Maerlant's werken, beschouwd als spiegel van de dertiende eeuw
(1892)–Jan te Winkel[p. 313] | |
Zevende hoofdstuk.
| |
[p. 314] | |
deert haar toch zeker als middel en aarzelt niet zich van haar te bedienen, ook dan wanneer hij haar de hulde weigert, waarop zij als vorstin aanspraak mag maken. Zonder haar is de kunst een ijdel klanken- of kleurenspel, alleen voor kleine of groote kinderen genietbaar; met haar als kern is de kunst daarentegen de bekoorlijkste en tegelijk voedzaamste vrucht aan den boom des levens. Geen wonder dan ook, dat de edelste kunsten in de middeleeuwen geacht werden tot de wetenschappen te behooren, terwijl de minder edele kunsten tot de handwerken werden gerekend. Aan de menschenliefde biedt alleen zij de gelegenheid aan, om zich in al haren omvang en al hare aantrekkelijkheid en veelzijdigheid te openbaren. Door haar leert men begrijpen, wat goede zeden zijn, en op welke wijze men zich in de maatschappij moet gedragen. Aan haar dankte de godsdienst voorheen zijnen invloed, toen zijne verkondigers nog tegelijk de voornaamste beoefenaars der wetenschap waren; en zoo vaak de godsdienst haar ontrouw werd, was het ook met zijnen invloed gedaan. Bij den aanvang der middeleeuwen gingen godsdienst en wetenschap nog hand aan hand, en dat was ook natuurlijk. In den Romeinschen keizertijd had het nog jeugdig Christendom zijn grootsten vijand gezien in de heidensche wetenschap, die hare verwantschap met den heidenschen godsdienst niet verloochende, en, wanneer zij dezen niet verdedigde, juist door de wijsgeeren werd aangewend om allen godsdienst te bestrijden. Hare beoefening werd in dien tijd terecht door de Christenen gevaarlijk geacht. Toch was hare macht zóó groot, dat de ontwikkeldste mannen der Christelijke kerk begrepen, haar tot bondgenoote tegen het heidendom te moeten maken, en zoo werd allengs meer en meer hare hulp ingeroepen. Zij trad in dienst van 't Christendom, maar moest nu als dienares natuurlijk de livrei van haren vorst dragen. Tegenover de heidensche werd eene Christelijke wetenschap gesteld, en toen de laatste de eerste had overwonnen, toen er geen gevaar van de heidensche wetenschap meer was te duchten, toen was de tijd aangebroken, waarop weder eene zelfstandige beoefening der wetenschap mogelijk had kunnen zijn. Toch vindt men daarvan nog slechts flauwe sporen, en ook dat is niet vreemd. Niet alleen toch was men gewoon geraakt haar als dienares van den godsdienst te | |
[p. 315] | |
beschouwen, maar bovendien was zij bijna uitsluitend het eigendom geworden der geestelijken, die haar natuurlijk niet anders dan met het oog op den godsdienst konden beoefenen, zoodat eigenlijk alle wetenschapppen voor onderdeelen van de ééne groote wetenschap, die van den godsdienst, werden gehouden(1). Iedere poging, die zij deed om hare zelfstandigheid terug te erlangen, werd door de kerk met geweld tegengegaan, en vandaar de in de middeleeuwen algemeen verspreide meening, dat alle kennis, die niet diende tot verheerlijking van de Kerk en den godsdienst, uit den duivel was. Daar nu niet ieder leek in staat was de schadelijke van de nuttige wetenschap te onderscheiden, moest zij, terwijl zij het volk met bewondering vervulde, wel te gelijk een zeker ontzag, ja zelfs eene geheimzinnige vrees inboezemen. Ook tegenwoordig nog wordt menigeen door eene kille huivering, een gevoel van angst bevangen, wanneer zich de wetenschap aan hem niet meer als dienares, maar in al haren luister als vorstin vertoont, en boezemt hare inderdaad zegenrijke macht aan zwakken en bekrompenen eene zekere vrees in, als dreigde er van haar een geheimzinnig gevaar, dat men wel voor zich zelven, maar niet voor anderen door het teeken des kruises kan afwenden. In de middeleeuwen, toen het algemeen nog minder vertrouwd met haar was, en zij hoofdzakelijk in afzondering werd beoefend, kon het dus wel niet anders, of de wetenschappelijke mannen moesten vaak, vooral wanneer hunne vroomheid niet boven alle bedenking verheven was, voor toovenaars of duivelskunstenaars worden gehouden, die eene, voor anderen verborgen, kennis van den duivel hadden verkregen. Zelfs al rustte de verdenking van omgang met den | |
[p. 316] | |
duivel niet op hen, dan nog waren zij in 't oog van 't volk niet zoozeer wijze, als wel verwonderlijke, onbegrijpelijke personen, heele of halve toovenaars. De geleerdste man van zijnen tijd, Gerbert (Paus Silvester II), ging voor toovenaar door, en in de dertiende eeuw kreeg Albertus Magnus dien naam ten gevolge van zijne uitgebreide kennis, vooral op het gebied der natuur. Vooral de gedaantewisseling, die de voorstelling van Virgilius in de middeleeuwen onderging, strekt daarvan tot een sprekend bewijs(1). Nadat de groote poëet in den Romeinschen keizertijd reeds spoedig het orakel der taalgeleerden was geworden om dat de geheele middeleeuwen door te blijven, begon men, zelfs nog vóór de eigenlijke middeleeuwen, zijne gedichten ook als de bron van alle wijsheid te beschouwen en er dieperen zin in te zoeken, dan er in gelegd was. Een Servius gaf reeds eenige allegorische verklaringen van Virgiliaansche versregels, maar Lactantius was, naar 't schijnt, de eerste, die in Virgilius eenen profeet van het Christendom ontdekte, in wiens vierde, aan Pollio opgedragen Ecloga het optreden van Christus in allegorischen vorm zou voorspeld zijn. Constantijn de Groote steunde in eene redevoering op eene kerkvergadering die ontdekking met zijn gezag, en sinds dien tijd gold bij menigeen de knaap, met wiens geboorte volgens die Ecloga de gouden eeuw zou aanbreken, voor Christus, de maagd (de godin der gerechtigheid), die met dien gulden tijd op aarde zou wederkeeren, voor Maria. Aan Virgilius werd, evenals aan Sibylla, eene plaats ingeruimd naast David en Jesaia, tot in de liturgie der kerstviering toe. Losse verzen en versbrokken uit de Virgiliaansche gedichten werden in de vierde eeuw door Proba Faltonio, Marius Victorinus, en later ook door anderen, zóó geschikt, dat in de | |
[p. 317] | |
dusgevormde centones de geschiedenis van het groote mysterie des Christendoms werd verhaald of verheerlijkt; maar niemand zeker ging verder dan een Carthaagsch taalgeleerde van omstreeks 500, Fabius Planciades Fulgentius, die in zijne Virgiliana continentia achtereenvolgens de geheele Aeneis als allegorie van het Christendom verklaarde. Natuurlijk traden er ook tegenstanders van die allegorische verklaringsproeven op, en daaronder niemand minder dan St-Hieronymus. Het strekt Maerlant's nuchter verstand zeker tot eer, dat hij diens bestrijding liever vermeldde, dan in te stemmen met de voorstanders van Virgilius' zienerschap. Wij vinden namelijk in zijnen Spiegel Historiael: ‘Sulke willen seggen ende leeren,
Dat hi voersprac die coemst ons Heren
Ende een deel van siere doet:
Jheronimus wederseget albloet’(1).
Toch loopt ook hij hoog met Virgilius: ‘Die wijste van allen poeten
So es Virgilius geheeten,’
zegt hij Vincentius na(2), en dat vond zeker in de middeleeuwen wel geene tegenspraak. Hoe hoog Dante hem stelde, is algemeen bekend. Hij noemt hem ‘famoso saggio’(3) en ‘Degli altri poeti onore e lume(4),
Di cui la fama encor nel mondo dura
E durerà quanto 'l moto lontana’(5),
terwijl hij elders tot hem zegt: ‘Tu se'lo mio Maestro e'l mio autore’(6).
| |
[p. 318] | |
Dante stelt in zijn geheele dichtwerk Virgilius voor als den betrouwbaarsten leidsman in alle wereldsche zaken, als de verpersoonlijkte Rede, en daarom maakte hij dan ook, wat bij zijne neiging tot allegoriseeren niet bevreemden kan, gretig gebruik van de voorstelling zijner tijdgenooten, die in Virgilius den profeet van het Christendom zagen. De Rede immers was, meenden de groote wijsgeeren der middeleeuwen en Dante met hen, op zich zelf reeds in staat een vaag denkbeeld te geven van de Christelijke waarheid nog vóór die door Gods openbaring volkomen bekend en aan den eindpaal van den weg der contemplatie volkomen begrepen wordt. Vandaar dan ook, dat Dante, wanneer hij den dichter Statius in het vagevuur met Virgilius in aanraking brengt, den eerste een paar versregels uit de als profetie opgevatte Ecloga doet aanhalen, en hem terstond daarop dankbaar doet uitroepen: ‘Per te poeta fui, per te Cristiano’(1).
