Alle de brieven. Deel 11: 1695-1696
(1983)–Anthoni van LeeuwenhoekGepubliceerd in:
| |||||||
Korte inhoud:Opsomming van brieven aan de Royal Society waarop geen antwoord ontvangen werd. Brief van Christiaan Huygens over de voortplanting van de aal. Bloedsomloop in een jonge paling. Over mijten uit gerst en vijgen. Over de bouw van en het embryo uit de zaadjes van een vijg. Embryo uit zaadjes van de aardbei. Haren op een poot van een Noorse zeekreeft. | |||||||
Figuren:De oorspronkelijke tekeningen zijn niet teruggevonden. De zes figuren zijn bijeengebracht op één plaat. In de Philosophical Transactions tegenover blz. 265. | |||||||
Opmerking:In de archieven van de Royal Society bevindt zich een eigentijdse vertaling van de brief (MS. 1965, Early Letters L.2.56). | |||||||
Letter No. 169 [102]
| |||||||
Published in:
| |||||||
Summary:Enumeration of letters to the Royal Society to which L. received no reply. Letter of Christiaan Huygens on the generation of the eel. Circulation of the blood in a young eel. On mites from barley and figs. On the structure of and the embryo from the seeds of a fig. Embryo from seeds of the strawberry. Hairs on a leg of a Norwegian Lobster. | |||||||
Figures:The original drawings have not been traced. The six figures have been combined in one plate. In the Philosophical Transactions facing p. 265. | |||||||
Remark:In the records of the Royal Society there is a contemporary translation of the letter (MS. 1965, Early Letters L. 2.56). | |||||||
Delfta) den 10e julij 1696.
Hoog Edele Geboore Heeren.
Ik hebbe UE. Hoog Ed: geboore Heeren, seer beleefde1) aangename Missive van den 7e feb. 169⅚.2) wel ontfangen, waar inne gesien de zeer beleefde expressien, en aanmoedinge die UE. Hoog Ed: geboore komt te gebruijken tot communicatie van verdere ontdekkinge, der verborgentheden, als mede dat UE. Hoog Edele geboore Heeren, eenige maanden geleden, nog een Missive aan mij hadde geschreven. +Ik moet tot UE. Hoog Ed: geboore Heeren seggen3), dat ik den 5e Octob. 1693. op een Missive, die ik kort te vooren van UE: Hoog Ed: geboore Heeren hadde ontfangen, hebbe geantwoort4), ende dat ik zedert die tijd, agt distincte brieven rakende mijne ontdekkinge aan UE. Hoog Edele, geboore Heeren hebbe toe gesonden, als5) op den 20e Xmb. 1693. op den 24e jann: 1694. op den 24e feb. op den 2e Maart, op den 19e Maart, op den 30e April, op den 14e Septemb. alle inden jare 1694. Als mede heb ik, na dat ik verstaan hadde, dat eenige Heeren begerig waren, om twee à. drie conterfeitsels die van mij inde swarte konst waren uijt gekomen6), te hebben toe gesonden, en nader hand verstaan hebbende, dat geen gedrukte brieven van mijn inde Latijnse taal in London te bekomen waren, ende dat men begeerig was omme die te hebben, soo hebbe ik niet ledig konnen staan, maar alle devoiren aan gewent7), ende nog eijntelijk ses afdruksels inde swarte konst, alsoo | |||||||
Delft, the 10th of July 1696.
Very Honourable Sirs,
I have duly received Your very polite1) and pleasant Letter of the 7th of February 169⅚.2), in which I saw the very polite expressions and encouragement used by You to communicate further discoveries of the secrets [of nature], and also that You had written another Letter to me a few months ago. +I have to tell You3) that on the 5th of October 1693 I replied to a Letter I had received from You shortly ago4) and that since that time I sent You eight different letters concerning my discoveries, to wit5) on the 20th of December 1693, on the 24th of January 1694, on the 24th of February, on the 2nd of March, on the 19th of March, on the 30th of April, on the 14th of September, all in the year 1694. Further, having learned that some Gentlemen were eager to receive two or three portraits of me that had appeared in mezzotint6), and having learned afterwards that no printed letters of mine in the Latin language were to be had in London and that people were eager to have them, I could not be idle, but did my utmost and finally obtained six mezzotint prints, since the plate was worn off | |||||||
de plaat afgedrukt was8), bekomen. Dese afdrukzels, als ook het Latijnze boek9), hebbe ik op London gesonden, ende geaddresseert gelijk ik gewoon ben te doen, aan Gresham Colledge. Op alle welke brieven, geen antwoort bekomen hebbende, twijffelde ik, of deselvige het gewenste genoegen mogten hebben gegeven, ende der halven op de aan moedinge van geleerde Luijden, mij bewogen gevonden, eenige mijner ontdekkinge aan Voorname Heeren, bij Missive te communiceren, de welke door den druk gemeen gemaakt zijn10). +Ik moet tot UE. Hoog Edele seggen, dat wanneer ik van de Voorteelinge der Alen, en Palingen hadde geschreven11), ende het gedrukte daar van aan Zijn Ed: de Heer Chr: Huijgens van Zuijlighem hadde toe gesonden, mij daar op heeft geschreven, uijt de vermaarde Hofstede genaamt Hof-wijk12), vanden 20e Octob. 1692. Aldus13). +Ik ben door verscheijde besigheden, en toe vallen belet geweest, UE. laaste uijt gegevene observatien, met aandagt eerder als nu te door lesen, hebbe daar in groot genoegen ende vermaak gevonden. etc. De Voorteeling14) van alle Dieren en insecten, door zaad, en niet uijt Corruptie15), zie ik gaarne dat van UE. hoe langer, hoe meer werd bewesen; want ik mede teene maal van dat gevoelen ben. Ontrent de Generatie der Alen vint ik eenigzints vreemt, dat hare jongen inde Baar-Moeder sonder eenig teken van leven, bij UE. gevonden werden. Ook maakt UE. geen mentie van 't Mannelijk geslagt der Vissen, ina) twelk misschien levendig zaad, door de microscopia te zien zoude zijn. Maar men zoude ongelijk hebben, alles 't effens16) van UE. te eijschen, daar nog oneijndige ondersoekinge overig zijn. Men moet int geene UE. ons mede deelt, UE. arbeijt en neerstigheijt hooglijk prijsen, en admireren, waar door daaglijks de kennisse der Nature vermeerdert, ende verbetert werd. Soo doe ik mede onder andere, en blijve na hartelijke groetenisse enz: en was geteijkent Chr: Huijgens. | |||||||
