 35 jaar jongeren Hugo de Groot heeft bestaan, is tot dusver, hoewel niet onopgemerkt gebleven, nog niet volledig beschreven en met name niet tot in haar oorsprong vervolgd. Cd. Busken Huet schonk er aandacht aan in de nog steeds zeer lezenswaarde bladzijden in Het Land van Rembrandt, die over Stevin handelen1); hij blijkt van meening te zijn, dat het contact dateert uit Huigs studietijd te Leiden. A. Kluyver2) sprak er in 1901 over, toen hij op een congres te Gent Hugo de Groot als verdediger van onze moedertaal schetste; hij ziet beider omgang als één voorbeeld uit vele, waarin Stevin met Noordnederlandsche geleerden in aanraking kwam. In werkelijkheid is de relatie èn reeds eerder èn op nog ongedwongener wijze tot stand gekomen dan beiden meenen: als intiem vriend van den huize de Groot moet Stevin Hugo hebben zien geboren worden en opgroeien en omgekeerd moet deze van kindsbeen af den invloed hebben ondergaan van den oorspronkelijken en veelzijdigen man, met wien zijn vader door banden van verschillenden aard verbonden was.

Het zijn dus twee Grotii, vader3) en zoon, die in Stevins levensgeschiedenis voorkomen; we zullen achtereenvolgens van beiden nagaan, wat zij voor hem beteekend hebben en wat zij aan hem dankten4).

 

Het tijdstip van Stevins komst in de Noordelijke Nederlanden - in 1581 wordt hij ingeschreven in het bevolkingsregister van Leiden - is tevens het begin van een periode van zijn leven, die zich kenmerkt door een groote activiteit op wetenschappelijk gebied. Tusschen 1582 en 1586 verschenen van zijn hand werken over wiskunde (Tafelen van Interest, Problemata Geometrica, De Thiende, l'Arithmétique en La Pratique d'Arithmétique), logica

[p. 167]

(Dialectike ofte Bewysconst), mechanica (De Beghinselen der Weeghconst en De Weeghdaet) en hydrostatica (De Beghinselen des Waterwichts), blijkbaar resultaten van langdurige studie in de ietwat duistere jaren, die aan zijn komst vooraf zijn gegaan. Deze verbazingwekkende productiviteit, gepaard met de groote oorspronkelijkheid, waarvan ieder werk opnieuw getuigde, verschafte hem in ons land binnen korten tijd een groote reputatie. Men schijnt hem die gaarne te hebben gegund. Er is in die zelfde jaren anders altijd veel sprake van venijnige polemieken en felle prioriteitskwesties onder de beoefenaren der wiskunde. In Stevins leven blijkt daarvan echter niets. Wel verneemt men al spoedig van vriendschappelijke betrekkingen tot andere mathematici, tot den rekenmeester Ludolf van Ceulen, later befaamd om zijn uiterst nauwkeurige benadering van het getal π, tot Claes Pietersz of Nicolaus Petri, veel gelezen auteur van leerboeken over rekenkunde en boekhouden, en vooral met den Delftschen liefhebber der consten Johan Hugo Cornets de Groot.

Het is aan hem, dat hij in 1585 zijn Arithmétique opdraagt in woorden, die zoowel van vriendschap als van waardeering getuigen. Hij brengt hem eerst dank voor voortdurenden vertrouwelijken omgang en voor steun, bij moeilijkheden verleend. Daarna roemt hij echter ook de diepgaande theoretische kennis, die de Groot op het gebied der optica bezit en zijn streven, de resultaten der theorie met behulp van door hem zelf geconstrueerde toestellen aan de ervaring te toetsen, zijn practische bedrevenheid op het stuk van zang, instrumentale muziek en compositie en zijn theoretisch-muzikale ontwikkeling, zijn eruditie op juridisch gebied, zijn toewijding aan de belangen der gemeenschap en zijn gaven op het gebied der poëzie. De Groot van zijn kant schrijft onder het pseudonym Iagius Tornus (een anagram van Ianus Grotius) een eveneens in het voorwerk opgenomen Latijnsch gedicht, waarin hij de belangrijkste punten van den inhoud der Arithmétique behandelt. Hij blijkt volkomen op de hoogte te zijn met verschillende in het boek besproken principieele kwesties, waarover Stevin eigen denkbeelden bezit: dat één wèl een getal is, dat de irrationale getallen niet met de qualificatie blind, onverklaarbaar, onredelijk of absurd bij de rationale ten achter mogen worden gesteld, dat wortels dus ook getallen zijn; en hij verzuimt niet, den lof te zingen der Decarithmia, de door Stevin ingevoerde methode van het rekenen met tiendethalen, waarin het gebruik der decimale positiebreuken zijn oorsprong heeft gevonden.

