historische taalkunde


monografieën

Jacques Arends, Syntactic Developments in Sranan, 1952
R.J.G. de Bonth, De Aristarch van 't Y, 1998
Cor van Bree, Historische taalkunde, 1990
J. Goossens, 'Polysemievrees', 1962
Kees Groeneboer, Weg tot het Westen, 1993
C.B. van Haeringen, Netherlandic language research, 1954
K.H. Heeroma, 'Ontspoorde frankiseringen', 1951
K.H. Heeroma, 'Wat is Ingweoons?', 1965
D.C. Hesseling, Het Afrikaansch, 1899
F.P.H. Prick van Wely, Neerlands taal in 't verre Oosten, 1906
Cefas van Rossem en Hein van der Voort, Die Creol taal, 1996
Els Ruijsendaal, Letterkonst, 1991
Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek, 2001
J.M. van der Horst, J.A. van Leuvensteijn, W. Pijnenburg en M.C. van den Toorn, Geschiedenis van de Nederlandse taal, 1997
Isaac van der Velde, De tragedie der werkwoordsvormen, 1956
C.G.N. de Vooys, Geschiedenis van de Nederlandse taal, 1931
Marijke J. van der Wal, De taaltheorie van Johannes Kinker, 1977

artikelen


Historische taalkunde

Th.H. d' Angremond, ‘Naschrift bij N.T. 30, 417/8.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Th.H. d' Angremond, ‘Lierelauwen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 57 (1938)
Jacques Arends, Syntactic Developments in Sranan (1952)
Constantinus Bake, G. Kalff, H.W.J. Kroes, J. Prinsen J.Lzn, G.W. Spitzen en Wobbe de Vries, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 32 (1913)
Jan van Bakel, A.C. Bouman, A.C. Crena de Iongh, C. Kruyskamp, H.T.J. Miedema en A.A. Weijnen, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 81 (1965)
Jan van Bakel, ‘De grammatische wisseling in het Gotisch’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 89 (1973)
Adriaan J. Barnouw en J. Verdam, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 32 (1913)
Adriaan Beets, ‘Een als pronomen demonstrativum.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 6 (1886)
Adriaan Beets, ‘Van den os op den ezel dalen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
Adriaan Beets, ‘Beekum; bêken.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
Adriaan Beets en A. Kluijver, ‘Kalis en caliban.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
Adriaan Beets, ‘MNL. Aper.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
Adriaan Beets, ‘Klezoor (klisoor).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
Adriaan Beets, ‘Toertrapper.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
Adriaan Beets, ‘Onvisch; omvisch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
Adriaan Beets, ‘Sjappetouwer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
Adriaan Beets, ‘Sjappetouwer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 22 (1903)
Adriaan Beets, ‘Omvisch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 22 (1903)
Adriaan Beets, ‘Het (Leidsche) drillen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 22 (1903)
Adriaan Beets, ‘Overscharig.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 24 (1905)
Adriaan Beets, ‘Tuckele.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
Adriaan Beets, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 39 (1920)
Adriaan Beets, H.L. Bezoen, G. Karsten en G.A. Nauta, ‘Kleine Mededeelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 55 (1936)
B. van den Berg, ‘De taal van een Dordtenaar in het begin van de 17de eeuw.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
J.B. Berns en M.J.M. de Haan, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 92 (1976)
Amand Berteloot, ‘Amand Berteloot Van du naar ghi’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 119 (2003)
H.L. Bezoen, ‘Twe. lÅ«n ‘hoornpit’’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 55 (1936)
Marcus van Blankenstein, ‘Duwen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26 (1907)
Marcus van Blankenstein, ‘Kaf.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26 (1907)
G.J. Boekenoogen en M. Schönfeld, ‘Walewijn en Walewein.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 36 (1917)
G.J. Boekenoogen, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 39 (1920)
G.J. Boekenoogen, ‘De mansnaam Wuiten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
R.C. Boer, ‘Studie van de levende taal.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 1 (1907)
R.C. Boer, ‘Syncope en consonantengeminatie.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 37 (1918)
R.C. Boer, ‘Studiën over Oudnoorsche spraakleer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 39 (1920)
A.P. de Bont, ‘De g in hij heget, hij düget en dergelijke werkwoordelijke vormen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 73 (1955)
R.J.G. de Bonth, De Aristarch van 't Y (1998)
Andries Borgeld, ‘Gewel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
J.J. Borger, ‘Haags uit de tweede helft van de 17de eeuw’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 69-70 (1952)
D.B. Bosman, ‘Naschrift.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 41 (1922)
A.C. Bouman, ‘De dubbele ontkenning in Afrikaans.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 17 (1923)
A.C. Bouman, A.A. van Rijnbach, Walter Thys en F. de Tollenaere, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 66 (1949)
Dirk Boutkan en Maarten Kossmann, ‘Dirk Boutkan en Maarten KossmannOver sjwa-apocope in het Nederlands’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 114 (1998)
Cor van Bree, Historische taalkunde (1990)
Gerard Brom, ‘Aanspeeekvormen in het midden van de negentiende eeuw.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 19 (1925)
C.C. de Bruin, ‘Bilderdijk en de studie van het Middelnederlands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 48 (1955)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘Daer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 6 (1886)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘Fréska’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 6 (1886)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘Dietsche kleinigheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
Foeke Buitenrust Hettema, ‘Grammaire raisonnée.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
Julien Claerhout, ‘De Franken, de Friezen en de Saksen. Onze voorouders.’ In: Het Belfort. Jaargang 1 (1886)
P.J. Cosijn, ‘De sporadische uitstooting en klinkerwording der Wdoor P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 2 (1871)
P.J. Cosijn, ‘De Oudnederlandsche psalmendoor P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
P.J. Cosijn, ‘Assimilatie in het Nederlandschdoor P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
P.J. Cosijn, ‘De Oudnederlandsche psalmendoor P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
P.J. Cosijn, ‘De Oudnederlandsche psalmendoor P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
P.J. Cosijn, ‘De Oudnederlandsche psalmen,door P.J. Cosijn.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 4 (1873)
P.J. Cosijn, ‘De uo der psalmen.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 6 (1875)
P.J. Cosijn, ‘AnglosaxonicadoorP.J. Cosijn.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 1 (1881)
P.J. Cosijn, ‘Hêliand 2477.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 1 (1881)
P.J. Cosijn, ‘Niel, Wiel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
P.J. Cosijn, ‘De Oudsaksische Genesis.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
P.J. Cosijn, ‘De Oudnederfrankische Psalmen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
P.J. Cosijn, ‘Rectificatie.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
H.K.J. Cowan, ‘Oudoostnederfrankisch of oostelijk Oudnederlands?’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 71 (1953)
H.K.J. Cowan, ‘Oudnederfrankische varia’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 87 (1971)
Jo Daan, ‘Taalkaarten buik en kuit’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
Jan Daman, ‘De naamvals-N bij een Zuidnederlands schrijver.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 36 (1942)
Jean Baptiste David, ‘Over de regelmatigheid in de spelling, by de oude Nederduitsche schryvers.’ In: De Taalgids. Jaargang 1 (1859)
R.L.M. Derolez, K.H. Heeroma, C. Kruyskamp, R. Lievens en P.J. Meertens, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 85 (1969)
Willem Draaijer, ‘Katteklei.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J.B. Drewes, ‘Hola, ic hebber ghinder twee bespiet . . .’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 48 (1955)
A.M. Duinhoven, ‘A.M. DuinhovenNegaties met ne, nee, niet en of’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 118 (2002)
Els Elffers-van Ketel, ‘Els ElffersDe taalkunde en haar geschiedschrijving’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 109 (1993)
G. Engels, ‘Over de uitspraak van de ij bij Huygens en Hooft.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 29 (1935)
H. J. Eymael, ‘Van den os op den ezel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
B. Faddegon, ‘Geleidelijke en springende klankverandering.Een empirisch-psychologische studie.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26 (1907)
B. Faddegon, ‘Afstandsdissimilatie van consonanten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 29 (1910)