through frequent printing. I sent these prints as well as the Latin book7) to London, addressing them, as I am wont to do, to Gresham College. Having received no reply to all these letters, I doubted whether they had given the desired pleasure and therefore, encouraged by learned People, I was induced to communicate some of my discoveries in Letters to some Distinguished Gentlemen, which letters have been published in print8). +I must tell you, dear Sirs, that after I had written9) about the Generation of Eels10) and had sent the print thereof to Mr. Chr. Huygens van Zuylichem, he answered me from the famous Country House called Hofwijk11) on the 20th of October 1692, as follows:12) +I have been prevented by divers occupations and accidents from reading your latest observations attentively before this, I have found great satisfaction and pleasure in them, etc. I am pleased to see that the Generation of all Animals and insects by seed and not by Corruption is being proved by You more and more plainly, for I am altogether of the same opinion. As to the Generation of Eels, it seems somewhat strange to me that their young are found by You in the Womb without any sign of life. Nor do you make any mention of the Males of the Fishes, in which living seed might perhaps be seen through the microscopes. But it would be wrong to demand everything at the same time from you, innumerable researches still remaining to be made. We ought highly to commend and admire your labour and diligence in what you communicate to us, as a result of which the knowledge of Nature is increased and corrected daily. And so I do, amongst the others, and I remain, after cordial greetings, (sgd) Chr. Huygens. | |||||||
Sedert welke tijd de geseijde Heer Huijgens 't mijnen Huijse en ik weder 't sijnen Huijse hebbe geweest, en nogtans is ons discours noijt op de Voorteelinge vande Alen gevallen. Ik kan niet nalaten, tot UE. Hoog Ed: geboore te seggen, dat ik in het ontledigen zoo van Alen als Palingen, die ik voor die tijd, als ik daarvan hebbe geschreven, hebbe te weeg gebragt, en tot nu toe, soo nu als dan hebbe vervolgt, geen Ael, of Paling en hebbe ontdekt, die ik konde seggen, dat een Mannelijke Ael, ofte Paling was. Om dat alle de geene die ik quam te ontledige, met een Baar-moeder was verzien17). Of nu onder de Alen en Palingen geen Mannelijke geslagtena) zijn, gelijk ik onder vonden hebbe, dat kleijne Dierkens die uijt verscheijde zoorten bestonden18), en welke soo op de bladeren vanb) Aelbesse, kersse, Pruijme, en Rooze in groote menigte gevonden werden, die men den naam van Luijsen geeft, na dat ze op de boomen gevonden werden19), en welke Dierkens, alle hare lighame met jonge beset zijn, en ijder zijn geslagt20) voort brengt, zonder dat eenig Mannelijk geslagtc), voor mij te bekennen was, nog ook geen de minste verzameling21), en hebbed) konnen na speuren. Of nu deze Voorteelinge mede plaats heeft inde Alen, en Palingen, dan oft ijder Ael en Paling, nog met Mannelijk Zaad zijn versien, en over sulks Armaphroditene) zijn, gelijk wij ons inbeelden22) doorf) de verzameling, die wij komen te zien, dat eenige slakken zoo danig begaaft zijn, dat staat nog te onderzoeken23). Dat ik voor desen niet en hebbe geseijt, dat ik in alle de Alen en Palingen, hare Baar-moeders hebbe ontdekt, hebbe ik met voor dagt te rugge gehouden; omdat24) ik in tijd en wijle, mijn selven daar ontrent beter mogt komen te voldoen25). | |||||||
Since this time the said Mr. Huygens has been at my House and I again at his House, and yet our conversation has never turned to the Generation of Eels. I cannot omit to tell You, dear Sirs, that in the dissection of Eels which I performed before the time when I wrote about them and which I hitherto continued now and then I have discovered no eel that I could call a male Eel, for all those I dissected were provided with a Womb13). Now [I do not know] whether there are no Males among the Eels, as I have found to be the case with little Animalcules of different kinds which are found in large numbers on the leaves of Currants, cherries, Plums, and Roses and which are given the name of Lice according to the trees on which they are found, and the bodies of all of which Animalcules contain young ones, each of them producing its own kind, without my being able to discern any Males, nor have I so far been able to find the least [sign of] copulation14). Now it still has to be investigated whether this Generation also takes place in Eels or whether every Eel is also provided with Male Seed and they are therefore Hermaphrodites, as we imagine some slugs to be constituted, in view of the copulation we see15). It was on purpose that I have not said heretofore that I have discovered their Wombs in all Eels, in order that I might in due time obtain more certainty about this. | |||||||