Wanneer een jaar later de Weeghconst verschijnt, blijkt de be-

[p. 168]

langstelling van de Groot in Stevins werk zelfs tot samenwerking te hebben geleid. Ze hebben namelijk samen een proef over valbeweging gedaan met het doel, de door Aristoteles uitgesproken en op dien grond in de natuurwetenschap veelal aanvaarde bewering te controleeren, dat bij val van gelijkvormige lichamen de tijden, die zij voor het doorloopen van een bepaalden afstand in lucht noodig hebben, omgekeerd evenredig zouden zijn met de gewichten, dus, kort gezegd, dat een lichaam des te sneller zou vallen naarmate het zwaarder is. Stevin beschrijft het experiment als volgt:

Laet nemen (soo den hoochgheleerden H. Ian Cornets de Groot vlietichste ondersoucker der Naturens verborgentheden, ende ick gedaen hebben) twee loyen clooten d'een thienmaal grooter en swaerder als d'ander, die laet t'samen vallen van 30 voeten hooch, op een bart oft yet daer sy merckelick gheluyt tegen gheven, ende sal blijcken, dat de lichtste geen thienmael langer op wech en blijft dan de swaerste, maer dat ze t'samen so ghelijck opt bart vallen, dat haer beyde gheluyden een selve clop schijnt te wesen.

De geschiedenis der physica heeft er onvoldoende notitie van genomen, dat Stevin en de Groot deze waarneming op zijn laatst in 1586 verricht hebben; ze kent de proef wel, maar schrijft haar op rekening van Galilei, die volgens de overlevering tijdens zijn professoraat te Pisa (1598-1592) groot opzien verwekt zou hebben door in tegenwoordigheid van alle docenten en studenten der universiteit lichamen van verschillend gewicht van den scheeven toren te laten vallen en aan te toonen, dat deze gelijktijdig den grond bereikten. Het is een overlevering van twijfelachtige waarde; dat neemt niet weg, dat het Pisaansche experiment nog steeds in vollen historischen luister straalt. Nog steeds beaamt men de bloemrijke uitdrukking, waarmee A. Favaro1) de beteekenis ervan samenvatte: ‘Dall' alto di quella torre la filosofia peripatetica ricevette tal colpo dal quale mai più si riebbe’2) en men vergeet de vinnige repliek, waarmee J. Bosscha3) (wat al te verheugd overigens om de gelegenheid weer eens wat te kunnen afdingen op de verdiensten van den grooten Italiaan) op deze uitlating reageerde: ‘Si telle est la portée de l'expérience, la philosophie péripatéticienne était terrassée depuis plus de quatre ans.’

[p. 169]

Op andere plaatsen wordt de Groot in de Weeghconst niet vermeld; een opmerking in de aankondiging van het werk aan het slot van l'Arithmétique maakt het echter waarschijnlijk, dat hij ook wel bij de overige in het werk beschreven experimenten, zooals de proef ter demonstratie van den hydrostatischen paradox, zijn medewerking zal hebben verleend.

Het verschijnen van de Weeghconst gaf hem bovendien aanleiding, nog eens weer van zijn dichterlijke vaardigheid te doen blijken: aan de opdracht van het werk aan Keizer Rudolf II gaan namelijk een Latijnsch en een Grieksch gedicht van zijn hand vooraf; aantrekkelijke lectuur vormen ze in hun duistere gedrongenheid en de destijds gebruikelijke uitstalling van mythologische en historische geleerdheid niet; het eerste van de twee bezit echter een zekere historische waarde, omdat de daarin voorkomende opmerkingen over Stevins Lochtwicht een aanduiding geven van wat er in dit verloren gegane werk kan hebben gestaan: zooals te verwachten was, blijkt Stevin de Aristotelische opvatting, dat niet alle lichamen gewicht zouden bezitten, bestreden te hebben; niet alleen de atmospherische lucht, maar zelfs de aetherische is volgens hem zwaar.

De samenwerking met Jan de Groot heeft zich echter niet beperkt tot zuiver wetenschappelijke aangelegenheden; op een ander terrein is ze zelfs nog nauwer en langduriger geweest. In dezelfde jaren, waarin zijn werken over wiskunde en mechanica verschenen, had Stevin namelijk ook een aantal uitvindingen op technisch gebied gedaan, die hoofdzakelijk de waterloozing betroffen. Daartoe behoorden onder meer zekere verbeteringen in de constructie van den watermolen1), die ten deele betrekking hadden op de overdracht van beweging van de bovenas op de spil, ten deele op het aantal en den vorm van de lepels van het scheprad; om een betere bewegingsoverdracht te verkrijgen, paste hij een conischen schijfloop toe inplaats van een cylindrischen, terwijl hij op grond van uitvoerige berekeningen over het nuttig effect van den molen tot de conclusie kwam, dat de lepels aanzienlijk breeder moesten worden genomen en een grootere diepte van tasting moesten hebben dan tot dusver gebruikelijk was.