B. Faddegon, ‘De regels der afstandsmetathesis.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 30 (1911)
Pieter Fijn van Draat, ‘Klankleer van den tongval der stad Deventer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 42 (1923)
Simon Fokke, ‘De nominatief jo een interne Friese ontwikkeling’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 63 (1944)
A.A. Fokker, ‘Het Papiamentoe of basterd-Spaans der West-Indiese eilanden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 33 (1914)
Johannes Franck, ‘Heden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
Johannes Franck, ‘Beiträge zur Niederländischen Grammatik.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 29 (1910)
Johannes Franck, ‘Zur lautgeschichte des adjectivums gut.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 31 (1912)
Willem Frijhoff, ‘‘Bastertspraek en dartele manieren’De Franse taal in Nederlandse mondDoor Willem Frijhoff’ In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1990 (1990)
Robert Fruin, ‘Nog iets over Custinge,naar aanleiding van het opstel van prof. Verdam, in de vorige aflevering geplaatst.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
Johan Hendrik Gallée, ‘Hêleand 984.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 1 (1881)
Johan Hendrik Gallée, ‘Nog eenige ten opzichte van Genus of Flectie onzekere Gotische woorden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 1 (1881)
Johan Hendrik Gallée, ‘Mnl. Boogen en Bogen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 5 (1885)
Johan Hendrik Gallée, ‘Oudsaksische genesis vs. 288 (huoam).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
Johan Hendrik Gallée, ‘Oudsaksisch men.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
Johan Hendrik Gallée, ‘Henne, hunne en hune en hunne samenstellingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Johan Hendrik Gallée, ‘Vechten (zie Tijdschr. 20, 244).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Johan Hendrik Gallée, ‘Nog eens henne-hunne.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
Johan Hendrik Gallée, ‘Oud-Noordhollandsch taaleigen in het Cartularium Egmundense.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 23 (1904)
Lode Geenen, ‘Taalkaart: steen’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
Lode Geenen, ‘Taalkaart: de ij-diphtongeering’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
G.J. Geers, F.K.H. Kossmann, C. Kruyskamp en A.A. Weijnen, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 79 (1963)
G. Geerts, ‘De verspreiding van het algemeen Nederlands in West-Vlaanderen’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 69 (1976)
J.J. Gielen, ‘De weerspiegeling der historie in de taal van Hulst en Hulsterambacht.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 25 (1931)
Jac. van Ginneken, ‘De huidige stand der genealogische taalwetenschap.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
Jac. van Ginneken, ‘Het gesprek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 3 (1909)
Jac. van Ginneken, ‘De schoondochters in de taalgeschiedenis.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 10 (1916)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 7]’, ‘De voorloopers der phonologie. II’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 1 (1932-1933)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 10]’, ‘Vlaanderen en Vlamingen = zeeroovers der salische wet’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 1 (1932-1933)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 6]’, ‘De voorloopers der phonologie’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 1 (1932-1933)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 9]’, ‘De telwoorden en hun ontstaan’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 1 (1932-1933)
Jac. van Ginneken, ‘Het jonge geslacht, als keerpunt in de geschiedenis der letterkunde’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 1 (1932-1933)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 2]’, ‘De geschiedenis der drie geslachten in Nederland’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
Jac. van Ginneken, ‘Staande uitdrukkingen, die van verre komen’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
Jac. van Ginneken, ‘De nieuwste ontwikkelingsperiode onzer dierbare moedertaal’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 3 (1934-1935)
Jac. van Ginneken, ‘De taal, die wij tot onze huisdieren spreken’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 5]’, ‘Ras en taal’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, ‘Taalkaart: mist’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, ‘Eenige merkwaardige stellingen over de genealogie en de typologie der talen’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 7]’, ‘Kleine woorden wortelen diep’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, G.S. Overdiep en J. Wils, ‘Boekbespreking’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 11]’, ‘Een nieuwe ontdekking der taalwetenschap’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
Jac. van Ginneken, Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
Jac. van Ginneken, Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
Jac. van Ginneken, Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
Jac. van Ginneken, ‘[Nummer 12]’, ‘De tweede aflevering van onzen Nederlandschen Taalatlas’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
W.F. Gombault, ‘Boekaankondiging.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 9 (1899)
W.F. Gombault, ‘Naar aanleiding van Dr. Stoett's ‘Nederlandsche spreekwoorden.’’ In: Taal en Letteren. Jaargang 11 (1901)
J. Goossens, 'Polysemievrees' (1962)
J. Goossens, C. Kruyskamp, J.J. Mak, Cornelis Schmidt, C. Soeteman, Marie Veldhuyzen en C.A. Zaalberg, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 82 (1966)
Kees Groeneboer, Weg tot het Westen (1993)
C.B. van Haeringen, ‘Sporen van Fries buiten Friesland.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
C.B. van Haeringen, ‘Invloed van R op klinkers in Germaanse talen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 41 (1922)
C.B. van Haeringen, ‘Romaanse invloed door zuidnederlandse bemiddeling.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28 (1934)
C.B. van Haeringen en A.A. Weijnen, ‘Congruerende verbindingswoorden’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 59 (1940)
C.B. van Haeringen, Netherlandic language research (1954)
J.A. vor der Hake, ‘Een zestiend' eeuwse taal voor literair verkeer.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 5 (1911)
J.A. vor der Hake, ‘Is de beleefdheidsvorm U 'n verbastering van UEd.?’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 5 (1911)
J.A. vor der Hake, ‘De ondergang van het voornaamwoord du.(Naschrift).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9 (1915)
J.A. vor der Hake, ‘De ondergang van het voornaamwoord du.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9 (1915)
J.A. vor der Hake, ‘De voorgeschiedenis van ons alfabet.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9 (1915)
A.G. van Hamel, ‘Ons conservatieve klankstelsel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 47 (1928)
K.H. Heeroma, ‘De beleefdheidsvorm u omstreeks 1800.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28 (1934)
K.H. Heeroma, ‘Goois uit het midden der 18e eeuw.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
K.H. Heeroma, ‘Jullie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 57 (1938)
K.H. Heeroma, ‘De herkomst van de Hollandse diftongering’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 57 (1938)
K.H. Heeroma, ‘De waardering van de volkstaal.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 35 (1941)
K.H. Heeroma, ‘De waardering van de volkstaal. (Vervolg van blz. 127).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 35 (1941)
K.H. Heeroma, ‘[Jaargang 37]’, ‘Iets over de vroegste Nederlandse taalgeschiedenis.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 37 (1943)
K.H. Heeroma en G. Knop, ‘Een merkwaardige functieverschuiving’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 63 (1944)
K.H. Heeroma, ‘De ou-diftongering in het Nederlands’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 64 (1946)
K.H. Heeroma, ‘Bij de ou-diftongering in het Nederlands’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 65 (1948)
K.H. Heeroma, ‘De Gm. eu in het Nederlands (II)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 65 (1948)
K.H. Heeroma, ‘Chaukisch’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 65 (1948)
K.H. Heeroma, ‘De herkomst van de Hollandse aa’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 66 (1949)
K.H. Heeroma, ‘Ontspoorde frankiseringen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 68 (1951)
K.H. Heeroma, 'Ontspoorde frankiseringen' (1951)
K.H. Heeroma, ‘Fries oes, uis’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 69-70 (1952)
K.H. Heeroma, ‘Oudengelse invloeden in het Nederlands’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 69-70 (1952)
K.H. Heeroma, ‘De gm. eu in het Nederlands (III)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 69-70 (1952)