Ik hebbe nu inde wintera) weder Palingen ontledigt, niet van die geene die men een gantsche winter op geslooten hout, om inde vasten ten dierste te verkoopen, maar die geene die men mij versekerde, dat eerst26) gevangen waren, en nu weder int laast van April, verscheijde Palingen beschouwt, om mijn selven was het mogelijk een meerder genoegen27) te geven, als ik tot nog toe hadde gehad, dog hoe menige observatie ik daar ontrent hebbe gedaan, soo is mij niet anders te vooren gekomen, danb) ik voor desen daar van hebbe geseijt. +Ziende nu op den 10e junij, dat eenige kleijne jongens, in onze stadts gragten, besig waren, met eenige groente28) uijt het water op te halen, en uijt het selvige eenige Aeltgens sogten van verscheijde grootheden, belasten ik haar, datze vande alderkleijnstec) in een pottge met water aan mijn huijs zouden brengen, gelijk ze kort daar aan deden, omme zoo danige Aeltgens op het naeuwkeurigst te beschouwen om ted) zien, of ik ontrent de loop van het bloet ijets meerder soude komen te sien, als ik tot nog toe in grooter Alen hadde ontdekt29). De kleijnste zoort die ze tot mij bragten, waren ontrent twee en een halve duijm30) breet, lang; en hare lighamen waren naar advenand31) dunder, dan de groote Alen. Vorders bestonden de andere in verscheijde grootheden, soo dat de grooste, ontrent vijf duijm breet lang waren. Van dese kleijnste zoort nam ik er verscheijde, die ik in soodanige kleijne tuba (ten deele met water gevult) bragt, dat de selvige maar even daar in konden gaan. Dese Aeltgens voor het vergroot-glas brengende, en het oog latende gaan, op de staart vinne, sag ik met grooter vermaak, als ik ine) mijn leven gedaan hadde, de circulatie van het bloet, ende dat op zoo veele bijsondere plaatze, dat bij aldien ik de kleijne spatief) quam uijt te beelden, het voor de meeste Menschen, niet aannemelijk zoude wesen, en wanneer ik quam te beschouwen, het eijnde vande graat, sag ik, dat seer na bij de samen voeginge van het laaste lid32), veele zeer kleijne Venae te samen storten, en maakten aldaar een grooter Vena, alwaar ik vast stelde33) dat een klap vlies34) was, want aldaar was een wonderlijke en snelle verheffende voortstootinge35), soo danig als of we ons bloet voor onze oogen, in een Arterie zagen voort stooten, ja dese voort stootinge was soo kort agter den anderen36), dat wij met onze mond, soo schielijk niet en enkelde Cilabe, agter den | |||||||
Now in the winter I again dissected Eels, not those which are locked up all winter to be sold very dear in Lent, but those which I was assured had just been caught; and now, in the last days of April, I again examined several Eels in order to get, if possible, greater certainty than hitherto, but however much I observed them, I have not learned anything further than I told you before. +Now when, on the 10th of June, I saw some small boys were busy in our city canals pulling up some aquatic plants out of the water and sought among them some little Eels of different sizes, I ordered them to bring to my house some of the smallest in a pot with water - which they did shortly afterwards - in order that I might examine these little Eels very closely to find whether I could see a little more about the circulation of the blood than I had so far discovered in larger Eels16). The smallest kind they brought to me were about two and a half inches17) long and their bodies were proportionately thinner than those of the large Eels. The others further had different sizes, the biggest being about five inches long. I took several of the smallest kind, which I put in such a small tube (partly filled with water) that they only just fitted into it. When I placed these little Eels before the magnifying glass and fixed my eyes upon the tail-fin, I saw with greater pleasure than I had ever done in my life the circulation of the blood, and this in so many different places and in so small a place that if I were to depict it, it would not be credible for most People. And when I looked at the end of the bone, I saw that very close to the joint of the last vertebra a great many very small Veins met and there made up a larger Vein. In the latter I was sure there was a valve, for there was a curious jerking acceleration of the propulsion there, in such a way as if we saw our blood before our eyes pulsating in an Artery. Nay, these impulses followed so shortly after each other that we cannot pronounce as quickly with our mouth a single Syllable as the acceleration of the | |||||||
anderen konnen uijt spreken37), als de verheffinge vande voortstootinge aldaar geschiede, int kort, dese beschouwinge over treften, alle de wonderlijke en vermakelijke beschouwinge, die mijn oogen oeijt waren te vooren gekomen. Liet ik het oog gaan op de Vinnen, die aant hooft staan, hier was mede een groot vermaak, de loop inde menigvuldige bloet vaaten te sien, en soo ingsgelijks, onder het hooft tusschen de kaakbeenderen38). Vorders beschouwde ik de plaats daar het Hert leijt, en sag aldaar met geen minder verwondering, de snelle beweginge van het Hert, soo met uijt rekkinge, als in krimpinge van het selvige, met welke beweginge het bloet voort gestooten wierde. Sag ik op die roode deelen, die meest alle vissen aan het hooft hebben, en welke deelen in onze Stad koonen39) genaamt werden, welkers beweginge mij wonderlijk voor quama), want ik sag niet alleen hoe twee rijen van dese koonen tegen den anderen36) rondagtig geboogen, maarb) dat der selver eijnden, malkanderen als quamen te raken, en dan weder een weijnig van den anderen gingen, even als of wij ons in beelden, dat een blaes-balk40) op, en toe gaat, kort om ik hadde in dese gesigte meer pleijsier, dan of ik in een groote rariteit camer, met veele bijsondere41) hoornen, schulpen, zee gewassen, enz: hoe kostelijk en raar42) men soo een kabinet zoude mogen noemen, quam te beschouwen. +Ik hebbe in mijn Missive vanden 10e julij 1695.43) geschreven mijne ontdekkinge ontrent de Voorteelinge vande Mijte, zijnde een seer kleijn veragt Dierken, ende dat nogtans seer veel schade toe brengt, om dat het door de groote menigte van Voorteelinge, het Meel, zaaden, vlees, en spek, en voornamentlijk dat gerookt of gedroogt is, en alle gedroogde vrugten, als Vijgen, Rosijnen, Pruijmen, enz: door-eet en deselve laten afteikenenc), en alsoo ik inde na winter verlegen was, om eenige Mijten te hebben, begaf ik mij tot een kruijdenier, daar ik gepelde garst44) nam, om onder die meelagtige stoffe eenige Mijte te ontdekken, die ik ook bequam, thuijs komende sag ik tot mijn verwondering, dat eenige van dese Mijten, van een gans ander maakzel45) waren, als ik tot nog toe hadded) gesien; Want ze | |||||||