In 1586 verkreeg hij op deze uitvindingen een octrooi van de Staten-Generaal, dat in 1588 door Leycester werd geamplieerd. Voor de practische exploitatie daarvan sloot hij nu op 23 Augustus 1588 een overeenkomst met Jan de Groot, volgens welke de rech-

[p. 170]

ten, uit de twee octrooien voortspruitende, hun beiden gelijkelijk zouden competeeren.

Zij waren toen reeds eenigen tijd bezig om molens volgens het nieuwe systeem te bouwen of te vermaken. Op 22 Aug. 1588 kennen namelijk Burgemeesteren van Delft aan de Groot en Stevin een vereering van honderd kronen toe voor het geleverde ‘nieuwe werck in de watermolen op 't Duyvelsgat’ op voorwaarde, dat zij desgewenscht ook aan ‘de watermolen staande t'eynde den Langendijck.... een nieuwe inventie van denselven Mr. Simon Stevin te werck (sullen) doen stellen’, waarvoor zij dan dezelfde vereering zullen genieten. Ook dit blijkt geschied te zijn: op 15 Juni 1590 is de bedoelde vereering toegekend. Bovendien heeft de magistraat van Delft op 29 Aug. 1590 aan Stevin op zijn verzoek een getuigschrift verstrekt, waarin verklaard wordt, dat de twee bedoelde molens, ‘volgens de const van den voornoemden Stevin hermaect zijnde, ten minste wel driemaal so veel schuyringe maecken ende beroeringe van water, als de twee voorgaende Molens plaghen te doen.’ Behalve in de molens te Delft blijken de Groot en Stevin hun nieuwe constructie ook te hebben toegepast te Stolwijk en te Cralingen.

Niet steeds hebben zij echter evenveel pleizier van hun leveranties beleefd. Op 8 April 1589 had de Groot een contract gesloten met gecommitteerden van den polder Leege Biesen, Achtersloot, Meerloo en het Brouck in het land van IJsselstein, waarbij hij zich verbonden had tot het leveren van ‘een goeden nijeuwen watermolen van hout ende ijsser.... voor een zomme van ses ende dertich hondert carolus guldens ende ene vereeringe ter discretie’, daarbij garandeerende ‘de moelen soe veel waters te doen uutmalen, als twee der beste moelens hier ofte dair ontrent zijnde zullen connen doen.’ Deze molen had volgens het contract klaar moeten zijn voor Mathei 1589, maar is niet voor Juni 1590 opgeleverd, zoodat hij in den herfst van 1589 tot schade der landerijen niet heeft kunnen malen. Toen hij eenmaal klaar was, bleek hij echter in het geheel niet aan de verwachtingen te voldoen; het was niet mogelijk hem eenigen tijd achtereen in zijn gemaal te houden; het gevolg was inundatie van het land en opstandigheid van de polderbewoners. Het polderbestuur weigerde daarom, na in Juni 1591 den toen vervallenden termijn van de bouwsom nog te hebben betaald, een jaar later den verschuldigden vierden termijn te voldoen.

De Groot beklaagde zich daarop bij de Prinses Maria van Nassau (gewoonlijk genaamd mejonkvrouwe van Oranje), die sedert den dood van Willem I de aan Philips Willem toebehoo-

[p. 171]

rende baronie van IJsselstein voor haar broeder beheerde. Dit was het begin van een lange correspondentie tusschen de Prinses en haar Raad eenerzijds en den Schout van IJsselstein, Nicolaas van Helmont, anderzijds, die in twee dossiers van het gemeentearchief te IJsselstein bewaard is gebleven. Aan Stevin gaf de zaak aanleiding om zich, ter handhaving van zijn goeden naam als uitvinder, te voorzien van getuigschriften, waaruit kon blijken, dat zijn constructie elders wèl voldeed. Hij blijkt ook herhaaldelijk den molen zelf te hebben bezocht, waarbij hij tot de conclusie kwam, dat het slecht functioneeren van de constructie uitsluitend aan moedwil, verzuim en slecht beheer was toe te schrijven. Dit wordt onder meer uitvoerig uiteengezet in een op 16 Aug. 1593 opgemaakte notarieele acte, waarin twee timmerlieden van watermolens verslag doen van een onderzoek, dat ze op 23 Aug. d.a.v. in gezelschap van Stevin ter plaatse hadden ingesteld. De polderbesturen hielden daarentegen staande, dat alle gebreken uit de inventie voortsproten; ze wraakten Stevins getuigen als partijdig en te jong en legden adviezen van andere deskundigen over, die juist het tegenovergestelde verklaarden als die van Stevin.