K.H. Heeroma, ‘Naar aanleiding van grunjer (III)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 71 (1953)
K.H. Heeroma, ‘De ie als plus-foneem van de reductievocaal’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 77 (1959-1960)
K.H. Heeroma, ‘Structuurgeografie en structuurhistorie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 79 (1963)
K.H. Heeroma, 'Wat is Ingweoons?' (1965)
K.H. Heeroma, ‘Wat is ingweoons?’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 81 (1965)
K.H. Heeroma, ‘De Ingweoonse achtergrond van smeu’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 84 (1968)
J. Heinsius, ‘Getes’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 55 (1936)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Besproeien, plavant, en de epenthesis der R en L.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Hvatan met zijne familie.Door W.L. van Helten.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bladvulling.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Iets over de ei, uit e of a,door W.L. van Helten.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 4 (1873)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bestaat er in onze taal eene oo, uit eene oorspronkelijke ai?’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 4 (1873)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Versmelting van de beginletter w met eene volgende oe of o, in het Nederlandsch.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 4 (1873)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over ft, cht en stdoor W.L. van Helten.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 6 (1875)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bijdragen tot de Dietsche Grammatica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 2 (1882)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bijdragen tot de Dietsche grammatica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 3 (1883)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 3 (1883)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bijdragen tot de Dietsche Grammatica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 3 (1883)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Bijdragen tot de dietsche grammatica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 5 (1885)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 5 (1885)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Hilic, huwelijk enz., vechtelic, feestelic.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Etymologische en andere bijdragen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Oudfri. kestigia, kesta, kest enz., ndl. custen, custinge enz.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Etymologische en andere bijdragen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over een Westfriesche en Nederlandsche a uit e voor een r der volgende syllabe.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Her Danielken.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over de SS uit þþ in asem, vessemen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Een en ander over en naar aanleiding van de Oudnederlandsche psalmvertaling.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Berooid, vieren (bot -, den schoot - enz.).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Nog een en ander over de Oudoostnederfrankische en de Middelfrankische Psalmen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Enkele aanteekeningen op de ‘Bijdragen tot de kennis der Noord-Nederlandsche tongvallen’.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Het adjectief gul.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Een en ander over en naar aanleiding van het subst. sim, snoer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
Willem Lodewijk van Helten, ‘De Westfriesche eigennamen Jouke en Sjouke.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
Willem Lodewijk van Helten, ‘De Wachtendonckse Psalmen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
Willem Lodewijk van Helten, ‘De Wachtendonckse Psalmen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Het substantief echt.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Mnl. blissem, blixene, blixeme enz.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over den genitief op -es der vrouwelijke langlettergrepige i-stammen in het Nederlandsch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over het verband tusschen 't NL. kutte cunnus (kil.) en 't Got. qiþus uterus en over tusschen, zuster.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 25 (1906)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over de Nedl. scherpkorte en zachtkorte o.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
Willem Lodewijk van Helten, ‘Over de tweeërlei explosieve dentalen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
Anthonie Hendriks, ‘Spijkers op laag water zoeken.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
D.C. Hesseling, Het Afrikaansch (1899)
D.C. Hesseling, ‘Plak.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 24 (1905)
D.C. Hesseling, ‘Is het Afrikaans de zuivere ontwikkeling van een Nederlands dialekt?’ In: Taal en Letteren. Jaargang 16 (1906)
D.C. Hesseling, ‘Taal en maatschappij.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 1 (1907)
D.C. Hesseling, ‘Taal en nationaliteit.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 2 (1908)
D.C. Hesseling, ‘De jongste wereldtaal (het Ido).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 3 (1909)
D.C. Hesseling, ‘Overblijfsels van de Nederlandse taal op Ceylon.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 29 (1910)
D.C. Hesseling, ‘Een nieuwe theorie over 't ontstaan van het Afrikaans.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
D.C. Hesseling, ‘Africana.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 35 (1916)
D.C. Hesseling, ‘Kandeel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
D.C. Hesseling, ‘Africana.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 41 (1922)
D.C. Hesseling, ‘Een Spaans boek over het Papiaments’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 52 (1933)
D.C. Hesseling, ‘Papiaments en Negerhollands’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 52 (1933)
D.C. Hesseling, ‘Africana.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 53 (1934)
A.R. Hol, ‘De noordwest grens van het pronomen gεi.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28 (1934)
A.R. Hol, ‘De noordgrens van het pronomen Gij.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 55 (1936)
H. Hoogenkamp, ‘De volkstaal te Hoogezand.’ In: Onze volkstaal (1882-1890)
J.M. Hoogvliet en Jan Gerrit Talen, ‘Iets over de beschrijving van het Nederlandsche verbumDoor den heer Talen.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 4 (1894)
J.M. van der Horst en Marijke J. van der Wal, ‘Negatieverschijnselen en woordvolgorde in de geschiedenis van het Nederlands’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 95 (1979)
J.M. van der Horst, ‘J.M. van der Horst en R. StormOver de geschiedenis van het betrekkelijke voornaamwoordelijk bijwoord’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 107 (1991)
J.M. van der Horst, J.A. van Leuvensteijn, W. Pijnenburg en M.C. van den Toorn, Geschiedenis van de Nederlandse taal (1997)
W.M.H. Hummelen, C. Kruyskamp, P.J. Meertens, F. de Tollenaere, Marie Veldhuyzen en C.A. Zaalberg, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 84 (1968)
Antoon Jacob, ‘Vreemde invloed in ‘De Vlaamse Leeuw’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9 (1915)
T.S. Jansma, ‘Verloren middelnederlandse spelen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 29 (1935)
J.P.B. Josselin de Jong, ‘De oorsprong van het grammatisch geslacht.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 29 (1910)
Gerrit Kamphuis, ‘Hughelijn en vrouwe Ogerne (Reinaert 796-800).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 36 (1942)
G. Kazemier, C. Kruyskamp, F. de Tollenaere en A.A. Weijnen, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 86 (1970)
J.H. Kern, ‘IV. Over de taal der Batavieren en Franken. Door Prof. H. Kern.’ In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1866 (1866)
H. Kern, ‘De geschiedenis eener letter.door H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 1 (1870)
H. Kern, ‘Een Bataafsche naam.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 2 (1871)
H. Kern, ‘Eigennamen en verkleinwoordjes.door H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 2 (1871)
H. Kern, ‘Een rechtsterm der Salische wetdoor H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
H. Kern, ‘De partikel ar in 't Oudhoogduitschdoor H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 3 (1872)
H. Kern, ‘Graaf.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
H. Kern, ‘Over eenige vormen van 't werkwoord zijn in 't Germaansch.Door H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
H. Kern, ‘De verbuiging van man in 't Gotischdoor H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
H. Kern, ‘Verkleinwoorden op sa, sia.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