Bij de verheven voorstelling, die Dante van Virgilius heeft, zou het weinig gepast hebben, indien hij hem niet slechts als wijze en profeet, maar ook nog als magus en toovenaar had voorgesteld. Dat echter was Virgilius in Dante's tijd in de voorstelling van het volk, zelfs van vele geletterden. Sinds reeds in de tweede eeuw de sortes of virgae Virgilianae (men lette op de woordspeling), op staafjes geschreven versregels van Virgilius, getrokken en als orakels beschouwd werden, had de volksoverlevering den dichter meer en meer tot eenen wichelaar gemaakt en waren allerlei verhalen aangaande zijne tooverkunst en de door hem vervaardigde magische voorwerpen in omloop gekomen. In de twaalfde eeuw schijnen die verhalen het eerst in de letterkunde op te treden. Wij vinden ze vermeld door Koenraad van Querfurt, den stadhouder van Keizer Hendrik VI te Napels, in eenen brief van 1194 aan den bestuurder van het klooster van Hildesheim, en door eenen hoogleeraar van Bologna, Gervasius Tilberiensis, in zijne Otia imperialia, in 1212 aan Keizer Otto IV opgedragen. Zijn tijdgenoot Helinand nam ook eenige verhalen in zijn Chronicon op, en daaruit nam Vincentius ze over, zoodat | |
[p. 319] | |
wij ze ook in Maerlant's Spiegel Historiael aantreffen(1), maar niet zonder een herhaald tusschengevoegd ‘men seghet’ als blijk van eenigen twijfel, en ook niet zonder een spoor van, trouwens nog vrij onbeholpen, critiek. Na Maerlant's tijd zouden die verhalen nog belangrijk uitgebreid en in afzonderlijke bundels verspreid worden, in ons land nog sinds de zestiende eeuw door een later herhaaldelijk herdrukt volksboek(2). Men ziet, terwijl het volk de heidensche wijsheid met eene geheimzinnige huivering, met vreesachtig ontzag beschouwde, en in haren woordvoerder eenen magus en toovenaar zag, maakten de geletterde Christenen zich van haar meester en zagen in haren vertolker eenen Christen, al kónden zij dat dan ook niet anders doen dan bij anticipatie en door hem tot profeet te verheffen. Heidensche wijsheid toch kon alleen onder de vlag van den Christelijken godsdienst binnengevoerd worden en vandaar dan ook, dat in de middeleeuwen over het algemeen de mannen der wetenschap de vaan van den godsdienst zoo hoog mogelijk ophieven, ten einde zich gerust en veilig aan hunne studiën te kunnen wijden, er van verzekerd, dat de wetenschap eene alles beheerschende macht bleef, ook al droeg zij het gewaad eener dienstmaagd, en er bovendien niet aan twijfelende, of om godsdienstige en zedelijke gezindheid moest het iedereen in de eerste plaats te doen zijn. Zoo stond dan in de dertiende eeuw de wetenschap nog altijd onder de voogdij der Kerk en moest zij hoofdzakelijk dienen om zedelijkheid in te prenten en daardoor vroomheid en godzaligheid te bevorderen. Dat het nog gedurende verscheidene eeuwen zoo bleef, bewijst de eerste regel van het distichon boven den ingang van het Amsterdamsch gymnasium: ‘Arte probus, probitate pius, pietate beatus.’
| |
[p. 320] | |
De wetenschap moest men beoefenen om deugdzaam, de deugd om vroom, de vroomheid om gelukkig te worden, meende men in de middeleeuwen, en vandaar dat de wetenschap in dien tijd, zonder nog juist het hoofddoel der studie te zijn, ijverige beoefenaars vond. Velen, en onder hen ook Maerlant, waren er van overtuigd, dat het verbreiden van kennis, wanneer het slechts met vromen zin geschiedde, de menschen beter en godsdienstiger zou maken. Bovendien begon men in de dertiende eeuw meer en meer in te zien, dat kennis macht was, en dat hij, die kennis bezat, daardoor reeds eene zekere mate van onafhankelijkheid had verworven tegenover de geestelijken, wier bijstand hij nu niet meer in alles noodig had, en tegenover de groote heeren, op wie hij nu een zekeren invloed kon verkrijgen. Men zag vaak den zoon van een' smid of wever door zijne kennis tot de hoogste ambten en bedieningen opklimmen, en den arme, die goed onderwezen was, zich onmisbaar maken bij den rijke, of de beste middelen uitvinden om zelf rijk te worden. Vooral in een land als Vlaanderen, waar onder de fiere poorters der rijke handelssteden vrijheidszin en onafhankelijkheidszucht zoo groot was en de uitgebreide handelsbetrekkingen zooveel degelijke kennis vereischten, moest de begeerte naar kennis wel aanhoudend toenemen. Wij zien dan ook in de twaalfde en dertiende eeuw een merkwaardigen vooruitgang op het gebied van 't onderwijs, en een algemeen streven, om overal scholen op te richten, waar men, dikwijls zelfs kosteloos, het beste kon leeren, wat er in dien tijd te leeren viel. Waren het in vroeger tijd voornamelijk de kloosterscholen, waar onderwijs werd gegeven, sedert de twaalfde eeuw begonnen ook de vorsten en zelfs de stedelijke regeeringen de belangen van het onderwijs te behartigen, terwijl ook op andere wijzen de vorsten zich beijverden den bloei der wetenschap te bevorderen. Weinigen waren er, die den raad niet opvolgden, door Maerlant als woordvoerder van den geheelen burgerstand aan den jongen vorst gegeven, voor wien hij zijne Heimlicheit der Heimlicheden schreef: ‘In die steden van dire mogenthede
Mac scolen, ende doe leren mede
Die kinder van dinen lande.
Sijn si arem, vulle hen die hande,
| |
[p. 321] | |
Doe hen hovesceit ende ere,
Dat elc te williker lere.
Hierbi soutu die clerke wecken,
Dat si dine ere uptrecken,
Ende si breden dinen name
In worden ende in geesten bequame.
Clergie eert een conincrike
Ende heren hof sere edellike.
Wie verhief wilen so scone
In die werelt die Griexe crone?
Daerna Rome? nu Vrancrike?
Clergie deet al sekerlike;
Want ridderscap ward nie verheven,
Clergie ne moester raet toe gheven.’(1)
Zoowel het hooger als het lager onderwijs beveelt Maerlant met die woorden in de bescherming van den vorst aan. Laat ons zien hoe het daarmee in de dertiende eeuw was gesteld. Naast de kloosterscholen, waar door monniken en geestelijke zusters onderwijs werd gegeven aan leerlingen, die uitsluitend voor kloosterling of wereldlijk geestelijke werden opgeleid, bestonden in de dertiende eeuw ook talrijke parochiescholen, waarvan vele vermoedelijk reeds lang vóór die eeuw waren gesticht, ofschoon voor Noord-Nederland niet vóór het eind der twaalfde eeuw van zulk eene school melding wordt gemaakt, namelijk van de parochieschool te Westerende bij Appingedam, waarvan de beroemde Emo, later abt van Wittewierum, eenmaal de bestuurder was(2). Haar naam reeds toont, dat zij met de kerk eenige betrekking moeten gehad hebben: zij behoorden tot eene kerkelijke gemeente en zullen dus wel bepaald onder toezicht van den parochiepriester gestaan hebben. Toch waren zij van de kloosterscholen in karakter onderscheiden. Zij hadden een meer burgerlijk karakter, daar zij niet uitsluitend voor den geestelijken stand opleidden en dikwijls van de wereldlijke macht afhankelijk waren. In de Nederlanden ten minste(3) waren er | |
[p. 322] | |
bovendien vele gesticht door de graven, die er daarom het patronaatsrecht over bleven uitoefenen en op dien grond ook de onderwijzers mochten benoemen. Droegen zij hun patronaatsrecht over aan de stedelijke regeering, zooals Floris V bv. in 1290 met de parochieschool der groote kerk te Dordrecht deed(1), dan werd zulk eene school in zekeren zin eene gemeenteschool, en dat schijnt ook elders wel het geval geweest te zijn. Van het oprichten van zulke scholen door de stedelijke regeering zelf vinden wij voor de Nederlanden in de dertiende eeuw nog geene melding gemaakt, maar wel openbaart zich in dien tijd in vele steden bij het wereldlijk bestuur de zucht om het vrije onderwijs naast en zelfs tegenover het officiëele kerkelijke onderwijs te bevorderen door verlof te geven tot het stichten van vrije scholen of bijscholen. In Engeland had men zulke scholen reeds in de twaalfde eeuw: gedurende de regeering van Hendrik II waren er te Londen behalve drie stadsscholen ook eenige, die door bijzondere personen werden gehouden(2). In verschillende Italiaansche steden, zooals Piacenza en Ferrara, werden in de dertiende eeuw gemeentescholen gesticht; te Milaan waren er zelfs in de tweede helft dier eeuw tachtig schoolmeesters(3). In de Duitsche steden, te Lübeck, Hamburg, Wismar, München, enz., waren in de dertiende eeuw stadsscholen, waar, naar 't schijnt, alleen lezen, schrijven en rekenen mocht onderwezen worden, terwijl men voor eenigszins uitgebreider onderwijs de kapittelscholen moest bezoeken(4). Wij zien daar dus een zeker onderscheid gemaakt tusschen lager en hooger onderwijs, en datzelfde vinden wij ook in de Nederlanden. Reeds in 1192 kreeg in Gent iedereen het recht om eene school op te richten, als hij het wilde en kon(5), maar | |
[p. 323] | |
toch schijnt dat recht niet onbeperkt geweest te zijn en zich misschien niet verder dan tot het lager onderwijs te hebben uitgestrekt, daar de kanunniken der kapittelschool van Ste Pharahilde ook nog in 't vervolg bijzondere voorrechten bleven genieten(1). Een zelfden toestand vinden wij te Yperen. Daar bezat wel iedereen, volgens eene oorkonde van 1253, het recht zijne kinderen in huis te doen onderwijzen, en mocht ook wel iedereen scholen oprichten, maar in die scholen mocht men niet verder gaan, dan tot aan de Disticha van Cato(2). Eene oorkonde van 1289 laat deze bepaling in hoofdzaak bestaan, maar beperkt het vrije onderwijs onder een eenigszins anderen vorm door de grammatica van Donatus op te geven als het leerboek, dat alleen op de kapittelscholen mocht worden gebruikt, en ieder meer uitgebreid onderwijs in de grammatica en logica op de vrije scholen te verbieden(3). Het onderscheid tusschen de twee bepalingen schijnt hierin te bestaan, dat bij de eerste wel het lezen van de Disticha van Cato - het gewone eerste leesboek op de scholen(4) - verboden werd, maar nog niet het bestudeeren der beginselen van de Latijnsche spraakkunst, die aan eerstbeginnenden werd onderwezen volgens den Tractatus de barbarismo en de octo partibus orationis van Donatus, waarbij eene korte grammatica was gevoegd, zoodat het werkje den titel Ars gram- | |
[p. 324] | |
matica droeg, terwijl men volgens de laatste bepaling geen onderwijs hoegenaamd in het Latijn mocht geven. Dat het onderwijs in de zedespreuken van Cato een trapje hooger stond dan het onderricht in de beginselen der spraakkunst, blijkt ook uit hetgeen wij vernemen van de Italiaansche stad Bassano, waar, volgens een onderwijswetje van 1260, de leerling, die Cato hoorde verklaren, een hooger schoolgeld moest betalen dan hij, die niet verder dan Donatus kwam(1). Evenals te Yperen sinds 1289 maakte ook te Brussel die spraakkunst scheiding tusschen de ‘cleine scole’ en de ‘hooghscole’. In de eerste leerde men ‘knechtkene ende meiskene haer clein dinc totten Donaet toe’, in de laatste onderwees men de ‘knechte in gramarien, in musyken ende in goeden seden’, het laatste zeker met behulp van Cato's Disticha. Zoo lezen wij ten minste in de belangrijke keur, die Jan III van Brabant den 28sten October 1320 aan Brussel gaf(2), maar waaruit tevens een teruggang in onderwijszaken blijkt. Immers wij vernemen daaruit, dat er ‘langhen tijt discoort ende beclachte’ was geweest ‘tusschen onse kerke ende den scolaster van Brussel op deen side ende den poerters onser stad van Brussel in dander side’, omdat zoovele ‘clercken hemselven maecten scolen te regeerne sonder recht ende ordinancie’, zoodat de hertog, ‘cleerlijc geinformeert, dat dat vander cleinder scolen ende menichvuldicheit van den selven niet alleene was jegen onse voorseide kerke ende scolasterie ende jegen der kindre profijt ende oorboir, maer oec jegen onse heerlicheit ende patroenscap’, verbood, ‘dat voortmeer niement, wie hi si, sonder oirlof des vors. scolasters oft des oversten rectors van Bruessele hem pine te leerene’. De vrije scholen werden dus opgeheven; maar opdat het niet aan gelegenheid zou ontbreken om onderwijs te genieten, gelastte de hertog, dat de scholaster ‘viere ondermeesters zetten sou binnen onser stad van Bruessele ende den vijfsten te Molenbeke, omme de knechtkene, ende viere onderrectoirs ofte | |
[p. 325] | |
onderrectoiressen, omme de meiskene getrouwelec te leerne’, waarbij tevens bepaald werd, dat jongens en meisjes niet meer als vroeger op dezelfde school mochten gaan. De belangrijkheid van die keur bestaat ook hierin, dat er ook van lager onderwijs aan meisjes in gesproken wordt als van iets zeer gewoons, en dat wij dus niet licht te denken hebben aan onderwijs in het Latijn, maar eer aan een soort van onderwijs, zooals dat ook nu nog op de lagere school wordt gegeven, namelijk in de hoofdregelen der rekenkunde, waarvan de kennis voor aanstaande groothandelaars onmisbaar was, in het lezen, met behulp van abécédariën, zooals wij ze uit lateren tijd overhebben, en in het schrijven van de moedertaal. Het eenig rechtstreeksch bewijs, dat de moedertaal op de scholen reeds in de dertiende eeuw werd onderwezen, levert ons Melis Stoke, die van Graaf Floris V vertelt, dat men hem in zijne jeugd ‘dede ter scolen gaen,
Walsch ende Dietsch leren wel’(1).