We zullen den lezer niet vermoeien met de technische details van de zaak, die in de stukken breed uitgemeten worden. De hoofdzaak schijnt wel deze geweest te zijn, dat het onderijzer telkens in het hout van de spil drong en dit deed barsten en dat de spil daardoor niet in de pot wilde blijven draaien. Er is telkens sprake van reparaties en nieuwe voorzieningen, maar de klachten bleven aanhouden en de gemoederen werden er zoo door verhit, dat de Groot zich zelfs bij de Prinses moest beklagen, dat de personen, die hij op onderzoek had uitgezonden, den molen wegens de dreigende houding der bevolking niet hadden durven naderen.

Eerst nadat Prinses Maria door den Schout van IJsselstein een vrij sterke pressie op het polderbestuur had laten uitoefenen, waren dit bestuur en de ingelanden er toe te bewegen, het geschil aan arbitrage te onderwerpen. Op 6 Aug. 1594 werd op een vergadering te IJsselstein, waar ook Stevin met eenige raadsheeren van de Prinses aanwezig was, besloten, dat partijen zich zouden schikken naar de uitspraak van een commissie van vier onpartijdige rechtsgeleerden, die zich een superarbiter zouden assumeeren.

De uitspraak van deze commissie is niet bewaard gebleven, wèl een uitvoerige ‘Deductie van gerechticheyt’, waarin het polderbestuur nog eens de geheele zaak recapituleert en alle grieven nog eens in den breede opsomt, een eisch van de Groot,

[p. 172]

die betaling van den vierden termijn met 10% rente en van de toegezegde vereering verlangt èn een concept voor de uitspraak, waarin wordt voorgesteld, dat de verschuldigde penningen aan de Groot zullen worden voldaan met aftrek van de verschotten, die te zijnen behoeve voor reparaties gedaan zijn. De uitspraak moet tusschen 3 Nov. 1594 en 24 Jan. 1595 hebben plaats gehad; het polderbestuur heeft het compromis aanvaard op 16 Maart 1595; echter hebben zoowel de Prinses als haar echtgenoot Philips von Hohenlohe nog verscheidene maanbrieven aan den Schout moeten zenden, waarin op betaling van het verschuldigde werd aangedrongen.

In Stevins gedrukte werken komt de naam van Jan de Groot nog eenmaal voor. In een van de levendige passages, waaraan zijn Stercktenbouwing (een van zijn meest persoonlijke en belangwekkende geschriften) zoo rijk is, betoogt hij namelijk, dat het zoo wenschelijk zou zijn, als van alle tot uitvoering komende plannen voor sterkten teekeningen werden verzameld

met Neerduytsche verclaringhe van t'ghene daer in na de wijse deses tijts welghedaen, ofte ghebreckich is: Maer ick vreesende of de Drucker de papieren eyntlick den Apothekers tot peperhuijskens moest vercoopen, als niet wetende hoe langhe de Neerlanders liever sullen segghen ghelijck papegaeyen, conterscherpen, flanckeren, zapperen, dan als menschen met kennis der sake, cabeschoeysels, strijcken, graven, hebbe mijn aerbeydt, ende des Burgmeesters de Grootens voorder oncosten ghespaert, daer hy ten ghemeenen oirboire meer dan middelmatich toe gheneycht is.

Men kan hieruit opmaken, dat de Groot (die van 1591 tot 1595 burgemeester van Delft geweest is) het ook bij Stevins werkzaamheid op het gebied van den vestingbouw niet aan belangstelling en medewerking heeft laten ontbreken en dat hij hem met name ondersteund heeft in zijn onvermoeid streven tot zuivering van de taal.

 

Intusschen was Hugo de Groot (die in 1583 geboren was) op een leeftijd gekomen, die in normale gevallen weliswaar nog als kinderlijk gegolden zou hebben, maar die hem reeds in staat stelde met oudere geleerden als huns gelijke om te gaan. Het zal na al het bovenstaande wel duidelijk zijn, dat hij van jongsaf met Stevins denkbeelden vertrouwd moet zijn geweest. Echter was zijn belangstelling niet, zooals die van zijn vader, in de eerste plaats gericht op wiskundige en technische onderwerpen en het terrein, waarop hij den ouderen vriend des huizes ontmoet, ligt op den duur dan ook voornamelijk elders.

