De werken van Vondel. Deel 2. 1620-1627
(1929)–Joost van den Vondel|
Regelnummers proza laten
vervallen | |
[p. 300] | |
[De Helden Godes]
Clementia van den Vondel
Zuster van Joost van den Vondel, naar de schilderij van Nicolaas Elias | |
[p. 301] | |
DE HELDEN GODES WORDT HIER AFGEDRUKT volgens de eerste uitgave: T'Amsteldam, Voor Dirck Pietersz. Boeckverkooper op't Water / inde witte Persse / recht over de Korenmerckt. Anno 1620. (Bibliographie van Vondels werken Nr. 99). Onmiddelik onder de woorden ‘en poeetelijck verklaert’ volgen de korte tietels van de werken in dezelfde bundel afgedrukt. Zie verder hiervoor blz. 74. De prenten zijn ontworpen of getekend door Crispijn van den Broeck, en gegraveerd door Johan Saedeler. Zie op de eerste prent (blz. 316) Crispine Inventor: Crispijn ontwerper (vergelijk op de prent van Melchisedech, blz. 326, de beginletters CVB) en Johan Saedeler fe' = Johan Saedeler heeft 't uitgevoerd (gegraveerd); fe' = fecit. Op vele prenten staat noch ontwerper (tekenaar) noch graveerder aangegeven; mogelik zijn ze niet alle van dezelfde kunstenaar. Alleen de afbeelding van Seth, blz. 320, draagt 'n jaartal: 1574. Crispijn van den Broeck (op z'n Latijn Paludanus) is uit 'n kunstenaarsgeslacht geboren in Mechelen 1524; hij was schilder, graveerder en houtsnijder, en bekend als historieschilder. Veel Bijbelse voorstellingen heeft ie getekend, meestal voor graveurs. Hij stierf waarschijnlik in Antwerpen, omtrent 1590. Johan Saedeler bekend graveerder, ook uit 'n kunstenaarsgeslacht, is 1550 in Brussel geboren. Hij heeft veel gewerkt in Duitsland en Italië vooral in Rome, en is in 1610 in Venetië gestorven. In de tietel: Met kunstige beeldenissen vertoont: in kunstige platen uitgebeeld; poeetelijck verklaert: op dichterlike manier (in verzen) beschreven. | |
[p. 302] | |
| |
[p. 303] | |
Aende Ouwdvaderen, Priesteren, Koningen, Propheten, en Helden.
| |
[p. 304] | |
Den Wyzen Geleerden en welervaren Heer Iohan Fonteyn, der Artznyen Doctor, en Liefhebber van alle goede Kunsten en Wetenschappen.*1 Al is het zo dat de mensche zich met recht bedroeven moet, en schaem-1 2 rood zijn aenzicht ter aerden slaen, wanneer hy aenmerckt, hoe vele zwack-2 3 heden hy in dit leven onderworpen is, zo datmen met recht, voor zo veel3 4 het lichaem aengaet, alle onvernuftighe dieren magh geluckiger achten,4 5 en boven hem stellen: nochtans aenziende hoe God almachtigh zo veler- 6 hande zaden, wortelen, kruyden en andere dingen laet opwassen om zijn 7 gebreecken wegh te nemen, en zijn wonden te zalven, zoo kan hy wederom7 8 moed scheppen, en zich billyck in zyn ellende troosten, gemerckt hy8 9 noch raed voor zijne qualen vind. En evenwel of de Nature jaerlijcx zo9-10 10 veel nutte spruyten uyt haren schoot en boezem te voorschijn brenght, 11 zo waer deze troost noch ydel, indien God de eeuwen niet doorgaens11 12 zegende met kloecke en verstandige Genezers, die de zieckten kennen12 13 en onderscheyden, en de heylzame artznye den krancken bequamelyck13-14 14 toepassen: De ouwde heydenen hebben dit, hoewel niet in zijn rechte | |
[p. 305] | |
15 mate, erkend, wanneer zy Kercken bouwden, en als Goden eerden den15 16 genen die in deze hemelsche kunst uytmuntigh en den quynenden troost-16 17 lyck waren: gelyck zy onder andere AEsculapius als een God hebben17 18 aengeroepen, die zelf te Roome zijnen Tempel hadde, en van wie gezeght18 19 word dat hy de bleecke schimmen ter hellen uyt dede komen. Indien wy19 20 hedensdaeghs oock tot die blinde afgoderije geneyght waren, wy zouden 21 lichtelijck mede in dat gebreck vervallen: want onze eeuwe is zoo onge- 22 luckigh niet of wy zyn gezegent met