Zeker bewezen ook daarbij de Disticha van Cato hunnen dienst, maar dan in eene Dietsche vertaling, zooals wij er eene bezitten(2) van het ‘Bouc, dattie clercken lesen
Alsi eerst ter scolen gaen’(3).
Dat die vertaling reeds in de dertiende eeuw bestond en dus vermoedelijk ook toen reeds op de scholen gebruikt werd, weten wij van Maerlant zelf, die zegt: Van dien tijd dan moet de onderscheiding in lager onderwijs zonder en hooger onderwijs met Latijn dagteekenen, die tot in onzen tijd toe wordt gemaakt. | |
[p. 326] | |
Dat hooger onderwijs werd in de middeleeuwen voortaan meer bepaald gegeven op de kapittel- en kathedraalscholen, en ofschoon deze reeds van ouden datum waren, nam haar getal in 't bijzonder in de dertiende eeuw belangrijk toe, daar Paus Innocentius III, in navolging van Alexander III, op het Lateraansch concilie van 1215 liet besluiten, dat bij alle kapittelkerken magisters zouden worden aangesteld om gratis les in de grammatica en andere wetenschappen te geven, en bij alle kathedraalkerken een theoloog om priesters en lagere geestelijken in de Heilige Schrift te onderwijzen(1). Terwijl de kanunniken het toezicht over die scholen hadden, stond de keus van de scholasters aan hen, ofschoon ook veelal aan den landsheer, die echter meestal den schoolbestuurder op voordracht van het kapittel benoemde. Beroemde domscholen in de Nederlanden waren in de middeleeuwen die van Utrecht en van Luik. Kapittelscholen waren er in de Noordelijke Nederlanden omstreeks dertig; en ook in Vlaanderen waren er verscheidene. Yperen bezat er eerst drie, ieder onder een eigen rector, die door de kanunniken van St-Maarten werden benoemd(2). Die kanunniken bezaten, zooals wij reeds zagen, het recht om bij uitsluiting van ieder ander in Yperen hooger onderwijs te geven, en dat recht werd, naar 't schijnt op verlangen der stedelijke regeering tegen den zin van een deel der burgerij, in 1252 door Paus Innocentius IV bevestigd(3). Sinds 1289 werd het getal der kapittelscholen te Yperen van drie op twee verminderd, zoodat er toen alleen de scholen van St-Maarten en St-Pieter bestonden(4). Te Gent bloeide de kapittelschool van Ste-Pharahilde sinds overouden tijd. Zij was in zooverre eene staatsschool, als de graaf het recht had den rector te benoemen, welk recht hij echter aan de kanunniken afstond, op voorwaarde dat de rector zich jaarlijks door den graaf | |
[p. 327] | |
plechtig in zijn ambt liet bevestigen(1). Daar het onderwijs op die scholen in den geheelen omvang der zeven vrije kunsten bestond, was voor den scholaster of diens plaatsvervanger, den rector, meestal de titel van magister artium een vereischte. Dien graad had hij zich dan verworven aan eene der hoogescholen, en, wat de Vlaamsche meesters in de vrije kunsten aangaat, meestal aan de hoogeschool van Parijs. Van deze hoogeschool zegt Maerlant: ‘Alcuin voer over in eenen boot
Met drien gesellen in Vranckrike,
Daer hi wel ende vriendelike
Vanden coninc was ontfaen.
Sine gesellen, hebbe ic verstaen,
Was Jan die Scotte ende Rabboaen,
Ende Claudius, die sonder waen
Fondeerden die Parijsce scole,
Daer menech wijs wart ende in dole.
Dese vier moenken, bi Karles rade,
Pijnden daer omme vroe ende spade,
Dat si die scole van Rome brochten
Te Parijs, ende si besochten
Dat biden paues ende bi Karles bede.
Noch es soe aldaer ter stede.
Nu quaem soe dus gewaerlike
Van Rome tote Vrankerike,
Ende emmer seitmen dat eere ende zege
Der scolen volghet alle weghe.’(2).
In deze regels gaat Maerlant uit van de meening, dat de, door Karel den Grooten gestichte, schola palatina, waaraan eerst Alcuinus en later Johannes Scotus les gaven, onafgebroken te Parijs zich bevond, doch al ware dat het geval geweest, dan nog zou het niet aangaan in haar den oorsprong der Parijsche hoogeschool te zoeken, en dus evenmin Alcuinus als haren stichter voor te stellen. Met meer recht kon Maerlant hem den grond- | |
[p. 328] | |
vester der beroemde school van Tours noemen, terwijl wij ook bij Hrabanus Maurus niet aan Parijs, maar veeleer aan Fulda, bij Johannes Scotus aan Oxford denken. Tot aan de twaalfde eeuw had men te Parijs, evenals in andere steden, min of meer druk bezochte kapittel- en kloosterscholen. Sinds dien tijd echter werd de kathedraalschool te Parijs door het onderwijs eerst van Willem van Champeaux, later van Abaelardus en eindelijk en vooral van Petrus Lombardus de hoofdzetel der scholastieke theologie. In de twaalfde eeuw werden bovendien langzamerhand de vakken van onderwijs aan die school uitgebreid; zij ontving privilegiën, en omdat ook het promotierecht daartoe behoorde, werd zij nog vóór de dertiende eeuw eene hoogeschool in den tegenwoordigen zin des woords. In de dertiende eeuw werd zij, door de Fransche koningen en inzonderheid door Philips August met belangrijke voorrechten begiftigd, ontegenzeglijk de beroemdste en bezochtste van alle hoogescholen. Vooral de faculteit der theologie, die aan de vermaardheid van het door Robert de Sorbon, kapelaan van Lodewijk IX, gestichte dispuutcollege sinds het midden der dertiende eeuw den naam van de Sorbonne te danken had, vond aang eene enkele hoogeschool hare wedergade. Terecht zegt Le Glay van de Parijsche hoogeschool in de dertiende eeuw: ‘Paris était l'ardent foyer, où devaient aller s'échauffer toutes les intelligences. Nulle part les sciences de l'époque, la philosophie scolastique et la jurisprudence(versta: canonique) n'avaient de plus profonds interprètes, des adeptes plus zélés qu'à l'université de cette ville. Les ténèbres de la barbarie se dissipaient; la civilisation faisait effort pour naître. Un irrésistible besoin de savoir s'était emparé des esprits d'élite et l'on cherchait avec passion la vérité, jusque dans les subtilités de la dialectique, jusque dans les abstractions du droit, jusque dans les spéculations de l'astrologie! Il n'y avait pas longtemps que les saint Bernard, les Abailard, les Pierre de Blois étaient morts; mais leur génie ne l'était pas; il se revifiait chez leurs disciples.(1)’ De beroemdste geleerden der dertiende eeuw hielden te Parijs hunne voorlezingen: Amalricus | |
[p. 329] | |
van Bena, David van Dinant, Willem van St-Amour, Eudes van Douay, Albertus Magnus, Alexander van Hales, Bonaventura, Thomas Aquinas en Duns Scotus. Uit alle landen stroomden de studenten toe om die geleerden te hooren, ook uit de Nederlanden(1), en niet het minst uit Vlaanderen; en wie er als toehoorder was gekomen, bleef er soms als leeraar aan verbonden(2). Zoo was in de eerste jaren der dertiende eeuw Simon van Doornik een der beroemdste dialectici te Parijs(3). Zijn landgenoot, Gilbertus van Doornik, gaf er iets later college over theologie. Toen was reeds overleden de geleerdste Vlaming, die te Parijs hoogleeraar was, Alanus ab Insulis, de doctor universitatis, die in zijne Cyclopaedia Anticlaudiani een overzicht gaf van den omvang der geheele wetenschap zijns tijds. Niet minder roem oogstte Hendrik van Gent als leeraar der theologie te Parijs in. Zelfs werd hij door Innocentius IV in eene bul van 1247, toen hij nog niet veel ouder dan dertig jaar was, met den vereerenden bijnaam van doctor solemnis beschonken(4). Ouder tijdgenoot van hem was Sohier van Kortrijk, die omstreeks 1260 deken der Sorbonne was(5). Gewis genoeg Zuid-Nederlandsche geleerden om ons den indruk te geven, dat de zucht naar kennis zich in dien tijd onder de bevolking der Zuid-Nederlandsche | |
[p. 330] | |
