Verzameld werk. Deel 2. Epische poëzie. Fragmenten. Ilias-vertaling


auteur: Karel van de Woestijne


editeur: P.N. van Eyck en P. Minderaa


bron: Karel van de Woestijne, Verzameld werk. Deel 2. Epische poëzie. Fragmenten. Ilias-vertaling (eds. P.N. van Eyck, P. Minderaa e.a.). C.A.J. van Dishoeck, Bussum 1949 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 500]

Homeros Ilias
Proza-bewerking

MDCCCCX

[p. 501]

Inleidende nota

Er is, bij deze nieuwe vertaling-bij-deelen der Ilias, naar gestreefd, dit epos toegankelijk te maken voor elken Nederlander, hoofdzakelijk voor dezen die, de Grieksche taal onkundig, op gemakkelijke en bevattelijke wijze in kennis wenscht te komen met een der eeuwige meesterstukken van de wereldliteratuur; ook voor hem die, kent hij de taal en het werk wèl en op voldoende wijze, schrikt, bij zucht om hergenieten in eene hemgeboden vertaling, voor het licht-vervelende van een toch ál te lang, ál te verwikkeld verhaal, en 't overbodige van vele episodes, van nuttelooze herhalingen, van bijzonderheden al te breed uitgesponnen voor een modern lezer, die andere bekommeringen heeft en op andere gevoelens leeft dan een bewoner van Hellas in de 9e, misschien 10e eeuw vóór onze jaartelling, tijd waarop vermoedelijk de Homerische gedichten - of althans de Ilias - gemaakt en gezongen werden.1)

[p. 502]

Want niemand loochent het: deze gedichten, en meer bepaald de Ilias, zijn zelfs voor meer-vertrouwden dikwijls zwaar, langdradig en op vele plaatsen ongenietbaar. Ook wien Homeros van op school of uit eigen studie reeds eenigermate bekend is, zou vaak om meergenoeglijk herlezen een bloemlezing welkom zijn, waar een beknopt samenvattende tekst het weggelatene vervangen zou, bloemlezing te wenschelijker dus voor den gewonen, Homeros-onkundigen lezer, wil men dat hij bekend kome met, dat hij geloove in deze blijvende schoonheid.

Het overtollige dus, aan feiten, uitweidingen en personnages, aan bijverhalen en te zeer elkander gelijkende onderdeelen te weren, en alleen bewaren het hoofdzakelijke en kenschetsende in grond en in beeld, aan stof en aan woord; geen dor geraamte - ge begrijpt me - van het epos in behandeling, maar, uit de verwatering van den Homerischen overvloed, de hoofdgebeurtenissen te redden, waar te schitterender van blijken zal de kleur; zorgvuldig te bewaren, overigens ook uit het verwezene, al wat de Homerische eigenaardigheid uitmaakt; en daartoe de uitgelezen deelen dan verbinden, zoo goed dit gaan mag, door een korten, samenvattenden eigen-tekst die, om onder het lezen den indruk van eenheid te geven, naar geest als naar vorm, in rythmus en in klank, niet al te zeer van de vertaalde fragmenten afwijkt: die kiesche taak heb

[p. 503]

ik aangedurfd, bemoedigd doordat anderen vóór mij dergelijken arbeid met grooten uitslag tot een merkwaardig einde hebben gevoerd. Het boek ‘Homère’ van Maurice Croiset, vóór jaren reeds in de verzameling der ‘Pages choisies des grands Ecrivains’ (Arm. Colin & Cie., Paris) verschenen, is immers naar nagenoeg-hetzelfde plan opgevat, en was me bij mijn werk, zoo niet gebiedend meester, dan toch steun en voorbeeld.

Een voorbeeld niet alleen als steun en bij 't schrijven: ook in het schikken van den gedrukten tekst, zooals hij u hier geboden wordt: al het vertaalde met meer ruimte tusschen letters, woorden en lijnen gezet, terwijl het als samenvatting toegevoegde, mijn tekst dus, dichter aaneen werd gesloten; zoodat iedereen licht bemerkt wat onverminkt vertolkt, en wat in meer gedrongen vorm naverhaald werd.1)

 

Dit voor hetgeen het boek naar inhoud en typographische schikking betreft. Enkele woorden nog over opvatting en wijze van vertalen, tot beter begrip en, in zekere mate, als rechtvaardiging van mijn werk.