H. Kern, ‘Eene oude Nederduitsche geloofsbelijdenisdoor H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 6 (1875)
H. Kern, ‘Honderd en duizenddoor H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 6 (1875)
H. Kern, ‘Uit de Salische wetdoor H. Kern.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 6 (1875)
H. Kern, ‘Bidden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 1 (1881)
H. Kern, ‘Genezen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 1 (1881)
H. Kern, ‘Lijden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 4 (1884)
H. Kern, ‘Beer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 5 (1885)
H. Kern, ‘Boos.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
H. Kern, ‘Ast, eest, ozd.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 9 (1890)
H. Kern, ‘Germaansche verwanten van Slawisch žrêbÅ­.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11 (1892)
H. Kern, ‘Kantoor, quatuor.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 17 (1898)
H. Kern, ‘Canis, çuni.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 17 (1898)
H. Kern, ‘Boot.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 17 (1898)
H. Kern, ‘Nederlandsch aar uit ouder ar en er.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
H. Kern, ‘Kaars.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J.H. Kern, ‘De f in leefde.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
H. Kern, ‘Appel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
H. Kern, ‘Ontwikkeling van ar uit er in 't Nederlandsch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
H. Kern, ‘Katteeker.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘Een Hoogduitsch en Nederlandsch klankverschijnsel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘Slecht.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘Beitel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘Hoogduitsch affolter, appelboom en mistel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘Eekkatte.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘Over eenige verwanten van ons woord vak.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘Jagen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘De ie in brief en enkele andere ontleende woorden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
H. Kern, ‘Waltowahso, waldewaxe.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
H. Kern, ‘Kachtel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
H. Kern, ‘Handugs.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
H. Kern, ‘Huls, hulst.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
H. Kern, ‘Vreugde.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
H. Kern, ‘Over de uitspraak der ij in de 17de eeuw.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
H. Kern, ‘Waldensine, waldandsini.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
H. Kern, ‘Middeleeuwsche oorkonden uit Oldenzaal.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 24 (1905)
H. Kern, ‘Een Hollandsch woord in het Tamil en het Kanareesch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 25 (1906)
H. Kern, ‘Germaans *marʒanaz?’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 25 (1906)
H. Kern, ‘De Gotische vorm van den eigennaam Alphonsus.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 25 (1906)
H. Kern, ‘IJs.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
H. Kern, ‘Mndl. vuylst.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
J.H. Kern, ‘Is de beleefdheidsvorm U een verbastering van U.E?’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 5 (1911)
H. Kern, ‘Over een paar Zwitsersche en tevens Nederlandsche verkleiningsvormen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 36 (1917)
J.H. Kern, ‘Verwanten van Mndl. verweent.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 46 (1927)
J.H. Kern, ‘Mndl. geles.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 51 (1932)
A. Kessen, ‘Over de taal der oudste Limburgse, niet-literaire bronnen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 53 (1934)
F. Franszoon Klaix, ‘Tschubiakkro.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
M.M. Kleerkoper, ‘Kokerellen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
G.G. Kloeke, ‘Dialectgeographische onderzoekingen I. Met twee kaartjes.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 39 (1920)
G.G. Kloeke, ‘Eigennamen op -tet.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
G.G. Kloeke, ‘Klankoverdrijving en goedbedoelde (hypercorrecte) taalvormen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
G.G. Kloeke, ‘Oudhollandsche relicten met ‘U’-uitspraak voor Germ. Û.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 20 (1926)
G.G. Kloeke, ‘Complicaties bij het Nederlandse taalgeographisch onderzoek(met vier kaartjes)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 54 (1935)
G.G. Kloeke, ‘Woensdag(Met een kaart)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 55 (1936)
G.G. Kloeke, ‘Haagse volkstaal uit de achttiende eeuw’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 57 (1938)
G.G. Kloeke, ‘De voorzaten van het Friese jou’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 63 (1944)
G.G. Kloeke en Arie Zijderveld, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 67 (1950)
G.G. Kloeke, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 71 (1953)
G.G. Kloeke, ‘De taalgeografie schrijdt voort’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 72 (1954)
G.G. Kloeke, ‘De reliktvorm hef(t) voor ‘heeft’ als characteristicum voor de meest ouderwetse (West)Germaanse dialekten’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 76 (1958-1959)
Gerrit Jan Klokman, ‘Zoo koud als een bot.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
W.G. Klooster, ‘W.G. KloosterHistorische en systematische verklaringen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 104 (1988)
A. Kluijver, ‘Rampzalig, Armzalig, Lamzalig.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 5 (1885)
A. Kluijver, ‘Trawant.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
A. Kluijver, ‘Bladvulling.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
A. Kluijver, ‘Hlaifs.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
A. Kluijver, ‘Bairan en Gabairan.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 9 (1890)
A. Kluijver en J.W. Muller, ‘Boegseeren.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
A. Kluijver, ‘Kaliber.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 17 (1898)
A. Kluijver, ‘Karabijn.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
A. Kluijver, ‘Mender.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 24 (1905)
A. Kluijver, ‘De analogie als taalscheppende macht.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 1 (1907)
A. Kluijver, ‘‘Wörter und Sachen’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 4 (1910)
A. Kluijver, ‘Historische studie der syntaxis.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
A. Kluijver, ‘Perfectieve vormen in het Middelnederlandsch.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 9 (1915)
A. Kluijver, ‘Een nieuwe historische grammatica van onze taal.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 15 (1921)
A. Kluijver, ‘Taal en volksaard.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 26 (1932)
A. Kluijver, ‘Over ‘Progress in language’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 27 (1933)
H.H. Knippenberg, ‘Een mysterieus getal in een oud lied.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 48 (1955)
Abraham Seyne Kok, P.H. van Moerkerken, J. Verdam en J.A. Worp, ‘Plautus op ons tooneel.’, ‘Huig de Groot's Sonnet.’, ‘Prognostica.’, ‘Granje. (Warenar 1029).’, ‘Het Brusselsche Handschrift van Hein van Aken's Limborch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
J. Kooistra, ‘Twee Hollands-Engelse parallellen in de syntaxis.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13 (1919)
J. Kooistra, ‘Nog eens ‘twee Hollands-Engelse parallellen in de syntaxis’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13 (1919)
F.K.H. Kossmann, ‘Coornhert's beschouwingen over den versbouw (de termen snede, vers en cadentie).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 17 (1923)
E.H. Kossmann, ‘Het EngelsDoor Dr. E.H. Kossmann’ In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1990 (1990)
Etsko Kruisinga, ‘De oorsprong van het Afrikaans.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 16 (1906)
C. Kruyskamp en C.A. Zaalberg, ‘Boekbeoordelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 86 (1970)
K. ter Laan, ‘Laren.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
M.J. Langeveld, ‘Jespersen's theorie der ‘Ranks’. Kritiek en uitbreiding.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28 (1934)
P. Leendertz (jr.), ‘Rose 8832.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
P. Leendertz (jr.), ‘Een paar Middelnederlandsche bastaardwoorden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 23 (1904)
P. Leendertz (jr.), ‘Ontcliven.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 39 (1920)
Martinus Leopold, ‘Doodeter.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J.H. van Lessen, ‘Kakeichie, klakkooi, kak(k)adoris.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 51 (1932)