gewesten krachtig geopenbaard moet hebben, en dat Maerlant dus in den geest zijns tijds handelde door op zijne wijze het licht der kennis te verspreiden. Niet alleen te Parijs evenwel werd de wetenschap bijna in haren geheelen omvang beoefend: ook aan andere hoogescholen met meer of minder faculteiten. Te Toulouse was in 1233 eene hoogeschool gesticht, te Montpellier reeds in 1190. Daar bloeide vooral de studie der geneeskunde, terwijl verder de hoogeschool van Orleans, die men vooral bezocht om het burgerlijke en het canonieke recht te leeren, genoeg in aanzien was om zich de gelijke van de Parijsche hoogeschool te kunnen achten(1). Zij trok ook uit de Nederlanden vele studenten(2) en onder deze den beroemden Burchard van Avesnes, die er zelfs professor werd(3). Ook de Engelsche hoogescholen, die van Cambridge en vooral die van Oxford, waar in de dertiende eeuw Roger Baco, de doctor mirabilis († 1294), en Duns Scotus, de doctor subtilis († 1308), hoogleeraar waren, werden door de Nederlandsche studenten bezocht(4). Nu en dan trokken die zelfs naar de Italiaansche hoogescholen: die van Bologna, reeds in 1188 gesticht, de oudste en vermaardste, waar de studie van het recht vooral bloeide door het onderwijs van Azo, Accursius en Odofredus, zoodat ook Maerlant zeide: ‘Die van Bolonien hebben den prijs,
Dat si sijn van loien wijs’(5),
en waar ook de beroemde Thaddaeus leeraar der medicijnen was; die van Salerno, waar vooral de medische studiën bloeiden; | |
[p. 331] | |
die van Padua, gesticht in 1222; die van Vercelli, gesticht in 1228; die van Napels, in 1224 gesticht door Frederik II, enz. Aan al die hoogescholen - in Duitschland bestonden er nog geene - werden in de eerste plaats de zeven vrije kunsten, de artes liberales(1), onderwezen, waarin men den graad van meester kon verwerven. Bekend is het, dat de verdeeling der onderwijsvakken in zeven hoogstwaarschijnlijk 't eerst van Boëthius is uitgegaan, en later voorgoed is ingevoerd door Cassiodorus in zijn werk De artibus ac disciplinis liberalium literarum, door Isidorus van Sevilla in zijne Originum libri viginti en vooral door Martianus Capella in zijne De septem artibus liberalibus libri singulares, welke werken in de middeleeuwen vlijtig werden bestudeerd(2). Die zeven kunsten of wetenschappen nu worden weder in twee groepen verdeeld. De eerste (het trivium) omvat grammatica, rhetorica en logica of dialectica; de tweede (het quadrivium) musica, arithmetica, geometria en astronomia. In het trivium leerde men dus alles wat noodig was om nauwkeurig te schrijven, helder te denken en sierlijk te spreken; in het quadrivium daarentegen alles wat vereischt werd om de dingen in het afgetrokkene als hoeveelheden te beschouwen. De vier wetenschappen | |
[p. 332] | |
van het quadrivium, de muziek niet uitgezonderd, werden geacht alle over getallen te handelen; dat was haar gemeenschappelijk kenmerk. Ofschoon nu in de middeleeuwen gewoonlijk dezelfde wetenschappen, die Cassiodorus, Isidorus en Martianus optellen, voor vrije kunsten werden gehouden, vindt men nu en dan eene daarvan eenigszins afwijkende opgave, bv. bij Jan Boendale, die echter opmerkt: ‘Sulke ooc consteneren
Willense anders termineren;
Maer aldus als ghi nu hoort
Gafse mi mijn meester voort.’(1)
Hij noemt dan de volgende op: ‘Het esser zeven, dat weet wale,
Consten gheheten liberale,
Die edel sijn ende zonderlinghe fijn,
Ende der andre consten vrouwe zijn.
Deerste sijn Gramaria ende Logike,
Daerna Geometrie ende Musike,
Arismetrike ende Astronomie,
Ende die heylighe Theologie.’(2)
Men ziet, dat hier de rhetorica of redekunst wordt weggelaten, en de theologie bijgevoegd, in strijd met de algemeene opvatting. De verwarring sproot denkelijk hieruit voort, dat op sommige domscholen ook theologie werd onderwezen, terwijl spraak- en redekunst zoo nauw verwant zijn, dat zij gemakkelijk voor ééne wetenschap konden worden gehouden. Bij Boendale vinden wij eene niet onaardige bepaling van de zeven kunsten. Van de grammatica zegt hij: ‘Gramarie leert ons spreken
Ende te pointe uut reken
Beide sin ende ooc woort
Ende pointelijc dat zegghen voort,
| |
[p. 333] | |
Te rechte scriven ende spellen,
Te pointe dat voort vertellen.’(1)
Reeds hebben wij gezien, dat in de dertiende eeuw onder grammatica alleen de Latijnsche werd verstaan, welke men leerde aan de hand van Donatus, terwijl de Disticha van Cato het eerste lees- en vertaalboek was. Meergevorderden gebruikten behalve Priscianus, ook het drie eeuwen lang beroemde, in hexameters voor de ‘clericuli novelli’ geschreven Doctrinale van Alexander de Villedieu(2); zij lazen de voornaamste classieke schrijvers en de werken der kerkvaders, en verbonden de studie der rhetorica met die der grammatica. Zoo doende maakten zij kennis met Quinctilianus en de rhetorische werken van Cicero, om nu van andere niet te spreken. Johannes van Salisbury deelt mede, dat bij het onderwijs dichters en prozaschrijvers werden gebruikt. Bij de dichters werden de verzen ontleed, terwijl zoowel constructie als versmaat werd aangetoond. Bij de prozaschrijvers werden de rhetorische figuren opgehelderd en bij beiden werd, door ze van de poëtische of rhetorische sieraden te ontdoen, de zin verklaard. Ook oefende men zich in het grammaticaal schrijven en spreken, dat onder den naam van declinatio bekend was. Ieder, die maar een weinig vlug was, kon volgens deze methode, naar de meening van Johannes van Salisbury, het gewone Latijn gemakkelijk binnen het jaar leeren spreken en schrijven(3). | |
[p. 334] | |
Hoe het met Maerlant's kennis van het Latijn stond, kunnen wij alleen opmaken uit de meerdere of mindere nauwkeurigheid, waarmee hij uit het Latijn vertaalde. Die nauwkeurigheid laat eene enkele maal te wenschen over. Soms heeft hij het Latijn slecht verstaan, ofschoon de schuld misschien niet altijd aan hem lag, maar vaak aan den slechten toestand der handschriften, die hij ten gebruike had. Evenals hij bij het dichten zijner Historie van Troyen blijken gaf, dat hij het Fransch van Bénoit niet altijd goed begreep, zoo vinden wij in dat werk ook proeven van gebrekkige vertaling der Latijnsche bronnen, die hij er mede voor gebruikte. De grappigste is zeker, dat hij den fidus Achates uit de Aeneis voor een' agaatsteen hield, die aan Aeneas tot talisman verstrekte(1). In zijn Alexander vindt men ook bewijzen, dat hij het Latijn niet altijd volkomen goed verstond(2), ofschoon daar toch zijne hoofdfout niet bestaat in gebrekkige grammatische en lexicalische kennis, maar in verkeerde, misschien wat slordige opvatting van de bedoeling en den samenhang der woorden. Ook zijn werk Der Naturen Bloeme levert ons eenige proeven van verkeerde vertaling. Zoo brengt hij bv. de woorden van Thomas Cantimpratensis: ‘procedente tempore ab Egypciis translata est (balsamus) in campo (sic) Babyloniae,’ aldus over: ‘In Egypten wast hi nu scone,
Int pleyn neven Babylone.’(3)
In den Rijmbijbel vertaalde hij livor (buil) met nijt, ofschoon het verband aanwees, dat van eene lichamelijke beleediging werd gesproken(4). Elders spreekt hij te onrechte van spijzen, die jaarlijks aan den koning van Babylon moesten worden opgebracht, daar waarschijnlijk in zijn handschrift der Historia Scolastica het woord victualia in plaats van vectigalia stond, en hij zijne handschriften niet met een critischen blik las(5). Vermeldt de His- | |
[p. 335] | |
toria Scolastica, dat er bijna veertig duizend Galliërs door de Romeinen gedood werden, dan zegt Maerlant juist omgekeerd: ‘In Euergetes tiden verloren
Die Romeynne (dies hadsi toren)
Bi naer XL dusent man,
Daer mense in enen strijd wan.’(1)
Zijne theologie heeft hem parten gespeeld, en hem doen denken aan Jezus' voorbestaan vóór de schepping der wereld, als hij de woorden: ‘Factum est autem cum essent ibi, peperit virgo filium suum primogenitum, non post quem alius, sed ante quem nullus(2)’ aldus overbrengt: ‘Niet dat soe enech hadde daer naer,
Maer voor dien sone, wet voor waer,
So ne wart noit mensche gheboren.’(3)