 

Déze vertaling zal wel de beste wezen - en men leze hier Ludwig Fulda's uitmuntende ‘Kunst des Uebersetzers’ in zijn boek ‘Aus der Werkstatt’ (1904) op na - die, naar tekst-beteekenis en naar karakter, naar inhoud en naar vorm, 't oorspronkelijke

[p. 504]

zóo nabijkomt, dat ze op den lezer denzelfden indruk als het oorspronkelijke maakt.

Eenerzijds beteekenis en inhoud; andererzijds karakter en vorm. Voor 't eerste: wetenschappelijke taalkennis gevergd, voor het tweede artistieke smaak en vaardigheid noodig; reproductieve arbeid dus, maar naast een goed deel scheppende, her scheppende. Want het woordelijk overbrengen uit de eene taal in eene andere maakt nog geen goede vertaling uit; de woorden van het oorspronkelijke, is dit oorspronkelijke een kunstwerk, bieden nog iets anders dan een redelijken zin aan; hunne onderlinge schikking, hun klank, de rythmus waar hunne schakeling uit geboren is en die beter dan hun keus misschien hunne emotioneele waarde bepaalt: zij ontwikkelen of suggereeren eene atmospheer, eene stemming, eene hoogere zinnelijkheid, die den poëtischen rang, de poëtische hoogte van het werk vaststellen en die de vertaler uit eigen spraak weêr te scheppen, met de eigen klanken zijner eigen taal, opnieuw op te roepen, door eigen artistieke vermogens te wekken heeft, wil zijn arbeid naar kunstwaarde die van zijn model benaderen.

Een Nederlandsch vertaler van Homeros heeft zich dus niet alleen af te vragen: welke gedachte wordt in dezen Griekschen volzin geuit, en welke Nederlandsche woorden geven het best den zin dier gedachte weêr? Hij blijft zelfs beneden zijn plicht, als hij zich met de vraag tevreden stelt, hoe of Homeros deze gedachte uit zou hebben gesproken, indien hij een Nederlander der 20e eeuw ware geweest, gewapend met de ‘woord-kunst’ onzer laatste jaren. Maar zich zelf moet hij tot

[p. 505]

plicht stellen, doordrongen als hij is niet alleen van den inhoud, van de feitelijke, ik zou haast zeggen wetenschappelijke beteekenis der Grieksche woorden, maar ook van den rythmus die ze beheerscht, den klank die ze helder maakt of duister, de ziel die uit hun complex ruwheid of zachtheid spreken laat; - zich zelf heeft hij te gebieden, uit eigen taal en eigen wezen zelfde kracht en zelfde schoonheid, evenzeer als zelfden zin en zelfde metaphoor na te vormen: een eender karakter dus naast eendere bediedenis na te scheppen. En waar de indruk, door den Griekschen tekst gewekt, aan plaatsing der woorden, keurigheid en bondigheid der uitdrukking, mannelijke kracht van versgang en klankkoloriet, bij hem niet die van vloeiënden taalbouw en preciese, schoolsche, effene syntaxis is; waar hier, - naar hij, de vertolker, gevoelt, - in de beste deelen althans en behalve waar stopwerk die deelen verbindt, drift over het woord regeert, en leven over de grammatica: daar heeft hij zich minder te bekommeren, naar mijn oordeel, om de vormen, in de huidige beschavings-phasis, van eigen taal, om de taalgebruiken in den mond of bij schrift van zijne tijdgenooten, dan om wat hij zelf heeft ondergaan bij 't lezen van een Grieksch epos der 9e of 10e eeuw vóór onze tijdrekening. En waar de tegenwoordige toestand van het Nederlandsch, in de beschaafde - voor ons doel, misschien té beschaafde - vormen, in de beleefde vormelijkheid van heden, niet volstaat voor hetgeen hij aldus te bereiken heeft, daar moet hem in de taalbehandeling eene vrijheid worden gelaten die - zijn tekst goed begrijpelijk, mits een geringe inspanning bij den

[p. 506]

lezer - zijne vertaling alleen ten goede kan komen.