De samenwerking begint echter bij hem ook op mathematisch-

[p. 173]

physisch gebied: in 1599 vertaalt hij Stevins werkje Havenvinding, waarin een methode van plaatsbepaling op zee met behulp van de variatie van de kompasnaald geleerd wordt, onder den titel AIMENEYPETIKH sive portuum investigandorum ratio in het Latijn; hij voorziet het geschrift daarbij van een vrij uitvoerige inleiding, die onder meer de opdracht behelst aan den Doge, den Senaat en het volk van Venetië, zulks naar aanleiding van een ontmoeting, die hij in 1598 te Parijs had gehad met den Venetiaanschen gezant Contarini1).

Aan zijn relatie met Stevin zal hij het ook wel te danken hebben gehad, dat hij deel mocht uitmaken van het illustre gezelschap, dat in 1600 of 1601 door Prins Maurits werd uitgenoodigd tot den befaamden tocht met den zeilwagen van Scheveningen naar Petten. Hij beschreef het avontuur in een Latijnsch gedicht, Iter currus veliferi, terwijl hij er bovendien aanleiding in vond tot het vervaardigen van niet minder dan 22 Latijnsche epigrammen1). Hierdoor en door een korte mededeeling in zijn werk Parallelon rerumpublicarum is hij de voornaamste bron, die ons over den zeilwagen kan inlichten; in Stevins werken wordt deze namelijk nergens vermeld. Vermoedelijk is hij dus ook in de eerste plaats verantwoordelijk voor de kennelijke overdrijving, die in het verhaal over de prestaties van het voertuig (het zou zich twee uur lang met een snelheid van ca. 45 km/uur hebben voortbewogen en daarbij zoo goed naar het stuur hebben geluisterd, dat men het even in zee kon laten loopen en daarna weer den tocht op het strand kon laten voortzetten) valt op te merken.

Het voornaamste gebied, waarop zijn betrekking tot Stevin tot uiting komt, bestaat echter wel in de taalkundige beschouwingen, die in het Parallelon voorkomen en die deels een pleidooi voor het gebruik van de moedertaal in wetenschappelijke verhandelingen bevatten, deels dit pleidooi ondersteunen door historischlinguistische uiteenzettingen. Hij roert hiermee een onderwerp aan, dat Stevin meer dan een ander ter harte ging en waarover hij hem ongetwijfeld van jongs af heeft hooren spreken. Om een indruk te geven van wat hij daarbij vernomen kan hebben, schetsen we eerst het verband, waarin Stevins taalkundige denkbeelden moeten worden gezien.

Nadat hij een werk over meetkunde in het Latijn en een over rekenkunde in het Fransch geschreven had, was hij, volgens een eigen mededeeling in de voorrede van de Dialectike, door vrienden, die geen vreemde talen machtig, maar nochtans uitnemende

[p. 174]

liefhebbers der consten waren, ernstig vermaand, om zich voor verdere werken van de volkstaal te bedienen. Daar hij geen ander motief voor het gebruik van een vreemde taal had kunnen aanvoeren dan de tot een tweede natuur geworden gewoonte, was hij voor dien aandrang gezwicht en had hij zich gehaast, een nederduitsche Dialectiek samen te stellen.

Zijn bemoeiingen met de taal, die hiermede een aanvang namen, kunnen in dit eerste stadium nog niet als uitingen van purisme beschouwd worden. Met den schrijver van de in dienzelfden tijd verschenen Twe-spraak van de Nederduitsche letterkunst (met wiens denkbeelden de zijne veel overeenstemming vertoonen) is hij van meening, dat, aangezien het doel van de taal is, de gedachten zoo duidelijk mogelijk uit te drukken, men zich van de woorden moet bedienen, die daarvoor het meest geschikt lijken, onverschillig uit welke taal ze afkomstig zijn. Zoo zien we hem dan ook in de Dialectike termen bezigen als definitie, propositie, proportie, dialecticien, die hem in latere jaren nooit meer uit de pen zouden hebben willen vloeien. En hoewel hij door de invoering van uitdrukkingen als ghelijckspreuck voor metaphora, spotspreuck voor ironia en ongheloofelickspreuck voor hyperbole het puristische standpunt reeds dicht begint te naderen, gaat hij in de consequente toepassing van nederduitsche wetenschappelijke termen toch nog lang niet zoover als de schrijver van het eveneens in 1585 verschenen Ruygh-bewerp van de Redenkaveling, die de praedicamenta als zeglijke, de praedicabilia als ghemeene woorden aanduidt en negatio door benening vertaalt. Voorzoover hij in die jaren purist is, is hij het meer op empirische dan op principieele gronden: hij deelt niet de opvatting van 16e-eeuwsche wetenschappelijke auteurs als Leo Baptista Alberti, Luca Pacioli en Franciscus Vieta, dat men, ook als men in de landstaal schrijft, voor wetenschappelijke begrippen bij voorkeur bastaardwoorden moet gebruiken (eventueel zelfgeconstrueerde), om de begripsverwarring te voorkomen, die woorden uit de gewone omgangstaal door de associaties, waarmee zij behept zijn, altijd dreigen teweeg te brengen; en daar hij een opmerkelijk vermogen bezit om voor begrippen, die men steeds door Grieksche of Latijnsche woorden had aangeduid, passende Nederduitsche benamingen te vinden, komt hij geleidelijk tot de schepping van een inheemsche wetenschapstaal. Menigmaal weerhoudt hem een zekere schroom, al te zeer met de traditie te breken, om in de taalvorming zoover te gaan als hij dat wel zou wenschen: zoo deinst hij er voor terug, om in plaats van materie stof te zeggen en definitie door bepaling te vervangen.