pulsation took place there18); briefly, this sight exceeded all the strange and pleasant spectacles that my eyes had ever seen. If I passed my eyes over the Fins near the head, it was also very pleasant to see the circulation of the blood in the numerous blood vessels, and thus also underneath the head, between the jawbones19). I next examined the place where the Heart lies and there I saw with no less wonder the quick movement of the Heart, both its expansion and its contraction, by which movement the blood was thrust forward. When I looked at those red parts which most fishes have on the head and which parts are called cheeks20) in our City, their movement appeared curious to me; for I saw not only how two rows of these cheeks were bent roundishly against each other, but also that their ends touched each other and then again moved apart a little, as if we fancied that a pair of bellows were opening and shutting. Briefly, this sight gave me more pleasure than if I were to see a big cabinet of curiosities, with many different horns, shells, sea-plants, etc., however costly and curious one might call such a cabinet. +In my Letter of the 10th of July 169521) I wrote about my discovery concerning the Generation of the Mite, which is a very small and despicable Animalcule and yet causes very great damage, because through their plentiful Generation they [consume] Flour, seeds, meat, and bacon, especially that which has been smoked or dried, and all dried fruit such as Figs, Raisins, Prunes, etc., and I caused [it] to be delineated. And when towards the end of the winter I needed some Mites, I went to a grocer, where I took some hulled barley22) in order to discover some Mites among this floury material, which I did. When I came home, I saw to my astonishment that some of these Mites were built quite differently from what I had hitherto seen23), for they were somewhat brownish on their backs and their bodies | |||||||
hadden boven op de rugge eenige bruijnigheijt46), en hare lighame waren met zoo lange hairen niet beset, als onze gemeene Mijten47), en het agterlijf was van een andera) maakzel, ze hadden ook agt pooten, en voor nevens het hooft waren twee werktuijgen, die veel dikker zijn danb) de pooten, maar niet half zoo lang, en welke werktuijgen aan der selver eijnden verdeelt waren in vingers gewijse leden, die met nagels als klaeuwen waren versien, waar van een lid, dat wel het dikste was, aan de eene zijde uijt nemende48) kleijne zaags gewijse tanden hadde. Mij is ook welc) te vooren gekomen, dat dese Mijte, haar geseijde werktuijgen, die boven het hooft uijt stekend), de uijterste ledekens vande selvee) in malkanderen voegden49) even op die manier, als of wij onze handen boven onsf) hooft quamen te steken, die te samen vougden, ende de vingeren in een vouden, als of wij door onze armen en handen, het hooft voor ongemak tragten te beschermen50). Soo dat dese Mijten in ons oog, in veel konstiger maakzelg) uijt staken, boven die geene die ik tot nog toe hadde gesien. Vorders sag ik nog een tweede zoort van Mijte, die wel eenig sints na de eerste waren gelijkende, maar als men ze tegens den anderen51) beschouwde, quam men te sien, dat ze van een ander geslagt20), of door vermenginge van bijsondere Mijte52) waren voort gekomen. Dog dese twee soorte van Mijte waren zeer weijnig in getal, bij onze gemeene Mijte53), die ik inde verhaalde meelagtige stoffe quam te zien. Uijt welke ontdekkinge ik in gedagten nam, of dese Mijte niet wel uijt een ander lantschap, mogten af komstig zijn, en dat deselvige meth) de kruijdeniers waren, het zij uijt Frankrijk, Spanjen, Italien, of ook met de Amandelen uijt Barbarije tot ons gevoert werden. | |||||||
were not covered with such long hairs as our common Mites24), and the hind part of the body was differently built; they also had eight legs and in front, near the head, there were two organs which are much thicker dan the legs, but not half as long, which organs were divided at their ends into finger-like parts, provided with nails like claws, one of said parts, which was the thickest, having on one side extremely small serrated teeth. I have also noticed sometimes that these Mites interlocked the end parts of their said organs, which extend above their head, in the same way as if we put our hands above our head, joining them, and knit our fingers together, as if we tried to protect our head against harm with our arms and hands25). So that in our eyes these Mites were much more ingeniously built than those I had seen hitherto. Further I saw Mites of yet a second kind, which indeed somewhat resembled the first kind, but if you compared them with the others you saw that they were of a different kind or had been produced by crossing of different Mites. But these two kinds of Mites were very few in number in comparison with our common Mites, which I saw in the said floury material26). Because of this discovery I considered whether these Mites might not have come from another country and had been introduced here with the groceries either from France, Spain, or Italy or with the Almonds from Barbary. | |||||||