Want, niet waar - en het is een nieuw argument tot angstvallige getrouwheid - al valt het niet te betwijfelen dat de tijdgenooten van Homeros andere indrukken van de Ilias ontvangen zullen hebben dan wij, ons doel kan toch geen ander zijn, dan eigen indruk zoo sterk, zoo krachtig mogelijk uit te beelden. Wij zijn geene Hellenen uit de 9e eeuw v.C. En zelfs dát zal aan onze vertaling noodzakelijk een ander karakter geven, zal mij, vertaler, hoogere plichten opleggen, dan als ik het werk van een tijdgenoot in mijne taal zou hebben weêr te geven. - Want in mij rijst onwillekeurig op, dat een innig verband bestaat tusschen een Franschman, tot de mannenjaren gekomen in den aanvang der 20e eeuw, en een Nederlander van gelijken leeftijd; dat ze onder gelijkwaardige kultuur, evenwijdige, zoo niet geheel-dezelfde, begrippen zullen hebben; dat er in hunne levenswijze weinig verschil zal bestaan, en geen verschil dat niet onmiddellijk begrijpelijk of natuurlijk, dat buitengemeen verrassend-opmerkelijk zou zijn; dat hoe verschillend ze van stand of aard mochten wezen, de gelijke tijdsomstandigheden ze bindt tot allicht elkander-aanvullende vertegenwoordigers van een bepaald beschavingsstadium. En krijg ik een boek van zulk een tijdgenoot te vertalen, dan zal ik misschien wel last hebben van sommige volkseigenaardigheden, van sommige bijzonderheden in zeden en opvattingen: een deel toch, het deel van het gemeengoed, het deel dat der aanvangende 20e eeuw behoort, zal van zelf uit mijne vertolking als uit het oorspronkelijke spreken, zonder dat ik er mij moeite

[p. 507]

om te geven heb; en het verschil tusschen zulke eene vertaling en eene vertaling van Homeros zal even groot zijn, in hetgeen door den tekst van mij wordt geëischt en in de gevolgen van mijn arbeid, als het verschil tusschen de vertaling die een Perzisch tijdgenoot der homerische zangers - gesteld dat zeden en gebruiken, zoo niet gelijk, dan toch wederzijds goed gekend zouden geweest zijn - van de Ilias maken zou, en die welke ik er hier van lever. Want de Perziër zou zijne taal alleen hebben dienstig te maken voor andere, maar gelijkaardige, althans gelijktijdige toestanden, begrippen en gevoelens; hij heeft alleen den dichter onder de zijnen te brengen en deze zal de huisgenooten niets verhalen dan hetgeen zij op zijn minst vermoedden, en dat ze alleen verwonderen zal naarmate het afwijkt van wat op dat tijdstip bij Perziërs als bij Hellenen normaal was. Maar den modernen vertaler is het om meer te doen; want de aanpassing van zijne lezers op hetgeen in deze poëzie wordt verhaald, vergt heel wat meer moeite. We worden in een tijd verplaatst, die bijna dertig eeuwen van den onzen ligt; de zeden van nu komen geenszins meer met die der Achajers om Ilios overeen; onze moreele opvattingen zijn heel wat verschillend geworden; ons zintuigelijk en geestelijk leven houdt nog slechts zeer gering verband met dat van de homerische helden. Dat dit van lieverleê voor den vertaler andere plichten dan bij tijdgenootelijk werk oplegt, spreekt van zelf. Hij heeft niet te ‘acclimatiseeren,’ om het woord van Fulda te gebruiken, de misschien vreemde maar gelijktijdige begrippen niet om te zetten in eigen gedachten, niet wellicht-vreemde

[p. 508]

maar gelijkaardige toestanden als van zelf op eigene toe te passen; hij heeft te ‘koloniseeren’ veeleer, zijne lezers te leiden naar het land van den dichter, ons vertrouwd te maken met de verplaatsing naar tijd en ruimte, in een wereld waar alle omstandigheden van gescheiden zijn: Homeros dus niet te vernederlandschen in den zin van: Homeros tot een Nederlander der 20e eeuw om te scheppen, maar: ons, Nederlanders van de 20e eeuw, voor zoover het gaat, door onze voorstellingen mee te doen leven met de Hellenen der 9e eeuw voor Christus. En dàt bepaalt in welke mate hij zijn vaardigheid te gebruiken heeft aan scherpe en vinnige weêrgave van, aan onmiddellijke woord- en wending-getrouwheid nopens den oorspronkelijken tekst.