[p. 175]

Wanneer een jaar later de Weeghconst verschijnt, blijkt hij èn dien schroom overwonnen te hebben èn voor het purisme, dat hij nu voortaan zonder voorbehoud zal belijden, een redelijke motiveering te hebben gezocht. In de befaamde Uytspraeck van de weerdicheyt der duytsche tael, die aan het werk voorafgaat, betoogt hij namelijk op linguistische gronden, dat het Duytsch (zoo noemt hij zoowel de taal der Neerlanders als die der Overlanders en slechts zelden onderscheidt hij tusschen Neerduytsch en Hoogduytsch) een voortreffelijker taal is dan eenige andere en dat ze zich in het bijzonder leent tot het uitdrukken van wetenschappelijke begrippen en redeneeringen. Die voortreffelijkheid berust voornamelijk op twee eigenschappen: de eerste is de groote rijkdom aan éénlettergrepige woorden, die het mogelijk maakt steeds ‘ynckel saken met ynckel gheluyden te beteeckenen’ en daardoor den inhoud der gedachte, welke beknopt is, ook kort weer te geven; de tweede de gemakkelijkheid, waarmee uit die monosyllaba volgens een vast en doorzichtig systeem samengestelde woorden kunnen worden gevormd, die zoo duidelijk van beteekenis zijn, dat ‘der dinghen namen daer duer oock haer corte bepalinghen sijn.’ Dat systeem bestaat namelijk daarin, dat van de twee aaneengekoppelde woorden het laatste altijd grondt (subjectum), het eerste anclevende (adjunctum) is; zoo beduidt b.v. ‘waterput’ een put, die water geeft, maar ‘putwater’ water, dat uit een put komt.

Voor de conclusie, dat men dus over wetenschappelijke onderwerpen niet in het Fransch of het Latijn maar uitsluitend in een zuiver Duytsch moet schrijven, wordt behalve op de aangevoerde taalkundige argumenten nog een beroep gedaan op een sociaal motief: hij heeft vaak ervaren, dat personen zonder schoolsche ontwikkeling op grond van hun natuurlijk vernuft in staat bleken tot voortreffelijke prestaties op het gebied der wiskunde. Kan men niet hopen, dat men veel meer partij zal trekken van alle in het volk levende geestelijke krachten, wanneer men iedereen in staat stelt aan de ontwikkeling der wetenschap deel te nemen en is daarvoor een doeltreffender middel aan te wijzen dan het wegnemen van de belemmeringen, die in het gebruik van vreemde talen gelegen zijn?

Dit sociale motief wint in den loop der jaren voortdurend in kracht. Hij droomt zich een toekomst, waarin het schromelijk tekort aan ervaring, dat op alle punten den vooruitgang der wetenschap tegenhoudt, aangevuld zal worden, doordat overal ijverige ‘gaslaghers’ de natuur zullen observeeren en elkaar hun bevindingen zullen meedeelen. Ze zullen dat doen in de taal,

[p. 176]

waarvan ze zich in het gewone leven bedienen en de Duytschen zullen daarbij het voorrecht hebben, dat zij, hun eigen taal sprekende, tevens het voortreffelijkste middel tot uitdrukking van wetenschappelijke gedachten, dat de natuur kent, zullen toepassen.