Omme mijn selven eenigsints hier in te voldoen25), liet ik koopen eenige vijgen, en belaste geen andere te nemen, als die geplaast lagen digte aan de duijgen van de ton, ende dat vande slegste zoort. Dese vijgen beschouwende sag ik, dat op eenige verscheijde Mijten liepen, en als ik deselve voor het vergroot glas hadde gestelt, oordeelde ik dat die een weijnig waren verschillende in maakzel van haar lighame, als zijnde een weijnig ronder, en korter als onze Mijte bij mij voor desen af geteikent54). Ik opende onder andere een vijg, die in mijn oog goet en smakelijk was, en ik sag inde zelvige loopen eenige honderde van Mijte, die de binnen deelen van de vijg als door wandelde, zoo dat we int eeten van vijge, onwetende eenige duijsende van levende Dierkens, na onze maag konnen zenden. +Ik hebbe voor desen geseijt55), dat ik veel devoiren7) hadde aangewent, omme de plant uijt een zaatge van een vijg te ontdekken, dog dat ik sulks niet en hadde konnen te weeg brengen, om dat het mij toe scheen, dat de vijgen als ze geplukt werden, om in tonnens gepakt en versonden te werden, haar volkome rijpte niet en hebben. In dit na speuren vande Mijte, oordeelde ik dat zekere vijg, die mij inde hand quam rijp geplukt was, dierhalven nam ik voor veel zaaden van deze vijg te ontledigen, en ik haalde uit veele vande selvige, na dat ik de harde schors hadde ontstukken gesnede ofte verbrooke, de volkome56) pit, ofte kern, uijt de harde schorsa), ende als ik dan het vlies vande pit ofte kern, hadde geopent, ende de stoffe waar in de jonge plant lag, hadde gescheijde sag ik de volkome plant, bestaande uijt twee bladeren, ende dat deel dat tot de Wortel, ende stam sal werden57). Ik hebbe ook goetb) gedagt de jonge plant uijt zoodanige kleijne zaadc), die we weten, dat in een groote menigte in een Vijg zijn, te laten afteijkenen, omdat ik wel hebbe hooren seggen, dat men van veel Vijgen te eeten Luijsen in zijn maag krijgt, en andere daar onder een Man van naam schrijftd), dat men van overvloedig eeten van Vijgen Luijsen krijgt. Moeten we niet laggen, als ons zulke onnosele verzierzelen58) te vooren komen, en een besluijt maken59), dat dit seggen, alleen maar | |||||||
In order to get some certainty about this, I caused some figs to be bought and ordered that none should be taken but those that lay close to the staves of the barrel, and of the worst kind. When I examined these figs, I saw that on some of them several Mites were creeping, and when I had placed these before the magnifying glass, I judged them to be somewhat different in the build of their body, being somewhat rounder and shorter than our Mites, as previously drawn by me27). I opened one of the figs, which looked good and savoury to me, and in it I saw some hundreds of Mites creeping about, which were traversing the inner parts of the fig, so that when we eat figs, we may unwittingly be sending some thousands of living Animalcules to our stomach. +I have said before28) that I had taken much trouble to discover the plant from a seed of a fig, but that I had not been able to do so because it seemed to me that when the figs are picked to be barrelled and dispatched, they are not yet perfectly ripe. During this search for Mites I judged that a certain fig that came to my hand had been picked when ripe. I therefore decided to dissect many seeds of this fig and, after having cut or broken the shell, I got out of many of them the full-grown pip or kernel from the shell; and when I had then opened the membrane of the pip or kernel and had separated from it the substance in which the young plant lay, I saw the plant in its essential configuration, consisting of two leaves and the part that is to develop into the Root and the stem29). I also thought fit to have a drawing made of the young plant from such a small seed, of which we know there are a large number in a Fig, because I have sometimes heard it said that by eating many Figs one gets Lice in one's stomach, and others, among them a Man of some reputation, write that one gets Lice from eating large quantities of Figs. Must not we laugh when we hear such silly stories, and draw the | |||||||
spruijtende is, uijt de menigte van zaatgens waar mede een Vijg is beladen, en welke deeltgens de duijsenste Mensch niet en weet60) dat het zaade sijn, ena) nog minder, dat zoo een volmaaktheijt in ijder zaad verborgen is, of in zig draagt, waarmede een gantsche Vijgeboom is begaaft. Laten we dan ons inbeelden, dat ze61) de zaatgens die inde Vijg zijn, om haar kleijnheijt vergelijken bij Luijsen, en daar om in haar hersenen vormen, de Vijgen konnen luijsen doen groeyen. +Fig: 1. ABC. vertoont de pit of kern, die genomen is uijt de harde schorsb), die we met menigte in een Vijg komen te zien62). Met AB. werd aan gewesen dat deel vande pit of kern, daar door het vande streng is groot gemaakt, en vast geweest63). Dat deel nu dat tot de wortel, en stam zal werden, leijt gestrekt van A. na C. ende de bladeren vande selve jonge plant, leggen van C. na B. IJder vande geseijde zaatgens inde Vijg, leggen vanden anderen36) gescheijden, ende als omwonden van een Menbrane, zoo dat we in onze gedagtenc) moeten nemen, dat ijder zaad, zoo als het inde Vijg is leggende, twee strengen heeft, waar door het werd groot gemaakt, als64), eene streng die de harde schors voet, en een ander, die de pit voet. +Fig: 2: DEFG. vertoont de jonge plant uijt een Vijg zaatge genomen, waar aan met EFG. werd aangewesen der selver twee bladeren, ende GDE. is dat deel dat tot de Wortel en stam zal werden. Men moet zig niet inbeelden, dat dese jonge plant de geheele pit, of kern komt uijt te maken, maar gedenken, dat de jonge plant, (de menbrane vande pit aan een zijde gestelt) voor een gedeelte leijt omvangen, in een stoffe daaruijt de jonge plant, zoo lang zijn voetzel en grootmakinge ontfangt, tot dat de wortel zoo veel voetzel, en grootmakinge heeft bekomen, dat het uijt de aarde kan bestaan, over een komende met de Mannelijke Dierkens inde Eijeren van het gevogelte, ofte de grootmakinge vande Dieren inde Baar-moeders, als voor desen te meer malen is+ geseijt. Want de gantsche spatie fig: 2. FDG. is beset met de verhaalde stoffe65). | |||||||