J.H. van Lessen, ‘Klanknabootsing als taalvormend element’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 55 (1936)
J.H. van Lessen, ‘Nog eens lierelauwen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 57 (1938)
J.H. van Lessen, ‘Over mogelijke verwanten van Vlaams persem’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 65 (1948)
A. van Loey, ‘Aanhangsel’ In: Middelnederlandse spraakkunst. Deel I. Vormleer (1948)
A. van Loey, ‘Over de verhouding van Mnl. or: ar of er vóór consonant’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 66 (1949)
H. Logeman, ‘Taalverval of taalontwikkeling?’ In: Taal en Letteren. Jaargang 5 (1895)
H. Logeman, ‘Taalverval of taalontwikkeling? (Vervolg van blz. 281.)’ In: Taal en Letteren. Jaargang 5 (1895)
L.G. van Loon, ‘Ave atque vale, -Jersey lag duits verdwijnt II.’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
J.J. Mak, ‘Het vocalisme in beklemde syllaben van enige Oost-mnl.se geschriften uit de kring der Moderne Devotie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 55 (1936)
Lodewijk Makeblijde, ‘De moeielikheden van een onderzoek naar de levende taal in het verleden.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 5 (1911)
Ann Marynissen, ‘Ann MarynissenVan -(t)ke naar -(t)jeDe oorsprong en verspreiding van het Nederlandse diminutiefsuffix -(t)je’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 114 (1998)
P.J. Meertens, ‘Taalkaart paars’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
P.J. Meertens, ‘Taalkaart aardbei’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
P.J. Meertens, ‘Taalkaart rug’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
P.J. Meertens, ‘Taalkaart moe (moede)’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
C.H.Ph. Meijer, ‘Frijnen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 33 (1914)
Reinier van der Meulen Rz., ‘Hollando-Russica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 29 (1910)
Reinier van der Meulen Rz., ‘Mnl. paerde.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 30 (1911)
Reinier van der Meulen Rz., ‘Hollando-Russica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 30 (1911)
Reinier van der Meulen Rz., ‘Mnl. loesch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 32 (1913)
Reinier van der Meulen Rz., ‘Liever Turksch dan Paapsch’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 53 (1934)
Peter van Meurs, ‘Het bree.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
L.C. Michels, ‘Een sprongconstructie’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
P.H. van Moerkerken, ‘Ondermet, ondermetten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
P.H. van Moerkerken, ‘Netteboef.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
Henri Ernest Moltzer en J. Verdam, ‘Van ons Heren wonden.’, ‘Dietsche Verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
Marijke Mooijaart, ‘M.A. MooijaartVroegmiddelnederlandse taalvariatiemateriaalverzameling en karteermethode’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 106 (1990)
J.W. Muller, ‘De Taalvormen van Reinaert I en II.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 7 (1887)
J.W. Muller, ‘Ort, orten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
J.W. Muller, ‘Ham en boterham.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
J.W. Muller, ‘Nog iets over anjer en anjelier.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 17 (1898)
J.W. Muller, ‘Tooneel en houweel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J.W. Muller, ‘Brijn.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J.W. Muller, ‘Holland - Olland.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J.W. Muller, ‘Brit.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J.W. Muller, ‘Mnl. sies.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J.W. Muller, ‘Borgen (Bredero, Moortje, 2937).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J.W. Muller, ‘Wouterloot, wouter, woutermannetje.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J.W. Muller, ‘Bontsche maat, boomsche maat.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
J.W. Muller, ‘Gebraden peertje.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
J.W. Muller, ‘Polverduic (boven, blz. 240).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
J.W. Muller, ‘Bontsche maat (Naschrift op Dl. XX, 210).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
J.W. Muller, ‘Gewel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
J.W. Muller, ‘Franck's Mittelniederländische Grammatik herdrukt.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 4 (1910)
J.W. Muller, ‘Over ware en schijnbare gallicismen in het Middelnederlandsch.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 14 (1920)
J.W. Muller, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
J.W. Muller, ‘De uitbreiding van ons taalgebied in de zeventiende eeuw.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 15 (1921)
J.W. Muller, ‘Een en ander over den Nieuwnederlandschen tweeklank of ǘ (‘ui’).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
J.W. Muller, ‘Bijdragen tot de geschiedenis onzer Nieuwnederlandsche aanspreekvormen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 20 (1926)
J.W. Muller, ‘Bijdragen tot de geschiedenis onzer Nieuwnederlandsche aanspreekvormen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 20 (1926)
J.W. Muller, ‘De herkomst van je en jij.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 45 (1926)
J.W. Muller, ‘Bijdragen tot de geschiedenis onzer Nieuwnederlandsche aanspreekvormen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 20 (1926)
J. Naarding, ‘De Nederlandsche benamingen van de uier’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 5 (1936-1937)
G.A. Nauta, ‘Song.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
G.A. Nauta, ‘Geestader.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
G.A. Nauta en Adriaan E.H. Swaen, ‘Kleine Mededeelingen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 55 (1936)
G.A. Nauta, ‘Het expletief ‘als’ vóór een praedicatief-attribuut’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 57 (1938)
G.S. Nienaber, ‘Afrikaans in ‘de tijd’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
Henricus Oort, ‘Schorrimorrie en Fluiten!’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 8 (1888)
G.S. Overdiep, ‘[Nummer 6]’, ‘De studie der Middelnederlandsche grammatica’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
G.S. Overdiep, ‘De middelnederlandsche imperatief’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
P.C. Paardekooper, ‘Tussen Hollands ae en Nederlands aa’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 66 (1949)
W. Pijnenburg, ‘Mnl. tsimadze’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 92 (1976)
W. Pijnenburg, ‘Mnl. G(h)oepssc(h)ene’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 95 (1979)
F.P.H. Prick van Wely, Neerlands taal in 't verre Oosten (1906)
F.P.H. Prick van Wely, ‘Pardoes.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
F.P.H. Prick van Wely, ‘Nog eens zuurzak.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
F.P.H. Prick van Wely, ‘Negerholl. Vutbaj.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
F.P.H. Prick van Wely, ‘Mangga en manggistan.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
F.P.H. Prick van Wely, ‘Eenige oude en nieuwe oosterlingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 29 (1910)
A.A. Prins, ‘Frontal tendency en phonologisch ‘herstel’.’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
J. Prinsen J.Lzn, ‘Men noemt geen koe bont, of er is een vlekje aan.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Anton Reichling, ‘Het handelingskarakter van het woord.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Anton Reichling, ‘Bij het ‘Derde stuk’ van de ‘Zeventiende-eeuwsche Syntaxis’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Cefas van Rossem en Hein van der Voort, Die Creol taal (1996)
Gerlach Royen, ‘Nogmaals de nominale klassifikatie in het Nederlands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 19 (1925)
Gerlach Royen, ‘De ongelukkige trits.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
Gerlach Royen, ‘Taaie onregelmatigheid.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 35 (1941)
Els Ruijsendaal, Letterkonst (1991)
Maurits Sabbe, ‘Een en ander uit den taalstrijd in Zuid-Nederland tusschen 1815 en 1830 door Dr. Maurits Sabbe’ In: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 1936 (1936)
J.J. Salverda de Grave, ‘Bijdragen tot de kennis der uit het Fransch overgenomen woorden in het Nederlandsch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
J.J. Salverda de Grave, ‘Bijdragen tot de kennis der uit het Fransch overgenomen woorden in het Nederlandsch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
J.J. Salverda de Grave, ‘Eenige woordafleidingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J.J. Salverda de Grave, ‘Bijdragen tot de kennis der uit het Frans overgenomen woorden in het Nederlands.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