Het doel van dit alles is de vooruitgang van het denken, maar een vooruitgang, die een terugkeer beduidt; in voorhistorische tijden moet er namelijk een periode hebben bestaan, de Wijsentijt (saeculum eruditum), waarin de mensch reeds alle inzichten en vaardigheden bezat, die wij nu met groote moeite weer trachten te verwerven; het moet ons streven zijn, dien tijd terug te brengen. Enkele overblijfselen bestaan er nog van: de meetkunde van Euclides, de astronomie waarvan Hipparchus en Ptolemaeus de herinnering bewaren; aannemelijk is ook, dat Coppernicus geschriften heeft kunnen raadplegen, die ervan berichten. De door deze onderzoekers ingeslagen wegen moeten dus verder worden vervolgd; in het bijzonder moet de methode van Euclides in eere worden gehouden. Deze werd echter, evenals de voortreffelijke Archimedes, belemmerd door de omstandigheid, dat hij in het Grieksch moest schrijven; als men zich eenmaal zal hebben aangewend, het Duytsch voor de wetenschap te gebruiken, kan men een snelleren vooruitgang verwachten.

Wanneer men nu, na van deze denkbeelden kennis te hebben genomen, in de Groots Parallelon het hoofdstuk opslaat, dat over de taal handelt, hoort men daar niet dan bekende klanken: een hooggestemden lofzang op den rijkdom der taal, die het doorzicht van onze voorouders ons heeft nagelaten, een fellen aanval op de ‘verachtende en ondankbare bedillers’ (de ‘schampweerdighe schampers’, zooals Stevin ze in zijn verontwaardiging noemt), die het voorrecht zulk een taal te bezitten, niet beseffen en die in ‘de raazende verbeelding’ verkeeren, dat alleen het buitenlandsche goed is; een vurig pleidooi voor een stelsel van onderwijs, waarin men niet langer den tijd, dien men zou kunnen gebruiken om zijn zakelijke kennis te vermeerderen, zal verknoeien met het aanleeren van vreemde talen, waarin men zich toch altijd slechts gebrekkig zal kunnen uitdrukken. Men ziet ook al Stevins argumenten terugkeeren: den rijkdom aan monosyllaba, de gemakkelijkheid, waarmee composita worden gevormd, het systeem, dat bij die samenstelling gevolgd wordt. De overeenstemming gaat tot in details: Stevin had uit het feit, dat in Noord-Holland allerlei woorden nog eenlettergrepig zijn, die elders reeds langere vormen hebben aangenomen (zooals Vaer, Moer, Sus en Broer) afgeleid, dat in dat gewest het zuiverste Duytsch

[p. 177]

gesproken wordt; Grotius neemt bewering en argument onveranderd over.

Ook Stevins beschouwingen over den ouderdom van het Duytsch vindt men bij de Groot terug. Deze polemiseert weliswaar tegen de phantastische beweringen van den Antwerpschen medicus Goropius Becanus, die in zijn Origines Antwerpianae en nog uitvoeriger in zijn Hermathena voor het Duytsch (bij hem de lingua cimbrica) de eer had opgeeischt, de oudste taal der wereld te zijn (waarvoor de etymologie duytsch = douts = de oudste als argument moest dienen), maar hij verdiept zich niettemin met dezelfde voorliefde als Stevin en evenals hij toch kennelijk in navolging van denzelfden Becanus in theorieën over den invloed, dien het Duytsch op andere talen zou hebben uitgeoefend.

Over den Wijsentijt laat hij zich ietwat voorzichtiger uit dan Stevin zonder daarbij echter blijk te geven van een sceptische houding tegenover het denkbeeld. Voor de uitgave van de Wisconstighe Ghedachtenissen, waarin over dit onderwerp zeer uitvoerig wordt gesproken, blijkt hij zelfs een aantal testimonia uit klassieke schrijvers te hebben verzameld, waarin berichten over een verloren gegane wijsheid voorkomen.

Ook het sociale motief keert bij hem terug: de eisch, dat men vreemde talen zou moeten leeren om de wetenschap te mogen beoefenen, beduidt een weldaad, waar ieder recht op heeft, aan verscheidenen misgunnen.

Kan men er dus niet aan twijfelen, of het zijn hoofdzakelijk denkbeelden van Stevin, die Grotius in zijn beschouwingen over de taal ontwikkelt, zoo blijkt er toch nog eenig verschil van meening mogelijk te zijn over de vraag, of het betoog toch niet ten deele aan hem alleen toebehoort. Busken Huet meent namelijk, dat de philippica tegen het latijn-spreken en latijn-schrijven, waarin hij de vinger legt op een erkend zeer van zijn tijd, een persoonlijke uitlating van de Groot is, omdat Stevin zich hierover niet op deze wijze in het openbaar zou hebben kunnen uitspreken zonder den schijn te wekken, dat hij de druiven zuur vond. Maar Stevin heeft er zich niet in het minst om bekommerd, of men hem wellicht van zoo iets zou verdenken; zijn uitlatingen over de armoede der Romaansche talen zijn even veelvuldig al vrijmoedig en wanneer hij betoogt, dat hij evenmin zal zwichten voor ‘het ghemeen gevoelen deur gantsch Europa’, dat de Fransche taal rijk, zuiver en goed is, als hij van den lezer verwacht, dat deze zich door honderdduizend Turken zou laten overtuigen van de heiligheid van Mahomet, dan is het wel duidelijk, dat het