uytnemende verstanden die in deze22 23 Goddelycke wetenschap uytsteecken. en zoo het ons als den Griecken 24 geoorlooft waer de waerheyd met verzierde sproocxkens te bewimpelen,24 25 en onder de schorsse van gedichte fabulen te verbergen; wy zouden25 26 mogen voortbrengen, hoe in Holland ontrent den Amstel een Fonteyn26 27 gevonden word die door hare springhaderen zo heylzame druppelen27 28 uytwerpt dat ontallijcke krancken dieze smaekten haer verloren gezond-28 29 heyd weder gevonden hebben. Wat dit gezeyd is kan een yder licht29 30 vaten die den raed gebruyckt en de hulpe genoten heeft van uwe E. die30 31 deze loflycke Stad een Fonteyn van heylzaeme artznye verstreckt, en die31 32 billyck mooght gerekent worden onder het getal van die gene daer de32-33 33 geleerde Tomas Garzon af getuyght, che per invidia de' loro nomi da se33 34 stessi chiari, e famosi, più che non sono i raggi di Febo à mezo giorno. | |
[p. 306] | |
35 Zoo dat wy overwegende de ontfangen diensten en weldaden ons licht35 36 aen uwe E. zouden vergrypen, ten ware dat wy God erkenden te wezen36 37 de eerste oorzaeck en borne vande welcke alle goede gifte, ende alle37 38 volmaeckte gave is afdalende: die oock de sterflycke menschen als werck- 39 tuygen tot zijns naems eere bezight: waerom wy dan naest de Alder-39 40 hooghste met recht de zulcke om der kunsten wille in haer behoorlycke40 41 mate eeren, en in weerden houden. Het welck my oock veroorzaeckt41 42 deze myn Helden Godes uwe E. op te dragen: waer toe mijn Zangeresse 43 gantsch geneyght is, overmids uwe E. de dichtkunst met een lieflyck43 44 gemoed omhelst, oock zomtyds uyt lust oeffent: zoo dat uwe E. zeer44 45 gevoegelyck evenaert met de voortreffelijcke Erotimus daer de hoogh-45 46 dravende Heer Torquato Tasso in het elfde gezangh van zijn Gierusa-46 47 lemme liberata, aldus zinght: Zich tot's gequetsten troost met vlijt gebruycken liet:49
50
Die van het heylzaem nat, van planten, en van kruyden
't Gebruyck verstond, en wist elcx krachten te beduyden,51
En had de gunste noch der Musen op zyn zy':
Doch met de minder eer vernoeght was van artzny.53
De quynende hy den Dood alleenlyck zocht t'ontschaecken,54
55
En veler namen hy onsterffelyck kost maecken.55
| |
[p. 307] | |
56 Ontfanght dan jonstige en konstige Fonteyn zulcx als ons de Hemelsche56 57 Fonteynader gejont heeft, en blyft zoo genegen om de krancke lichamen 58 op te helpen, als zy wel ernstigh aenhouden om uwe hulpmiddelen te58 59 genieten, en leeft langer als wy wenschen dorven. - 't Amstelredam 60 den 11. van Sprokelle 1620.60
Uwe E. en A. dienstschuldige*
I.V. VONDELEN. | |
[p. 308] | |
Aenden opmerckenden en verstandigen Leser.1 Die een quaed voorschrift nabootzende wat goeds waent te maken,1 2 is verre verdoolt. Een goed leerlingh moet dan noodwendigh op een2 3 goed voorbeeld steroogen. Zo gaet het in menschelijcke kunsten, en3 4 wetenschappen: zoo oock in heylige, en Goddelycke oeffeningen. Hier4 5 zyn voor al goede voorgangers van noode om geen slimme gangen te5 6 gaen. De alderbeste, en veylighste zijn schriftuurlycke, en zulcke die de6 7 heylige Geest heeft doorluchtigh gemaeckt: 't welck zijn de Heyligen7 8 des ouwden en nieuwen verbonds. Die van 't ouwde verbond brengen 9 wy hier, als op het tooneel, voor eerst te voorschyn. Geen ware God-9 10 geleerde zal ons hierom met donckere wynbrouwen stuyrs aenzien: want10 11 wy doen effen het zelfde dat de Godgeleerde schryver tot den Hebreen11 12 al over lange dede, als hy [aenmerckende dat al wat voorhenen geschreven12 13 ons tot leeringe naegelaeten was] de Vaderen des ouwden verbonds 14 optelde, en haer heerlijcke daden elck in 't byzonder den geloovigen14 15 Christenen op het rycxste voor oogen schilderde, en als een goed huys-15 16 heere niet alleen nieuw, maer oock ouwd uyt zijn trezoor voortbracht.16 | |