J.J. Salverda de Grave, ‘Bijdragen tot de kennis der uit het Frans overgenomen woorden in het Nederlands.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
J.J. Salverda de Grave, ‘De meervoudsvorm op -s in het Nederlands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
J.J. Salverda de Grave, ‘Vereenvoudigingsargumenten van vóór honderdzestig jaar.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
J.J. Salverda de Grave, ‘‘Op de eerste plaats’’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 54 (1935)
Willy Sanders, ‘OudnederlandsDrie hoofdstukjes uit de vroegste Nederlandse taal- en letterkunde’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 88 (1972)
M. Schönfeld, ‘Rubben, Rubens.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 30 (1911)
M. Schönfeld, ‘Enige verwanten van ‘mark’.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 31 (1912)
M. Schönfeld, ‘Iets over het woordaksent.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 17 (1923)
M. Schönfeld, ‘Nieuwe opvattingen over klankwetten.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 19 (1925)
M. Schönfeld, ‘Gans.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 53 (1934)
M. Schönfeld, ‘Germania Romana en Romania Germanica.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 29 (1935)
M. Schönfeld, ‘Vormen met gesyncopeerde n.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 36 (1942)
C.W. Schoonhoven, ‘Het Nederlands in Suriname.(Vervolg van blz. 91).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
C.W. Schoonhoven, ‘Het Nederlands in Suriname.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
Jos. Schrijnen, ‘Nederlandsche doubletten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
Jos. Schrijnen, ‘Benrather-, uerdinger- en panningerlinie.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
Jos. Schrijnen, ‘Taalgrenzen in Zuidnederland. - het Mich-kwartier.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26 (1907)
Jos. Schrijnen, ‘[Nummer 3]’, ‘Contemporaine taalkunde’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 4 (1935-1936)
C.P. Serrure, ‘Over het gebruik onzer moedertael te Brussel, in vroegere dagen.’ In: Vaderlandsch museum voor Nederduitsche letterkunde, oudheid en geschiedenis. Deel 3 (1859-1860)
Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek (2001)
Ph.J. Simons, ‘Graduering.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 14 (1920)
Ph.J. Simons, ‘Plastiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 18 (1924)
Ph.J. Simons, ‘Wat na de revolutie?’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 37 (1943)
W. Slijpen, ‘De Limburgsche Sermoenen toch Limburgsch?’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
Ezechiël Slijper, ‘Oorlogswinst der Nederlandse taal.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 11 (1917)
Joh. Jac. Smith, ‘Afrikaans en Nederlands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 7 (1913)
F.A. Snellaert, ‘Iets over den toestand onzer tael en letterkunde.’ In: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 4 (1840)
Jacob Samuel Speyer, ‘Een paar woordafleidingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
Jacob Samuel Speyer, ‘Blond.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
Jacob Samuel Speyer, ‘Eenige opmerkingen omtrent de Nederlandsche substantiva gevormd met het suffix -ling.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 32 (1913)
F.A. Stoett, ‘Ope (Oepe, Oppe).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 6 (1886)
F.A. Stoett, ‘Boontje komt om zijn loontje.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
F.A. Stoett, ‘Beitel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
F.A. Stoett, ‘Boomsche maat.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
F.A. Stoett, ‘Fokken, foppen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 36 (1917)
F.A. Stoett, ‘Kleine mededeelingen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
Jan Stroop, ‘Jan StroopEen herorientatie van de dialektstudie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 96 (1980)
H.A.J. van Swaaij, ‘De perfectiva simplicia in het Nederlandsch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
Henri Isaak Swaving, ‘Een oude kennis uit het Gothisch in het Nederlandsch teruggevonden,door H.J. Swaving.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 1 (1870)
Rob Tempelaars, ‘‘Mij zinkt de moed bij het zien van de hoeveelheid’ De collectie historische taalkunde’ In: Dierbaar magazijn. De bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1995)
Eduard Thorn Prikker, ‘Kleine mee-delingen over boekwerken.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 11 (1901)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Voornaamwoordelike aanduiding in het verleden.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 12 (1918)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Nog meer oude hyperkorrekte vormen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Enkele gegevens betreffende de Noord-Hollandse volkstaal in de zeventiende eeuw.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28 (1934)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Een Amsterdamse scheldroep uit de 15de eeuw.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 32 (1938)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Een vijftiende-eeuwse straatroep.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
[tijdschrift] Nieuwe Taalgids, De, ‘Een stukje morfologiegeschiedenis in een generatief kader’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 69 (1976)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘Een nieuwe strooming in de taalwetenschapSlot’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 1 (1932-1933)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘[Nummer 1]’, ‘Onverwachte Oud-Nederlandsche aansluitingen’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 2 (1933-1934)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘[Nummer 11]’, ‘De oudste rechtstaal.’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 7 (1938-1939)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘De genitief als taalinstrument’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘[Nummer 9]’, ‘Noick, een zeventiende-eeuwsch woord uit Zuid-Limburg’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
[tijdschrift] Onze Taaltuin, ‘Tweetaligheid in het renovatiedeel van het Schinveldsche rolen genachtingboek’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
[tijdschrift] Taal en Letteren, ‘De taal van Grauwbunderland.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
[tijdschrift] Taal en Letteren, ‘De Wachtendonckse Psalmen.Antwoord aan Prof. W.L. van Helten.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
[tijdschrift] Taal en Letteren, ‘‘Dood’ en ‘levend’ in Taal.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Taalgids, De, De Taalgids. Jaargang 9 (1867)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Dietsche Verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 5 (1885)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Van den Borchgrave van Couchi.Fragmenten, Medegedeeld door M. de Vries.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 7 (1887)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Vechten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Ooit.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Bord, dorschen, worden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Varia.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Mittelniederl. labaye.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 33 (1914)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Zur lehre von den Germanischen synkopen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Über die urnordische Sprache.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 42 (1923)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Scherpkorte en Zachtkorte O in Nederlandse woorden van Franse afkomst.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Een Oudnederlandse zin uit de elfde eeuw(met reproduktie)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 52 (1933)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Raket, Reket, Roket, Riket, Rinket’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 94 (1978)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Wim ZonneveldHistorische taalkunde en de eerste en tweede conceptuele verschuiving’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 104 (1988)
[tijdschrift] Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde, ‘Pieter van ReenenKloekes Hollandsche Expansie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 121 (2005)
D.C. Tinbergen, ‘De ‘Twe-spraack vande Nederduitsche Letterkunst’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
S.J. du Toit, ‘S.J. du Toit en die kultivering van Afrikaansdeur Fritz Ponelis’ In: Di koningin fan Skeba of Salomo syn oue goudfelde in Sambesia (1898)
F. de Tollenaere, ‘‘Beijen also ons koeijen dede’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 33 (1939)
F. de Tollenaere, ‘Een klankontwikkeling nd>nj in het Nederlands?’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 69-70 (1952)
F. de Tollenaere, ‘Razdom rodjand niujaim’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 88 (1972)