Spreekt Flavius Josephus van Valerius Gratus(4), dan maakt Comestor daarvan Valerius Graccus(5), terwijl Maerlant, voor Graccus Graecus lezende, Valerius een' Griek noemt(6). Nog andere staaltjes zouden wij uit den Rijmbijbel kunnen aanhalen(7), maar ook de Spiegel Historiael levert verscheidene proeven van verkeerd verstaan van 't Latijn. Deelt Justinus(8) mede, dat Semiramis door haren zoon werd gedood, dan vertaalt Maerlant: ‘Justinus die scrijft al bloot,
Dat soe haren sone sint slouch doot.’(9)
Daar Maerlant niet wist, dat de Romeinsche consuls slechts gedurende één jaar hun ambt bekleedden, hield hij het jaar, dat | |
[p. 336] | |
door Vincentius als het jaar van hun consulaat werd opgegeven, voor het eerste jaar van hun consulaat, en liet hij het duren tot het jaar, waarop Vincentius, die niet alle consuls vermeldt, een nieuwen opgeeft. Daarom beweerde hij dan ook, dat Camillus twaalf, Quinctilius acht en dertig en Papirius zes jaar consul was(1). Het Horatiaansche: ‘Aequam memento rebus in arduis
Servare mentem,’
vertaalt hij met: ‘Effene so drach in dine saken,
Alse du di sies gelucke naken,’(2)
en het ‘Dulce et decorum est pro patria mori,’
met ‘Hets soete ende eerlijc echt,
Dat een sterve up sijn recht.’(3)
Geheel verkeerd heeft hij ook den volgenden raad verstaan: ‘si continentiae studes, habita non amoene, sed salubriter(4),’ blijkens zijne vertaling: ‘Eist, dattu mate houden begaers,
Sie datture also toe vaers,
Dattu hare volges met salicheden,
Niet met uutlikere scoenheden.’(5)
Verkeerd is het ook ‘crudelitas ista pietas est(6),’ te vertalen met: ‘Dits eene wreede goedertierhede.’(7)
Door de woorden: ‘in quadam villa Saxoniae(8)’ te lezen, | |
[p. 337] | |
alsof er Saxonia stond, spreekt Maerlant van een dorp, dat den naam Sassen zou hebben gedragen(1), en door de Digesta van Justinianus op te vatten als gesta vertaalde hij dat woord met Jeesten(2). Ondanks deze staaltjes van misverstaan der Latijnsche woorden, zooals wij er nog meer zouden kunnen aanhalen, hebben wij geene reden om iets af te dingen op den lof, dien de laatste uitgevers van den Spiegel Historiael aan Maerlant als vertaler hebben toegezwaaid. Zij, die overal met Maerlant's Spiegel het oorspronkelijke hebben vergeleken, verklaren, dat hij ‘als tolk van Vincentius eene niet alledaagsche vertrouwdheid met het Latijn aan den dag heeft gelegd’, dat ‘hij voor zijnen tijd inderdaad eene hoogst verdienstelijke overzetting heeft geleverd’, en dat hij vooral te prijzen is, wanneer men zijn werk met dat van Lodewijk van Velthem vergelijkt, daar men dan dubbel wordt genoopt ‘aan de nauwkeurigheid, de degelijke kennis en de onbetwistbare bekwaamheid van Maerlant volle recht te doen wedervaren’(3). Tegenover Velthem wordt hij ook geprezen door den laatsten uitgever van den Alexander, die van hem zegt, dat hij ‘over het geheel met de vreemde taal vrij goed terecht kon, althans eene goede grammatische en lexicalische kennis bezat’, en vooral lof verdient, indien men bedenkt, ‘dat hij nog jong was, toen hij zijn Alexander dichtte en dat hij een werk koos, hetwelk voor het juist begrijpen geen geringe moeielijkheden oplevert’(4). Ook als etymoloog doet Maerlant zich kennen, en ofschoon hij nu en dan voldoende afleidingen en verklaringen van woorden geeft, ontbreekt het bij hem niet aan voorbeelden van slechte, zelfs belachelijke etymologie. Zooals wij in het volgend hoofdstuk nader zullen zien, leidt Maerlant met de meeste middeleeuwsche geleerden Britannië van Brutus, Cornwallis van | |
[p. 338] | |
Corineus af, terwijl hij bij de Franken aan Francio denkt, ofschoon hij elders zegt: ‘Vranc dats in Dietsch vri’(1),
zonder er bij te voegen, in welke taal dan het woord vranc te huis behoort. Die verklaring is trouwens evenmin juist: vranc beteekent fier en is verwant met het Hgd. frech. Men denke slechts aan den bekenden versregel van Ermoldus Nigellus: ‘Francus habet nomen a feritate sua’(2).
Ook den naam Jerusalem leidt Maerlant met vele anderen(3) van een ouden koning met name Jebus af. Hij zegt er van: ‘Jherusalem hiet eerst Jebus;
Melchysedech, wi lesent dus,
Die gaf hem die name Salem;
Doe hiet David Jebusalem.
Sint wart di b. verkeert in hem,
Ende wart ghenant Jerusalem.’(4)
Grappig is de verklaring, die hij van den naam Eva geeft: ‘Dat woort machmen dus bedieden,
Dat soe moeder es van al der lieden.
| |
[p. 339] | |
Alst kint coemt ter werelt uut,
So es des cnapelins eerste luut
A. ende des meiskins E;
Ende dit ne faelgiert nemmermee.’(1)
Van het Grieksche στάδιον levert hij de volgende afleiding: ‘Stadia so hetet bedi
Dat Hercules, die deghen vri,
Also verre liep, eer hi stont
Teenen ademe, dat si u cont.’(2)
Het woord lucius (snoek) verklaart hij door λύϰος (wolf), wat zeker in overeenstemming is met de vraatzucht dier visschen: ‘Lucius dats die heect;
Liber Rerum, dat daer af sprect,
Segt, dat hi dus heet bedi,
Omdat et die waterwolf si.’(3)
In den naam Plato herkent hij blijkbaar πλατύς (breed), wanneer hij zegt: De naam Caesar komt, volgens hem, van caedere (snijden) af, alsof Caesar naar de keizerssnede, en niet omgekeerd de keizerssnede naar hem zou zijn genoemd: ‘Caesar hiet hi, want men waent das,
Dat hi uter moeder gesneden was.’(5)
Om dezelfde reden zegt hij met Solinus en Vincentius, dat Scipio ‘Eerst Cesar gheheten was.’(6)
| |
[p. 340] | |
In navolging van Petrus Comestor(1) zegt hij, dat het woord forum zijnen oorsprong aan koning Foroneus dankt: ‘In dien tiden was Foroneus,
Die de sone was Ynacus;
Hi visierde eerst wet in Griekenlant
Ende vaste koeren, die hi ooc vant,
Dat men den rechtre, wildijt horen,
Alle die saken brochte te voren.
Forum noemde hi die stede,
Daer men de lieden recht up dede.’(2)
Terecht leidt hij den naam der stad Keulen, Colonia Agrippinensis, af van colere (het land bebouwen); maar uit de wijze, waarop hij die afleiding voordraagt, blijkt, dat er te dien opzichte toch nog eene verwarring bij hem heerschte. Zijne woorden zijn: ‘Willem seget in dystorie sine,
Dat Coelne eerst hiet Agrippine
Van Agrippen den Roemhere,
Die te wive wileneere
Des goets Augustus dochter gewan
Entie stat stichten began.
Daerna quam die goede Trayaen,
Ende hevet in die stat ontfaen
Die keysercrone, want men daer coos,
Ende sach die stede volkeloes,
In goeden lande, in goeder lucht,
Up ene riviere groter vlucht,
Ende brochte van Rome man ende vrouwen,
Die dat lant souden bouwen;
Ende want colo bouwen es in Latijn,
Moeste soe Coelne genant sijn.’(3)
Door, evenals Gauthier de Chastillon, den naam der rivier Cydnos in Signus te verbasteren, kwam hij er toe, hem voor hetzelfde als het woord cygnus (zwaan) te houden: | |
[p. 341] | |
‘Doer die stat loept een riviere
Claer ende van goeder maniere,
Die Signus heet na minen waen:
Dat bediet in Dietsce een swaen.
Doer hare witheit, wanic wel,
Heit si swaen ende nygerins om el.’(1)
Evenzoo leidt hij den rivier naam Tigris van het woord tigris (tijger) af: ‘Na die snelheit van desen diere
Es ghenoemt ene riviere,
Die comt uten Paradise,
Want si es van snelre wise;
Dies comt hare die name ane.’(2)
Ten opzichte van den naam der stad Utrecht vinden wij in zijn' Spiegel het volgende: ‘Wiltenborch heit doe die stat,
Omdatter wilen volc in zat,
Hieten die Filten, fel int gevecht.
Die Vranken hietense Wiltrecht;
Dat nu hovenstat heet, weet men wale,
Hiet doe ovedrecht in Walscher tale.
Nu heet men weder ende vort
Utrecht die selve port.’(3)
Terwille van zijne etymologie aarzelt hij dus niet Wilten in Filten te veranderen. Wonderlijk klinkt ons de afleiding, die hij van het woord beest geeft, en die wij wel voor niets anders dan voor eene woordspeling mogen houden. Hij zegt toch: | |
[p. 342] | |
‘Beesten, merct dit wordekijn zaen,
Heetsi, omdat si ons bistaen’(1).