[p. 309] | |
17 Hier over was hy zoo weynigh te berispen als Christus zijn Meester, die 18 hem op dusdanige wyze was voorgegaen. Wilmen ons voorwerpen, dat18 19 men de voorbeelden des ouwden en nieuwen verbonds met onderscheyd 20 moet aenmercken: dat wy de Heyligen, die voor, en onder de wet leefden,20 21 moeten naevolgen alleen in 't gene daer in zy ons als naevolghlycke voor- 22 beelden zijn naegelaeten: zulckx staen wy toe, en dit heeft oock de gedachte22 23 schryver omzichtigh aengemerckt, als eener die wel verstond, dat de wet23 24 door Moses gegeven, maer genade en waerheyd door Iesus Christus 25 geworden was: dat de wet de schaduwe van toekomende goederen, en25 26 niet het beeld der dingen zelve behelsde. Hier most gewisselijck op ge-26 27 past zijn. Die dat niet dede zoude lichtelijck een mengelmoes vande wet, 28 en het Euangelie maecken, en een verboden Mosaïsche, met een geoor-28-29 29 loofde Christelijcke Godsdienst te zamen smelten. Nu in Christus dood29 30 het voorhanghsel des Tempels gescheurt is, weten wy dat de donckere 31 schaduwen des wets voor het licht van d'Euangelische waerheyd wyc- 32 ken moeten: dat de vergaderinge der geloovigen niet alleen te Ierusalem,32 33 maer aen alle oorden der weereld heylige handen tot God magh opheffen.33 34 Christus des wets eynde jont alle dingen een ander aengezicht. In hem34 35 is het ouwde vergaen, en het is al nieuw geworden. Zie ick den eersten 36 aerdschen Adam gevallen, ick gedenck aen den anderen hemelschen, die36 37 door zijn volkomen en onbevleckte gerechtigheyd den gevallen mensche, 38 volgens zijn gedane belofte, wederom heeft opgerecht. Zie ick Abraham 39 al bestorven het mes trecken om zijnen eenigen Isaac te offeren: my39 | |
[p. 310] | |
40 schiet in den zin hoe God de Vader de weereld alzo lief gehad heeft dat40-41 41 hy zynen eenigen Zone gaf tot den smadelycken dood des kruysses, en 42 ick verwonder my beyde over Gods vaderlijcke liefde tot het menschelijck42-43 43 geslacht, en Iesus kinderlycke gehoorzaemheyd neffens zynen Hemel- 44 schen Vader. Verneem ick hoe Ioseph in Egypten op den throon der 45 eeren zit, om gedurende de gezegende oeghsten te voorzien tegen d'aen-45 46 staende onvruchtbaere tyden: zo word ick gedachtigh hoe Christus ter 47 rechterhand zyns Vaders zittende is verheerlyckt, en tot een hoofd der 48 gemeenten gezalft, om te waecken over zyn strydende Kercke. Leyd de48 49 ouwde Wetgever, Moses Israël uyt Pharoos slavernye: Christus, de nieuwe 50 Wetgever, voert zijn volck uyt der zonden dienstbaerheyd, en het geweld50 51 des duyvels. Gaet Aäron in het alderheylighste wieroocken: Christus51 52 onze waerachtige Hoogepriester, niet door bocken of kalveren maer door 53 zyn eygen bloed, offert hem zelven zijnen Vader tot eenen zoeten reuck,53 54 en verschynt voor ons inden Hemel voor het aenschyn van Gods onver-54 55 draeghlycke Majesteyt. Zoo de Israëliten haer van Iosua, Gedeon, Samson,55-56 56 en andere, als van hare Verlossers roemen: wy beroemen ons vanden Hey- 57 land aller menschen, het welck Iesus Christus is. Keert David al bebloed,57 58 en zegenrijck met roof overladen vanden slagh der kinderen Ammon:58 59 Christus onze geestelijcke Koningh met het kruysse overwonnen hebben- 60 de, vaert met veel heerlijcker tropheen de poorten in van het nieuwe60 61 Ierusalem, en word gewillekomt van veel duyzendmael duyzend Engelen,61 62 en Hemelsche Heyrscharen. Verwonderen haer de Israëliten over Salo- 63 mons wijsheyd, en heerlijckheyd: Christus de wijsheyd Gods heeft 64 schoonder luyster, en zijn Glori, en Majesteyt verdonckert de eere van 65 Davids naezaet. Hebben de Ioden veel Propheten tot onderwyzers, en 66 leermeesters: wy luysteren nae eenen grooten Propheet, en Leeraer die | |