F. de Tollenaere, ‘F. de TollenaereVan hantreiken en verhandigen tot overhandigen’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 96 (1980)
M.C. van den Toorn, ‘De verklaring in de historische taalkunde’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 94 (1978)
M.C. van den Toorn, ‘M.C. van den ToornDe verklaring in de moderne taalkunde’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 96 (1980)
C.C. Uhlenbeck, ‘Konijn.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11 (1892)
C.C. Uhlenbeck, ‘Etymologica.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 11 (1892)
C.C. Uhlenbeck, ‘De etymologie van Skr. vānara.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
C.C. Uhlenbeck, ‘Waar werd de Indogermaansche stamtaal gesproken?’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
C.C. Uhlenbeck, ‘Eene beteekenis van Skr. ṛká¹£a-.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
C.C. Uhlenbeck, ‘Σμάραγδος.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 14 (1895)
C.C. Uhlenbeck, ‘Boekbespreking.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 24 (1905)
C.C. Uhlenbeck, ‘Aanteekeningen bij Gotische Etymologieën.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 25 (1906)
C.C. Uhlenbeck, ‘Aanteekeningen bij Te Winkel's jongste werk.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 16 (1906)
G.J. Uitman, ‘Een ‘schriftuurlijke’ taalbeschouwing?’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 51 (1958)
Jacob van der Valk, ‘Fumative - Vomative.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 29 (1910)
Isaac van der Velde, De tragedie der werkwoordsvormen (1956)
Jozef Vercoullie, ‘Emmerappel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 1 (1881)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden,doorJ. Verdam.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 1 (1881)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 2 (1882)
J. Verdam, ‘Dietsche Verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 3 (1883)
J. Verdam, ‘Dietsche Verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 4 (1884)
J. Verdam, ‘Dietsche Verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 5 (1885)
J. Verdam, ‘Over de bnw. gematigd, gemoedigd, gemachtigd gerechtigd, gezaligd en geheiligd.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 6 (1886)
J. Verdam, ‘Dietsche Verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 6 (1886)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 6 (1886)
J. Verdam, ‘Custinge.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 7 (1887)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 9 (1890)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 13 (1894)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 16 (1897)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 17 (1898)
J. Verdam, ‘Lood om oud ijzer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J. Verdam, ‘Dietsche verscheidenheden.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J. Verdam, ‘Over het voorvoegsel ont.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J. Verdam, ‘Een tot heden onbekend woord voor leem (nl. don).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J. Verdam, ‘De versterkende beteekenis van on.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 19 (1900)
J. Verdam, ‘Het Tübingsche handschrift van Ons Heren Passie.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 25 (1906)
J. Verdam, ‘Op zijn Fransch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26 (1907)
J. Verdam, ‘Eene beteekenis van Mnl. dac.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26 (1907)
J. Verdam, ‘Nog eens de eenhoorn. (Tijdschr. 29, 95 vlgg.)’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 30 (1911)
J. Verdam, ‘Middelnederlandsche Varia.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 31 (1912)
J. Verdam, ‘Gletemen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 37 (1918)
A.A. Verdenius, ‘Lexicologische aanteekeningen bij stichtelijk proza uit de Middeleeuwen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
A.A. Verdenius, ‘Over de inclinatie in het Middelnederlandsch.(Naar aanleiding van Oostmiddelnederlandsche vormen als gaedet, regendet enz.).’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
A.A. Verdenius, ‘Vreemde taalelementen in onze kluchten en blijspelen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 21 (1927)
A.A. Verdenius, ‘Slaan en zalven.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 22 (1928)
A.A. Verdenius, ‘Het 17de-eeuwse versterkingswoord ong(e)naartich.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
A.A. Verdenius, ‘Als ik opspring, so waecht het al.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 23 (1929)
A.A. Verdenius, ‘Iets uit de geschiedenis van de bilabiale W in het Nederlands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
A.A. Verdenius, ‘Wat het hy te doen?’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
A.A. Verdenius, ‘Over het 17de-eeuwse werkwoord en substantief verlangen.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
A.A. Verdenius, ‘Moortje, vs. 1190: De garde. Het komt u toe!’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
A.A. Verdenius, ‘Eensloefs - eensloechs. (Overgang fs > chs).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 32 (1938)
A.A. Verdenius, ‘Minnelijck als bijwoord van graad in 17de- eeuwse Hollandse taal’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 59 (1940)
A.A. Verdenius, ‘De laatste sporen van du in Noord-Holland.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 36 (1942)
A.A. Verdenius, ‘Opmerkingen over 17de-eeuwse relicten met eu < o’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 62 (1943)
J. Beckering Vinckers, ‘Een tedere kwestie,door J. Beckering Vinckers.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 4 (1873)
J. Beckering Vinckers, ‘Een netelige kwestie.door J. Beckering Vinckers.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 4 (1873)
J. Beckering Vinckers, ‘Spook.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
J. Beckering Vinckers, ‘Bomer en roemer.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
J. Beckering Vinckers, ‘Wodan.’ In: De taal- en letterbode. Jaargang 5 (1874)
J. Beckering Vinckers, ‘Hêleand 984.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 2 (1882)
J. van Vloten, ‘Germanismen en woordverklaring bij Vondel;’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
J. van Vloten, ‘Woordverklaring in Vondel.’ In: De Taalgids. Jaargang 6 (1864)
C.G.N. de Vooys, ‘Mnl. gebroecte.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
C.G.N. de Vooys, ‘Gadopen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
C.G.N. de Vooys, ‘Zestiende-eeuwse grammatika.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 1 (1907)
C.G.N. de Vooys, ‘De Franse woorden in het Nederlands.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 1 (1907)
C.G.N. de Vooys, ‘Wensen en wenken voor een ‘Geschiedenis van de Nederlandse taal.’’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 7 (1913)
C.G.N. de Vooys, ‘Hoe zijn anglicismen te beschouwen?’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
C.G.N. de Vooys, ‘Hoe zijn anglicismen te beschouwen? (Vervolg van blz. 181).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
C.G.N. de Vooys, ‘Hoe zijn anglicismen te beschouwen? (Vervolg van blz. 131).’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 8 (1914)
C.G.N. de Vooys, ‘Nieuwelingen in oudere taal.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 11 (1917)
C.G.N. de Vooys, ‘De invloed van de Renaissance-spraakkunst in de zeventiende eeuw.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 12 (1918)
C.G.N. de Vooys, ‘Een zeventiende-eeuwse ‘Letterklank’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 15 (1921)
C.G.N. de Vooys, ‘Het onderzoek naar de Middel-Nederlandse woordgeografie.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 15 (1921)
C.G.N. de Vooys, ‘De taalbeschouwing van Lambert ten Kate.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 17 (1923)
C.G.N. de Vooys, ‘Taalstudie voor de hoofdakte.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 18 (1924)
C.G.N. de Vooys, ‘Hyperkorrekte taalvormen in het verleden.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 22 (1928)
C.G.N. de Vooys, ‘Bargoens in een laat-middeleeuwse klucht.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
C.G.N. de Vooys, Geschiedenis van de Nederlandse taal (1931)
C.G.N. de Vooys, ‘Is ij bij Huygens altijd een diftong?’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 26 (1932)
C.G.N. de Vooys, ‘Bijdragen tot de Middelnederlandse woord-geografie en woord-chronologie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 54 (1935)
C.G.N. de Vooys, ‘Bijdragen tot de Middelnederlandse woord-geografie en woord-chronologie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 54 (1935)
C.G.N. de Vooys, ‘Een achttiende-eeuwse latinist over spelling.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
C.G.N. de Vooys, ‘Bijdragen tot de Middelnederlandse woord-geografie en woord-chronologie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 58 (1939)