Het kan, bij zulke opvatting van mijne taak, verwonderen, dat ik het Grieksche vers in Nederlandsch proza heb verkozen om te zetten. Mijn antwoord hierop, hoe ook bevreemdend, is, dat ik het weêr getrouwheidshalve deed. Want afgezien van het feit, dat het gezongene, althans in toon gedeclameerde vers der Hellenen, ook bij gelijke metrische bewerking, uit der aard verschilt van het Nederlandsche, gelezene, brengt de opgelegde versvorm moeilijkheden meê die den te vertalen tekst noodzakelijk ten schade komen; terwijl overigens klank en rythmus in het proza kunnen behouden worden, ook buiten den strengen dwang der zes opeenvolgende daktulen. Een meer speciaal bezwaar lag hierin, dat hier slechts eene vertaling-bij-deelen geboden wordt, en dat het samenvattende tusschenwerk in hexameters te schrijven, me eerder verwaand, behalve zeer lastig en gevaarlijk

[p. 509]

voorkwam. Zoo verkoos ik, het proza, dat ik uit het Grieksche vers spon, zoo goed het ging in zelfden rythmus te behouden, er bij bedenkend niet te min, dat al te gelijkmatig-huppelend proza een bron van verveling en verkeerd-begrijpen is, waar het vernemen van den matelijken dreun des woords den geest kan beletten er den zin van te vatten. Ik trachtte dus hierin reeds naar getrouwheid, waar de gedachtengang in zijn uiterlijk verschijnen, d.i. de gang der volzinnen, binnen de grenzen van mijn vermogen nagevolgd en bewaard bleef. Ik durf hetzelfde te zeggen voor de innerlijke dracht dier gedachten; acht hier echter, tot beter begrip van heel dit boekje, eenige opmerkingen over de Homerische aesthetika niet overbodig: zij zullen veel verklaren van wat ik, weêr om der nauwgezetheid wille, niet dacht te moeten verzachten, zoo 't de meeste vertalers kieschkeurig plegen te doen.

 

Men merke allereerst op dat een afstand van plusminus vijf eeuwen het echte bloeitijdperk, de eigenlijke klassieke periode van de Grieksche literatuur scheidt van het tijdperk der gedichten-reeks, die men, tot op het oogenblik dat Wolf, op het einde der achttiende eeuw, ze niet aan een enkel, maar aan onderscheiden dichters terug gaf, aan een problematieken Homeros toeschreef.1) Zonder op philologische bijzonderheden in te gaan, zal ik zeggen, - tot betere aanduiding

[p. 510]

van hetgeen ik meer bepaald in aesthetisch opzicht bedoel - de afstand tusschen de leeuwen der Mykenische poort1) en het beeldhouwwerk van Phidias; of, om een voorbeeld uit onze streken te nemen, meer tijd dan er tusschen Maerlant en Vondel ligt. Het is eene eerste fout der meeste interpretators dat ze, misschien door onwillekeurige analogie met de Latijnsche klassieke literatuur die in haar geheel binnen niet meer dan twee eeuwen besloten ligt, die lange spanne tijds over het hoofd zien, en Homeros - wij blijven hem, gemakshalve, aldus noemen - vertalen, gelijk ze Sophokles in hunne taal overzetten, en den lezer

[p. 511]

op die wijze niet merken laten dat de oude volkssagen der homerische rhapsoden op minder verfijnde wijze toestanden schilderen, die niet meer, of beter: minder gemeens hebben met de zeden van het Athene der 5e eeuw vóor J.Chr., dan de opkomst der Gemeenten in ons land met de bloeiende beschaving onder de Republiek der Vereenigde Provinciën. Dit is eerste reden en plicht voor den vertolker, zich niet tot verzachten, temperen, verfijnen, vernobelen te laten verleiden.