Dit laatste staaltje van etymologie vooral is in den smaak der middeleeuwen, toen men onder woordafleiding nog geheel iets anders verstond, dan men tegenwoordig doet. De meest gevierde etymoloog dier dagen toch, Petrus Helias, die in het midden der 12de eeuw te Parijs onderwijs gaf, definiëerde in zijn Commentum super Priscianum de ‘ethimologia,’ zooals hij het woord spelde, aldus: ‘Est expositio alicujus vocabuli per aliud vocabulum sive unum sive plura magis nota.’ In overeenstemming daarmee verklaarde hij bv. lapides (steenen) als laedentes pedes (voetbezeerders), fenestra (venster) als ferens extra (naar buiten brengend), gladius (zwaard) als gulam dividens (keeldoorsnijdend), cadaver (lijk) als caro data vermibus (vleesch gegeven aan de wormen). Hij breidde dus eenvoudig iedere lettergreep tot een woord uit. Op dezelfde wijze verklaarde ook Uguccio van Pisa, bisschop van Ferrara, in zijn Liber derivationum o.a. het woord presbyter (priester) als praebet suis iter (hij bereidt den zijnen den weg) en Seneca, den naam van den door Nero tot zelfmoord gedoemden wijsgeer, als se necans (zich doodende.) Bij zulke woordverklaringen zijn die van Maerlant nog heilig, en het ontbreekt bij hem ook niet aan spot met den ‘ruden gramarien’(2), die van het woord amor zeide, dat ‘elc letterkijn hout in een woort’, en het verklaarde als Animi Motus Obstans Rationi, of ‘Porringe, die den sin ontiet
Ende tsere trect,’ ten beginne,
‘Entie redene gemoetene pliet,’
zooals ‘sijn meester’ het Martijn ‘ontbant’(3). Zeker is het, dat Maerlant als etymoloog niet beneden zijnen tijd staat, en dat ook in dit opzicht zijne kennis voldoende was, om ons te doen aannemen, dat hij zijne studiën van grammatica en rhetorica niet had verwaarloosd. | |
[p. 343] | |
Aan die studiën sloot zich als derde leervak van het trivium de logica aan, waarvan Boendale zegt: ‘Logike die leert openbare
Dat bescheet tusschen valsch ende ware.’(1)
Als handboek daarvoor gebruikte men, behalve de Isagoge van Porphyrius, voornamelijk de vertaling, die Boëthius van het Organon en andere geschriften van Aristoteles had gemaakt, terwijl bovendien in de dertiende eeuw bij meer uitgebreid onderwijs de andere werken van den Stagiriet, ook in den meer oorspronkelijken vorm, waarin ze uit Constantinopel waren overgekomen, werden bestudeerd. Deze wetenschap was daardoor allengs zoozeer in omvang toegenomen, dat zij - ten minste aan de hoogescholen - al die wetenschappen omvatte, welke nu tot de bespiegelende wijsbegeerte worden gerekend(2). De werken van Plato en de wijsgeerige geschriften van Cicero konden alzoo leerboeken der logica worden genoemd. In werkelijkheid echter waren zij het zelden: immers de gebrekkige kennis, die men van het Grieksch bezat, en het erbarmelijke Latijn, waarin de Grieksche schrijvers zoo onnauwkeurig mogelijk waren vertaald, deden allengs bij velen den lust afnemen, om de werken der classieke schrijvers zelve te bestudeeren. Men begon zich te vergenoegen met de commentaren er op en de verhandelingen er over te lezen. Verder begon op 't eind der twaalfde eeuw een onderdeel der logica, namelijk de dialectica of de kunst van redetwisten, eene zoo hooge vlucht te nemen, | |
[p. 344] | |
dat langzamerhand de logica bijna uitsluitend dialectica werd. Dat was vooral in de dertiende eeuw het geval. Het onderwijs in de logica bestond toen voornamelijk hierin, dat men de kunst leerde om vragen, quodlibeta, over allerlei onderwerpen te stellen, ze te beantwoorden, en dan de onjuistheid der antwoorden aan te toonen of tegen de bedenkingen, die werden ingebracht, zijne eigene oplossing van een vraagstuk te verdedigen(1). Dat Maerlant die kunst van disputeeren verstond en den vorm kende, waarvan men zich in de middeleeuwen bediende, bewijzen zijne drie samenspraken met Martijn. Over het algemeen mag men hem den lof geven, dat hij inderdaad logisch, soms geestig, meestal overtuigend wist te redekavelen, en bovendien dat hij degelijke, soms zelfs practische onderwerpen wist te kiezen; maar toch is ook hij niet geheel vrij van de spitsvondigheid zijner tijdgenooten, bv. in het achtste quodlibet van zijn Eersten Martijn, waarin hij tracht uit te maken, wat wel verantwoordelijk zou zijn voor de begeerlijkheid der menschen, het hart of het oog(2). Dat bij zijn, in den Merlijn ingevoegd, Satansproces Maskaroen de aanleg van het proces valsch is, hebben wij reeds gezien(3), en dat wij hem nu alle praemissen, waarvan hij in zijne quodlibeta uitgaat, niet zouden toegeven, behoeft geen betoog. Verdrong de dialectica in de dertiende eeuw alle andere onderdeelen van de wetenschap der logica, zij was ook de oorzaak, dat toen de beide andere vakken van het trivium werden verwaarloosd. Reeds Johannes van Salisbury, een der degelijkste kenners van de classieke letterkunde, die vóór de humanisten leefden, klaagt op 't eind der twaalfde eeuw in zijn' Metalogicus over het verval der grammaticale studiën, en in de dertiende eeuw werden grammatica en rhetorica zóó haastig en oppervlakkig beoefend, dat zelfs de beste geleerden niet in staat waren zoo goed Latijn te schrijven als Abaelardus en Johannes van Salisbury, ja zelfs de meeste geleerden van den tweeden rang in | |
[p. 345] | |
de twaalfde eeuw hadden gedaan. Aan het overwicht van de logica op grammatica en rhetorica had het trivium den naam van studium logicale te danken, terwijl dan de naam studium naturale aan het quadrivium werd gegeven. Daartoe behoorde in de eerste plaats de muziek, waarvan Boendale zegt: ‘Musike, die leert u voort
Sanc ende al dat daertoe hoort.’(1)
Op hare kennis legden vooral zij zich toe, die geestelijken of kerkzangers wilden worden, daar nog in de dertiende eeuw uitsluitend de kerkmuziek wetenschappelijk werd beoefend. Sinds Guido van Arezzo op dit gebied belangrijke verbeteringen had ingevoerd, werd zijn beroemd werk Micrologus als voornaamste leerboek gebruikt(2). Van de rekenkunde zegt Boendale: ‘Arismetike, dat en is gheen spel,
Leert u rekenen ende tellen wel.’(3)
De beginselen er van zullen ook wel reeds op de lagere scholen zijn onderwezen. De geometrie, volgens Boendale, | |
[p. 346] | |
‘Leert te rechte lant meten,
Ende ooc alrehande mate.’(1)
In den geest van Cassiodorus is zij de wetenschap der onbeweeglijke grootheden en vormen, alzoo hetgeen wij nu onder meetkunde verstaan; maar in de middeleeuwen verstond men er hoofdzakelijk landmeetkunde en zelfs aardrijkskunde en sterrenkunde onder, de laatste voor zoover zij verwant was aan hetgeen wij nu cosmographie noemen. Van de astronomie eindelijk zegt Boendale: ‘Astronomie can leren
Van den firmamente dat keren.
Hoe die sterren houden haer stede,
Hare cracht ende hare virtuut mede.’(2)
Zij hield zich niet bezig met hetgeen wij tegenwoordig onder sterrenkunde verstaan, maar hoofdzakelijk met meteorologie, astrologie en alles wat met deze geheimzinnige wetenschappen in verband stond, zooals de kennis van de tooverkrachten, aan steenen en planten eigen. Dat Maerlant ook in de wetenschappen van het quadrivium ervaren was, zal ons straks blijken, als wij over zijn werk Der Naturen Bloeme handelen, waarin hij dieren, planten en steenen in alphabetische volgorde beschrijft. Aan de hoogescholen vonden de vrije kunsten in de dertiende eeuw minder beoefenaars, dan in de vorige, omdat met het toenemen der geldgierigheid bij velen de lust afnam, om zich te wijden aan een vak van wetenschap, waarmee zoo weinig te | |
[p. 347] | |
verdienen viel. Vroeger toch werd, naar de pessimisten in de dertiende eeuw althans beweerden, de wetenschap met grootere onbaatzuchtigheid om haars zelfs wil beoefend; in de dertiende eeuw werd zij gebruikt als middel om rijk te worden. Daarop heeft ook zeker Maerlant het oog, als hij zegt: ‘Conste was wilen groet gewelt,
Nu neest anders niet dan gelt.’(1)
Nu was de studie van grammatica, logica of eenige andere vrije kunst in de verste verte zoo winstgevend niet als die van de medicijnen of rechten; vandaar het bekende distichon: ‘Dat Galenus opes, dat Justinianus honores;
Sed Genus et Species cogitur ire pedes.’
Zóó zeer werden de vrije kunsten, die toch eigenlijk de grondslag van alle overige wetenschappen waren, verwaarloosd en zóó haastig maakten de studenten er zich van af, om te eerder de studie van 't recht of van de medicijnen te kunnen aanvangen, dat aan de voornaamste hoogescholen eene driejarige studie van de vrije kunsten als propaedeusis moest worden voorgeschreven, waarna men eerst het recht erlangde in de andere faculteiten naar een' graad te dingen. Die drie jaren werden dan echter bijna uitsluitend aan de disputeerkunst besteed(2). De drie andere faculteiten daarentegen bloeiden, was het al niet door de wetenschappelijkheid van het onderwijs, dan ten minste door den ijver, waarmee men naar een wetenschappelijken graad dong. De jongste faculteit was die der medicijnen. Langen tijd was de geneeskunde weinig in aanzien geweest; in 't oog van 't algemeen was zij zelfs niet veel meer dan een handwerk, dat op allesbehalve wetenschappelijke wijze door kwakzalvers en monniken werd uitgeoefend. De eerste school voor artsenijkunde werd op 't eind der elfde eeuw te Salerno gesticht door de monniken van Monte Cassino. De werken van Galenus en Hippocrates en hetgeen door de ervaring van ouder tot ouder aan de monniken was geleerd en samengevat was in de Regula Saler- | |
[p. 348] | |
nitana vormden de leerstof(1). Sinds de stichting der school te Salerno echter verwierf de geneeskunde zich ook allengs aan de universiteiten eene plaats naast de andere wetenschappen. In de dertiende eeuw volgde men als leiddraad bij het onderwijs het bekende Summa van Thaddaeus. De artsenijmengkunde was het voornaamste onderdeel der medische wetenschap. De geneesheer was tevens apotheker, zelfs drogist, die zelf zijne recepten klaar maakte en zijne geneesmiddelen duur verkocht, zooals vooral zij deden, die te Montpellier gestudeerd hadden en, als leerlingen van die school, meer gezocht waren dan anderen(2). Zij, die aan eene hoogeschool den graad van medicinae magister hadden verworven, konden dus geacht worden vooral bedreven te zijn in de kennis van die stoffen, welke voor geneesmiddelen dienden, d.w.z. in de natuurlijke geschiedenis en hetgeen men in dien tijd van natuurkunde wist. Om die reden droegen zij ook den naam van physicus of fisicien(3), tegenover den surgijn, den heelmeester, wiens vak meer als een ambacht dan als eene vrije kunst werd beschouwd, evenals dat van den arsater, den ongediplomeerden arts, en dat van den apoticaris, die de geneeskruiden alleen verkocht en daarom tot de winkeliers werd gerekend. Wie een werk over natuurlijke historie schreef, deed dat | |
[p. 349] | |
voornamelijk in het belang der geneeskunde. Ook Maerlant had daarop het oog, toen hij het werk De Naturis rerum van Thomas Cantimpratensis vertaalde, al paart hij daaraan dan ook eene zedelijke strekking, blijkens zijne woorden: ‘Ende in alle desen boeken
Mach hi vinden, dies wille roeken,
Medicine ende dachcortinghe,
Scone reden ende leringhe’(1).