conclusion that this saying merely springs from the abundance of seeds which a Fig contains, which particles not one Man in a thousand knows [to be] seeds, and even less that in each seed is hidden or contained the perfection with which a whole Fig tree is endowed. We probably have to assume that such people compare the seeds in the Fig to Lice because of their smallness, and thus take it into their heads that Figs cause lice to grow. +Fig. 1. ABC represents the pith or kernel that has been taken out of the shell, of which we see a great many in a Fig30). By AB is denoted that part of the pip or kernel where it was attached to and received its nourishment from the strand31). Now that part which is to become the root and the stem extends from A to C, and the leaves of this young plant extend from C to B. The said seeds in the Fig are separated from each other and wrapped in a Membrane, so that we must conceive that each seed, such as it lies in the Fig, has two strands through which it is nourished, to wit one string nourishing the shell and another feeding the pip32). +Fig. 2. DEFG represents the young plant taken out of a Fig seed, EFG denoting its two leaves and GDE being the part that is to become the Root and the stem. One must not imagine that this young plant makes up the whole pip or kernel, but one should conceive that the young plant (apart from the membrane of the pip) is partly surrounded by a substance from which the young plant receives its food and growth until the root has received so much food and growth that it can subsist on the earth, in a similar way to the Male Animalcules in the Eggs of birds or the growth of Animals in the Womb, as has often been said before. For the whole space+ FDG in Fig. 2 is filled with the said substance33). | |||||||
Als we nu met opmerkinge66) beschouwen het vlies, het welke de pit omvangt, zoo zien we niet alleen een groote menigte van zeer kleijne vaaten, maar we zien ook een onbedenkelijke67) menigte van puttgens inde zelvigea), int kort, zoo we konden in dringen in alle de geheijmen, die daar in beslooten leggen, wat zouden we al komen te zien, want zekerlijk in dit plantge is al beslooten68), waar mede een Vijge-Boom is begaaft69). Als ik eenige vande verhaalde zaatgens, eenige uren int water hadde geleijt, en dan die quam te ontledigen, konde ik zoo in dat deel dat de wortel zal werden, als ook inde bladerkens, een groote menigte van vaaten, met haar afschutsels70) bekennen, dog zoo ras en was de vogtigheijt niet weg gewasemt, of de vaaten waren onsigbaar71). +Fig: 3. HIK. vertoont een zoodanigen plant, als met fig: 2. is aan gewesen,+ alleen met dit onderscheijt, dat gelijk72) fig: 2. zoo is afgeteikent, dat men de bladerkens op zij quam te zien, waardoor men de breete van de bladeren niet en+ heeft konnen bekennen, soo is de plant fig: 3. zoo voor het Vergroot-glas gestelt, dat men de breete vande bladeren, die de jonge plant heeft, komt te sien. +Als ik gevergt werd, omme mijne stellinge ontrent de Voorteelinge der Dieren uijt de Mannelijke zaaden op te lossen73), dat mij veel malen te vooren komt, van Heeren die mij komen besoeken, soo werd mij doorgaans74) te gemoet gevoert, waar toe zoo veel Dierkens in een kleijne quantiteit zaadb), na de maal (zeggen ze) datter niet te vergeefs en is geschapen. Op welke tegen werpinge, ik veel maal kome te seggen, en haar aanwijs op de menig vuldige zaaden, waar mede een Boom is beladen, als voor desen mede geseijt. Als we nu zien, dat een gemene Vijg, verzien is, met tusschenc) de vier en vijf hondert zaden75), ende dat jaarlijks ijder boom veel Vijgen kan voort brengen, ende dat uit ijderd) volwassene zaatge uijt een Vijg, een gantsche boom kan voortkomen, en bij gevolg dan, een lantschap dat met Vijge boomen is beplant, zoo veel zaaden in een jaar, zoude konnen voortbrengen, dat men daar mede niet alleen een konink-rijk, maar der gantschen Aerd bodem met Vijge boomen zoude konnen | |||||||
If we now look attentively at the membrane which surrounds the pith, we see not only a large number of very small vessels, but we also see an inconceivably large number of pits therein; briefly, if we could penetrate into all the secrets wrapped therein, what should we not see? For it is certain that this little plant contains everything with which a Fig Tree is endowed34). When I had laid some of the said seeds for a few hours in water and then dissected them, I could discern in the part that was to become the root as well as in the leaves a great many vessels with their partitions, but no sooner had the moisture evaporated but the vessels were invisible35). +Fig. 3. HIK. represents a plant of the same kind as shown in Fig. 2, with the only difference that whilst Fig. 2 has been drawn in such a way that the leaves were seen sideways, in consequence of which the breadth of the leaves