Eene tweede reden ligt in de nog zeer grove zintuigelijke vermogens der homerische helden, bron van hunne brutale psychologie, uitlegging van eene nog rudimentaire aesthetiek. Deze helden zien, hooren, gevoelen niet beter dan, hedendaags, weinig-ontwikkelde kinderen van onbeschaafde ouders. De kleuren onderscheiden zij, allereerst en haast uitsluitend, niet dan in schitterende, blanke, en doffe, duistere. Dat schitterende slaat niet alleen op wat wit is: al wat gelukkig stemt, wat klaar en aangenaam is, gaat onder hetzelfde epitheton; het woord dat er voor gebruikt wordt stamt van een werkwoord af dat beteekent: den blik vestigen. Zoo worden de armen van Hera met een zelfde adjectief omschreven als b.v. de lente: aanwijzing van het feit dat niet een bepaalde kleur of werkelijkheid, maar een bepaalde indruk of schijn wordt bedoeld, en dat het niet op schakeeringen aankomt. Zien we overigens niet dat de Grieksche naam van den wolf hoogstwaarschijnlijk verband houdt met het woord, dat men gewoonlijk door ‘wit’ vertaalt? Een bewijs dat meer op den glans der huid van dit

[p. 512]

dier dan op hare bepaalde kleur wordt gelet. - Hetzelfde voor het woord, dat ‘zwart’ wil zeggen. Niet alleen het pik: ook de nacht, de asch, het staal, het bloed, de wijn worden met een zelfde woord nader beschreven; zoodat het weêr veel meer het duistere, donkere, dan het bepaald-zwarte wil aan duiden. Niettemin worden echt-zwarte wenkbrauwen ‘staalblauw’ genoemd, en heet de zee ‘wijnkleurig’ te zijn, versierd met purperen baren; nooit noemt men ze blauw of groen: een aanduiding voor het weinigbepaalde in de beteekenis der kleurennamen. Dezelfde wijn is overigens nu zwart, dan rood; ook de schepen. Van Odusseus, die waarschijnlijk een groot sterk man was, wordt gezegd dat zijn haar paars, zijn huid zwart en zijn baard blauw waren. Datzelfde paarse haar heet elders blond of geel te zijn. Wil overigens Athèna hem eens degelijk mooi vertoonen - in de Odusseia, voor hij Nausikaa nadert - dan maakt ze 't gezicht van den reeds bejaarden man noch jonger noch schooner; ze maakt hem alleen dikker en grooter. - Om een laatste voorbeeld te geven van de verwarring die onder de kleuren heerschte, zoodra ze niet alleen schitterend of duister waren: eenzelfde woord geeft de kleur aan van den honig, het jonge hout en ... den nachtegaal.

Dat de homerische Grieken overigens weinig zin voor kleur hadden ziet men hieraan, dat de boomen niet groen, maar ‘schietend, groeiend’ worden voorgesteld, de hemel niet blauw, maar ‘breed’, of ‘van koper’ heet, dat de weiden weêr niet groen, maar ‘malsch’ worden genoemd. Die Grieken waren praktisch. Is het overigens niet kenmerkend dat eenzelfde

[p. 513]

praefix het schoone en het goede aanduidt, of beter: dat het schoone 't goede schijnt ondergeschikt te zijn, - ‘goed’ steeds in den zin van ‘deugdelijk, stevig, sterk’ genomen?

Het gehoor is al even weinig verfijnd: om aan te toonen (Odusseia) hoe mooi Kirké zingt, heet het dat ‘heel de plankenvloer er van davert’. De zang van den nachtegaal wordt vooral geappreciëerd omdat hij talrijke echo's wakker roept, evenals de zee. De luidste stem is de mooiste, en de beste herauten zijn, die loeien als ossen.

Vooral de geur van roosterend vet streelt het reukorgaan, niet alleen van onze helden, maar ook van de goden. Deze hebben wel is waar de ambrôsia, waarvan men echter niet goed weet hoe ze riekt; de menschen, zij, schijnen niet eens den geur der bloemen te hebben opgemerkt.

Voor hetgeen den smaak aangaat, lees volgende recept, en - tracht niet te walgen: neem wijn van Pramnè, rasp er geitekaas in, en strooi er meel over; tot toespijs worden uien en honig gebruikt... - En ziedaar 't allerbeste wat Nestoor den gekwetsten Machaoon, niet als medicijn nota bene, maar als 't lekkerste wat hij heeft, in den elfden zang der Ilias aanbiedt. Gij kunt het in deze vertaling naslaan...