Ook later geeft hij aan de lezers van zijn werk den raad: ‘Maer elc hore na die medicine’(2).
De menigvuldige bronnen van het werk worden in den proloog opgegeven(3). De schrijvers, die Thomas, en dus Maerlant uit de tweede hand, raadpleegde, zijn: Aristoteles, die ‘van alre philosophien, van alre natuerliker clerghien crone draghet’; C. Plinius Secundus, de beroemde schrijver der Historia naturalis; C. Julius Solinus uit de 3de eeuw, die een uittreksel uit Plinius maakte, getiteld ‘Van der werelt wonder’ of De situ et mirabilibus mundi, Ambrosius, bisschop van Milaan, (340-397) met zijn Hexaëmeron; Basilius de Groote (4de eeuw) met ‘enen boec van beesten nature’, ook Hexaëmeron geheeten, dat door Maerlant van goddelijken oorsprong wordt genoemd; Augustinus (354-430), die hier en daar in zijne werken natuurhistorische bijzonderheden ter sprake bracht; Hieronymus (331-420), in zijne ‘glose van der Bible’; Demetricus Apollodorus met een boek ‘van den beesten, die draghen venijn’, of De bestiis venenatis; Dionysius medicus; Isidorus, in de 7de eeuw bisschop van Sevilla, met zijne encyclopaedie aller wetenschappen, Origines geheeten; Platearius, die uit Plinius en Arabische schrijvers een Herbarium en andere werken compileerde; Jacob van Vitry, bisschop van Akers en ‘seder cardinael van Rome’ († omstreeks 1240), schrijver van een werk Orientalis historia; en bovendien tal van andere schrijvers, die mogelijk alleen of hoofdzakelijk eershalve genoemd worden. Verder maken Thomas | |
[p. 350] | |
en Maerlant nog meermalen als van bronnen melding van den bekenden Physiologus, vermoedelijk in de tweede eeuw na Chr. te Alexandrië geschreven(1), van Liber Kiranidarum (door Maerlant ‘Kyrammidarium boec’ genoemd), dat uit het Grieksch vertaald is, waarin het reeds in de 3de eeuw onder den titel Kyranis bekend was, en dat over natuur- en geneeskunde handelt(2), van Experimentator, eene compilatie uit de 13de eeuw, naar 't schijnt, en van Liber rerum, een klein boekje over de natuur. Na eenen proloog handelt Maerlant in het eerste boek van dit werk over den mensch, den ‘coninc der creaturen’, en wel over de verschillende leeftijden en over ‘volc van vreemder manieren’, meestal fabelachtige of mythologische wezens, die Maerlant voor werkelijk bestaande wezens houdt. Het tweede, zeer uitvoerige, boek handelt, na eene korte inleiding over de dieren in 't algemeen, in 't bijzonder over de ‘gaende of viervoete beesten’, die ieder afzonderlijk worden besproken in alphabetische volgorde naar hunne Latijnsche namen, eene volgorde, die Maerlant koos, zooals hij zelf zegt, ‘omme datter menich dier in steet, daer hi die name (in het Dietsch) niet af en wiste’, en die hij ook in al de volgende boeken bleef bewaren. Het derde, even uitvoerige, boek behandelt na eene korte inleiding de vogels, het vierde, dat evenals de overige boeken veel korter is, de zeemonsters, het vijfde de visschen, het zesde de serpenten, waaronder niet alleen slangen, maar ook andere kruipende dieren, als hagedissen, basilisken, kameleons, salamanders, schorpioenen, schildpadden, enz. worden verstaan, en het zevende de wormen, d.w.z. de insecten, en daaronder ook de spinnen, duizendpooten, padden, kikvorschen, bloedzuigers en andere weekdieren. In het achtste boek bespreekt Maerlant de boomen, in het negende de specerijen, ‘dies lettel wassen in onsen | |
[p. 351] | |
haghen, maer int lant van Oversee’, in het tiende de geneeskruiden, in het elfde de ‘fonteinen’ of bronnen, in het twaalfde de steenen, en daaronder ook de parelen, het barnsteen en zelfs de gesneden of ‘inghegravene’ steenen, ‘diemen noemt camehu onder coopman’, en eindelijk in het dertiende de zeven metalen: goud, zilver, electrum (mengsel van zilver en goud), koper, tin, lood en ijzer. Van al die natuur voorwerpen nu wordt de uiterlijke gedaante beschreven en, wat de dieren betreft, ook hunne eigenaardige gewoonten, en verder het nut, dat zij den mensch aanbrengen door den arbeid, dien zij verrichten, door het voedsel dat zij opleveren, en vooral ook door de geneesmiddelen, waarvoor zij de bestanddeelen verschaffen. Uit Der Naturen Bloeme zou men eene geheele middeleeuwsche pharmacopaea kunnen putten. Zoo lezen wij er bv. in, dat ezelinnenmelk goed is tegen tandpijn(1), eversdrek tegen neusbloeding(2), buffelsmelk tegen vervuiling van wonden en venijn(3), kemelshersenen met azijn tegen vallende ziekte(4), schoenen van hondenvel tegen de jicht, maar een beetje gevaarlijk(5), beversmeer tegen kramp, jicht enz.(6), gebrand bokkenbloed tegen vallende ziekte en tegen allerlei andere kwalen(7), hertenvleesch tegen de koorts(8), hertshoorn tegen verschillende kwalen(9) en zoo ook dassensmeer, dassenbloed en dassenhersenen(10), enz. enz. Deze recepten zouden met nog honderd andere te vermeerderen zijn, die ons alle zouden toonen, dat de geneesmiddelen der middeleeuwen hemelsbreed verschilden van die, welke tegenwoordig worden gebruikt, en dat te dien tijde ook tot de artsenijen behoorden verschillende soorten van edelgesteenten, die, als talismans gedragen, door tooverkracht niet alleen lichaamskwalen heetten | |
[p. 352] | |
te genezen, maar ook veranderingen te brengen in de grillen van het toeval. Dat voor Maerlant en zijne tijdgenooten de kennis van de geheime krachten der steenen veel belangrijker was, dan alles wat nu het onderzoek der mineralogie en geologie uitmaakt, blijkt vooral uit zijne uitvoerige behandeling der ‘inghegravene’ steenen en der krachten, die aan bepaalde figuren daarop verbonden heetten te zijn. Toch toont Maerlant, dat hij reeds half en half dat bijgeloof heeft laten varen, als hij aldus zijne verhandeling over die gesteenten aanvangt: ‘Nu suldi horen voert bedieden
Van den stenen, dies vele lieden
Wondert, hoemense maken mochte,
Wat cracht ic daer of besochte;
Maer so watmer of seghet,
Ic en rade niet, datmer an leghet
Te vasten waen, no min no meere,
Maer allene in Onsen Here,
Diet alle nemet ende ghevet,
Ende die ewelike levet’(1).
In Maerlant's natuurhistorisch werk neemt ook de veeartsenijkunde eene plaats in. Zoo vinden wij er o.a. recepten tegen hondsdolheid(2), en, bij de beschrijving van de valken, de vervulling der belofte, die Maerlant in deze woorden doet: drie geleerden, ten tijde van koning Ptolemaeus, zegt hij, ‘Die screven in enen boeke
Der edelre voghele medicine.
Also alset in den Latine
Van broeder Aelbrechte es bescreven,
Saelt u Jacob in Dietsche vort gheven.
Die namen van cruden, diere in sijn,
Sal ic u nomen in Latijn;
Die kennisse, also alst waer is,
Sal kennen elc apotecaris.’(3)
| |
[p. 353] | |
De eerste vijftig verzen van het Xde boek, die Maerlant niet aan Thomas Cantimpratensis heeft ontleend, geven een kijkje in de wijsgeerige opvatting der middeleeuwen aangaande de algemeene natuur der dingen, waarbij echter de Grieksche natuurphilosophen gevolgd werden. Er wordt gehandeld over de vier elementen, die ieder een eigenaardig karakter hebben: het water is nat, de aarde zwaar, de lucht droog, het vuur heet. In alles moeten deze elementen voorkomen; geen element wordt ooit onvermengd gevonden, maar de natuur der dingen hangt meer bepaald hier van af, welk element het sterkst is vertegenwoordigd: ‘Nu dese viere hem te samen minghen,
Gheven si voedinghe allen dinghen,
Ende na dat elc ontfaet van dat,
Ist cout, ist heet, ist droeghe, ist nat,
So es elc dingh ghenatuert,
Dat in deser werelt duert.’(1)
Naarmate nu in eenig natuurvoortbrengsel een dezer vier elementen meer of minder overheerschend is, dan bij den mensch, wordt het nat, droog, zwaar of heet genoemd in zekeren graad; is er b.v. in 't een of ander minder vuur dan in den mensch, dan is het heet in den eersten graad, evenveel, dan is het heet in den tweeden graad, een weinig meer, of veel meer, dan is het heet in den derden of vierden graad(2). Dat laatste is b.v. met peper het geval. Dat die onderstellingen op de prak- | |
[p. 354] | |
tijk der geneeskunde reeds sinds Hippocrates grooten invloed moesten hebben, valt terstond in het oog. In het eerste boek van Der Naturen Bloeme vindt men enkele opmerkingen van hygiënischen aard, maar in grooten getale komen zij voor in een ander werk van Maerlant, dat eigenlijk over een geheel ander vak dan de geneeskunde handelt, namelijk de Heimlicheit der Heimlicheden. Zes honderd verzen van dat werk zijn aan de gezondheidsleer gewijd. Geheel in overeenstemming met de hygiëne van onzen tijd wil Maerlant daarin leeren: ‘Hoe die mensce in alre stont
Sinen lechame sal houden ghesont,
Dat men gheens meesters hebbe noot;
Want hets wijsheit noch also groot
Leven sonder evels pine,
Dan es enigherande medicine.’(1)
's Menschen lichaam, zoo leert Maerlant, is samengesteld uit de vier elementen, die in eene bepaalde verhouding voorkomen. Dat die verhouding niet worde verstoord, maar de ‘complexie’ goed blijve, is het eerste, waarop men letten moet, en daarom moet men in alle dingen, vooral in eten en drinken, maat houden. Maat houden nu beteekent niet, dat men zoo min mogelijk ete en drinke, maar dat men juist dat gebruike, wat goed is voor zijn lichaamsgestel en wat het jaargetijde vereischt. Vooral handelt Maerlant uitvoerig over de verschillende spijzen en dranken, die men in de verschillende jaargetijden moet gebruiken(2), waaraan hij nog eenige algemeene opmerkingen toevoegt, om dan in 't bijzonder over de geneeskunde van vier voorname lichaamsdeelen te handelen, thovet, die borst, die oghen, die manlichede(3). Ten slotte spreekt Maerlant nog eenigszins uitvoerig over het voor- en nadeel, verbonden aan het gebruik van vleesch, visch, water en wijn(4). De lessen over gezondheidsleer, die Maerlant volgens zijne | |
[p. 355] | |
Latijnsche bron geeft, hebben wel betrekking op iederen mensch, maar zijn toch in 't bijzonder bestemd voor de vorsten, tot wier leering het geheele werk is geschreven, dat eigenlijk eene verhandeling over de regeerkunst is, maar waarin talrijke opmerkingen zijn ingelascht, die meer in 't bijzonder den persoon des vorsten gelden. Daar het boek onsamenhangend en eenigermate verward is, valt het niet gemakkelijk eene schets van den inhoud te geven. Misschien kan men nog het best aanwijzen, wat de voornaamste onderwerpen zijn, die in het eerste deel worden behandeld, door de volgende regels mee te deelen: ‘In vier dinghen mach men leren,
Wie men tellen mach vor heren.