[p. 311] | |
67 ons vanden Vader uyt de wolcken bevolen word te hooren, en op wiens67 68 breyn de driemael heylige Geest, als een zuyver Duyfken heeft gerust, 69 doen zich den Hemel opende. Wederom vermaent my Abel tot oprech-69 70 tigheyd: Melchisedech tot rechtveerdigheyd: Loth tot gastvryheyd:70 71 Abraham, en Isaac tot gehoorzaemheyd: Iacob tot ootmoed: Ioseph tot 72 kuyscheyd: Moses tot zachtmoedigheyd en getrouwigheyd: Iosua, en 73 Caleb tot standvastigheyd: David tot vuyrigheyd en danckbaerheyd: 74 Salomon tot Godzaligheyd: Micha tot vromigheyd: Hiob tot geduld:74 75 Tobias tot Godvruchtigheyd &c. Hebben deze Goddelijcke Helden en75 76 Hemelsche fackelen eenige deughden met malkanderen gemeen, gelijck76 77 zy doen: zy zijn oock door d'een of d'ander deugd vanden anderen onder-77 78 scheyden. Elck in 't byzonder munt in yet wat byzonders uyt: gelijck 79 kostelijcke steenen, peerlen, en diamanten, die, alhoewelze te zamen 80 dierbaer, en van uytnemende weerde zijn, nochtans ergens in, door80 81 zekere schoonheyd, verwe, glans, of maecxsel onderscheyden worden,81 82 en gelijck de sterren in 't voorhoofd des blinckenden hemels, die, schoon82 83 zy te gader licht en helder zijn, nochtans in glans en klaerheyd oock83 84 in grootheyd verschillen. Hier hebdy de Vaderen uyt wiens lendenen84 85 zo doorluchtige stammen gesproten zijn, en die op de Goddelijcke 86 beloften gesteunt hebben. Hier ziedy de Priesteren die God nae zijn 87 eeuwige wijsheyd, als met zijn hand, gekleed en geçiert heeft. Hier aen- 88 schouwdy de Helden wien God zelf het mes heeft op de zyde gegord,88 89 en die met haer vromigheyd ons tot den geestelijcken strijd opwecken.89 90 Hier proncken de Koningen die met balsem overstort het hayr met gulde90 | |
[p. 312] | |
91 Kroonen deckten, en met de rechterhand de bepeerelde Rijcxstaven91 92 zwaeyden: en hier hoordy de Propheten, door wiens mond de Geest 93 des Heeren heeft getrompettet de komste vande beloofde Messias. Dit93 94 zijn de Koningen, Priesteren, Heyligen, en Propheten die met gereckten 95 halze hebben uytgezien, en verlanght nae den grooten Zalighmaecker 96 des menschelijcken geslachts. Dit zijn de lichtende tortzen die van het96 97 waerachtige licht getuyghden, het welck verlichten zoude al die inde97 98 duysternisse, en schaduwe des doods zaten. Zy al te zamen verstrecken98 99 ons een groote wolcke van getuygen. Het Geloove draeght moed op99 100 deze overwinners die zoo geluckigh onder haer baniere gekampthebben.100 101 De een is om zijn Godbehaegelijcke offerhande zijns broeders roof ge-101 102 worden, en heeft zijn bloed onnoozel en onschuldig uytstortende, den102 103 Hemel de wraecke bevolen. De ander heeft in een Godlooze Stad, onder103 104 een Godvergeten volck zoo met zynen wandel gelicht, dat hy alleen met104 105 zijn twee dochters weerdigh is geacht Gods vlammende toorne te ont- 106 gaen, en vande Engelen uyt den brand geruckt te worden. De een heeft106 107 God vertrouwende een gewillige ballingschap aengenomen, en zijn 108 eenigh weerdste pand niet ontzien den Heere op te offeren. de ander108 109 in zijn bloeijende ieughd wilde zich niet ontzuyveren met zijns heeren109 110 beddegenoot, al was het datze hem met haer uytnemende schoonheyd, 111 en smeeckende woorden daer toe vleyde en aenlockte. De een heeft111 112 een weeldigh paleys, en prachtigh hof, en het goud vande Egyptische 113 Kroonen, en Troonen versmaed, en zijn dagen pynelijck inde woestyne 114 met veel ongemacx onder een halstarrigh volck gesleten. De ander114 115 heeft, alsser veel duyzenden wantrouwden, op Gods toegezeyde be- 116 loften onwanckelbaer gesteunt, en eer door het vertrouwen als door | |