 

Met zulke zintuigelijke ontwikkeling,(1) blijkbaar

[p. 514]

niet alleen den tijdgenooten, maar ook den zangers, den dichters zelf der homerische epen eigen, - want die hebben ongetwijfeld hunne eigene opvattingen en die van hun tijd aan hunne helden toegeschreven, - zal de voorstelling, die zij zich van hunne goden vormden, wel die niet zijn van den beeldhouwer op het Akropolis. En hierbij wilde ik, weêr als rechtvaardiging van mijn vertaal-wijze, een paar woorden aanteekenen.

Ik heb, namelijk voor ‘glaukôpis,’ het epitheton van Athenè, gewoonlijk door ‘blauwoogig’ vertaald, ‘met het uilengezicht’ gezet. Hier vond ik recht en reden toe in de vazen, door Schliemann omtrent de puinen van Ilios ontdekt, en waar de godin met een uilenkop (glaux-uil, en ôps-gezicht) op voor wordt gesteld, eveneens als op Attische muntstukken. De uil is overigens van deze godin, zooals men weet, onafscheidbaar gebleven. In hoever de uil een symbolistische voorstelling van Nacht of Maan zou zijn, en hier op de kosmographische beteekenis van Athenè wijzen zou, laat ik onaangeroerd.

Ook ‘boôpis,’ de bijnaam van Héra, heb ik door ‘met het koeiengezicht,’ niet door ‘met de groote oogen’ vertaald. Analogistische redenen zijn er te over, al hebben we geene graphische voorstelling

[p. 515]

waar de gade van Zeus met een dergelijk hoofd zou prijken. Als godin der vruchtbaarheid, en evenzeer als maangodin, kan ze echter oorspronkelijk door eene koe gesymboliseerd zijn geweest. Koe, os, en stier zijn immers het beeld der vruchtbaarheid; zoo wordt Poseidoon, als verbeelder der landen-bevruchtende zee ‘taureos’ genoemd, en de koeien, door Helios' dochters, Lampitie en Phaëthousa, gehoed, konden wel geene andere bediedenis hebben. Koehoornen zijn, andererzijds, steeds een maansymbool. - Ik wijs verder op de Io-legende; op de Hera- en Zeus-feesten die Bouphonia heetten; op het feit dat Hera vooral ossen werden geslacht, zooals blijkt uit de Georgica, III, 531-532, aldus door onzen Vondel vertaald:

 
Men zeght dat noit voorheene, in deze vruchtbre kust
 
Naar ossen wert gezocht, om Junoos offervieren
 
Te voeden; dat een slagh van ongelijcke dieren
 
Woudtossen 't waghenradt opvoerden naer de kerck.

Dit alles zou volstaan om mijne vertaling ‘met het koeiengezicht’ te rechtvaardigen, ... begiftigde niet Homeros-zelf, in den 3en zang, vers 144, der Ilias, ook Klumenè, die er niet het minste mythologisch recht op heeft, met eenzelfde facies? Waaruit wel af te leiden zou zijn, dat in Homeros' tijd reeds het praefix boubô de superlatieve waarde van een woord aangaf, zooals blijkt uit Boulimos = groote honger (honger als een paard, zeggen wij, en in 't Fransch: une faim canine), Boupais = flink opgeschoten jongen (zooals koewachters plegen te zijn), Boudoros = zeer lastig (zooals het

[p. 516]

villen van een os is): drie woorden waar het begrip ‘os’ niet geheel in verloren ging; zooals in Bougeroon = zeer oud man, en in Bougrios = grootsprakerig, waar alleen nog de overtreffende trap van 's woords beteekenis in aangegeven wordt. Er bestond dus even groote reden om ‘met de groote oogen,’ als om ‘met het koeiengezicht’ te vertalen. Dat ik het laatste verkoos heeft dus verdere verklaring noodig.