[p. 178]

hem waarlijk niet aan den moed ontbrak, om zich over het Latijn even weinig waardeerend uit te laten.

Juister lijkt dan ook Kluyvers meening: ‘De vermaarde uitvinder heeft zijn jeugdigen vriend en bewonderaar doen zeggen wat hem zelf vervulde, en de Groot, die denkbeelden overnemende, heeft op een zekere inconsequentie geen acht geslagen’. Inderdaad, van eenige inconsequentie is hij niet vrij te pleiten. Want men vergete niet, dat al de boven samengevatte, in Nederlandsche vertaling1) weergegeven beschouwingen over de wenschelijkheid, zich van de moedertaal te bedienen en over de dwaasheid Latijn en Grieksch te leeren, geschreven zijn.... in het Latijn! En evenmin, dat de Groot met de eene uitzondering van de Inleiding tot de Hollandsche Rechtgeleertheid steeds in het Latijn is blijven schrijven. In dit eene werk leverde hij dan echter op het gebied van de rechtstaal een bijdrage tot de ontwikkeling van het Nederlandsch welke waard is met die van Stevin vergeleken te worden, al stelt een zeer bevoegd beoordeelaar, namelijk Constantijn Huygens, zijn vermogen tot het kiezen en vormen van passende Nederduitsche termen bij dat van dezen achter; hij doet dat in een passage, waarin hij hem overigens uitbundig prijst en hij is Stevin over het algemeen niet zoo heel goed gezind; het oordeel wordt er dus te treffender door.

De gretigheid, waarmee Hugo de Groot Stevins denkbeelden overnam en uiteenzette, getuigt van de bewondering, die hij hem toedroeg. Sterker dan zijn behoefte om openlijk van die bewondering te getuigen, schijnt echter zijn neiging geweest te zijn, om den lof van Prins Maurits te zingen. Het valt namelijk niet te ontkennen, dat hij bij de verdeeling van zijn waardeering van beider aandeel in de ontwikkeling der wetenschap aan den Prins een te groot en daardoor aan Stevin een te gering aandeel toemeet. Reeds de opdracht van de Latijnsche vertaling der Havenvinding was zoo geredigeerd, dat de oningewijde lezer den indruk moest krijgen, dat de verdienste van het werkje eigenlijk aan Maurits toekwam en dat hij het alleen door Stevin had laten redigeeren. En in het Parallelon wordt weliswaar eerst gezegd, dat Stevin ‘de eerste (was) die met de grootste en algemeenste toejuiching ondernomen heeft onze moedertaal op te luisteren en in deeze de mathematische wetenschappen in het licht te geven’, maar daarna doet de schrijver het in den loop van een uitbundige loftuiting op Maurits (tè uitbundig als men haar beschouwt in verband met de bewering in de voorrede van de Limenheuretike,

[p. 179]

‘dat deze zeer bescheiden Held zich door niemand gaarne laat prijzen’) voorkomen, alsof Stevins Wisconstighe Ghedachtenissen, die toen in voorbereiding waren (nunc in lucem prodeunt, zegt hij ietwat optimistisch) van de hand van den Prins zouden zijn. Tevergeefs tracht Busken Huet deze scheeve voorstelling van het geval goed te praten door de bewering, dat Stevin zelf het werk in dien vorm aan het publiek zou hebben aangeboden. Het titelblad zegt immers duidelijk, dat hier de onderwerpen, waarin de Prins zich geoefend heeft, door Simon Stevin worden beschreven en wie dit nog niet duidelijk genoeg vindt, behoeft maar een blik op den inhoud te slaan om te merken, dat Maurits er toch voornamelijk als leerling (zij het dan ook als een zeer intelligente leerling) in optreedt en dat hij slechts hier en daar als medewerker van den schrijver wordt beschouwd.

We zullen echter bij deze kleine zwakheid van Grotius niet langer stilstaan; hij zal er zelf later ook wel niet zonder wrange gevoelens aan hebben teruggedacht en Stevin was er de man niet naar, ze hem euvel te duiden.

E.J. Dijksterhuis