could not be+ seen, in Fig. 3 the plant was placed before the Magnifying glass in such a way that the breadth of the leaves of the young plant can be seen. +When I am urged to explain my thesis concerning the Generation of Animals from the Male seeds, which is often done by Gentlemen who come to visit me, they always make the objection: why so many Animalcules in a small quantity of seed, since (as they say) nothing has been created in vain. To this objection I often answer by pointing to the numerous seeds with which a Tree is laden, as also mentioned heretofore. If we now see that a common Fig contains between four and five hundred seeds36) and that every tree can annually produce many Figs, and that from each full-grown seed from a Fig a whole tree can grow, so that a country planted with Fig trees might produce so many seeds in one year that we could plant not only one kingdom, but the whole surface of the Earth with Fig trees, and that this happens | |||||||
beplanten76), ende dat dit niet alleen plaats heeft inde Vijge boom, maar in meer andere boomen. Soo dunkt me onder verbetering, dat we niet meer en behoeven te vragen, waarom zoo veel Dierkens inde Mannelijke Zaaden sijn geschapena). We dienen de hand op de mond te leggen77), en denken de Alwijsheijt heeft tot Voortplantinge van al wat een beweginge78), en wasdom heeft ontvangen, sulks noodig geagt, en dus de waar om, alleen maar bij gissing, en voor ons onnaspuerlijk. +Alsoo ik onder het eeten van Aerdbeijenb), mijn oog liet gaan, op alle de stippels, die wij op een Aerdbeije komen te zien, stelde ik vast33), dat ijder deeltge een zaad was, omme mijn selven daar inne te voldoen25), nam ik een vande grooste en rijpste Aerdbeije, waar van ik veele zaatgens, die ik in af doen van der selver vlies, waar in ze om wonden lagen, vernam79), dat ijder zaatge medec) een streng hadde, waardoor het gevoed wierde80). Ik opende veele zaatgens haar harde schors, en sag dat ijder verzien was, met die stoffe die we een pit noemen. Dese pit, van desselfs om leggende vlies gescheijde hebbende, nam ik daar uijt de plant, die ik mede hebbe laten afteijkenen, op dat men zoude komen te zien, hoe veel zaaden wij wel te gelijk na onze maag zenden, als we maar een lepel met Aerd-beijen eeten, want als ik een vande grooste Aerd-beijen, in vier deelen van een snede, zoo heb ik in een vierde deel vijftig zaaden getelt, en bij gevolg dan, was zoodanigen Aerd-beij, met twee hondert zaaden verzien, en een Aerd-beij, die minder in groote was, oordeelde ik dat hondert en twintig zaaden hadde81). +Fig: 4. ABCDE. vertoont de plant uijt het zaad van een Aerd-beij. ABC. is dat deel dat tot de wortel zal worden, ende CDEA. zijn de twee bladeren; leggende doorgaansd) seer net82) op malkanderen, maar alsoo deselvige | |||||||
not only with the Fig tree, but in other trees as well, it seems to me, subject to correction, that we need no longer ask why so many Animalcules have been created in the Male Seeds37). We ought to lay our hand on our mouth38) and to think that the Omniscient has considered this necessary for the Procreation of all that has been endowed with motion and growth, so that we can only guess at the reason, which is incomprehensible to us. +When, as I was eating Strawberries, I passed my eyes over all the dots we see on a Strawberry, I was sure that each particle was a seed. To obtain certainty about this, I took one of the biggest and ripest Strawberries, and with many seeds, when I had removed the membrane in which they were wrapped, I found that each of the seeds also had a strand, through which it was nourished39). I opened the shell of many seeds and saw that each of them contained the substance we call pip. When I had separated this pip from its enwrapping membrane, I took out of it the plant, which I also caused to be delineated in order that one might see how many seeds we send together to our stomach when we eat only one spoonful of Strawberries; for when I cut up one of the biggest Strawberries into four parts, I counted fifty seeds in one fourth, and consequently such a Strawberry contained two hundred seeds, and I judged that another Strawberry, which was not so large, contained one hundred and twenty seeds40). +Fig. 4. ABCDE. represents the plant from the seed of a Strawberry. ABC. is the part that is to become the root, and CDEA. are the two leaves, | |||||||
int uijt nemen, wat van een geschoven waren, heb ik den Teijkenaar die zoo belast te volgen83)a), op dat men des te beter de twee bladeren soude komen te zien84). Als we nu gedenken, dat een op nieuw jonge plant Aerd-beijb) (want ik heb noijt gehoort, dat men Aerd-beijen zaeijt) in een jaar verscheijde spranken over de aarde uijt spreijt, die doorgaans in goede aarde weder wortelen schieten, ende tot planten op wassen, diec) alle dat volgende jaar vrugten dragen, ende dat daar benevens ijder plant, veel Aerd-beijen komt voort te brengen, en ijder Aerd-beij zoo veel saaden, als hier vooren is geseijt, zoo moeten we al weder over de Voorteelinge vande geseijde planten, en menigvuldige zaadend), de hand op de mond leggen77), en verstomd staan85). Wanneer ik eenige aanmerkelijke zaaken aan kleijne schepselen kome te zien, zoo is meest doorgaans86) mijn doen, dat ik mij begeef tot de grooter schepsels, die eenigzints met de kleijne zijn over een komende. +Als ik eenige jaren geleden87) mij in beelde te zien, dat de zeer dunne hairtgens, die de vliegen, in zeer groote menigte aan het uijterste vande pooten hebben, en welke hairtgens bije) verscheijde88) zijn af gebeeld, en door welke hairtgens def) vliegen bij de gladde stoffe, als tegen het glas weten op te loopen, datg) ijder van zoo danige hairtgens, nog versien waren met haaks gewijse deelen, om door deh) laaste werktuijge des te beter op het glas vast te sitten, en welke haaks gewijse deeltgens aan ijder hairtge, ik niet hebbe konnen zien dat bij andere zijn aan geroert89). Omme mijnei) na sporinge te vervolgen, zijn mij in gedagten gekomen (hoe wel deselvige geen reden tot de vliegen of diergelijke schepzels hebben90)) de groote zee kreeften, die zoo ik onderrigt werde, aan de zee klippen op de kusten van Noorwegen gevangen werden, en zoo nu als dan tot ons wel te koop werden | |||||||