C.G.N. de Vooys, ‘Uit de geschiedenis van de Nederlandse spelling.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 34 (1940)
C.G.N. de Vooys, ‘Een zeldzaam woord in dichtertaal.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 48 (1955)
W.L. de Vreese, ‘Over Middelnederlandsche handschriftkunde in verband met Taal- en letterkunde.’ In: Taal en Letteren. Jaargang 10 (1900)
W.L. de Vreese, ‘Koek en ei.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
W.L. de Vreese, ‘Naschrift bij de correctie.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 51 (1932)
W.L. de Vreese, ‘Mnl. solre.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 51 (1932)
Matthias de Vries, ‘Nog een proefje van middelnederlandsche taalzuivering.’ In: De Taalgids. Jaargang 7 (1865)
Matthias de Vries, ‘NOG EEN PROEFJE VAN MIDDELNEDERLANDSCHE TAALZUIVERING.’ In: De Taalgids. Jaargang 7 (1865)
Matthias de Vries, ‘Middelnederlandsche Mengelingen,doorM. de Vries.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 2 (1882)
Matthias de Vries, ‘Bladvulling.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 2 (1882)
Wobbe de Vries, ‘Eenige opmerkingen naar aanleiding van J. Te Winkel, De Noordnederlandsche Tongvallen, Afl. 2.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 21 (1902)
Wobbe de Vries, ‘Metathesis van korte vocaal tusschen r en dentaal en aanneming van o-kleur. rekking van or vóór dentaal. Umlaut van ur.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
Wobbe de Vries, ‘Abnormale spelling van goed in het Mnl., Mnd. en Ofri.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 30 (1911)
Wobbe de Vries, ‘Mnl. mnd. ofri. guet enz.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 31 (1912)
Wobbe de Vries, ‘Over Å­ in open lettergrepen in het Noordwestelijk Saksisch.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 32 (1913)
Wobbe de Vries, ‘Etymologische aanteekeningen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 33 (1914)
Wobbe de Vries, ‘Naar aanleiding van ‘twee Hollands-Engelse parallellen in de syntaxis’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13 (1919)
Wobbe de Vries, ‘Etymologische aanteekeningen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 40 (1921)
Wobbe de Vries, ‘De verkleinuitgangen in de Nederlanden’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 43 (1924)
Wobbe de Vries, ‘‘Vol’ met accusatief.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 19 (1925)
Wobbe de Vries, ‘Zijn Bilts en Vriezenveens ontstaan doordat Friezen van taal veranderden?’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 46 (1927)
Wobbe de Vries, ‘Mnl. ei voor ij in ‘Gerrit’.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 22 (1928)
Wobbe de Vries, ‘Naar aanleiding van bilabiale w.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 24 (1930)
Jan P.M.L. de Vries, ‘De hypothese van het Keltische substraat’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 50 (1931)
Jan P.M.L. de Vries, ‘Studiën over Germaansche mythologie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 51 (1932)
Wobbe de Vries, ‘Iets over grm. î en û te onzent.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 51 (1932)
Jan P.M.L. de Vries, ‘Studiën over Germaansche mythologie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 51 (1932)
Wobbe de Vries, ‘Oe-relicten in Holland en Zeeland?’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 52 (1933)
Jan P.M.L. de Vries, ‘Studiën over Germaansche mythologie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 52 (1933)
Wobbe de Vries, ‘Bij ‘oe-relicten...’’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 52 (1933)
Jan P.M.L. de Vries, ‘Studiën over Germaansche mythologie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 53 (1934)
Jan P.M.L. de Vries, ‘Studiën over Germaansche mythologie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 53 (1934)
Wobbe de Vries, ‘Enkele betwistbare mouilleringen, vooral jij, je.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 53 (1934)
Jan P.M.L. de Vries, ‘Studiën over Germaansche mythologie’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 54 (1935)
Wobbe de Vries, ‘‘Congruerende voegwoorden’’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 59 (1940)
Wobbe de Vries, ‘Dj < dg’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 61 (1942)
Wobbe de Vries, ‘Tj < tk’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 61 (1942)
Marijke J. van der Wal, De taaltheorie van Johannes Kinker (1977)
S.J. Warren, ‘Kussen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 15 (1896)
A.A. Weijnen, ‘Taalkaart: sajet’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 5 (1936-1937)
A.A. Weijnen, ‘Taalkaart schommel’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
A.A. Weijnen, ‘De û en iets over articulatiegewoonten in Noord-Brabant’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 6 (1937-1938)
A.A. Weijnen, ‘Bijdragen tot de historische grammatica der Brabantse dialecten’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
A.A. Weijnen, ‘Bijdragen tot de historische grammatica der Brabantse dialecten’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 8 (1939-1940)
A.A. Weijnen, ‘[Nummer 6]’, ‘De ouderdom en het isolement van het Schouwens dialect’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
A.A. Weijnen, ‘De hoepel’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
A.A. Weijnen, ‘Contactdissimilatie of analogie?’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 63 (1944)
A.A. Weijnen, ‘Het verspreidingsgebied van de ontronding’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 79 (1963)
W. Wessels, ‘Een nawoord over de theorie der taalwording.’ In: De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
W. Wessels, ‘EEN NAWOORD OVER DE THEORIE DER TAALWORDING.’ In: De Taalgids. Jaargang 8 (1866)
N. van Wijk, ‘Hamer.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 23 (1904)
N. van Wijk, ‘Naar aanleiding van het woord morgen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 24 (1905)
N. van Wijk, ‘De 1. persoon pluralis in het Oudhoogduitsch en andere Westgermaansche dialecten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 26 (1907)
N. van Wijk, ‘Middelnederlandsch soe, Nederlandsch hij.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
N. van Wijk, ‘Baren.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 28 (1909)
N. van Wijk, ‘Een Oudwestnederfrankies -dialekt.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 30 (1911)
N. van Wijk, ‘Gerekte a, e vòòr r + dentaal.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 31 (1912)
N. van Wijk, ‘Mnl. drûghe ‘droog’.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 32 (1913)
N. van Wijk, ‘De umlaut van a in ripuaries- en Salies-Frankiese Dialekten van België en Nederland.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 33 (1914)
N. van Wijk, ‘Kroos ‘eendekroos’ en kroost ‘kinderen’.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 35 (1916)
N. van Wijk, ‘Opmerkingen over taalkundig nationalisme en internationalisme.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 13 (1919)
N. van Wijk, ‘A. Meillet als taalgeleerde en taalhistorikus.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 15 (1921)
N. van Wijk, ‘Nieuwe wegen der vergelijkende linguistiek.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
N. van Wijk, ‘‘Silbenschnitt’ en quantiteit’ In: Onze Taaltuin. Jaargang 9 (1940-1941)
C. Wilkeshuis, ‘De ontwikkeling van u (uit oude ô) tot y in 't Stadsfries.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 28 (1934)
J.F. Willems, ‘Over den oorsprong, den aert, en de natuerlyke vorming der Nederduitsche tael.’ In: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 1 (1837)
J.F. Willems, ‘Over den oorsprong, den aert, en de natuerlyke vorming der Nederduitsche tael.’ In: Belgisch museum voor de Nederduitsche tael- en letterkunde en de geschiedenis des vaderlands. Deel 1 (1837)
Leonard Willems, ‘Middelnederlandsche lexicographische noten.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 27 (1908)
J.H.J. Willems, ‘Sjouw en jouw.’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 31 (1937)
L.A. te Winkel, ‘Over etymologische definities.’ In: De Taalgids. Jaargang 3 (1861)
L.A. te Winkel, ‘Opheldering van eenige uitdrukkingen in Vondel's treurspel Lucifer.’ In: De Taalgids. Jaargang 4 (1862)
J. te Winkel, ‘Bijdragen tot de kennis der Noord-Nederlandsche tongvalllen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J. te Winkel, ‘Bijdragen tot de kennis der Noord-Nederlandsche tongvallen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 18 (1899)
J. te Winkel, ‘Bijdragen tot de kennis der Noord-Nederlandsche tongvallen.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
J. te Winkel, ‘Kachel, catteel.’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 20 (1901)
L.E. Wirth-van Wijk, ‘De ontwikkeling van Oudg. û in het Nederlands en Zweeds’ In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 67 (1950)
Wim Zonneveld, ‘25 jaar generatieve fonologie in Nederland’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 87 (1994)
F.L. Zwaan, ‘Hooftiana IV’ In: De Nieuwe Taalgids. Jaargang 69 (1976)