Er valt niet aan te twijfelen: de tijdgenooten van Homeros hadden wel degelijk een anthropomorphische voorstelling van hunne goden, al kunnen dezen ook wel naar het aangezicht van de gewone menschen afgeweken hebben. Het is dus goed mogelijk dat ze, bij ‘glaukôpis’ als bij ‘boôpis,’ niet aan een uil of aan een os hebben gedacht, onmiddellijk. Men weet echter hoe bij aanhoudend gebruik het beeldingsvermogen en het beeldgehalte van een woord afslijten, hoe het zuivere, het afgetrokken begrip dat er aan verbonden is aldra alle beeldvoorstelling doodt! Men spreekt de woorden uit: plastisch hebben ze hunne beteekenis reeds verloren, om alleen nog overdrachtelijk en abstrakt te werken. Zoo is het aanneemlijk dat, zooals ‘kunôpis’ uitsluitend nog schaamteloos beteekende en het beeld van een ‘hondengezicht,’ oorspronkelijke beteekenis, geweken was, ‘glaukôpis’ en ‘boôpis,’ nog alleen op blauwe of groote oogen wezen.

Dit echter - en hier komt het op aan - kan waar zijn voor Homeros' tijdgenooten, niet echter voor ons die de beeldwaarde der woorden op dien tijd niet meer vermogen te schatten, en daarom nooit

[p. 517]

diep genoeg tot op de bronnen delven zullen, om de geheele, de complete waarde, in haren oorsprong en in hare gevolgen, in den verloren grond waar hare beelden uit geboren werden tot op het podium, waar ze zich in onderlinge schakeling bewegen, haar ontstaan onbewust, - om de volledige beteekenis van de homerische poëzie, niet misschien als een Griek der 10e eeuw vóor Christus, maar in de ruimte harer eeuwigheid, in de eeuwigheid van al hare bestanddeelen, te omvademen. Ik zei het hooger: wij hebben van de Ilias ongetwijfeld een anderen indruk dan de Hellenen der 10e of 9e eeuw ante Christum natum ervan ontvingen. Ontallige vragen rijzen bij ons op, willen wij er evenveel van genieten. De oplossing dier vragen ligt, voor zoover een dieper doorgronden van den tekst die leveren kan, binnen de plichten van den vertaler. En daarom heb ik niet geaarzeld, ook daar waar het géen goden-epitheta aangaat, het innerlijke gehalte der woorden niet overdrachtelijk, niet geabstraheerd, niet gelijktijdig-Grieksch, zoover doenlijk (ge begrijpt me), maar in volle onmiddellijke bediedenis, met hun volle beelddracht, en laat het ons zeggen, beeldpracht - al is die pracht soms barbaarsch - weêr te geven.

 

Ik meen genoeg gezegd te hebben, om u 't genieten van de Ilias, zooals ze u hier aangeboden wordt, mogelijk te maken, zelfs als geene schoolsche voorbereiding u geholpen heeft. Ik had u nog kunnen wijzen op de steeds-zelfde epitheta; op het naïeve literaire procédé, dat in de vergelijking ligt; ik had u op den aard, of de uitgewerkte lengte, of de overdrijving

[p. 518]

soms, of den oorsprong dier vergelijkingen kunnen wijzen, - die weêr zoozeer aan Mykenische plastiek herinneren; ik had u kunnen verwittigen dat de voorstellingen ervan nooit zuiver-plastisch, meestal drastisch waren; het ware een gemakkelijke taak geweest u te betoogen, hoe heel de waarde dezer overweldigende poëzie lag in 't overweldigende leven, dat ze heeft ingegeven en dat er uit spreekt. Het ware echter beleediging voor den lezer, die 't na de eerste bladzijden reeds op eigen gevoel ondervinden zal. Zoo blijft me niets meer over, - na herhaald te hebben dat ik mij, in mijne vertaling eenige taalkundige vrijheden (o.m. in 't gebruik van den absoluten ablatief) heb gegund, waar de lezer zeker spoedig aan went, - dan, voor eigen-namen en namen van minder gekende zaken, te verwijzen naar een register dat dit boek besluit, en waar hier en daar het ‘Schoolwoordenboek voor de gedichten van Homerus’ door J. van Leeuwen Jr. (Leiden, Sijthoff, 1909) dankbaar bij gebruikt werd.

 

K.v.d.W.

 

De woorden, door mij den Griekschen tekst tot meerdere duidelijkheid bij 't vertalen toegevoegd, staan tusschen [ ]; woorden, Grieksche vokabelen of wendingen uitleggend of omschrijvend, tusschen ( ).