which always lie very exactly one on top of the other, but as they had been somewhat pushed apart as I took the plant out, I ordered the Draughtsman to delineate them thus, in order that one might see the two leaves the better41). If we now bear in mind that a new young Strawberry plant (for I have never heard that Strawberries are sown) in one year spreads several runners over the earth, which always strike root again in good soil and grow up into plants, all of which bear fruit the next year, and that moreover each plant produces many Strawberries and each Strawberry as many seeds as has been said above, we must again lay our hand on our mouth and be amazed at the Multiplication of the said plants and the large number of seeds42). When I note certain remarkable things on small creatures, it is usually my practice to have a look at bigger creatures which are somewhat similar to the smaller ones. +Thus, some years ago43) I imagined I saw that each of the very thin little hairs which flies have in large numbers at the end of their legs, which hairs have been delineated by several people and by means of which hairs flies manage to run up against smooth material, such as glass, was also furnished with hooked parts, by means of which latter organs they could adhere the better to the glass and which hooked parts on each hair I have not found mentioned by others. To pursue my enquiry, I thought of examining the big lobsters (although these cannot be compared with flies or similar creatures), which I am informed are caught on the rocks on the coasts of Norway and are sold among us now and | |||||||
gebragt91), en welke kreeften hare pooten met veel hairen zijn beset92), om te zien, hoe deze hairen, en voornamentlijk die aan de agtera) pooten zijn, om dat die pooten geen vingers, of kleijne nijpers hebben om te vatten, gelijk de andere pooten, en alleen ijder maar verzien is met een regt uijt staande klaeuwtge, en vorders met zeer veele korte hairtgens. Dese hairtgens voor het vergrootglas brengende, sag ik met verwondering, hoe veele hairtgens verzien waren met twee rijen van een menigte tants gewijse deeltgens, die in nette ordre93) nevens den anderen36) stonden, even als of wij ons in beelden, dat ijder hoek94) vande rugge van een mes, met tantgens was bewerkt95). Ik hebbe een geruijme tijd geleden, zoo een hairtge laten afteijkenen, op dat men zoude komen te sien, hoe wonderlijk de toe stel96) van zoo een hairtge is, op dat beeld ik mij in, de kreeft als hij tegen de steen klippen komt op te loopen, | |||||||
then44), the legs of which lobsters are covered with many hairs, in order to see how these hairs, and especially those on the posterior legs, are built, because these legs have no fingers or small pincers for catching hold of things, as do the other legs, each of them only being furnished with a little claw standing straight forward and further with a great many short hairs. When I placed these little hairs before the magnifying glass I saw with astonishment that many little hairs were furnished with two rows of numerous serrations neatly arranged side by side, as if we imagined that each edge of the back of a knife was wrought with small teeth45). A considerable time ago I caused such a little hair to be delineated in order that one might see how curious is the structure of such a little hair; I imagine this is in | |||||||
doora) de menigvuldige tants gewijse deelen, zijne pooten niet en zoude uijt glippen97). +Fig: 5. MNOPQR. vertoont een voor verhaalt hairtge, met de verhaalde tants gewijse deeltgens, en welk hairtge men op de eene zijde komt te zien, zijnde de tants gewijse deelen int midden langst, en loopende van Q. na P. ende ook van Q. na R. hoe langer hoe kleijnder. +Fig: 6. ST. vertoont maar een gedeelte van een verhaalt hairtge, aan het welke beijde de rije tanden, waar mede ik geseijt hebbe dat ijder hairtge is versien, werd aangewesen. Ik zoude UE. Hoog Ed: geboore Heere wel eerder op der zelver zeer aangename schrijvens geantwoort hebbenb), was mijn voor nemen niet geweest, de Alen een en meer malen te ontledigen, als mede om een afdruksel vande verhaalde figuuren, daar nevens te senden. en zal onder des blijven
Hoog Edele geboore Heeren.
| |||||||
order that the legs of the lobster should not slip when it runs up against the rocks, because of the numerous serrated parts46). +Fig. 5. MNOPQR. shows one of the aforesaid little hairs with the serrations, which little hair is seen on one side, the serratious being longest in the middle and growing steadily shorter from Q. to P. and also from Q. to R. +Fig. 6. ST. shows only a part of such a little hair, on which are to be seen both rows of teeth with which I have said each little hair is furnished. Dear Sirs, I should have answered Your very welcome letters sooner if I had not intended to dissect the Eels several times and also to enclose a print of the said figures; meanwhile I remain,
Very Honourable Sirs,
|
|