[p. 313] | |
117 het zweerd machtige en geweldige Koninghrijcken verovert, en Israel 118 den buyt vande verbannen Heydenen uytgedeylt. en zoo voortgaende118 119 van persoon tot persoon zouden wy ten lesten blyven staen als voor119-120 120 het voorhooft geslagen, aenmerckende wat het geloove al in deze Helden 121 gewrocht heeft. Maer het zal ons genoegh zijn dat wy eenige hebben 122 aengeroert op dat de Lezer mercke wat nuttigheyd het toebrenght 123 wanneermen met aendacht overweeght het leven der Heyligen: het 124 welck als eenen stock is zeer gedienstigh den genen die als pelgrims124 125 nae het nieuwe Ierusalem wandelen: een heylzame artznye voor alle 126 flaeuwigheyd des gemoeds: eenen spiegel om der zielen vlecken te126 127 kennen: eenen onfeylbaren weghwyzer in alle onwegen van des wee-127 128 relds doolhof: eenen vermaeckelijcken lusthof voor den inwendigen 129 mensch: een verquickende springende borne voor heylgeerige herten:129 130 een schole voor de onervarene: een licht voor alle blinden. Lijd ymand130 131 onschuldigh: hy trooste zich met Abel. Waerschouwt ymand te ver-131 132 geefs: hy gedencke aen Noah. Woont ymand onder de Godlooze: hy 133 lichte met zijn leven als Lot. Is ymand vremdelingh: hy verzel zich by133 134 Abraham. Word ymand vande geblanckette Wellust aengelockt: hy134 135 houde zich aen Iosephs schouwderen. Verlaet ymand noode dees aerd-135 136 sche glori, en verganghlijcke schatten: hy lette op Moses voorbeeld. 137 Drucken u ellenden en rampspoen: zijt geduldigh als Hiob. Vervolgen 138 u dienaers van afgoden, en Tyrannen: blijft getrouw als Daniel &c. Ziet138 139 eens hoe groote rijckdommen, en dierbare kleynodien hier schuylen. Op139 140 dat wy ons dan te beter zouden mogen spiegelen in het leven vande uyt- 141 stekenste schriftuurlijcke Heyligen des ouwden Verbonds, zoo hebben141 142 wy haer aller wandel kort in rymen begrepen, en ons zelven zoo ver-142-143 | |
[p. 314] | |
143 maeckelijck als stichtelijck geoeffent: en om zulcx te bequamer voor te143 144 stellen, deden wy haer, als ofze zelve leefden, spreken per prosopopoeiam,144-145 145 of personeringhs wyze. Datze haer zomtijds in een derde persoon laten 146 hooren, geschied om eenige aengename veranderingh by te brengen. 147 Laet ons dit niet euvel afgenomen worden. Gebruycken wy oock zom-147 148 tijds eenige geoorloofde dertelheyd of poeetsche vryheyd: rekent ons 149 zulcx niet tot zonde. Het welck geschiedende, Lezer, en zoo wy vernemen 150 dat u onze geringe arbeyd gevalt, zullen veroorzaeckt zijn d'een150 151 of d'ander tijd de Helden des Nieuwen Verbonds aen151 152 den dagh te brengen. Vaert wel. | |
[p. 315] | |
Klinckert.Och of't geoorlooft waer te danssen met de Reijen
Der heyl'ge Zielen die der Hemellieden spoor2
Naevolgen, en God lof toejuychen in het Koor3
Des hoogen Hemels wijd van droefheyd afgescheijen:
5
Hoe zou de Geest van't lijf ontslagen gaen verbreijen5
Des Alderhooghsten roem, en met een held're stem
Hem zingen inde Kerck van't nieu Ierusalem,7
En volgen met zijn keel der Engelen schalmeijen:8
Maer overmids ick hier noch vremdelingh bene'en9
10
Moet zuchten, eer ick magh het Heylighdom betre'en
Dat onze Hooghpriester heeft geopent voor ons allen:11
Zoo offer ick u, Heer, der gener wandel, die
Ick in't gewijd pampier uws Geests uytmunten zie:13
Laet u den leegen toon uws Dichters doch gevallen.14
Door een is't nu voldaen.* |
|