Dierste es, dat men marken moet,
Of hi es van levene goet.
Dander es, dat men bekinne,
Of hi hevet der liede minne.
Int derde so marken wi,
Of hi besceden milde si;
Ende tfierde es van dien,
Of hi eerlike es ontsien.’(1)
Nadat vervolgens den landsheeren op het hart is gedrukt, den bloei der wetenschappen te bevorderen, komt het tweede deel, dat wij als eene verhandeling over de gezondheidsleer hebben leeren kennen, terwijl het derde(2) weer grooter verwantschap heeft met het eerste, en op de ars politica betrekking heeft. Volgens onze tegenwoordige verdeeling der vakken van wetenschap zouden wij deze verhandeling onder de rechtsgeleerde werken opnemen, daar wij gewoon zijn de staatkunde aan de hoogescholen in de faculteit der rechtsgeleerdheid onderwezen te zien. In de middeleeuwen echter maakte zij er evenveel aanspraak op, tot de zeven vrije kunsten te behooren. Immers de Politica van Aristoteles was het hoofdwerk der staatkunde en dat werd, evenals alle werken van den Griekschen wijsgeer, door een' professor der grammatica en logica | |
[p. 356] | |
verklaard. Toch zullen wel in de eerste plaats, ook in de middeleeuwen, de toekomstige doctoren in de rechten zich op de staatkunde hebben toegelegd, zij het dan ook, dat dit studievak bijzaak voor hen was. In de rechtsgeleerde faculteit toch leerde men hoofdzakelijk, volgens Boendale, ‘Decrete ende Decretale
Ende dat Loy altemale.’(1)
Om den titel van doctor juris te verwerven, moest men zich in de allereerste plaats toeleggen op het canonieke recht, vervat in het Corpus juris canonici. Behalve uit de decretenverzameling van Gratianus, in 1150 voltooid, putte men zijne kennis, bij meer uitgebreide studie, uit de in 1234, op last van Gregorius IX, door Raimundus de Penneforte bewerkte decretenverzameling, die als wetboek van kerkrecht gold. Daarbij kwam, wilde men juris utriusque doctor worden, de studie van het Romeinsche recht, die nooit geheel en al was verwaarloosd, maar in de twaalfde en dertiende eeuw meer en meer begon te bloeien, vooral aan de hoogescholen te Bologna en te Orleans. Te Parijs was de studie van 't Romeinsche recht verboden, ter wille van de studie der theologie, die elders werd veronachtzaamd, omdat de rechtsstudie winstgevender was. Behalve het Corpus juris civilis zelf werd inzonderheid het Summa van Azo bestudeerd, dat in de dertiende eeuw voor het beste handboek over Romeinsch recht gehouden en door de geleerden van dien tijd vaak gecommentariëerd werd. Dat ook het oplossen van gefingeerde rechtsgevallen in dien tijd zeer geliefd was, getuigen o.a. de Quaestiones, die aan Azo worden toegeschreven(2), evenals het in Maerlant's Merlijn voorkomende Satansproces, waarin een theologisch vraagstuk in den vorm eener procedure naar Romeinsch recht wordt behandeld(3). Naast de studie van het Romeinsch recht begon ook langza- | |
[p. 357] | |
merhand die van het Germaansche recht in eere te komen, zooals o.a. blijkt uit de opdracht, die Graaf Hoyer von Falkenstein tusschen 1215 en 1235 aan den Anhaltschen schout Eike von Repgow deed om het Saksische recht op schrift te stellen. Dat de beroemde Saksenspiegel, dien wij aan deze opdracht te danken hebben, ook bij Maerlant bekend was en door hem onder den naam ‘Duutsche loy’ wordt aangehaald, hebben wij reeds gezien(1). De laatste en voornaamste faculteit aan de hoogescholen was die der heilige theologie. Boendale zegt er van: ‘Die Theologie coomt int leste:
Dats die heilichste ende die beste
Van dien ghi mi horet ruren;
Want si ontbint die scrifturen,
Daer alle onse salicheit
Ende onse ghelove mede in leit,
Ende leert ons daer toe salichlike
Den rechten weg te hemelrike.’(2)
Het gewichtigste onderdeel der theologische wetenschap was de uitlegkunde der scriptura sacra, waaronder niet alleen de bijbelboeken werden verstaan, maar ook de geschriften van kerkvaders en kerkleeraars, de verschillende glossen(3). Dit vak was vooral zoo uitgebreid en zoo moeielijk, omdat men in staat moest zijn een vierledigen zin in de woorden des bijbels aan te wijzen(4). De verklaring des bijbels was dus minstens viermaal zoo moeielijk als die van de werken der classieke schrijvers. En toch was de exegese nog niet veel meer dan de propaedeusis der theologie. Eerst hij, die daarmee genoeg bekend was, kon de andere theologische vakken, met name de dogmatiek, gaan bestudeeren. Het onderwijs in de theologie duurde dan ook tal | |
[p. 358] | |
van jaren. Te Parijs kon men eerst baccalaureus biblicus worden nadat men zes jaar lang de colleges in de faculteit der vrije kunsten en in die der theologie had bijgewoond. Daarna moest men over den Bijbel en de Sententiën van Petrus Lombardus, wiens Libri Sententiarum het hoofdwerk voor de theologische wetenschap was, voorlezingen houden, gedurende het eerste jaar in tegenwoordigheid en onder toezicht van een' professor, in het tweede, wanneer men de licentia legendi had verkregen, als licentiaat in het openbaar. Een derde jaar werd veeltijds besteed aan openbare oefeningen in de dialectica, en eerst na dien tijd promoveerde men tot theologiae of divinitatis doctor(1). Na al hetgeen wij over Maerlant's verhouding tot de kerkleer en het godsdienstig leven zijner dagen gezegd hebben, kunnen wij ten opzichte van zijne theologische kennis kort zijn. Den Bijbel kende hij grondig. Door zijne vertaling van Petrus Comestor's Historia Scolastica in Dietsche verzen bracht hij de geheele bijbelsche geschiedenis onder 't bereik van het volk; maar hij deed meer dan werktuiglijk vertalen. Eene nauwkeurige studie van zijn' Rijmbijbel levert het bewijs, dat hij bij de vertaling steeds den Bijbel heeft geraadpleegd, en daaruit verbeterd of aangevuld, wat Comestor minder juist of minder uitvoerig had meegedeeld. Daarvan een paar voorbeelden. Zegt Comestor van de stad Sichem, dat zij ook dikwijls in verbasterden vorm Sichar heet(2), dan denkt Maerlant aan Joh. IV vs. 5, en zegt: ‘In de Evangelie so steet,
Dattie selve Cychar heet;’(3)
en als hij later bij de geschiedenis van het Nieuwe Testament nog eens dezelfde opmerking van Comestor over den naam der stad leest(4), is het wederom: | |
[p. 359] | |
Van de acht zaligsprekingen(2) geeft Comestor alleen de eerste op; Maerlant heeft ze alle uit zijn' Bijbel vertaald(3). Zoo heeft hij ook de gelijkenis van den verloren zoon(4) en die van den onbarmhartigen dienstknecht(5), die bij Comestor slechts met een enkel woord worden vermeld, in haar geheel in zijn werk ingevoegd. Nu en dan is hij, door uit den Bijbel te putten, uitvoeriger in zijne verhalen dan Comestor(6). Ook de Apocriefe boeken vergeleek hij met het geschiedverhaal, dat Comestor er aan had ontleend, en nu en dan vulde hij zijne vertaling daaruit aan(7), of verbeterde daarnaar het werk van Comestor(8). Van den psalmbundel sprekende, zegt hij: Dit getal wordt niet opgegeven door Comestor, bij wien men evenmin de volgende bepaling van een legioen vindt: | |
[p. 360] | |
Ook uit andere werken van Maerlant blijkt het, hoe goed hij in zijn' Bijbel tehuis was(1); en dat hij niet enkel den letterlijken, maar ook den allegorischen zin der bijbelwoorden verstond, is ons reeds gebleken bij de behandeling van zijne verhouding tot de mystiek(2), terwijl wij, door in het derde hoofdstuk zijne verhouding tot de kerkleer te schetsen, tevens een overzicht hebben gegeven van zijne kennis der dogmatiek. Was Maerlant ook al geen eigenlijk godgeleerde, vreemdeling was hij evenmin in de wetenschap der theologie. In geene enkele wetenschap zijns tijds trouwens was hij geheel en al vreemdeling; maar als wij hem den naam van geleerde geven, dan doen wij dat toch wel vooral, omdat wij zijne verdiensten in één vak van wetenschap erkennen, dat hij bij voorkeur heeft beoefend en, voor zijnen tijd althans, degelijker dan eenig ander vak, namelijk de geschiedkunde. Daaraan zij dan ook een afzonderlijk hoofdstuk gewijd. |
|